Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11545

2026-09-04 Civiel recht; Arbeidsrecht 12173560 VZ VERZ 26-1784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12173560 VZ VERZ 26-1784
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1446; AR-Updates.nl 2026-1446

Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet geldig; wel een transitievergoeding.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.818 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12173560 VZ VERZ 26-1784



datum uitspraak: 4 september 2026




Beschikking van de kantonrechter




in de zaak van





[verzoeker] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigden: mr. I. Rhodes en mr. C.F.M. Kirkels,



tegen





[verweerster] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: [gemachtigde] .



De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.





1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


het verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;


het verweerschrift van [verweerster] met voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen;


de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] ;


de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verweerster] ;


de mail van de kant van [verzoeker] van 10 augustus 2026, met bijlagen;


de mail van de kant van [verzoeker] van 14 augustus 2026;


de mail van de kant van [verweerster] van 14 augustus 2026.





1.2.
De zaak is op 22 juli 2026 tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig:



[verzoeker] met zijn dochter en nichtje, bijgestaan door [persoon A] , namens de gemachtigden;


namens [verweerster] : [persoon B] ( [functie 1] ) en [persoon C] ( [functie 2] ), bijgestaan door [gemachtigde] en haar collega [persoon D] .







2De beoordeling



Waar gaat de zaak over




2.1.

[verzoeker] werkte sinds 5 december 1999 bij [verweerster] als [functie 3] . Hij is op 3 februari 2026 op staande voet ontslagen. [verzoeker] wil (primair) dat deze opzegging wordt vernietigd. Als de opzegging in stand blijft, wil [verzoeker] de transitievergoeding. Subsidiair vraagt [verzoeker] om een billijke vergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding. [verweerster] vindt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. Voor het geval de opzegging wordt vernietigd, verzoekt [verweerster] de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden.



De uitkomst





2.2.
Het ontslag op staande voet blijft in stand. [verzoeker] krijgt wel de transitievergoeding. Hierna wordt dit toegelicht.



Wat is er gebeurd





2.3.

[verzoeker] was bij [verweerster] werkzaam als [functie 3] , vanaf 5 december 1999.



2.4.
Op of omstreeks 12 januari 2026 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.



2.5.
Op 21 januari 2026 moest [verzoeker] naar de bedrijfsarts voor een consult, maar hij is niet op de afspraak verschenen.



2.6.
Op 22 januari 2026 heeft [verzoeker] een officiële waarschuwing van [verweerster] ontvangen. Deze luidt, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Op 12 januari 2026 heb je je ziekgemeld. In verband met jouw re-integratie stond op 21 januari 2026 een consult gepland bij de bedrijfsarts. Je bent zonder geldige schriftelijke afmelding niet verschenen. Je hebt op 13 januari jl. per e-mail de uitnodiging ontvangen, op 19 januari jl. een SMS-herinnering gekregen en op 20 januari jl. aan je teamleider bevestigd dat je op de hoogte was van de afspraak. Je afwezigheid is daarmee verwijtbaar en vormt een ernstige schending van je re-integratieverplichtingen zoals bedoeld in artikel 7:660a BW en de Wet Verbetering Poortwachter.




Eerdere officiële waarschuwingen

Daarnaast wijzen wij je erop dat je in de afgelopen periode meerdere officiële waarschuwingen hebt ontvangen wegens ernstig en herhaald grensoverschrijdend gedrag. Deze waarschuwingen betroffen onder meer:
 het op dwingende en intimiderende wijze aanspreken van collega’s;
 het gebruik van zeer ongepast en kwetsend taalgebruik;
 het niet verschijnen op afspraken met Personeelszaken zonder afmelding;
 het onjuist registreren van pauzes en het negeren van bedrijfsregels;
 het herhaaldelijk niet nakomen van afspraken binnen jouw re-integratietraject.



Deze incidenten zijn vastgelegd in je personeelsdossier en laten een patroon zien van structureel onbetrouwbaar en (ernstig) verwijtbaar handelen. Ondanks eerdere waarschuwingen en gesprekken blijf je afspraken negeren en je verplichtingen niet nakomen.




