Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12232
2026-09-16
Civiel recht
C/10/723830 / KG ZA 26-803
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Opheffing beslag. Vordering tot gedeeltelijke opheffing van de beslagen, omdat de gelegde beslagen meer hebben geraakt c.q. meer zullen raken in de toekomst dan waarvoor de vordering is begroot. Belangenafweging vergt opheffing van een gedeelte van de beslagen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.032 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723830 / KG ZA 26-803
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
CORDEEL NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Cordeel,
advocaten: mrs. E.M.M. Vendrig en J.P.F.W. van Eijck,
tegen
MAERSK LOGISTICS & SERVICES NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Maersk,
advocaten: mrs. J.M. Henriquez en L. Orvini.
1De zaak in het kort
Cordeel heeft werkzaamheden verricht in opdracht van Maersk. Volgens Maersk toont het gerealiseerde koel- en vrieshuis gebreken. In de bodemprocedure vordert Maersk primair een verklaring voor recht dat Cordeel aansprakelijk is voor de door Maersk geleden en nog te lijden schade en herstel daarvan. Als zekerheid voor het verhaal van haar vordering heeft Maersk conservatoir beslag doen leggen op bankrekeningen en onder diverse opdrachtgevers van Cordeel. In dit kort geding vordert Cordeel opheffing van die beslagen, met uitzondering van één beslag onder een opdrachtgever. De voorzieningenrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe. Deze beslissing wordt als volgt toegelicht.
2De procedure
2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 augustus 2026, met producties 1 tot en met 18;
- producties 19 tot en met 26 van Cordeel;
- producties 1 tot en met 17 van Maersk;
- de conclusie van antwoord;- de pleitnota van Cordeel;- de pleitnota van Maersk.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2026 plaatsgevonden.
3. De feiten
3.1.
Cordeel heeft voor Maersk een koel- en vrieshuis gerealiseerd op de Tweede Maasvlakte in Rotterdam. Maersk heeft Cordeel op 16 juni 2026 gedagvaard in een bodemprocedure en vordert in die procedure primair onder meer een verklaring voor recht dat Cordeel aansprakelijk is voor de schade die Maersk lijdt en nog zal lijden als gevolg van gebreken aan het koel- en vrieshuis en herstel van deze schade tenzij Maersk een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW uitbrengt.
3.2.
Op 24 juni 2026 verleent de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verlof tot het leggen van diverse conservatoir derdenbeslagen ten laste van Cordeel. Daarbij wordt de vordering van Maersk, met inbegrip van rente en kosten, begroot op € 9.053.800,-.
3.3.
Op 16 juli 2026 legt Maersk conservatoir beslag ten laste van Cordeel onder de ABN AMRO Bank, KBC Bank Nederland en BNP Paribas. De beslagen onder de ABN AMRO Bank en BNP Paribas troffen doel, voor een bedrag van € 1.033.147,59 resp.
€ 2.130,46.
3.4.
Maersk heeft op 16 juli 2026 ook conservatoire beslagen gelegd onder negen opdrachtgevers van Cordeel. De beslagen onder Quooker B.V., Spie Nederland B.V., APM Terminals Maasvlakte II B.V., Heijmans Infra B.V., Air Products Nederland B.V. en Euro-Mit Staal B.V. troffen volgens de derdenverklaringen doel. Partijen twisten over welke bedragen zijn geraakt door de beslagen.
4Het geschil
4.1.
