Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11084

2026-09-02 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/716319 / HA ZA 26-226
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/716319 / HA ZA 26-226
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. De rechtbank acht zich bevoegd o.g.v. art. 7 lid 2 Brussel I-bis en art. 6 sub e Rv. Zuiver financiële schade. In de gegeven omstandigheden levert de plaats waar eiser zijn bankrekening houdt en verlies lijdt een betrouwbaar aanknopingspunt op voor de bevoegdheid.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.308 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/716319 / HA ZA 26-226




Vonnis in incident van 2 september 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





[persoon A]
,
wonend in [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
advocaten: mrs. M.A. Hupkes en E.J.T.W. Beelen te Amsterdam,



tegen





1OKX EUROPE LTD (VOORHEEN OKCOIN EUROPE LTD),

gevestigd in Valletta (Malta),2. AUX CAYES FINTECH CO. LTD,
gevestigd in Victoria (de Seychellen),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
advocaten: mrs. E.C. Netten, H. Şimşek en E.A. van Gils te Amsterdam.



Partijen worden hierna [persoon A], OKX en Aux Cayes genoemd.
OKX en Aux Cayes worden hierna samen OKX e.a. genoemd.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaardingen van 1 december en 4 december 2025, met producties 1 tot en met 31;


de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties 1 tot en met 8;


de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;


de mondelinge behandeling van het bevoegdheidsincident op 14 augustus 2026;


de pleitnota van [persoon A];


de pleitnota van OKX e.a.





1.2.
De dagvaarding van 1 december 2025 is betekend aan OKCoin Europe Ltd. Niet in geschil is dat deze vennootschap een (statutaire) naamswijziging heeft ondergaan en thans de naam OKX Europe Ltd draagt. De partijnaam is daarop aangepast.







2De vordering in de hoofdzaak


2.1.

[persoon A] vordert in de hoofdzaak – kort gezegd – te verklaren voor recht dat OKX e.a. aansprakelijk zijn voor de door [persoon A] geleden schade en OKX e.a. te veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat.



2.2.

[persoon A] legt – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag aan zijn vorderingen. [persoon A] is slachtoffer geworden van zogenoemde boilerroomfraude. Hij is door een fraudeur verleid om grote geldbedragen om te zetten in cryptovaluta en die cryptovaluta vervolgens over te maken naar zogenoemde blockchainadressen die door de fraudeur worden beheerd. Een aanzienlijk deel van de cryptovaluta is uiteindelijk terechtgekomen op accounts van klanten van Aux Cayes, waarna het is weggesluisd. Doordat Aux Cayes haar platform voor de handel in crypto’s ter beschikking stelt aan klanten zonder dat zij haar klanten en de transacties screent, bevordert zij de praktijken van cybercriminelen die zich bezighouden met grootschalige boilerroomfraude en het witwassen van cryptovaluta. Deze nalatigheid van Aux Cayes levert strijd op met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, als bedoeld in artikel 6:162 BW. Als gevolg daarvan moet Aux Cayes de door [persoon A] geleden schade vergoeden. OKX is hoofdelijk aansprakelijk voor die schade, omdat OKX en Aux Cayes vereenzelvigd kunnen worden. OKX en Aux Cayes maken allebei onderdeel uit van de OKX-groep. Feitelijk is Aux Cayes een lege huls. Het fungeert als een postbusfirma in het kader van een ontduikingsconstructie van de OKX-groep. De feitelijke bedrijfsvoering, het beheer van het platform van Aux Cayes en het personeel zijn mede ondergebracht bij OKX.






3Het geschil in het incident


3.1.
OKX e.a. vorderen dat de rechtbank zich bij incidenteel vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [persoon A] tegen OKX e.a. kennis te nemen, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten van het incident.



3.2.
OKX e.a. leggen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag aan hun incidentele vordering.


3.2.1.
Ten aanzien van OKX, gevestigd in Malta, wijst de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis verordening (nr. 1215/2012) naar de Maltese rechter, terwijl de door [persoon A] (impliciet) ingeroepen bijzondere bevoegdheidsgrond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis geen soelaas biedt: noch de plaats van de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis (Handlungsort), noch de plaats van het intreden van de directe schade (Erfolgsort) ligt in Nederland. De door [persoon A] gestelde schade betreft zuivere vermogensschade die haar oorsprong vindt in door derden gepleegde boilerroomfraude en door [persoon A] zelf geautoriseerde transacties via Crypto.com (Malta) en Revolut (Litouwen). De enkele omstandigheid dat [persoon A] in Nederland woont en daar financieel nadeel stelt te ondervinden, is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ EU) onvoldoende; bijkomende omstandigheden die de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zouden kunnen dragen ontbreken, en het was voor OKX bovendien niet redelijkerwijs voorzienbaar dat zij in Nederland zou worden gedagvaard.