Nieuwe afspraak bedrijfsarts en laatste officiële waarschuwing

Gezien de ernst van je gedrag, de herhaling daarvan en het feit dat jouw handelen het re-integratieproces ernstig belemmert, ontvang je hierbij een laatste officiële waarschuwing.
Wij stellen je hierbij uitdrukkelijk in kennis dat wanneer je op 26 januari 2026 om 15.00 uur opnieuw zonder geldige reden niet verschijnt bij het consult van de bedrijfsarts, wij onmiddellijk zullen overgaan tot ontslag op staande voet. (…)”



2.7.
Op 26 januari 2026 is [verzoeker] bij de bedrijfsarts geweest. De bevindingen van de bedrijfsarts luiden, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Mogelijkheden medewerker
Betrokkene is gezien op 26-1-26.
Hij heeft klachten en beperkingen door diverse medische aandoeningen.
Hij gaat nog niet vooruit en hij gaat 27-1 weer naar de behandelaar.
Mogelijk wordt hij verder onderzocht.




Bevindingen en prognose

Nog klachten en beperkingen.




Re-integratieadvies

Hij is tijdelijk niet belastbaar voor zijn eigen werk, ook niet vanwege voedselveiligheid.




Prognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk

Te verwachten per 2-2-2026.




Vervolgafspraak

De verzuimbegeleiding is hierbij afgerond, een nieuwe afspraak is in principe niet noodzakelijk. (…)”




2.8.
Op 28 januari 2026 heeft [verweerster] [verzoeker] een e-mail gestuurd. Deze mail luidt, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Op 26 januari 2026 heb je een consult bij de bedrijfsarts gehad (…) De prognose voor volledig herstel van het eigen werk wordt verwacht per 2 februari 2026.



Je staat op maandag 2 februari 2026 om 14:30 uur op het rooster, de verwachting is dat je het werk dan zult hervatten.



Als jij van mening bent dat je om medische redenen niet kunt werken en daarmee niet aan de verwachtingen kunt voldoen, moet je dit direct via de arbodienst door de bedrijfsarts laten beoordelen. (…)



Alleen wanneer de bedrijfsarts jou medisch arbeidsongeschikt acht, kan van de terugkoppeling omtrent de re-integratie worden afgeweken.



Afwezigheid op werk zonder medische onderbouwing wordt beschouwd als het niet nakomen van je re-integratieverplichtingen, waarvan de gevolgen zijn beschreven in de laatste officiële waarschuwing die jij op 22 januari 2026 hebt ontvangen. (…)”




2.9.
Op 2 februari 2026 heeft [verzoeker] [verweerster] laten weten dat hij op 3 februari 2026 (de gewijzigde hervattingsdatum) niet kon komen werken, omdat hij nog ziek was.



2.10.
Op 3 februari 2026 is [verzoeker] niet op het werk verschenen.



2.11.
Bij brief van 3 februari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Met deze brief delen wij jou mee dat wij jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen door middel van ontslag op staande voet.



Op 22 januari 2026 heb je van ons een laatste officiële waarschuwing ontvangen wegens het niet nakomen van je re-integratieverplichtingen. In deze waarschuwing is tevens verwezen naar de meerdere eerdere officiële waarschuwingen die jij in de afgelopen periode hebt ontvangen wegens ernstig en herhaald grensoverschrijdend gedrag en het structureel niet naleven van (re-integratie)afspraken. In de laatste officiële waarschuwing is ondubbelzinnig vastgelegd dat een volgende overtreding zal leiden tot ontslag op staande voet (…)



Op 28 januari 2026 hebben wij jou vervolgens schriftelijk geïnformeerd over de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 26 januari 2026. In dat bericht is:
 bevestigd dat de bedrijfsarts verwacht dat jij per 2 februari 2026 volledig hersteld zou zijn voor het eigen werk;
 aangegeven dat jij op 3 februari 2026 om 14:30 uur volgens het rooster wordt verwacht (de gewijzigde werkhervattingsdatum);
 uitgelegd dat alleen de bedrijfsarts mag beoordelen of jij om medische redenen niet kunt werken;
 en nogmaals duidelijk gemaakt dat afwezigheid zonder medische onderbouwing wordt beschouwd als het niet nakomen van je re-integratieverplichtingen, met de gevolgen zoals beschreven in de laatste officiële waarschuwing.



Daarnaast heeft de arbodienst jou telefonisch geïnformeerd dat jij, indien jij meent dat je niet kunt werken, een medische onderbouwing moet aanleveren zodat de bedrijfsarts dit kan beoordelen, Alleen als de bedrijfsarts jou arbeidsongeschikt acht, kan van de terugkoppeling omtrent de re-integratie worden afgeweken.