Cordeel vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de op 16 juli 2026 door Maersk gelegde conservatoire derdenbeslagen onder i) ABN AMRO Bank N.V., ii) KBC Bank Nederland N.V., iii) BNP Paribas S.A., iv) Quooker B.V., v) Spie Nederland B.V., vi) Heijmans Infra B.V., vii) Air Products Nederland B.V., viii) Valvoline Holdings 2 B.V., ix) Valvoline lnvestments B.V., x) Valvoline Canada Holding B.V. en xi) Euro-Mit Staal B.V. ten laste van Cordeel op te heffen;
Maersk te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire beslaglegging uit hoofde van het verkregen beslagverlof, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- voor iedere schending van dit verbod, te vermeerderen met een bedrag van € 50.000,- per dag dat de overtreding voortduurt;
Maersk te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire beslaglegging uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over het bestaan en de hoogte van de door Maersk gestelde vordering, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000-, voor iedere schending van dit verbod, te vermeerderen met een bedrag van € 50.000,- per dag dat de overtreding voortduurt;
Subsidiair:
Maersk te gebieden de op 16 juli 2026 ten laste van Cordeel gelegde conservatoire derdenbeslagen onder i) ABN AMRO Bank N.V., ii) KBC Bank Nederland N.V. , iii) BNP Paribas S.A., iv) Quooker B.V., v) Spie Nederland B.V., vi) Heijmans lnfra B.V., vii) Air Products Nederland B.V., viii) Valvoline Holdings 2 B.V., ix) Valvoline lnvestments B.V., x) Valvoline Canada Holding B.V. en xi) Euro-Mit Staal B.V. binnen 24 uur na dit vonnis op te heffen en van die opheffing schriftelijk mededeling te doen aan Cordeel, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- voor iedere dag of dagdeel dat Maersk niet aan dit gebod voldoet;
Maersk te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire beslaglegging uit hoofde van het verkregen beslagverlof of uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over het bestaan en de hoogte van de door Maersk gestelde vordering zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- voor iedere schending van dit verbod, te vermeerderen met een bedrag van € 50.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
in alle gevallen:
Maersk te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Maersk voert verweer. Maersk concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cordeel, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cordeel, met veroordeling van Cordeel in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
5.1.
In dit kort geding is de vraag aan de orde of alle onder Cordeel gelegde derdenbeslagen, met uitzondering van het beslag onder APMT, moeten worden opgeheven, omdat dit beslag volgens Cordeel voldoende zekerheid biedt voor verhaal. De (on)deugdelijkheid van de vordering staat niet ter discussie. Of een beslag moet worden opgeheven vanwege het onnodige ervan in de hier bedoelde zin berust op een weging van alle omstandigheden van het geval en moet in het kader van een belangenafweging worden beoordeeld.
Heeft Maersk artikel 21 Rv geschonden in het beslagrekest?
5.2.
De meest verstrekkende stelling van Cordeel is dat Maersk artikel 21 Rv heeft geschonden door in het beslagrekest niet te vermelden dat Maersk wist van de royale verhaalsmogelijkheid die APMT biedt. Maersk en APMT zijn aan elkaar gelieerde partijen en zij maken gebruik van dezelfde bedrijfsjurist, die de overeenkomst tussen Cordeel en APMT heeft ondertekend. Deze onjuiste voorstelling van zaken moet tot het oordeel leiden dat alle door Maersk gelegde beslagen ten laste van Cordeel moeten worden opgeheven, met uitzondering van het beslag onder APMT, aldus Cordeel.
5.3.
Cordeel heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gestelde omstandigheden er toe hebben geleid dat de voorzieningenrechter onjuist is voorgelicht in het beslagrekest. Immers, zoals Maersk terecht aanvoert, is niet aannemelijk geworden dat Maersk zich door het indirecte concernverband en/of de betrokkenheid van de bedrijfsjurist een betere verhaalspositie heeft verschaft. Van een schending van artikel 21 Rv is dus geen sprake.
Voor welke bedragen hebben de beslagen doel getroffen?
5.4.
Partijen twisten over de vraag voor welke bedragen de beslagen onder de opdrachtgevers van Cordeel doel hebben getroffen. Volgens Cordeel hebben de beslagen voor een veel groter bedrag doel getroffen dan waarvoor verlof is verleend. Maersk betwist dit en stelt dat enkel kan en mag worden uitgegaan van de bedragen die genoemd zijn in de derdenverklaringen. De voorzieningenrechter overweegt dat de wet bij conservatoire beslagen geen mogelijkheid biedt de inhoud van de derdenverklaring formeel in een procedure te betwisten. Dit betekent echter niet, zo begrijpt de voorzieningenrechter het verweer van Maersk, dat die verklaring dwingende bewijskracht heeft in dit kort geding.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Cordeel enkel ten aanzien van APMT erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat het beslag voor meer heeft geraakt dan in de derdenverklaring is opgenomen. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.5.