3.2.2.
Ten aanzien van Aux Cayes, gevestigd op de Seychellen, geldt dat Brussel I-bis niet van toepassing is en dat de commune bevoegdheidsregels van het Nederlandse recht geen rechtsmacht scheppen. Artikel 6 sub e Rv kan niet tegen Aux Cayes worden ingeroepen om dezelfde redenen als genoemd in 3.2.1.; het Handlungsort of Erfolgsort is niet in Nederland gelegen.




3.3.

[persoon A] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met hoofdelijke veroordeling van OKX e.a. in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. [persoon A] betoogt dat de rechtsmacht van de rechtbank ten aanzien van OKX volgt uit artikel 7 lid 2 Brussel I-bis en ten aanzien van Aux Cayes uit artikel 6 sub e Rv (primair), artikel 7 lid 1 Rv (subsidiair) en/of artikel 9 sub c Rv (meer subsidiair).






4De beoordeling in het incident



Bevoegdheid ten aanzien van OKX




4.1.
OKX is gevestigd in Malta. Beoordeeld moet worden of de rechtbank uit artikel 7 lid 2 Brussel I-bis bevoegdheid kan ontlenen om kennis te nemen van de vorderingen van [persoon A] tegen OKX. Uit dat artikel vloeit voort dat bij een vordering op basis van onrechtmatige daad zoals hier aan de orde (mede) bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU omvat dat begrip zowel de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) als de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat (Handlungsort). Zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de eiser en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat, kan echter niet zonder bijkomende omstandigheden worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor artikel 7 lid 2 Brussel I-bis.



4.2.

Niet in geschil is dat de schade die [persoon A] heeft geleden zuiver financieel is.

[persoon A] stelt zich op het standpunt dat sprake is van (bijkomende) omstandigheden die de bevoegdheid van deze rechtbank rechtvaardigen. OKX e.a. hebben dat gemotiveerd bestreden.




4.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat zij bevoegd is ten aanzien van OKX, omdat de omstandigheden in deze zaak op essentiële punten afwijken van de situatie in het arrest Universal Music en gelet op bijkomende omstandigheden. Dat wordt hierna toegelicht.



4.4.
In de zaak Universal Music was de benadeelde een professionele partij, waarvan niet kon worden uitgesloten dat zij meerdere bankrekeningen hield in verschillende landen en daarmee in feite de keuze had om te bepalen waar zij schade zou gaan lijden. Om die reden oordeelde het HvJ EU dat de plaats van de bankrekening waar de schade was ingetreden niet noodzakelijkerwijs een betrouwbaar aanknopingspunt vormde. Anders dan in die zaak, is [persoon A] een natuurlijke persoon die alleen bankrekeningen heeft in Nederland. Vóór de fraude waren dat rekeningen bij Rabobank en ABN Amro. Op instructie van de fraudeurs heeft [persoon A] een rekening geopend bij Revolut bank. Vanuit de bankrekening bij Revolut heeft hij bedragen overgemaakt naar Crypto.com (een handelsplatform in Malta) voor de aankoop van cryptovaluta. Ook deze rekening bij Revolut is een Nederlandse bankrekening. De stelling van OKX e.a. dat [persoon A] betaalde vanuit een Litouwse bankrekening van de Revolut bank, is onjuist gebleken. [persoon A] heeft onderbouwd toegelicht dat het gaat om een Nederlandse bankrekening en OKX e.a. hebben dat niet langer bestreden. Het geld waarmee [persoon A] cryptovaluta heeft gekocht, is dus afkomstig van een Nederlandse bankrekening en het vermogensverlies heeft zich aldaar gemanifesteerd. In die situatie levert de plaats waar [persoon A] rekening houdt wél een betrouwbaar aanknopingspunt op voor de bevoegdheid. Dat een groot deel van de op rekening van [persoon A] bij Revolut Bank overgemaakte bedragen afkomstig was van een bankrekening van [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A]), zoals OKX e.a. opmerken, maakt dat niet anders. [bedrijf A] is een vennootschap van [persoon A], waarin hij zijn pensioengelden beheert en waarin geen handelsactiviteiten plaatsvinden. [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat de betalingen door die vennootschap op de bankrekening van [persoon A] bij Revolut zijn geboekt als een schuld van [persoon A] aan die vennootschap.



4.5.
Verder geldt dat de aanwijzing van de plaats van de bankrekening waarop de schade zich rechtstreeks voordoet als de plaats van het intreden van de schade, strookt met het doel van de EEX-verordening (nr. 44/2001) om de rechtsbescherming van in de Unie gevestigde personen te versterken. Dat houdt enerzijds in dat de verzoeker gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en anderzijds dat de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen. Dat geldt voor Brussel I-bis niet anders en het is ook niet beperkt tot gevallen van prospectusaansprakelijkheid.



4.6.