Tot op heden heb jij geen enkele medische onderbouwing aangeleverd bij de arbodienst. Je hebt evenmin contact opgenomen met de bedrijfsarts voor een beoordeling. Desondanks ben je op 3 februari 2026 om 14.30 uur niet op het werk verschenen en heb je je opnieuw niet gehouden aan de duidelijke instructies van zowel de arbodienst als de werkgever.



Gelet op:
 de eerdere officiële waarschuwingen wegens ernstig en herhaald grensoverschrijdend gedrag en het meermaals niet nakomen van (re-integratie)afspraken,
 de laatste officiële waarschuwing van 22 januari 2026,
 het bericht van 28 januari 2026, waarin opnieuw is gewezen op de gevolgen van niet-naleving van de (re-integratie)afspraken,
 de duidelijke instructies van de arbodienst,
 het uitblijven van een medische onderbouwing,
 en jouw ongeoorloofde afwezigheid op 3 februari 2026,



is sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 lid 1 en lid 2 sub j en k BW, waaronder het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke voorschriften/bevelen van zowel de bedrijfsarts als de werkgever en het structureel niet meewerken aan re-integratie. (…)”




2.12.
In juli 2026 (voor de mondelinge behandeling) heeft [verzoeker] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het Medisch onderzoeksverslag van het UWV is van 3 augustus 2026 en luidt, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Situatie
Cliënt heeft zich op 13-01-2026 ziek gemeld. Cliënt vertelt dat de bedrijfsarts had aangegeven dat hij verwachtte dat cliënt per 02-02-2026 weer volledig hersteld zou zijn voor eigen werk. Cliënt zegt zich 02-02-2026 middels telefonisch contact met werkgever beter gemeld te hebben. Cliënt verteld zich onder druk gezet te hebben gevoeld door werkgever en de eerdere uitspraak van verwacht herstel van de bedrijfsarts, hij voelde zich verplicht omdat hij zijn baan kon kwijtraken. Echter de dag daarna, 03-02-2026, zegt cliënt toch weer gebeld te hebben om te zeggen dat hij zich ziek voelde en niet kon werken. Vanuit de ontslagbrief van werkgever naar cliënt blijkt dat bedrijfsarts op 02-02-2026 inderdaad herstel voor het eigen werk verwachtte en dat cliënt telefonisch geïnformeerd is door de arboarts indien hij meent niet te kunnen werken cliënt een medische onderbouwing moet aanleveren zodat de bedrijfsarts dit kan beoordelen. Cliënt heeft dit niet gedaan. (…)






6Beschouwing

6.1


Medische overwegingen

(…) Gelet op de bevindingen tijdens de anamnese waarbij journaal van de huisarts aangeleverd door cliënt alcohol abusus en oxazepam bij detox vastleggen op 27-01-2026, het dagverhaal en het beleid vanuit de curatieve setting is per datum in geding een belastbaarheid opgesteld om na te gaan of de belasting in de functie de belastbaarheid van cliënt overschrijdt. De beperkingen per datum in geding zijn als volgt: de cliënt is aangewezen op een werkbelasting zonder onregelmatige werktijden of nachtdiensten. Hij dient ontzien te worden qua sterke tijdsdruk en dwingend hoge tempobelasting. De cliënt kan een dwingend hoog werktempo niet aan. De cliënt is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, enkele per week is wel mogelijk. Gezien het oxazepam gebruik en de alcohol abusus en bijkomend het verminderd concentratievermogen is de cliënt aangewezen op een werksituatie zonder bijzondere eisen aan concentratie en zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, enkele per dag is mogelijk. Er dient rekening gehouden te worden met verminderde conflicthantering en een verhoogd afbreukrisico waardoor de cliënt geen grote verantwoordelijkheden kunnen worden opgelegd. De cliënt is daardoor dan ook aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat. Door het gebruik van medicatie en alcohol abusus en bijkomend aan trager reactievermogen dienen ladders, hoogtes, stellingen en steigers vermeden te worden. Werk met machines en met of op rijdende machines dient eveneens vermeden te worden. Beroepsmatig vervoer is niet mogelijk.