Uit de derdenverklaring van APMT volgt dat op grond van de Design and Build Agreement van 29 september 2025 tussen Cordeel en APMT, APMT ten tijde van de beslaglegging een bedrag van € 1.012.215,22 excl. BTW aan Cordeel verschuldigd is. APMT vermeldt in die verklaring niet dat sprake is van toekomstige vorderingen. Cordeel heeft echter aannemelijk gemaakt dat wel sprake is van toekomstige vorderingen. Uit de overgelegde overeenkomst en facturen van Cordeel die bij de derdenverklaring zijn gevoegd blijkt immers een aanneemsom van € 21.675.000,-. Daarnaast heeft Cordeel een facturatieoverzicht en een overzicht van het inmiddels goedgekeurde meerwerk overgelegd waaruit volgt dat op grond van de overeenkomst nog een restant van ruim € 20 miljoen inclusief BTW aan Cordeel moet worden betaald. Maersk heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Aannemelijk is dus dat het beslag meer heeft geraakt dan het bedrag dat is opgenomen in de derdenverklaring.
5.6.
Cordeel stelt in de dagvaarding dat het beslag onder Quooker een bedrag van
€ 506.740,- zou hebben geraakt. Uit de derdenverklaring blijkt echter dat Quooker nog een eenmalig bedrag van € 460.743,- aan Cordeel te betalen heeft. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat het laatstgenoemde bedrag is geraakt door het beslag.
5.7.
Volgens Cordeel raakt het beslag onder Spie Nederland een bedrag van
€ 5.165.770,- waarvan € 293.000,- een bestaande vordering betreft en € 4.872.740,- toekomstige vorderingen. Uit de derdenverklaring van Spie Nederland volgt een bedrag van € 138.914,58 aan opeisbare vorderingen na een beroep op verrekening. Cordeel beroept zich op een aanvulling op de derdenverklaring waarin Spie Nederland aangeeft toekomstig ook nog te vorderen heeft een bedrag van € 4.766.818,- in totaal. De onderliggende overeenkomsten en/of facturen ontbreken echter. Cordeel heeft daardoor onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag meer heeft geraakt dan uit de derdenverklaring volgt.
5.8.
Heijmans Infra verklaart in de derdenverklaring dat zij nog een eenmalig bedrag van
€ 108.134,- moet betalen aan Cordeel en dat er verder een opdracht is gesloten voor
€ 1.844.593,- onder voorbehoud van gunning van de opdracht aan Heijmans Infra. Gelet op dit voorbehoud en het ontbreken van een toelichting van Cordeel daarop, is op dit moment niet duidelijk of het beslag ook toekomstige vorderingen heeft geraakt en zo ja, voor welk bedrag.
5.9.
Uit de derdenverklaring en de daaraan gehechte facturen van Air Products volgt dat zij op dit moment € 1.767.956,79 incl. BTW is verschuldigd aan Cordeel en toekomstig nog minimaal € 1.945.799,33 excl. BTW. Euro-Mit Staal is volgens de derdenverklaring een bedrag van € 102.438.37 verschuldigd aan Cordeel. Valvoline Holdings 2 B.V., Valvoline Investments B.V. en Valvoline Canada Holding B.V. verklaarden dat er geen rechtsverhouding tussen Cordeel en hen bestaat. De voorzieningenrechter gaat hier dan ook vanuit.
De beslagen onder Spie Nederland, Heijmans Infra en Euro-Mit Staal moeten worden opgeheven
5.10.
Uit het hiervoor overwogene en uit de derdenverklaringen van de banken (zie 3.3.) volgt dat de beslagen nu voor ongeveer de helft van de begrote vordering hebben geraakt en dat aannemelijk is dat de beslagen in de toekomst een veelvoud zullen raken ten opzichte van de begrote vordering. Cordeel stelt dat de beslagen daarom disproportioneel en onnodig zijn en dat de beslagen tot gevolg hebben dat haar bedrijfsvoering en continuïteit onder druk komen te staan. Als alle beslagen onder de opdrachtgevers worden gehandhaafd, wordt Cordeel immers niet meer uitbetaald voor de lopende projecten waardoor zij haar personeel, onderaannemers en leveranciers niet meer kan betalen. Maersk betwist de gestelde liquiditeitsproblemen en voert aan dat alle beslagen moeten worden gehandhaafd ter verzekering van verhaal voor de oplopende schade aan de zijde van Maersk. Bovendien moet er worden gekeken naar de daadwerkelijke verhaalszekerheid die de gelegde beslagen geven.
