Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11389
2026-07-15
Civiel recht
C/10/702906 / HA ZA 25-573
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaanpsrakelijkheid volgens artikel 2:9 BW. Gedaagde heeft als voormalig bestuurslid van de stichting geld verduisterd van de stichting. Gedaagde heeft dit erkend. De rechter beslist dat gedaagde een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW, waardoor zij aansprakelijk is voor de schade van de stichting. Gedaagde wordt (onder andere) veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de stichting.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.739 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/702906 / HA ZA 25-573
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
de stichting
[eiseres]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.M.C. Wessels.
1De zaak in het kort
[gedaagde] heeft als voormalig bestuurslid van de Stichting geld verduisterd van de Stichting. Dit heeft zij erkend. Zij wordt veroordeeld tot betaling van € 40.364,23.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 10 september 2025 (hierna: het incidentvonnis) en de daarin benoemde stukken;
- de conclusie van antwoord;
- de oproepingsbrieven van 29 oktober 2025;
- de zittingsagenda van 12 februari 2026 met vragen ten behoeve van de mondelinge behandeling;
- de akte overlegging producties tevens akte eiswijziging aan de zijde van de Stichting, met producties 13 tot en met 23;
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Huijzer en mr. Wessels.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat partijen de zaak willen schikken met elkaar. In afwachting van de uitkomst van de schikkingsonderhandelingen heeft de rechtbank de zaak op de parkeerrol geplaatst. Op 22 april 2026 heeft de Stichting een B12-formulier ingediend bij de rechtbank, waarin zij de rechtbank verzoekt om alsnog vonnis te wijzen, omdat partijen er onderling niet uit zijn gekomen.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiseres] is een non-profitorganisatie die de vriendschapsband tussen [plaats 1] en [plaats 2] in [land] ondersteunt, door uitwisseling en samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke ontwikkelingen te bevorderen.
3.2.
In artikel 5 lid 5 van de statuten van de Stichting staat dat een uittredend bestuurslid verplicht is om alle in zijn of haar bezit zijnde bescheiden en/of gelden die aan de Stichting toebehoren, onverwijld over te dragen aan het zittende bestuur.
3.3.
[gedaagde] was één van de bestuursleden van de Stichting van februari 2017 tot januari 2025. Vanaf mei 2019 tot januari 2025 was [gedaagde] voorzitter van het bestuur.
3.4.
Aan het begin van 2024 is een bestaande bankrekening van de Stichting bevroren door de bank, omdat de (voormalige) bestuursleden van de Stichting zich in het kader van een compliance-onderzoek niet op tijd hebben geïdentificeerd. Het saldo van € 58.936,31 dat toen op de rekening stond, is door de bank op een tussenrekening geplaatst.
3.5.
In de bestuursvergaderingen van 14 februari 2024 en 13 maart 2024 is besproken en vastgelegd dat er een tijdelijke noodrekening geopend moest worden. Tijdens de bestuursvergadering van 14 februari 2026 is afgesproken dat een ander bestuurslid, [persoon A] , inzage zou krijgen in de rekeningen, terwijl [gedaagde] de betalingen van de Stichting zou verrichten.
3.6.
In de periode na 13 maart 2024 heeft de bank het saldo van de Stichting van € 58.936,31 overgemaakt op een nieuw geopende bankrekening op naam van [gedaagde] .
3.7.
[gedaagde] heeft € 40.364,23 daarvan niet aangewend voor de Stichting, maar ten behoeve van onder andere haarzelf en familieleden. Zij heeft dit bedrag niet terugbetaald aan de Stichting.
3.8.
Op 25 april 2025 heeft de Stichting een brief verstuurd aan [gedaagde] , waarin [gedaagde] wordt gesommeerd om (onder andere) het geldbedrag dat op de noodrekening staat terug te betalen.
4Het geschil
4.1.
De Stichting vordert na eiswijziging samengevat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
in de hoofdzaak
een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting;
een verklaring voor recht dat [gedaagde] haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 40.364,23 en € 1.749,49 aan wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 25 april 2025 tot 5 maart 2026 en de wettelijke rente over genoemd bedrag vanaf 5 maart 2026;
[gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.178,64;
in het incident en de hoofdzaak
5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling niet binnen 14 dagen plaatsvindt.
