Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12180
2026-09-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11606279 CV EXPL 25-6734
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Openstaande facturen advocaatkosten toegewezen. Niet is gebleken dat er, zoals gedaagde stelt, een vaste prijsafspraak tussen partijen gold en er te veel was gefactureerd. Bovendien heeft gedaagde de facturen eerder zonder protest behouden, eiseres bedankt voor het werk en haar expliciet beloofd te betalen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.366 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11606279 CV EXPL 25-6734
datum uitspraak: 18 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. M.B. Visser,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 14 maart 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte houdende verzoek schorsing ex artikel 225 Rv, hervatting ex artikel 227 Rv en overlegging producties van [eiseres] van 29 juli 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 20 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van [eiseres] en [gedaagde].
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 27 november 2023 is tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomst heeft mr. M.B. Visser, die werkzaam is bij [eiseres], [gedaagde] als advocaat bijgestaan in een juridisch geschil met de verhuurder van zijn sportschool. [eiseres] heeft voor de uitgevoerde werkzaamheden twee facturen gestuurd van in totaal € 4.817,62, maar [gedaagde] heeft deze niet betaald. Zij vordert daarom dat hij dat alsnog doet, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 606,75, rente en proceskosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering en stelt dat er een vaste prijsafspraak gold van € 4.000,- à € 4.500,-. Volgens hem was mr. M.B. Visser slecht bereikbaar en is er onnodig gefactureerd voor informerende gesprekken. De totale kosten zijn opgelopen tot een onredelijk hoog bedrag. De kantonrechter oordeelt echter dat de vordering wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Schorsing en hervatting
2.2.
[eiseres] heeft op grond van artikel 225 lid 1 sub c jo. artikel 227 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om schorsing en hervatting van de procedure verzocht wegens rechtsopvolging onder algemene titel. Dit verzoek is op de juiste wijze bij exploot aan [gedaagde] aangezegd. Omdat hij hiertegen geen verweer heeft gevoerd, mag [eiseres] als eiseres deze procedure overnemen.
Facturen
2.3.
Vaststaat dat partijen met elkaar een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan. Op grond van artikel 7:405 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet de opdrachtgever het overeengekomen loon betalen aan de opdrachtnemer. [eiseres] heeft haar vordering uitvoerig onderbouwd met de schriftelijke opdrachtbevestiging, gespecificeerde urenstaten, facturen en inhoudelijke processtukken. Hoewel [gedaagde] betwist de facturen te zijn verschuldigd, heeft hij zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. Daartoe is het volgende van belang.
2.4.
In de eerste plaats stelt [gedaagde] dat er een vaste prijsafspraak van € 4.000,- à € 4.500,- is gemaakt. Deze stelling wordt echter uitdrukkelijk weerlegd door de schriftelijke opdrachtbevestiging (bijlage 2 van de dagvaarding), waarin uitsluitend een uurtarief van € 225,- per uur (exclusief btw) is vermeld. Een vaste prijsafspraak of een maximaal bedrag blijkt nergens uit. Verder volgt uit de overgelegde correspondentie (bijlagens 5 en 7 van de dagvaarding) dat [gedaagde] de facturen zonder protest heeft behouden en op 27 januari 2025 en 26 februari 2025 expliciet heeft toegezegd de facturen te zullen betalen. Hij heeft toen geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van de hoogte van het bedrag of de kwaliteit van de werkzaamheden. Integendeel, [gedaagde] heeft [eiseres] uitdrukkelijk bedankt voor het geleverde werk. Pas op de zitting van 20 augustus 2026 heeft [gedaagde] voor het eerst kenbaar gemaakt dat hij schriftelijke stukken zou hebben waaruit zijn bezwaren tegen de verrichte werkzaamheden zouden blijken. Hij heeft deze stukken echter niet in het geding gebracht, hoewel hij daarvoor ruimschoots de gelegenheid had.
2.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de facturen van in totaal € 4.817,62 nog moet betalen.
Incassokosten
2.6.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€ 606,75) voldoet aan de vereisten van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025.
Rente
2.7.