5.11.
De voorzieningenrechter overweegt dat het Maersk kan worden toegegeven dat Cordeel haar financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd. Het is echter wel aannemelijk geworden dat haar bedrijfsvoering op dit moment onder druk staat. Maersk heeft immers beslag gelegd op bankrekeningen en onder meerdere opdrachtgevers waar Cordeel veelvuldig mee samenwerkt. Cordeel heeft ter zitting verder toegelicht dat zij vanwege de beslagen onder de opdrachtgevers geen facturen krijgt uitbetaald voor verrichte werkzaamheden. Hierdoor kan zij ook geen nieuwe projecten meer aangaan. Deze projecten moeten immers voorgefinancierd worden en dat is nu niet mogelijk vanwege een gebrek aan liquiditeit en/of mogelijkheid om een bankgarantie te verstrekken. Cordeel heeft vervolgens aangevoerd dat zij door de gelegde beslagen reputatieschade lijdt, omdat (toekomstige) opdrachtgevers het risicovol vinden om nog zaken te doen met Cordeel. Cordeel heeft gelet op het voorgaande dus groot belang bij opheffing van (een deel van) de beslagen, zodat zij haar activiteiten weer kan hervatten en aan haar lopende betalingsverplichtingen kan voldoen.
Anderzijds is aannemelijk dat Maersk risico loopt bij de beslagen onder opdrachtgevers waar ook nog sprake is van toekomstige vorderingen. Maersk stelt immers terecht dat de mogelijkheid bestaat dat als haar vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, zij de executieopbrengst mogelijk moet delen met (nu nog onbekende) beslagleggers, nog daargelaten het risico dat de opdrachtgever waaronder beslag is gelegd, insolvent raakt.
5.12.
De voorzieningenrechter neemt tot slot in de belangenafweging mee dat de beslagleggingen van Maersk omvangrijk en breed zijn terwijl Maersk in de bodemprocedure primair vordert om de schade te herstellen in plaats van een veroordeling tot betaling van de door haar begrote schade. Een deel van de beslagen moeten daarom worden opgeheven. De beslagen onder de ABN AMRO Bank, BNP Paribas, Quooker en Air Products moeten, naast het beslag onder APMT, worden gehandhaafd, omdat deze beslagen Maersk de meeste zekerheid bieden. De beslagen onder Spie Nederland, Heijmans Infra en Euro-Mit Staal moeten worden opgeheven in het kader van de belangen van Cordeel. De beslagen onder KBC Bank Nederland, Valvoline Holdings 2, Valvoline lnvestments en Valvoline Canada Holding hebben geen doel getroffen, dus het belang bij opheffing daarvan ontbreekt.
De vorderingen
5.13.
Op grond van artikel 705 lid 1 Rv heft de voorzieningenrechter een gedeelte van de beslagen zelf op. Een gebod aan Maersk om de beslagen op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom kan daarmee achterwege blijven.
5.14.
Cordeel vordert beslagverboden uit hoofde van het verkregen beslagverlof en uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof. Beide verboden worden afgewezen. Het beslagverbod uit hoofde van het verkregen beslagverlof ziet op het toegewezen repeterend beslag op de bankrekeningen. Deze vordering is echter niet onderbouwd in de dagvaarding. Daar komt bij dat het belang bij die vordering ontbreekt. Het verlof tot het leggen van repeterend beslag op de bankrekeningen is immers verleend voor een periode van 60 dagen na de eerste beslaglegging. De eerste beslaglegging dateert van 16 juli 2026. De periode van 60 dagen is hierdoor reeds verstreken op de datum waarop dit vonnis wordt gewezen.
Het beslagverbod uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof beperkt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. In beginsel is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar als misbruik van beslagrecht dreigt. Cordeel heeft onvoldoende onderbouwd dat daarvan sprake is. Van Maersk mag uiteraard worden verwacht dat zij de voorzieningenrechter volledig informeert als zij opnieuw verlof voor beslaglegging zou willen vragen. De primaire vorderingen ii. en iii. en de subsidiaire vorderingen iv. en v. worden dus afgewezen.
5.15.
Omdat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
heft op de op 16 juli 2026 ten laste van Cordeel gelegde beslagen onder:
Spie Nederland B.V.;
Heijmans Infra B.V.;
Euro-Mit Staal B.V.