4.2.
[gedaagde] concludeerde aanvankelijk tot niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van de Stichting. Tijdens de mondelinge behandeling trok [gedaagde] haar verweren in en erkende zij de (gewijzigde) vordering van de Stichting dat strekt tot terugbetaling van € 40.364,23 aan de Stichting.
4.3.
De rechtbank gaat hierna in op de stellingen van partijen, voor zover dat nodig is.
5De beoordeling
5.1.
In deze procedure plaatst de Stichting haar vordering tot schadevergoeding (onder andere) in het licht van bestuurdersaansprakelijkheid en zij meent dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt voor haar handelen dat tot schade bij de Stichting zou hebben geleid.
5.2.
Volgens artikel 2:9 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Volgens artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
5.3.
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
5.4.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW en beslist dat zij dan ook aansprakelijk is voor de schade van de Stichting. De rechtbank legt dit hierna uit.
5.5.
[gedaagde] heeft in haar hoedanigheid als bestuurder een noodrekening geopend voor de Stichting en zij heeft daarop een bedrag van € 58.936,31 ontvangen, wat toebehoorde tot de Stichting. De afspraak was dat [gedaagde] daarmee betalingen zou verrichten ten behoeve van de Stichting en dat zij een ander bestuurslid ook toegang zou geven tot de bankrekening. [gedaagde] is deze afspraken niet nagekomen. Zij heeft een groot deel van het geld van de Stichting niet gebruikt voor de Stichting en zij heeft nagelaten om meerdere contractuele betalingen te verrichten ten behoeve van de Stichting. Inmiddels is het geld op en heeft [gedaagde] nog niets terugbetaald. Hierdoor heeft de Stichting schade geleden. Naast het niet nakomen van de afspraken rondom de noodrekening, heeft [gedaagde] ook de statuten van de Stichting geschonden. [gedaagde] moest op grond van artikel 5 lid 5 van de statuten van de Stichting na haar ontslag alle gelden die aan de Stichting toebehoren onverwijld overdragen aan het zittende bestuur. [gedaagde] heeft dit nagelaten. Het feit dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met een statutaire bepaling die de rechtspersoon beoogt te beschermen, moet als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder, in dit geval [gedaagde] , vestigt. [gedaagde] voert geen verweer en heeft de stellingen van de Stichting ter zitting ook erkend. Gelet op de voorgaande omstandigheden oordeelt de rechtbank dan ook dat [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.6.
[gedaagde] heeft naar aanleiding van het incidentvonnis afschriften verstrekt aan de Stichting. Daaruit is gebleken dat [gedaagde] een bedrag van € 40.364,23 niet heeft besteed ten behoeve van de Stichting. Partijen zijn het hierover eens zodat dit in rechte vaststaat. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van de Stichting dan ook toe.
5.7.
[gedaagde] is over dit bedrag wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW) verschuldigd vanaf 25 april 2025, de datum waarop de Stichting haar heeft gesommeerd om het geld dat op de noodrekening staat terug te betalen. De Stichting heeft dit gevorderd en [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde rente.
5.8.
De Stichting vordert vergoeding van € 1.178,64 aan buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW kunnen buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen als vaststaat dat het redelijk was om de kosten te maken en de kosten zelf ook redelijk zijn. Omdat het dossier slechts één sommatiebrief bevat en de buitengerechtelijke werkzaamheden verder niet zijn toegelicht, voldoen de gevorderde kosten van € 1.178,64 niet aan deze criteria. De vordering wordt dan ook afgewezen.
5.9.
De Stichting vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat (i) [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting en (ii) [gedaagde] haar taak als bestuurder van de Stichting kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW. De rechtbank wijst deze vorderingen af, omdat de Stichting daar onvoldoende belang bij heeft in de zin van artikel 3:303 BW. De Stichting heeft namelijk niet toegelicht waarom zij, naast de veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade, nog een belang heeft bij de verklaringen voor recht. Immers uit de betalingsveroordeling van [gedaagde] volgt al dat zij onrechtmatig jegens de Stichting heeft gehandeld.
