Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10932
2026-08-21
Civiel recht
C/10/724463 KG ZA 26-837
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot aanhouden strafrechtelijke procedure bij kortgedingrechter door verdachte en advocaat in verband met gewijzigde verhinderdata. Eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1806 Hoge Raad 28-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.387 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724463 / KG ZA 26-837
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2026
in de zaak van
1
[eiser 1],
domicilie kiezend te Utrecht, op het kantoor van zijn advocaat,2. [eiser 2],
kantoorhoudend te Utrecht,
eisende partijen,
hierna samen aangeduid als eisers en ieder afzonderlijk als [eiser 1] en [eiser 2]
advocaat: [eiser 2],
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend in Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. T.J. Crom.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verwijzingsvonnis van de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2026, met zaak- en rolnummer C/09/710440 KG ZA 26-876
- de dagvaarding van 6 augustus 2026, met producties 1 tot en met 12 en de bij akte aanvullend overgelegde producties 13 en 14- de conclusie van antwoord.
1.2.
Op 14 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens eisers is verschenen mr. B.A. Bakkeren. Namens de Staat is mr. Crom verschenen. Beide advocaten hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2De feiten
2.1.
[eiser 1] is (één van de) verdachte(n) in een strafrechtelijke procedure aanhangig bij de rechtbank Den Haag. [eiser 2] is in die procedure de door [eiser 1] gekozen raadsman.
2.2.
In de strafzaak hebben (regie)zittingen plaatsgevonden op 15 maart 2022, 23 november 2022 en 2 december 2024. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak is vervolgens gepland op 27 en 28 oktober 2025. De inhoudelijke behandeling is op verzoek van [eiser 1] aangehouden.
2.3.
Op 3 december 2025 heeft (de Verkeerstoren van) de rechtbank Den Haag de procesdeelnemers van de strafzaak gevraagd om verhinderdata voor de maanden juli, augustus en september 2026. Op diezelfde dag is namens [eiser 2] de volgende reactie gestuurd:
‘Hierbij de verhinderingen van [eiser 2] over de periode juli t/m september 2026;
Juli: 20 t/m 24, 27 t/m 31;
Augustus: 3 t/m 7, 10 t/m 14;
September: 14, 16, 18, 21;
Deze verhinderingen zijn aan wijzigingen onderhevig en afhankelijk van de planning van andere lopende zaken. Verzocht wordt om ons zo snel mogelijk van een reactie te voorzien, nu er ook in andere zaken verhinderingen zijn opgevraagd. Planning geschiedt uitsluitend per e-mail en wordt nooit per telefoon bevestigd.’
2.4.
Op vrijdag 5 december 2025 om 12.04 uur heeft de Verkeerstoren aan [eiser 2] meegedeeld dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak is gepland op 27 en 28 augustus 2026.
2.5.
Op dinsdag 9 december 2025 om 09:07 uur heeft de secretaresse van [eiser 2] per e-mail aan de Verkeerstoren laten weten: ‘Helaas moet ik u mededelen dat er in de tussentijd een vakantie is gepland over de maand augustus. Hierdoor is [eiser 2] gedurende de hele maand augustus verhinderd.’
2.6.
In de dagen daarna heeft nader contact plaatsgevonden tussen (het kantoor van) [eiser 2] en de rechtbank. Laatstelijk heeft de teamvoorzitter laten weten dat de zaak is gepland met inachtneming van de doorgegeven verhinderingen en dat er geen reden is de planning te wijzigen.
2.7.
Op 24 juni 2026 heeft [eiser 2] de MK-voorzitter van de strafzaak gevraagd de inhoudelijke behandeling opnieuw te plannen in verband met zijn afwezigheid.
2.8.
Op 6 juli 2026 is per mail namens de rechtbank aan [eiser 2] meegedeeld dat zijn verzoek tot aanhouding (opnieuw) wordt afgewezen.
2.9.
Op 22 juli 2026 hebben eisers een klacht ex artikel 13a van de Wet RO ingediend tegen de voorzitter van de MK, de teamvoorzitter en de juridisch adviseur die namens de rechtbank de mail van 6 juli 2026 heeft verstuurd.
3Het geschil
3.1.
Eisers vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de Staat te gebieden te bewerkstelligen dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen [eiser 1] (onderzoek Citroen, parketnummer 09-322302-21) op 27 en 28 augustus 2026 geen doorgang vindt, en te bewerkstelligen dat deze in overleg met de verdediging wordt bepaald op een datum waarop de gekozen raadsman niet verhinderd is;
II. althans de Staat te gebieden te bewerkstelligen dat die behandeling geen doorgang vindt zolang niet onherroepelijk is beslist op de klacht met kenmerk KL26-313, met inachtneming van de hoorplicht van artikel 9:10 lid 1 Awb;
III. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht ter waarborging van de rechten van eisers uit artikel 6 en artikel 13 EVRM;
IV. het onder I tot en met III gevorderde op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de Staat daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,-;
V. de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke
3.2.