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
3608/3577
Producties 18 van Cordeel en 9 van Maersk.
Productie 25 van Cordeel.
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723830 / KG ZA 26-803
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
CORDEEL NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Cordeel,
advocaten: mrs. E.M.M. Vendrig en J.P.F.W. van Eijck,
tegen
MAERSK LOGISTICS & SERVICES NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Maersk,
advocaten: mrs. J.M. Henriquez en L. Orvini.
1De zaak in het kort
Cordeel heeft werkzaamheden verricht in opdracht van Maersk. Volgens Maersk toont het gerealiseerde koel- en vrieshuis gebreken. In de bodemprocedure vordert Maersk primair een verklaring voor recht dat Cordeel aansprakelijk is voor de door Maersk geleden en nog te lijden schade en herstel daarvan. Als zekerheid voor het verhaal van haar vordering heeft Maersk conservatoir beslag doen leggen op bankrekeningen en onder diverse opdrachtgevers van Cordeel. In dit kort geding vordert Cordeel opheffing van die beslagen, met uitzondering van één beslag onder een opdrachtgever. De voorzieningenrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe. Deze beslissing wordt als volgt toegelicht.
2De procedure
2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 augustus 2026, met producties 1 tot en met 18;
- producties 19 tot en met 26 van Cordeel;
- producties 1 tot en met 17 van Maersk;
- de conclusie van antwoord;- de pleitnota van Cordeel;- de pleitnota van Maersk.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2026 plaatsgevonden.
3. De feiten
3.1.
Cordeel heeft voor Maersk een koel- en vrieshuis gerealiseerd op de Tweede Maasvlakte in Rotterdam. Maersk heeft Cordeel op 16 juni 2026 gedagvaard in een bodemprocedure en vordert in die procedure primair onder meer een verklaring voor recht dat Cordeel aansprakelijk is voor de schade die Maersk lijdt en nog zal lijden als gevolg van gebreken aan het koel- en vrieshuis en herstel van deze schade tenzij Maersk een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW uitbrengt.
3.2.
Op 24 juni 2026 verleent de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verlof tot het leggen van diverse conservatoir derdenbeslagen ten laste van Cordeel. Daarbij wordt de vordering van Maersk, met inbegrip van rente en kosten, begroot op € 9.053.800,-.
3.3.
Op 16 juli 2026 legt Maersk conservatoir beslag ten laste van Cordeel onder de ABN AMRO Bank, KBC Bank Nederland en BNP Paribas. De beslagen onder de ABN AMRO Bank en BNP Paribas troffen doel, voor een bedrag van € 1.033.147,59 resp.
€ 2.130,46.
3.4.
Maersk heeft op 16 juli 2026 ook conservatoire beslagen gelegd onder negen opdrachtgevers van Cordeel. De beslagen onder Quooker B.V., Spie Nederland B.V., APM Terminals Maasvlakte II B.V., Heijmans Infra B.V., Air Products Nederland B.V. en Euro-Mit Staal B.V. troffen volgens de derdenverklaringen doel. Partijen twisten over welke bedragen zijn geraakt door de beslagen.
4Het geschil
4.1.