5.10.
In het incident heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd. [gedaagde] is in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
3.225,00
(2,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.554,45
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 40.364,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.554,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.3961/3455
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/702906 / HA ZA 25-573
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
de stichting
[eiseres]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.M.C. Wessels.
1De zaak in het kort
[gedaagde] heeft als voormalig bestuurslid van de Stichting geld verduisterd van de Stichting. Dit heeft zij erkend. Zij wordt veroordeeld tot betaling van € 40.364,23.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 10 september 2025 (hierna: het incidentvonnis) en de daarin benoemde stukken;
- de conclusie van antwoord;
- de oproepingsbrieven van 29 oktober 2025;
- de zittingsagenda van 12 februari 2026 met vragen ten behoeve van de mondelinge behandeling;
- de akte overlegging producties tevens akte eiswijziging aan de zijde van de Stichting, met producties 13 tot en met 23;
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Huijzer en mr. Wessels.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat partijen de zaak willen schikken met elkaar. In afwachting van de uitkomst van de schikkingsonderhandelingen heeft de rechtbank de zaak op de parkeerrol geplaatst. Op 22 april 2026 heeft de Stichting een B12-formulier ingediend bij de rechtbank, waarin zij de rechtbank verzoekt om alsnog vonnis te wijzen, omdat partijen er onderling niet uit zijn gekomen.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiseres] is een non-profitorganisatie die de vriendschapsband tussen [plaats 1] en [plaats 2] in [land] ondersteunt, door uitwisseling en samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke ontwikkelingen te bevorderen.
3.2.
In artikel 5 lid 5 van de statuten van de Stichting staat dat een uittredend bestuurslid verplicht is om alle in zijn of haar bezit zijnde bescheiden en/of gelden die aan de Stichting toebehoren, onverwijld over te dragen aan het zittende bestuur.
3.3.
[gedaagde] was één van de bestuursleden van de Stichting van februari 2017 tot januari 2025. Vanaf mei 2019 tot januari 2025 was [gedaagde] voorzitter van het bestuur.
3.4.
Aan het begin van 2024 is een bestaande bankrekening van de Stichting bevroren door de bank, omdat de (voormalige) bestuursleden van de Stichting zich in het kader van een compliance-onderzoek niet op tijd hebben geïdentificeerd. Het saldo van € 58.936,31 dat toen op de rekening stond, is door de bank op een tussenrekening geplaatst.
3.5.
In de bestuursvergaderingen van 14 februari 2024 en 13 maart 2024 is besproken en vastgelegd dat er een tijdelijke noodrekening geopend moest worden. Tijdens de bestuursvergadering van 14 februari 2026 is afgesproken dat een ander bestuurslid, [persoon A] , inzage zou krijgen in de rekeningen, terwijl [gedaagde] de betalingen van de Stichting zou verrichten.
3.6.
In de periode na 13 maart 2024 heeft de bank het saldo van de Stichting van € 58.936,31 overgemaakt op een nieuw geopende bankrekening op naam van [gedaagde] .
3.7.
[gedaagde] heeft € 40.364,23 daarvan niet aangewend voor de Stichting, maar ten behoeve van onder andere haarzelf en familieleden. Zij heeft dit bedrag niet terugbetaald aan de Stichting.
3.8.
Op 25 april 2025 heeft de Stichting een brief verstuurd aan [gedaagde] , waarin [gedaagde] wordt gesommeerd om (onder andere) het geldbedrag dat op de noodrekening staat terug te betalen.
4Het geschil
4.1.
De Stichting vordert na eiswijziging samengevat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
in de hoofdzaak
een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting;
een verklaring voor recht dat [gedaagde] haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 40.364,23 en € 1.749,49 aan wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 25 april 2025 tot 5 maart 2026 en de wettelijke rente over genoemd bedrag vanaf 5 maart 2026;
[gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.178,64;
in het incident en de hoofdzaak
5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling niet binnen 14 dagen plaatsvindt.
4.2.