[persoon A] verwijt OKX in de hoofdzaak dat OKX – ondanks dat zij naar aanleiding van een reeks internationale handhavingsbesluiten weet of had moeten weten dat criminelen gebruik maken van haar platform om consumenten te benadelen – door structureel tekortschietende controles op haar klanten en transacties boilerroomfraude jegens consumenten (waaronder die in Nederland) en witwassen faciliteert. De vraag of die beschuldigingen terecht zijn, moet in de hoofdzaak worden beoordeeld. In het kader van de bevoegdheidsvraag is van belang dat het gemaakte verwijt, het faciliteren van strafbare feiten zoals bedrog en witwassen, ernstiger is dan in het arrest Universal Music, waar het (slechts) ging om een beroepsfout van een advocaat. Kenmerkend aan boilerroomfraude is dat gelden bewust op ondoorzichtige wijze worden weggesluisd en dat daartoe vaak diverse entiteiten uit verschillende landen (direct of indirect) betrokken zijn. Dat maakt verhaal door de schadelijdende consumenten lastig.



4.7.
Indien de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren, is [persoon A] gedwongen om voor één samenhangende vordering procedures te voeren in Malta en/of de Seychellen. Daarmee zou hij worden belemmerd in een effectieve rechtstoegang. Een goede rechtsbedeling brengt mee dat getroffen consumenten de (indirect) bij boilerroomfraude betrokken partijen uit diverse landen in één procedure voor hun nationale rechter kunnen dagvaarden.



4.8.
Uitgaande van de faciliterende rol die OKX volgens [persoon A] speelt ten behoeve van boilerroomfraude – door het aanbieden van een infrastructuur met een gebrekkige KYC- en AML-controle – is het voor OKX voorzienbaar dat zij kan worden aangesproken in de landen waar de door die fraude gedupeerde partijen woonachtig zijn, hun bankrekening hebben en hun schade hebben geleden. Dat geldt temeer nu zij haar diensten ook aanbiedt op de Nederlandse markt. OKX staat immers ingeschreven in de openbare registers van de Autoriteit Financiële Markten als aanbieder van cryptodiensten en zij beschikt over een MiCAR-vergunning die zij naar Nederland heeft gepaspoort.



4.9.
Voorgaande omstandigheden geven voldoende aanknopingspunten voor de rechtbank om bevoegdheid aan te nemen ten aanzien van de vorderingen tegen OKX.



Bevoegdheid ten aanzien van Aux Cayes





4.10.
Aux Cayes is gevestigd in de Seychellen, zodat de bevoegdheidsvraag moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6 sub e Rv.



4.11.
Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 t/m 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Brussel I-bis verordening. Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) de Brussel I-bis verordening, tenzij aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ EU.



4.12.
De tekst en strekking van artikel 6 sub e Rv komen overeen met artikel 7 lid 2 Brussel I-bis. Er is geen aanleiding om het artikel anders uit te leggen.



4.13.
De verwijten die [persoon A] maakt aan het adres van OKX, gelden evenzeer voor Aux Cayes. In de visie van [persoon A] vormen OKX en Aux Cayes één economisch geheel dat gebruik maakt van hetzelfde handelsplatform, waarbij OKX de feitelijke beleidsbepaler is van Aux Cayes. Aux Cayes heeft dat onvoldoende weersproken. Dat maakt dat de overwegingen in 4.4. t/m 4.8. net zo goed gelden in de verhouding tussen [persoon A] en Aux Cayes. Dat leidt ertoe dat de rechtbank zich op grond van artikel 6 sub e Rv bevoegd acht om kennis te nemen van de vorderingen tegen Aux Cayes.



Proceskosten in het incident





4.14.
OKX e.a. worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het incident. De kosten van [persoon A] worden begroot op € 1.306,00 (2 punten x tarief van € 653,00) aan salaris advocaat.



4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.16.
Voor toewijzing van de gevorderde nakosten zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv is geen plaats. Dat zijn kosten die de winnende partij, nadat hij op basis van een uitspraak een executoriale titel heeft verkregen, maakt om voldoening van de uitspraak in der minne te bewerkstelligen. Aangezien de uitspraak in dit incident geen executoriale titel oplevert, zijn deze kosten niet aan de orde.



Vervolg hoofdzaak





4.17.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van woensdag 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van OKX e.a.



4.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






5De beslissing


De rechtbank:




in het incident




5.1.
verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen OKX e.a.;



5.2.
veroordeelt OKX e.a. hoofdelijk in de proceskosten van het incident, aan de zijde van [persoon A] begroot op € 1.306,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als dat bedrag niet binnen 14 dagen na aanschrijving is voldaan;



in de hoofdzaak





5.3.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van OKX e.a.;



5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.3349 / 3669




HvJ EU 12 september 2018, ECLI:EU:C:2018:701, punt 22 (Löber); HvJ EG 30 november 1976, ECLI:EU:C:1976:166 (Bier / Mines de potasse d’Alsace)


HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, punt 38 (Universal Music)


HvJ EU 12 september 2018, ECLI:EU:C:2018:701, punt 35 (Löber)


HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, r.o. 4.1.3