Cordeel vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de op 16 juli 2026 door Maersk gelegde conservatoire derdenbeslagen onder i) ABN AMRO Bank N.V., ii) KBC Bank Nederland N.V., iii) BNP Paribas S.A., iv) Quooker B.V., v) Spie Nederland B.V., vi) Heijmans Infra B.V., vii) Air Products Nederland B.V., viii) Valvoline Holdings 2 B.V., ix) Valvoline lnvestments B.V., x) Valvoline Canada Holding B.V. en xi) Euro-Mit Staal B.V. ten laste van Cordeel op te heffen;
Maersk te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire beslaglegging uit hoofde van het verkregen beslagverlof, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- voor iedere schending van dit verbod, te vermeerderen met een bedrag van € 50.000,- per dag dat de overtreding voortduurt;
Maersk te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire beslaglegging uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over het bestaan en de hoogte van de door Maersk gestelde vordering, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000-, voor iedere schending van dit verbod, te vermeerderen met een bedrag van € 50.000,- per dag dat de overtreding voortduurt;
Subsidiair:
Maersk te gebieden de op 16 juli 2026 ten laste van Cordeel gelegde conservatoire derdenbeslagen onder i) ABN AMRO Bank N.V., ii) KBC Bank Nederland N.V. , iii) BNP Paribas S.A., iv) Quooker B.V., v) Spie Nederland B.V., vi) Heijmans lnfra B.V., vii) Air Products Nederland B.V., viii) Valvoline Holdings 2 B.V., ix) Valvoline lnvestments B.V., x) Valvoline Canada Holding B.V. en xi) Euro-Mit Staal B.V. binnen 24 uur na dit vonnis op te heffen en van die opheffing schriftelijk mededeling te doen aan Cordeel, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- voor iedere dag of dagdeel dat Maersk niet aan dit gebod voldoet;
Maersk te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire beslaglegging uit hoofde van het verkregen beslagverlof of uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over het bestaan en de hoogte van de door Maersk gestelde vordering zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- voor iedere schending van dit verbod, te vermeerderen met een bedrag van € 50.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
in alle gevallen:
Maersk te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Maersk voert verweer. Maersk concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cordeel, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cordeel, met veroordeling van Cordeel in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
5.1.
In dit kort geding is de vraag aan de orde of alle onder Cordeel gelegde derdenbeslagen, met uitzondering van het beslag onder APMT, moeten worden opgeheven, omdat dit beslag volgens Cordeel voldoende zekerheid biedt voor verhaal. De (on)deugdelijkheid van de vordering staat niet ter discussie. Of een beslag moet worden opgeheven vanwege het onnodige ervan in de hier bedoelde zin berust op een weging van alle omstandigheden van het geval en moet in het kader van een belangenafweging worden beoordeeld.
Heeft Maersk artikel 21 Rv geschonden in het beslagrekest?
5.2.
De meest verstrekkende stelling van Cordeel is dat Maersk artikel 21 Rv heeft geschonden door in het beslagrekest niet te vermelden dat Maersk wist van de royale verhaalsmogelijkheid die APMT biedt. Maersk en APMT zijn aan elkaar gelieerde partijen en zij maken gebruik van dezelfde bedrijfsjurist, die de overeenkomst tussen Cordeel en APMT heeft ondertekend. Deze onjuiste voorstelling van zaken moet tot het oordeel leiden dat alle door Maersk gelegde beslagen ten laste van Cordeel moeten worden opgeheven, met uitzondering van het beslag onder APMT, aldus Cordeel.
5.3.
Cordeel heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gestelde omstandigheden er toe hebben geleid dat de voorzieningenrechter onjuist is voorgelicht in het beslagrekest. Immers, zoals Maersk terecht aanvoert, is niet aannemelijk geworden dat Maersk zich door het indirecte concernverband en/of de betrokkenheid van de bedrijfsjurist een betere verhaalspositie heeft verschaft. Van een schending van artikel 21 Rv is dus geen sprake.
Voor welke bedragen hebben de beslagen doel getroffen?
5.4.
Partijen twisten over de vraag voor welke bedragen de beslagen onder de opdrachtgevers van Cordeel doel hebben getroffen. Volgens Cordeel hebben de beslagen voor een veel groter bedrag doel getroffen dan waarvoor verlof is verleend. Maersk betwist dit en stelt dat enkel kan en mag worden uitgegaan van de bedragen die genoemd zijn in de derdenverklaringen. De voorzieningenrechter overweegt dat de wet bij conservatoire beslagen geen mogelijkheid biedt de inhoud van de derdenverklaring formeel in een procedure te betwisten. Dit betekent echter niet, zo begrijpt de voorzieningenrechter het verweer van Maersk, dat die verklaring dwingende bewijskracht heeft in dit kort geding.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Cordeel enkel ten aanzien van APMT erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat het beslag voor meer heeft geraakt dan in de derdenverklaring is opgenomen. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.5.