[gedaagde] concludeerde aanvankelijk tot niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van de Stichting. Tijdens de mondelinge behandeling trok [gedaagde] haar verweren in en erkende zij de (gewijzigde) vordering van de Stichting dat strekt tot terugbetaling van € 40.364,23 aan de Stichting.
4.3.
De rechtbank gaat hierna in op de stellingen van partijen, voor zover dat nodig is.
5De beoordeling
5.1.
In deze procedure plaatst de Stichting haar vordering tot schadevergoeding (onder andere) in het licht van bestuurdersaansprakelijkheid en zij meent dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt voor haar handelen dat tot schade bij de Stichting zou hebben geleid.
5.2.
Volgens artikel 2:9 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Volgens artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
5.3.
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
5.4.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW en beslist dat zij dan ook aansprakelijk is voor de schade van de Stichting. De rechtbank legt dit hierna uit.
5.5.
[gedaagde] heeft in haar hoedanigheid als bestuurder een noodrekening geopend voor de Stichting en zij heeft daarop een bedrag van € 58.936,31 ontvangen, wat toebehoorde tot de Stichting. De afspraak was dat [gedaagde] daarmee betalingen zou verrichten ten behoeve van de Stichting en dat zij een ander bestuurslid ook toegang zou geven tot de bankrekening. [gedaagde] is deze afspraken niet nagekomen. Zij heeft een groot deel van het geld van de Stichting niet gebruikt voor de Stichting en zij heeft nagelaten om meerdere contractuele betalingen te verrichten ten behoeve van de Stichting. Inmiddels is het geld op en heeft [gedaagde] nog niets terugbetaald. Hierdoor heeft de Stichting schade geleden. Naast het niet nakomen van de afspraken rondom de noodrekening, heeft [gedaagde] ook de statuten van de Stichting geschonden. [gedaagde] moest op grond van artikel 5 lid 5 van de statuten van de Stichting na haar ontslag alle gelden die aan de Stichting toebehoren onverwijld overdragen aan het zittende bestuur. [gedaagde] heeft dit nagelaten. Het feit dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met een statutaire bepaling die de rechtspersoon beoogt te beschermen, moet als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder, in dit geval [gedaagde] , vestigt. [gedaagde] voert geen verweer en heeft de stellingen van de Stichting ter zitting ook erkend. Gelet op de voorgaande omstandigheden oordeelt de rechtbank dan ook dat [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.6.
[gedaagde] heeft naar aanleiding van het incidentvonnis afschriften verstrekt aan de Stichting. Daaruit is gebleken dat [gedaagde] een bedrag van € 40.364,23 niet heeft besteed ten behoeve van de Stichting. Partijen zijn het hierover eens zodat dit in rechte vaststaat. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van de Stichting dan ook toe.
5.7.
[gedaagde] is over dit bedrag wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW) verschuldigd vanaf 25 april 2025, de datum waarop de Stichting haar heeft gesommeerd om het geld dat op de noodrekening staat terug te betalen. De Stichting heeft dit gevorderd en [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde rente.
5.8.
De Stichting vordert vergoeding van € 1.178,64 aan buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW kunnen buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen als vaststaat dat het redelijk was om de kosten te maken en de kosten zelf ook redelijk zijn. Omdat het dossier slechts één sommatiebrief bevat en de buitengerechtelijke werkzaamheden verder niet zijn toegelicht, voldoen de gevorderde kosten van € 1.178,64 niet aan deze criteria. De vordering wordt dan ook afgewezen.
5.9.
De Stichting vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat (i) [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting en (ii) [gedaagde] haar taak als bestuurder van de Stichting kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW. De rechtbank wijst deze vorderingen af, omdat de Stichting daar onvoldoende belang bij heeft in de zin van artikel 3:303 BW. De Stichting heeft namelijk niet toegelicht waarom zij, naast de veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade, nog een belang heeft bij de verklaringen voor recht. Immers uit de betalingsveroordeling van [gedaagde] volgt al dat zij onrechtmatig jegens de Stichting heeft gehandeld.
5.10.
In het incident heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd. [gedaagde] is in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
3.225,00
(2,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.554,45
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 40.364,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.554,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.3961/3455