De wettelijke handelsrente over de afzonderlijke factuurbedragen wordt toegewezen vanaf de respectievelijke data van verzuim (27 januari 2025 en 16 februari 2025), omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 123,16 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.530,16. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.817,62 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.416,98 vanaf 27 januari 2025 tot de dag dat volledig is betaald en over een bedrag van € 2.400,64 vanaf 16 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan te betalen € 606,75 aan buitengerechtelijke incassokosten met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 4 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.530,16;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11606279 CV EXPL 25-6734
datum uitspraak: 18 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. M.B. Visser,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 14 maart 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte houdende verzoek schorsing ex artikel 225 Rv, hervatting ex artikel 227 Rv en overlegging producties van [eiseres] van 29 juli 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 20 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van [eiseres] en [gedaagde].
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 27 november 2023 is tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomst heeft mr. M.B. Visser, die werkzaam is bij [eiseres], [gedaagde] als advocaat bijgestaan in een juridisch geschil met de verhuurder van zijn sportschool. [eiseres] heeft voor de uitgevoerde werkzaamheden twee facturen gestuurd van in totaal € 4.817,62, maar [gedaagde] heeft deze niet betaald. Zij vordert daarom dat hij dat alsnog doet, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 606,75, rente en proceskosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering en stelt dat er een vaste prijsafspraak gold van € 4.000,- à € 4.500,-. Volgens hem was mr. M.B. Visser slecht bereikbaar en is er onnodig gefactureerd voor informerende gesprekken. De totale kosten zijn opgelopen tot een onredelijk hoog bedrag. De kantonrechter oordeelt echter dat de vordering wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Schorsing en hervatting
2.2.
[eiseres] heeft op grond van artikel 225 lid 1 sub c jo. artikel 227 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om schorsing en hervatting van de procedure verzocht wegens rechtsopvolging onder algemene titel. Dit verzoek is op de juiste wijze bij exploot aan [gedaagde] aangezegd. Omdat hij hiertegen geen verweer heeft gevoerd, mag [eiseres] als eiseres deze procedure overnemen.
Facturen
2.3.
Vaststaat dat partijen met elkaar een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan. Op grond van artikel 7:405 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet de opdrachtgever het overeengekomen loon betalen aan de opdrachtnemer. [eiseres] heeft haar vordering uitvoerig onderbouwd met de schriftelijke opdrachtbevestiging, gespecificeerde urenstaten, facturen en inhoudelijke processtukken. Hoewel [gedaagde] betwist de facturen te zijn verschuldigd, heeft hij zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. Daartoe is het volgende van belang.
2.4.
In de eerste plaats stelt [gedaagde] dat er een vaste prijsafspraak van € 4.000,- à € 4.500,- is gemaakt. Deze stelling wordt echter uitdrukkelijk weerlegd door de schriftelijke opdrachtbevestiging (bijlage 2 van de dagvaarding), waarin uitsluitend een uurtarief van € 225,- per uur (exclusief btw) is vermeld. Een vaste prijsafspraak of een maximaal bedrag blijkt nergens uit. Verder volgt uit de overgelegde correspondentie (bijlagens 5 en 7 van de dagvaarding) dat [gedaagde] de facturen zonder protest heeft behouden en op 27 januari 2025 en 26 februari 2025 expliciet heeft toegezegd de facturen te zullen betalen. Hij heeft toen geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van de hoogte van het bedrag of de kwaliteit van de werkzaamheden. Integendeel, [gedaagde] heeft [eiseres] uitdrukkelijk bedankt voor het geleverde werk. Pas op de zitting van 20 augustus 2026 heeft [gedaagde] voor het eerst kenbaar gemaakt dat hij schriftelijke stukken zou hebben waaruit zijn bezwaren tegen de verrichte werkzaamheden zouden blijken. Hij heeft deze stukken echter niet in het geding gebracht, hoewel hij daarvoor ruimschoots de gelegenheid had.
2.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de facturen van in totaal € 4.817,62 nog moet betalen.
Incassokosten
2.6.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€ 606,75) voldoet aan de vereisten van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025.
Rente
2.7.
De wettelijke handelsrente over de afzonderlijke factuurbedragen wordt toegewezen vanaf de respectievelijke data van verzuim (27 januari 2025 en 16 februari 2025), omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 123,16 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.530,16. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.817,62 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.416,98 vanaf 27 januari 2025 tot de dag dat volledig is betaald en over een bedrag van € 2.400,64 vanaf 16 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan te betalen € 606,75 aan buitengerechtelijke incassokosten met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 4 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.530,16;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954