Uit de derdenverklaring van APMT volgt dat op grond van de Design and Build Agreement van 29 september 2025 tussen Cordeel en APMT, APMT ten tijde van de beslaglegging een bedrag van € 1.012.215,22 excl. BTW aan Cordeel verschuldigd is. APMT vermeldt in die verklaring niet dat sprake is van toekomstige vorderingen. Cordeel heeft echter aannemelijk gemaakt dat wel sprake is van toekomstige vorderingen. Uit de overgelegde overeenkomst en facturen van Cordeel die bij de derdenverklaring zijn gevoegd blijkt immers een aanneemsom van € 21.675.000,-. Daarnaast heeft Cordeel een facturatieoverzicht en een overzicht van het inmiddels goedgekeurde meerwerk overgelegd waaruit volgt dat op grond van de overeenkomst nog een restant van ruim € 20 miljoen inclusief BTW aan Cordeel moet worden betaald. Maersk heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Aannemelijk is dus dat het beslag meer heeft geraakt dan het bedrag dat is opgenomen in de derdenverklaring.
5.6.
Cordeel stelt in de dagvaarding dat het beslag onder Quooker een bedrag van
€ 506.740,- zou hebben geraakt. Uit de derdenverklaring blijkt echter dat Quooker nog een eenmalig bedrag van € 460.743,- aan Cordeel te betalen heeft. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat het laatstgenoemde bedrag is geraakt door het beslag.
5.7.
Volgens Cordeel raakt het beslag onder Spie Nederland een bedrag van
€ 5.165.770,- waarvan € 293.000,- een bestaande vordering betreft en € 4.872.740,- toekomstige vorderingen. Uit de derdenverklaring van Spie Nederland volgt een bedrag van € 138.914,58 aan opeisbare vorderingen na een beroep op verrekening. Cordeel beroept zich op een aanvulling op de derdenverklaring waarin Spie Nederland aangeeft toekomstig ook nog te vorderen heeft een bedrag van € 4.766.818,- in totaal. De onderliggende overeenkomsten en/of facturen ontbreken echter. Cordeel heeft daardoor onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag meer heeft geraakt dan uit de derdenverklaring volgt.
5.8.
Heijmans Infra verklaart in de derdenverklaring dat zij nog een eenmalig bedrag van
€ 108.134,- moet betalen aan Cordeel en dat er verder een opdracht is gesloten voor
€ 1.844.593,- onder voorbehoud van gunning van de opdracht aan Heijmans Infra. Gelet op dit voorbehoud en het ontbreken van een toelichting van Cordeel daarop, is op dit moment niet duidelijk of het beslag ook toekomstige vorderingen heeft geraakt en zo ja, voor welk bedrag.
5.9.
Uit de derdenverklaring en de daaraan gehechte facturen van Air Products volgt dat zij op dit moment € 1.767.956,79 incl. BTW is verschuldigd aan Cordeel en toekomstig nog minimaal € 1.945.799,33 excl. BTW. Euro-Mit Staal is volgens de derdenverklaring een bedrag van € 102.438.37 verschuldigd aan Cordeel. Valvoline Holdings 2 B.V., Valvoline Investments B.V. en Valvoline Canada Holding B.V. verklaarden dat er geen rechtsverhouding tussen Cordeel en hen bestaat. De voorzieningenrechter gaat hier dan ook vanuit.
De beslagen onder Spie Nederland, Heijmans Infra en Euro-Mit Staal moeten worden opgeheven
5.10.
Uit het hiervoor overwogene en uit de derdenverklaringen van de banken (zie 3.3.) volgt dat de beslagen nu voor ongeveer de helft van de begrote vordering hebben geraakt en dat aannemelijk is dat de beslagen in de toekomst een veelvoud zullen raken ten opzichte van de begrote vordering. Cordeel stelt dat de beslagen daarom disproportioneel en onnodig zijn en dat de beslagen tot gevolg hebben dat haar bedrijfsvoering en continuïteit onder druk komen te staan. Als alle beslagen onder de opdrachtgevers worden gehandhaafd, wordt Cordeel immers niet meer uitbetaald voor de lopende projecten waardoor zij haar personeel, onderaannemers en leveranciers niet meer kan betalen. Maersk betwist de gestelde liquiditeitsproblemen en voert aan dat alle beslagen moeten worden gehandhaafd ter verzekering van verhaal voor de oplopende schade aan de zijde van Maersk. Bovendien moet er worden gekeken naar de daadwerkelijke verhaalszekerheid die de gelegde beslagen geven.
5.11.