De opgestelde belastbaarheid zoals hierboven weergegeven is door de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] gebruikt om na te gaan of de cliënt met de opgestelde belastbaarheid geschikt is om het werk als verdeler uit te voeren, zie hiervoor ook het arbeidsdeskundig verslag. Hieruit blijkt dat de belasting in de functie de belastbaarheid per datum in geding overschrijdt. De arbeidsdeskundige schrijft hierover het volgende: er is overschrijding van de belastbaarheid van de heer [verzoeker] op het gebied van werken in wisseldiensten. (…)






7Conclusie
Conform overleg met arbeidsdeskundige is de cliënt met de opgestelde belastbaarheid per geschildatum 03-02-2026 niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. (…)”


2.13.
Het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 3 augustus 2026 luidt, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Onderzoeksvraag
Is het werk dat ik moet doen op 2 juli 2026 passend voor mij?

Antwoord

Het eigen werk in volle omvang is niet volledig passend.

Toelichting

De belasting in de functie verdeler overschrijdt de belastbaarheid van de heer [verzoeker] op het gebied van werken in wisseldiensten. Daarom is het eigen werk in volle omvang op 2 juli 2026 niet volledig passend.
Het eigen werk is wel passend te maken. (…)”





Het ontslag is geldig





2.14.
De opzegging wordt niet vernietigd. Vernietiging van de opzegging kan alleen als het ontslag niet geldig is (artikel 7:681 lid 1 onder a BW). Naar het oordeel van de kantonrechter is daar in dit geval geen sprake van, want er is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en door de werkgever onverwijld meedelen van de reden (artikel 7:671 lid 1 onder c BW en artikel 7:677 BW).



Er is een dringende reden





2.15.
Er is een dringende reden voor ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer waardoor van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier sprake is van een dringende reden.



2.16.

[verzoeker] is op 3 februari 2026 - tegen het oordeel van de bedrijfsarts in - niet op het werk verschenen. Bij e-mail van 28 februari 2026 had [verweerster] hem laten weten, met een verwijzing naar de bevindingen van de bedrijfsarts, dat zij op zijn komst rekende. [verzoeker] heeft [verweerster] op 2 februari 2026 laten weten niet te zullen komen omdat hij zich nog steeds ziek voelde. Het had echter op zijn weg gelegen om zich op 3 februari 2026 wel bij [verweerster] te melden en daar te bespreken welke werkzaamheden hij wel of niet kon doen. De bedrijfsarts vond hem immers geschikt om op die datum het werk weer te hervatten, dat was dus het uitgangspunt, ook voor [verzoeker] . Dat [verzoeker] door medicijnengebruik niet van huis naar het werk kon reizen, wat [verzoeker] heeft gesteld, is niet onderbouwd.



2.17.
Mede door de voorgeschiedenis van ziekteperiodes, diverse waarschuwingen en het toepassen van een loonstop, zoals nog geen jaar voor het ontslag in mei 2025, had [verzoeker] moeten beseffen dat hij aan de oproep van [verweerster] , gebaseerd op de bevindingen van de bedrijfsarts, gevolg had moeten geven. Dan had kunnen worden gesproken over eventueel aangepast werk. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon C] verklaard dat [verweerster] daar ook open voor stond. [verzoeker] heeft niet weersproken dat [verweerster] hem erop heeft gewezen dat hij een second opinion bij een andere bedrijfsarts kon aanvragen, wat hij niet heeft gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon B] toegelicht dat zij [verzoeker] al bij een eerdere gelegenheid, in een gesprek op 28 mei 2025, heeft gewezen op de mogelijkheid van een second opinion en daarbij heeft aangegeven dat hij zich bij haar of zijn casemanager kon melden als hij van die mogelijkheid gebruik wilde maken. De kantonrechter meent dat [verzoeker] hierdoor had moeten weten, ook in het licht van de waarschuwing van 22 januari 2026 en de e-mail van [verweerster] van 28 januari 2026, dat hij een second opinion kon aanvragen en die mogelijkheid op 2 februari 2026 bij [verweerster] had kunnen aankaarten. Hij heeft dat niet gedaan en is de dag daarna weggebleven.




2.18.

[verzoeker] heeft ook geen medische onderbouwing verstrekt die zijn afwezigheid op 3 februari 2026 kon verklaren. Uiteindelijk heeft [verzoeker] wel een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd, in juli 2026.



2.19.