Eisers leggen – samengevat – aan de vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door de strafzaak te plannen, althans de planning te handhaven, zonder rekening te houden met de door [eiser 2] zeer tijdig opgegeven verhinderdata. Daarnaast zijn eisers niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord op de door hen ingediende klacht, hebben bestuurlijke functionarissen in strijd met de Wet RO een procesrechtelijke beslissing genomen, is in strijd gehandeld met het Landelijk aanhoudingenprotocol, is sprake van strijd met artikel 19 Rv, kwalificeert de mail van 6 juli 2026 niet als beschikking in de zin van het Wetboek van Strafvordering en zal het laten doorgaan van de stafzaak leiden tot schending van artikel 6 EVRM. Eisers zijn, anders dan de Staat betoogt, ontvankelijk omdat er geen rechtsgang bij de strafrechter is die voldoende rechtsbescherming biedt. De beslistermijn op de ingediende klacht loopt af na de ingeplande zittingsdagen.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert (primair) tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Eisers zijn niet-ontvankelijk
4.1.
Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Aan eisers kan worden toegegeven dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming kan bieden, ook als een andere rechter in beginsel bevoegd is. Volgens vaste rechtspraak heeft de aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter echter geen betrekking op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het is aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden. In dat verband is voor de burgerlijke rechter, gelet op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid, geen taak weggelegd. Voor voorzieningen door de burgerlijke rechter op dit vlak is daarom geen plaats. De Hoge Raad heeft bij herhaling in deze zin beslist (zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806).
4.2.
De vorderingen van eisers komen in de kern neer op het herplannen / aanhouden van een strafzitting. Daarmee zien die vorderingen dus onmiskenbaar op de procesvoering in de rechtsgang bij de strafrechter. Het standpunt van eisers dat de gevraagde voorziening niet neerkomt op een oordeel over de aanhoudingbeslissing, is onnavolgbaar. De vordering luidt immers letterlijk dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 27 en 28 augustus 2026 niet doorgaat en in overleg met de verdediging opnieuw wordt gepland. Het belang van eisers dat daarmee wordt gediend, is uitsluitend een strafprocessueel belang; [eiser 1] wil met dit kort geding bewerkstelligen dat [eiser 2] hem vertegenwoordigt tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzitting. De beslissing hierover is gelet op het voorgaande voorbehouden aan de strafrechter. Alle door eisers aangevoerde argumenten stuiten daarop af. Eisers zijn in deze procedure niet-ontvankelijk.
Proceskosten
4.3.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.4.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart eisers niet-ontvankelijk,
5.2.
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.3144/1980
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724463 / KG ZA 26-837
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2026
in de zaak van
1
[eiser 1],
domicilie kiezend te Utrecht, op het kantoor van zijn advocaat,2. [eiser 2],
kantoorhoudend te Utrecht,
eisende partijen,
hierna samen aangeduid als eisers en ieder afzonderlijk als [eiser 1] en [eiser 2]
advocaat: [eiser 2],
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend in Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. T.J. Crom.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verwijzingsvonnis van de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2026, met zaak- en rolnummer C/09/710440 KG ZA 26-876
- de dagvaarding van 6 augustus 2026, met producties 1 tot en met 12 en de bij akte aanvullend overgelegde producties 13 en 14- de conclusie van antwoord.
1.2.
Op 14 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens eisers is verschenen mr. B.A. Bakkeren. Namens de Staat is mr. Crom verschenen. Beide advocaten hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
2De feiten
2.1.
[eiser 1] is (één van de) verdachte(n) in een strafrechtelijke procedure aanhangig bij de rechtbank Den Haag. [eiser 2] is in die procedure de door [eiser 1] gekozen raadsman.
2.2.
In de strafzaak hebben (regie)zittingen plaatsgevonden op 15 maart 2022, 23 november 2022 en 2 december 2024. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak is vervolgens gepland op 27 en 28 oktober 2025. De inhoudelijke behandeling is op verzoek van [eiser 1] aangehouden.
2.3.
Op 3 december 2025 heeft (de Verkeerstoren van) de rechtbank Den Haag de procesdeelnemers van de strafzaak gevraagd om verhinderdata voor de maanden juli, augustus en september 2026. Op diezelfde dag is namens [eiser 2] de volgende reactie gestuurd:
‘Hierbij de verhinderingen van [eiser 2] over de periode juli t/m september 2026;
Juli: 20 t/m 24, 27 t/m 31;
Augustus: 3 t/m 7, 10 t/m 14;
September: 14, 16, 18, 21;
Deze verhinderingen zijn aan wijzigingen onderhevig en afhankelijk van de planning van andere lopende zaken. Verzocht wordt om ons zo snel mogelijk van een reactie te voorzien, nu er ook in andere zaken verhinderingen zijn opgevraagd. Planning geschiedt uitsluitend per e-mail en wordt nooit per telefoon bevestigd.’
2.4.
