Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11539
2026-08-20
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12142136 CV EXPL 26-7131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PV mondelinge uitspraak huurachterstand
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.037 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12142136 CV EXPL 26-7131
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 20 augustus 2026
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. van Baaren.
De partijen worden ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Aanwezig zijn:
[persoon A] namens de gemachtigde van Hef Wonen;
[gedaagde] met voormelde gemachtigde.
1De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
1.1.
[gedaagde] huurt de woning aan het adres [adres] in [plaats] van Hef Wonen. Er is een huurachterstand, die tijdens deze procedure is ingelopen. Hef Wonen eist, na wijziging van eis, dat [gedaagde] het restant van de huurachterstand met bijkomende kosten betaalt. [gedaagde] is het daar niet mee eens.
1.2.
De gewijzigde eis van Hef Wonen wordt toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 478,88 betalen
1.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 478,88 aan Hef Wonen te betalen. Dit was de huurachterstand op het moment van de zitting zoals blijkt uit de door Hef Wonen overgelegde specificatie (productie 1 bij de mail van de gemachtigde van Hef Wonen van 7 augustus 2026). De huur tot en met de maand augustus 2026 en de afrekening servicekosten 2024 zitten hier bij. [gedaagde] heeft deze specificatie onvoldoende betwist, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de genoemde bedragen juist zijn.
1.4.
Het beroep van [gedaagde] op artikel 7:253 BW in het kader van de huurverhoging wordt gepasseerd. In het eerste lid van dit artikel staat kort gezegd dat de huurder die het niet eens is met een voorstel tot huurprijsverhoging schriftelijk aan de verhuurder moet verklaren dat hij daarmee niet instemt. Het is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] die schriftelijke verklaring heeft gedaan. Volgens [gedaagde] had de verhuurder uit het niet-betalen van de huurverhoging moeten afleiden dat hij het daarmee niet eens was, maar dat is iets anders dan een schriftelijke verklaring. Uit het enkele niet-betalen van de verhoging kon Hef Wonen dus niet afleiden dat [gedaagde] bezwaar maakte zoals bedoeld in de wet. Er bestaat daarom ook geen verplichting voor Hef Wonen om de Huurcommissie een oordeel te vragen over de huurverhoging.
1.5.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] aangekondigd de huur over de maand augustus 2026 op 20 augustus 2026 te zullen betalen. Voor zover hij dat inderdaad doet, strekt het bedrag van deze betaling in mindering op wat hij nog aan Hef Wonen verschuldigd is.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
1.6.
De incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
1.7.
De rente wordt toegewezen, omdat Hef Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen de rente van € 317,88 die Hef Wonen heeft berekend tot en met 24 februari 2026.
Geen oneerlijke bepalingen
1.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
1.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht, € 506,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 253,-) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.314,52. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
1.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
2De beslissing
De kantonrechter:
2.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 845,16 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.014,66 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
2.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.314,52;
2.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit proces-verbaal is op 20 augustus 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter, mr. I.K. Rapmund
43416
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12142136 CV EXPL 26-7131
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 20 augustus 2026
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. van Baaren.
De partijen worden ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Aanwezig zijn:
[persoon A] namens de gemachtigde van Hef Wonen;
[gedaagde] met voormelde gemachtigde.
1De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
1.1.
[gedaagde] huurt de woning aan het adres [adres] in [plaats] van Hef Wonen. Er is een huurachterstand, die tijdens deze procedure is ingelopen. Hef Wonen eist, na wijziging van eis, dat [gedaagde] het restant van de huurachterstand met bijkomende kosten betaalt. [gedaagde] is het daar niet mee eens.
1.2.
De gewijzigde eis van Hef Wonen wordt toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 478,88 betalen
1.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 478,88 aan Hef Wonen te betalen. Dit was de huurachterstand op het moment van de zitting zoals blijkt uit de door Hef Wonen overgelegde specificatie (productie 1 bij de mail van de gemachtigde van Hef Wonen van 7 augustus 2026). De huur tot en met de maand augustus 2026 en de afrekening servicekosten 2024 zitten hier bij. [gedaagde] heeft deze specificatie onvoldoende betwist, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de genoemde bedragen juist zijn.
1.4.
Het beroep van [gedaagde] op artikel 7:253 BW in het kader van de huurverhoging wordt gepasseerd. In het eerste lid van dit artikel staat kort gezegd dat de huurder die het niet eens is met een voorstel tot huurprijsverhoging schriftelijk aan de verhuurder moet verklaren dat hij daarmee niet instemt. Het is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] die schriftelijke verklaring heeft gedaan. Volgens [gedaagde] had de verhuurder uit het niet-betalen van de huurverhoging moeten afleiden dat hij het daarmee niet eens was, maar dat is iets anders dan een schriftelijke verklaring. Uit het enkele niet-betalen van de verhoging kon Hef Wonen dus niet afleiden dat [gedaagde] bezwaar maakte zoals bedoeld in de wet. Er bestaat daarom ook geen verplichting voor Hef Wonen om de Huurcommissie een oordeel te vragen over de huurverhoging.
1.5.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] aangekondigd de huur over de maand augustus 2026 op 20 augustus 2026 te zullen betalen. Voor zover hij dat inderdaad doet, strekt het bedrag van deze betaling in mindering op wat hij nog aan Hef Wonen verschuldigd is.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
1.6.
De incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
1.7.
De rente wordt toegewezen, omdat Hef Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen de rente van € 317,88 die Hef Wonen heeft berekend tot en met 24 februari 2026.
Geen oneerlijke bepalingen
1.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
1.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht, € 506,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 253,-) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.314,52. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
1.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
2De beslissing
De kantonrechter:
2.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 845,16 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.014,66 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
2.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.314,52;
2.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit proces-verbaal is op 20 augustus 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter, mr. I.K. Rapmund
43416