[verzoeker] heeft de ernst van de waarschuwing van [verweerster] van slechts enkele dagen voor het ontslag kennelijk niet goed tot zich laten doordringen, want tijdens de mondelinge behandeling zei hij dat hij dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen. Door de bevindingen van de bedrijfsarts en de oproep van [verweerster] naast zich neer te leggen heeft [verzoeker] de deur dichtgehouden voor overleg met [verweerster] over de manier waarop het werk zou kunnen worden hervat. In zoverre is zijn afwezigheid op 3 februari 2026 geen onachtzaamheid maar een overtreding van een op hem rustende verplichting om aan de oproep van de werkgever om te komen werken gevolg te geven, eventueel in aangepast werk. De kantonrechter vindt daarom, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, dat [verweerster] een dringende reden had om [verzoeker] op 3 februari 2026 met directe ingang te ontslaan.



Onverwijlde opzegging en mededeling





2.20.
Tussen [verweerster] en [verzoeker] is er geen discussie over dat [verweerster] heeft voldaan aan de vereisten om de arbeidsovereenkomst onverwijld (zonder vertraging) op te zeggen en de reden voor het ontslag onverwijld aan [verzoeker] mee te delen. De kantonrechter heeft geen reden om daar anders over te oordelen.



Geen vergoeding voor onregelmatige opzegging





2.21.
Omdat het ontslag geldig is, hoefde [verweerster] geen opzegtermijn in acht te nemen. [verzoeker] heeft daarom geen aanspraak op een vergoeding voor onregelmatige opzegging (artikel 7:672 lid 11 BW).



Geen billijke vergoeding





2.22.

[verzoeker] heeft ook geen aanspraak op een billijke vergoeding. Een dergelijke vergoeding kan alleen worden toegekend als het ontslag niet geldig is (artikel 7:681 lid 1 onder a BW). Daar is in dit geval geen sprake van, zoals hiervoor is geoordeeld is er voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet.



Wel de transitievergoeding





2.23.

[verzoeker] krijgt de wettelijke transitievergoeding. De kantonrechter vindt dat er geen sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] dat hem die vergoeding moet worden onthouden (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW). Er is weliswaar een dringende reden voor ontslag op staande voet, maar dat wil niet zonder meer zeggen dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van het hiervoor genoemde wetsartikel. De kantonrechter licht dit toe.



2.24.
Het staat vast dat [verzoeker] op 3 februari 2026 niet op het werk is verschenen, terwijl de bedrijfsarts vond hij weer aan het werk kon. [verzoeker] heeft zijn gezondheidssituatie op dat moment niet met medische stukken onderbouwd en heeft geen second opinion of deskundigenoordeel aangevraagd. Dit terwijl hij er door [verweerster] op was gewezen dat hij dat pad moest bewandelen als hij het met de bedrijfsarts niet eens was. [verzoeker] heeft daarentegen later wel een deskundigenoordeel aangevraagd. De uitkomst daarvan heeft hij na de mondelinge behandeling overgelegd met een toelichting. [verweerster] heeft daar nog op kunnen reageren. Het Medisch onderzoeksverslag van het UWV schrijft dat [verzoeker] met de opgestelde belastbaarheid op de ontslagdatum niet geschikt is te achten om de bedongen arbeid uit te voeren. Dit oordeel van het UWV neemt niet de dringende reden voor het ontslag weg ( [verzoeker] is op 3 februari 2026 op eigen gezag weggebleven, zonder medische onderbouwing en zonder een second opinion of (toen) een deskundigenoordeel aan te vragen) maar werpt wel een ander licht op de mate van verwijtbaarheid. Onder deze omstandigheden vindt de kantonrechter dat [verzoeker] niet zo verwijtbaar heeft gehandeld dat hij geen recht op de transitievergoeding zou hebben (zie ook overweging 2.23.).



2.25.
Op basis van het loon van [verzoeker] en de duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt de transitievergoeding € 39.235,25 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] aan [verzoeker] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW). Dat is in dit geval, conform het verzoek, 3 maart 2026.



Proceskosten





2.26.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat wil zeggen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen en zij dus geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.



Uitvoerbaar bij voorraad





2.27.
Deze beschikking wordt zoals verzocht uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.



Voorwaardelijk tegenverzoek





2.28.
Op het voorwaardelijk tegenverzoek hoeft niet te worden beslist omdat het ontslag op staande voet niet is vernietigd en de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan dus niet is vervuld.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt [verweerster] aan [verzoeker] de transitievergoeding zoals bedoeld in artikel 7:673 BW van € 39.235,25 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2026;



3.2.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;



3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst alle overige verzoeken af.


Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
43416