Op vrijdag 5 december 2025 om 12.04 uur heeft de Verkeerstoren aan [eiser 2] meegedeeld dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak is gepland op 27 en 28 augustus 2026.
2.5.
Op dinsdag 9 december 2025 om 09:07 uur heeft de secretaresse van [eiser 2] per e-mail aan de Verkeerstoren laten weten: ‘Helaas moet ik u mededelen dat er in de tussentijd een vakantie is gepland over de maand augustus. Hierdoor is [eiser 2] gedurende de hele maand augustus verhinderd.’
2.6.
In de dagen daarna heeft nader contact plaatsgevonden tussen (het kantoor van) [eiser 2] en de rechtbank. Laatstelijk heeft de teamvoorzitter laten weten dat de zaak is gepland met inachtneming van de doorgegeven verhinderingen en dat er geen reden is de planning te wijzigen.
2.7.
Op 24 juni 2026 heeft [eiser 2] de MK-voorzitter van de strafzaak gevraagd de inhoudelijke behandeling opnieuw te plannen in verband met zijn afwezigheid.
2.8.
Op 6 juli 2026 is per mail namens de rechtbank aan [eiser 2] meegedeeld dat zijn verzoek tot aanhouding (opnieuw) wordt afgewezen.
2.9.
Op 22 juli 2026 hebben eisers een klacht ex artikel 13a van de Wet RO ingediend tegen de voorzitter van de MK, de teamvoorzitter en de juridisch adviseur die namens de rechtbank de mail van 6 juli 2026 heeft verstuurd.
3Het geschil
3.1.
Eisers vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de Staat te gebieden te bewerkstelligen dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen [eiser 1] (onderzoek Citroen, parketnummer 09-322302-21) op 27 en 28 augustus 2026 geen doorgang vindt, en te bewerkstelligen dat deze in overleg met de verdediging wordt bepaald op een datum waarop de gekozen raadsman niet verhinderd is;
II. althans de Staat te gebieden te bewerkstelligen dat die behandeling geen doorgang vindt zolang niet onherroepelijk is beslist op de klacht met kenmerk KL26-313, met inachtneming van de hoorplicht van artikel 9:10 lid 1 Awb;
III. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht ter waarborging van de rechten van eisers uit artikel 6 en artikel 13 EVRM;
IV. het onder I tot en met III gevorderde op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de Staat daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,-;
V. de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke
3.2.
Eisers leggen – samengevat – aan de vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door de strafzaak te plannen, althans de planning te handhaven, zonder rekening te houden met de door [eiser 2] zeer tijdig opgegeven verhinderdata. Daarnaast zijn eisers niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord op de door hen ingediende klacht, hebben bestuurlijke functionarissen in strijd met de Wet RO een procesrechtelijke beslissing genomen, is in strijd gehandeld met het Landelijk aanhoudingenprotocol, is sprake van strijd met artikel 19 Rv, kwalificeert de mail van 6 juli 2026 niet als beschikking in de zin van het Wetboek van Strafvordering en zal het laten doorgaan van de stafzaak leiden tot schending van artikel 6 EVRM. Eisers zijn, anders dan de Staat betoogt, ontvankelijk omdat er geen rechtsgang bij de strafrechter is die voldoende rechtsbescherming biedt. De beslistermijn op de ingediende klacht loopt af na de ingeplande zittingsdagen.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert (primair) tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Eisers zijn niet-ontvankelijk
4.1.
Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Aan eisers kan worden toegegeven dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming kan bieden, ook als een andere rechter in beginsel bevoegd is. Volgens vaste rechtspraak heeft de aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter echter geen betrekking op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het is aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden. In dat verband is voor de burgerlijke rechter, gelet op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid, geen taak weggelegd. Voor voorzieningen door de burgerlijke rechter op dit vlak is daarom geen plaats. De Hoge Raad heeft bij herhaling in deze zin beslist (zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806).
4.2.
De vorderingen van eisers komen in de kern neer op het herplannen / aanhouden van een strafzitting. Daarmee zien die vorderingen dus onmiskenbaar op de procesvoering in de rechtsgang bij de strafrechter. Het standpunt van eisers dat de gevraagde voorziening niet neerkomt op een oordeel over de aanhoudingbeslissing, is onnavolgbaar. De vordering luidt immers letterlijk dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 27 en 28 augustus 2026 niet doorgaat en in overleg met de verdediging opnieuw wordt gepland. Het belang van eisers dat daarmee wordt gediend, is uitsluitend een strafprocessueel belang; [eiser 1] wil met dit kort geding bewerkstelligen dat [eiser 2] hem vertegenwoordigt tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzitting. De beslissing hierover is gelet op het voorgaande voorbehouden aan de strafrechter. Alle door eisers aangevoerde argumenten stuiten daarop af. Eisers zijn in deze procedure niet-ontvankelijk.
Proceskosten
4.3.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.4.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart eisers niet-ontvankelijk,
5.2.
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.3144/1980