Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10549
2026-08-13
Strafrecht
26-014531 (raadkamernr.), 10/211816-21 (parketnr.), 89/000024-39 (VI-zaaknr.)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bezwaar tegen herroeping VI ongegrond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.314 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Raadkamernummer: 26-014531
Parketnummer: 10/211816-21
VI- zaaknummer: 89/000024-39
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:
[veroordeelde] ,
geboren te [plaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1993,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , hierna te noemen “veroordeelde”.
Feiten
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 5 oktober 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) heeft op 15 april 2025 voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: v.i.) aan de veroordeelde verleend.
De veroordeelde is feitelijk op 25 april 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld en vanaf die
datum is de proeftijd gaan lopen.
Het OM heeft op 19 maart 2026 beslist de v.i. van de veroordeelde te herroepen voor een periode van 172 dagen, omdat de veroordeelde zich (onder meer) niet aan de meldplicht had gehouden.
De veroordeelde is hiervan in bezwaar gegaan.
Bij beslissing van 17 april 2026 is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en daarbij is bepaald dat de veroordeelde op 24 maart 2026 in vrijheid zal worden gesteld. De veroordeelde ondergaat met ingang van 26 maart 2026 het restant van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf.
Het OM heeft op 7 mei 2026 opnieuw beslist de v.i. van de veroordeelde te herroepen, ditmaal voor de restant-duur van 146 dagen, omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd wordt verdacht van het plegen van een nieuw strafbaar feit. Tegen deze beslissing heeft de veroordeelde onderhavig bezwaarschrift ingediend.
Procedure
De rechtbank heeft op 12 juni 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. Hierbij is de behandeling van het bezwaarschrift aangehouden voor gelijktijdige behandeling met de nieuwe strafzaak van de veroordeelde (parketnummer 10/111827-26) die gepland staat op 30 juli 2026.
Op 30 juli 2026 is het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, de raadsvrouw mr. Z.L. Moezel, en de officier van justitie mr. H.H. Balk in raadkamer gehoord.
Bezwaar
De (raadsvrouw van) veroordeelde kan zich primair niet verenigen met de beslissing van het OM om de voorwaardelijke invrijheidstelling (in haar geheel) te herroepen, vanwege de bepleite vrijspraak in de strafzaak van heden, subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij zich, in geval van een veroordelend vonnis voor de zaak onder bovenvermeld parketnummer, refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard. De veroordeelde heeft tijdens de proeftijd een nieuw strafbaar feit gepleegd, dat exact hetzelfde soort feit (gewapende winkeloverval) is als waarvoor hij is veroordeeld in de zaak waarvoor hij de v.i. heeft gekregen. De v.i. heeft duidelijk geen recidivebeperkend effect gehad. De veroordeelde moet de resterende 146 dagen uitzitten.
Beoordeling
Ingevolge artikel 6:2:13a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Op grond van artikel 6:6:9 Sv onderzoekt de rechtbank bij bezwaar tegen een beslissing inzake de (herroeping van de) v.i. of het OM bij afweging van de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat heden in de zaak onder parketnummer 10/211816-21 een veroordelend vonnis is gewezen voor een soortgelijk feit als waarvoor de veroordeelde in de v.i. liep. Daarmee heeft de veroordeelde de algemene voorwaarde van de v.i. overtreden. Dat de nieuwe veroordeling, met uitspraakdatum 13 augustus 2026, niet onherroepelijk is, doet daar niet aan af. Gelet op de aard van de overtreding, is een herroeping van de v.i. dan ook redelijk en proportioneel.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het OM bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het bezwaar ongegrond.
bepaalt dat de veroordeelde nog 146 dagen moet ondergaan van de vrijheidsstraf die in hem onder parketnummer 10-211816-21 is opgelegd.
Deze beslissing is genomen door:
mr. L. Stevens, voorzitter,
en mrs. A.J.P van Essen en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026.
Team straf 1
Raadkamernummer: 26-014531
Parketnummer: 10/211816-21
VI- zaaknummer: 89/000024-39
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:
[veroordeelde] ,
geboren te [plaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1993,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , hierna te noemen “veroordeelde”.
Feiten
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 5 oktober 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) heeft op 15 april 2025 voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: v.i.) aan de veroordeelde verleend.
De veroordeelde is feitelijk op 25 april 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld en vanaf die
datum is de proeftijd gaan lopen.
Het OM heeft op 19 maart 2026 beslist de v.i. van de veroordeelde te herroepen voor een periode van 172 dagen, omdat de veroordeelde zich (onder meer) niet aan de meldplicht had gehouden.
De veroordeelde is hiervan in bezwaar gegaan.
Bij beslissing van 17 april 2026 is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en daarbij is bepaald dat de veroordeelde op 24 maart 2026 in vrijheid zal worden gesteld. De veroordeelde ondergaat met ingang van 26 maart 2026 het restant van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf.
Het OM heeft op 7 mei 2026 opnieuw beslist de v.i. van de veroordeelde te herroepen, ditmaal voor de restant-duur van 146 dagen, omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd wordt verdacht van het plegen van een nieuw strafbaar feit. Tegen deze beslissing heeft de veroordeelde onderhavig bezwaarschrift ingediend.
Procedure
De rechtbank heeft op 12 juni 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. Hierbij is de behandeling van het bezwaarschrift aangehouden voor gelijktijdige behandeling met de nieuwe strafzaak van de veroordeelde (parketnummer 10/111827-26) die gepland staat op 30 juli 2026.
Op 30 juli 2026 is het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, de raadsvrouw mr. Z.L. Moezel, en de officier van justitie mr. H.H. Balk in raadkamer gehoord.
Bezwaar
De (raadsvrouw van) veroordeelde kan zich primair niet verenigen met de beslissing van het OM om de voorwaardelijke invrijheidstelling (in haar geheel) te herroepen, vanwege de bepleite vrijspraak in de strafzaak van heden, subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij zich, in geval van een veroordelend vonnis voor de zaak onder bovenvermeld parketnummer, refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard. De veroordeelde heeft tijdens de proeftijd een nieuw strafbaar feit gepleegd, dat exact hetzelfde soort feit (gewapende winkeloverval) is als waarvoor hij is veroordeeld in de zaak waarvoor hij de v.i. heeft gekregen. De v.i. heeft duidelijk geen recidivebeperkend effect gehad. De veroordeelde moet de resterende 146 dagen uitzitten.
Beoordeling
Ingevolge artikel 6:2:13a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Op grond van artikel 6:6:9 Sv onderzoekt de rechtbank bij bezwaar tegen een beslissing inzake de (herroeping van de) v.i. of het OM bij afweging van de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat heden in de zaak onder parketnummer 10/211816-21 een veroordelend vonnis is gewezen voor een soortgelijk feit als waarvoor de veroordeelde in de v.i. liep. Daarmee heeft de veroordeelde de algemene voorwaarde van de v.i. overtreden. Dat de nieuwe veroordeling, met uitspraakdatum 13 augustus 2026, niet onherroepelijk is, doet daar niet aan af. Gelet op de aard van de overtreding, is een herroeping van de v.i. dan ook redelijk en proportioneel.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het OM bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het bezwaar ongegrond.
bepaalt dat de veroordeelde nog 146 dagen moet ondergaan van de vrijheidsstraf die in hem onder parketnummer 10-211816-21 is opgelegd.
Deze beslissing is genomen door:
mr. L. Stevens, voorzitter,
en mrs. A.J.P van Essen en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026.