De voorzieningenrechter overweegt dat het Maersk kan worden toegegeven dat Cordeel haar financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd. Het is echter wel aannemelijk geworden dat haar bedrijfsvoering op dit moment onder druk staat. Maersk heeft immers beslag gelegd op bankrekeningen en onder meerdere opdrachtgevers waar Cordeel veelvuldig mee samenwerkt. Cordeel heeft ter zitting verder toegelicht dat zij vanwege de beslagen onder de opdrachtgevers geen facturen krijgt uitbetaald voor verrichte werkzaamheden. Hierdoor kan zij ook geen nieuwe projecten meer aangaan. Deze projecten moeten immers voorgefinancierd worden en dat is nu niet mogelijk vanwege een gebrek aan liquiditeit en/of mogelijkheid om een bankgarantie te verstrekken. Cordeel heeft vervolgens aangevoerd dat zij door de gelegde beslagen reputatieschade lijdt, omdat (toekomstige) opdrachtgevers het risicovol vinden om nog zaken te doen met Cordeel. Cordeel heeft gelet op het voorgaande dus groot belang bij opheffing van (een deel van) de beslagen, zodat zij haar activiteiten weer kan hervatten en aan haar lopende betalingsverplichtingen kan voldoen.
Anderzijds is aannemelijk dat Maersk risico loopt bij de beslagen onder opdrachtgevers waar ook nog sprake is van toekomstige vorderingen. Maersk stelt immers terecht dat de mogelijkheid bestaat dat als haar vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, zij de executieopbrengst mogelijk moet delen met (nu nog onbekende) beslagleggers, nog daargelaten het risico dat de opdrachtgever waaronder beslag is gelegd, insolvent raakt.
5.12.
De voorzieningenrechter neemt tot slot in de belangenafweging mee dat de beslagleggingen van Maersk omvangrijk en breed zijn terwijl Maersk in de bodemprocedure primair vordert om de schade te herstellen in plaats van een veroordeling tot betaling van de door haar begrote schade. Een deel van de beslagen moeten daarom worden opgeheven. De beslagen onder de ABN AMRO Bank, BNP Paribas, Quooker en Air Products moeten, naast het beslag onder APMT, worden gehandhaafd, omdat deze beslagen Maersk de meeste zekerheid bieden. De beslagen onder Spie Nederland, Heijmans Infra en Euro-Mit Staal moeten worden opgeheven in het kader van de belangen van Cordeel. De beslagen onder KBC Bank Nederland, Valvoline Holdings 2, Valvoline lnvestments en Valvoline Canada Holding hebben geen doel getroffen, dus het belang bij opheffing daarvan ontbreekt.
De vorderingen
5.13.
Op grond van artikel 705 lid 1 Rv heft de voorzieningenrechter een gedeelte van de beslagen zelf op. Een gebod aan Maersk om de beslagen op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom kan daarmee achterwege blijven.
5.14.
Cordeel vordert beslagverboden uit hoofde van het verkregen beslagverlof en uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof. Beide verboden worden afgewezen. Het beslagverbod uit hoofde van het verkregen beslagverlof ziet op het toegewezen repeterend beslag op de bankrekeningen. Deze vordering is echter niet onderbouwd in de dagvaarding. Daar komt bij dat het belang bij die vordering ontbreekt. Het verlof tot het leggen van repeterend beslag op de bankrekeningen is immers verleend voor een periode van 60 dagen na de eerste beslaglegging. De eerste beslaglegging dateert van 16 juli 2026. De periode van 60 dagen is hierdoor reeds verstreken op de datum waarop dit vonnis wordt gewezen.
Het beslagverbod uit hoofde van een nieuw te verkrijgen verlof beperkt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. In beginsel is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar als misbruik van beslagrecht dreigt. Cordeel heeft onvoldoende onderbouwd dat daarvan sprake is. Van Maersk mag uiteraard worden verwacht dat zij de voorzieningenrechter volledig informeert als zij opnieuw verlof voor beslaglegging zou willen vragen. De primaire vorderingen ii. en iii. en de subsidiaire vorderingen iv. en v. worden dus afgewezen.
5.15.
Omdat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
heft op de op 16 juli 2026 ten laste van Cordeel gelegde beslagen onder:
Spie Nederland B.V.;
Heijmans Infra B.V.;
Euro-Mit Staal B.V.
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
3608/3577
Producties 18 van Cordeel en 9 van Maersk.
Productie 25 van Cordeel.