Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10317

2026-08-06 Strafrecht 71-303840-22 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
71-303840-22 (ontneming)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

[naam veroordeelde] profijtontneming op grond van andere strafbare feiten. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel en vaststelling betalingsverplichting op hetzelfde bedrag.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.230 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team straf 1



Parketnummer: 71-303840-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen





[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedatum] 1971,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
verblijvende [verblijfadres] [verblijfplaats] [land] ,
voor deze zaak domicilie kiezende aan het kantoor van zijn raadsman,
gemachtigd raadsman mr. M.M.H. Zuketto, advocaat in Maastricht.




1Procedure
Na indiening van de vordering tot ontneming heeft de officier van justitie een conclusie van eis ingediend. Vervolgens zijn conclusies van antwoord, repliek en dupliek over en weer ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026.



2Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 september 2024 is [naam veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van gewoontewitwassen, beide gepleegd in de periode van 27 juni 2020 tot en met 5 maart 2021.
Dit vonnis is onherroepelijk.




3Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. C. Goedegebuure - zoals deze na wijziging is komen te luiden - strekt tot:


het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 1.493.769,-;


het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van 1.493.769,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.




De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.




4Standpunt verdediging grondslag/hoogte ontnemingsvordering
De ontnemingsvordering dient te worden gematigd. Daartoe is aangevoerd dat in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Daarnaast zijn ten onrechte niet alle gemaakte kosten in mindering gebracht. Bij de beoordeling van de vordering wordt, voor zover relevant, nader ingegaan op de door de verdediging gevoerde verweren.



5Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de hiervoor (onder 2) genoemde strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan. Op grond van dat vonnis staat in de ontnemingszaak het volgende vast.


De veroordeelde heeft als leider een actieve en onmisbare bijdrage geleverd aan een criminele organisatie die in de periode van 27 juni 2020 tot en met 5 maart 2021 door middel van illegaal ondergronds bankieren ruim € 246 miljoen heeft witgewassen. Vanuit de kantoren in Nieuw-Vennep (‘kantoor Amsterdam’) en Wateringen (‘kantoor Den Haag’) werden vrijwel dagelijks grote contante geldbedragen, afkomstig uit enig misdrijf, bij derden opgehaald (zogenoemde ‘picks’) en afgeleverd (‘kicks’). De transacties verliepen steeds op dezelfde manier en werden aangestuurd via ANOM-chatberichten.



Op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) bestaan voldoende aanwijzingen, buiten redelijke twijfel, dat de veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft begaan, te weten dat hij zich ook in de periode van 28 juni 2019 tot 1 juni 2020 heeft beziggehouden met illegaal ondergronds bankieren. Dit ging op dezelfde wijze als hiervoor is beschreven, zij het dat de transacties in deze eerdere periode werden aangestuurd via SKY-ECC-chatberichten.
Het klopt, zoals de raadsman heeft aangevoerd, dat de bewezenverklaarde periode in het strafvonnis afwijkt van de tenlastegelegde periode; de veroordeling ziet op de periode vanaf 27 juni 2020 in plaats van de tenlastegelegde 1 juni 2020. Dat doet echter aan het voorgaande niets af, omdat zowel de tenlastegelegde als de bewezenverklaarde periode ziet op andere feiten, te weten de transacties die werden aangestuurd via ANOM-chatberichten. Van een vrijspraak in het strafvonnis, zoals bedoeld in de Geerings-jurisprudentie, ten aanzien van transacties die werden aangestuurd via SKY-ECC-chatberichten is dus geen sprake. Voor het overige heeft de verdediging op dit onderdeel van de ontnemingsvordering geen verweer gevoerd.



Uit het ontnemingsrapport blijkt dat door middel van bovenstaande strafbare feiten de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.




6Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport en de conclusie van repliek. De berekening van het voordeel is in deze stukken voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd.



Opbrengst uit pick en kicks

Uit het vonnis in de strafzaak blijkt dat in de bewezenverklaarde periode ruim € 246 miljoen aan picks zijn uitgevoerd, en een iets hoger bedrag aan kicks. Uit het ontnemingsrapport blijkt verder dat in de periode van 28 juni 2019 tot 1 juni 2020 in totaal ruim € 65 miljoen aan picks en kicks is verplaatst. Uit het ontnemingsrapport blijkt ook dat de veroordeelde in beide periodes per transactie een commissie ontving. Anders dan de verdediging heeft bepleit, gaat de rechtbank ervan uit dat de commissie is berekend over de afzonderlijke picks en kicks. De organisatie waaraan de veroordeelde leiding gaf, haalde namelijk geld op (picks) en bracht geld weg (kicks). Dit betreffen twee afzonderlijke diensten, waarvoor geldt dat aannemelijk is geworden dat de veroordeelde telkens 0,5% commissie in rekening bracht. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat een pick rechtstreeks als een kick bestemd was voor een specifieke derde. Kortom, het betroffen verschillende transacties voor steeds wisselende derden.



Uit het ontnemingsrapport blijken de in totaal opgehaalde en afgeleverde bedragen: € 493.961.220,- in de ANOM-periode en € 65.615.625,- in de SKY-ECC-periode.
De daarover ontvangen commissie van 0,5%, oftewel de opbrengst uit de strafbare feiten, bedraagt in totaal € 2.797.884,-, waarvan wordt afgetrokken de opbrengst in de periode 1 tot 27 juni 2020 (€ 126.642,-). De totale opbrengst bedraagt dus € 2.671.242,-.




Kosten

Bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kunnen kosten in mindering worden gebracht die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten waarop het voordeel is gebaseerd en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen.
De verdediging heeft aangevoerd dat bepaalde kosten (inbeslaggenomen geld, ten onrechte berekende commissie, boete voor [persoon A] , kosten advocaat, huurkosten, opzetten kantoor in Nieuw-Vennep, kosten voor PGP-telefoons en autokosten) ten onrechte niet in mindering zijn gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.



De rechtbank is van oordeel, anders dan de verdediging stelt, dat het inbeslaggenomen geld niet als een verlies in het kader van de ontneming geldt. Dit geld behoorde niet toe aan de veroordeelde. De chats waarnaar de verdediging in dat verband heeft verwezen, zijn onvoldoende concreet voor de conclusie dat de verdachte het inbeslaggenomen bedrag én de daarover door hem berekende commissie heeft vergoed aan de rechthebbende van het inbeslaggenomen geld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, acht de rechtbank een dergelijk bedrijfsrisico ook niet aannemelijk.
Verder heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd dat de kosten voor telefoons, auto’s, de boete voor [persoon A] , advocaatkosten, huurkosten en de kosten voor het opzetten van een kantoor in Nieuw-Vennep in directe relatie stonden tot (de voltooiing van) het delict, (en) voor rekening van de veroordeelde kwamen en daadwerkelijk door hem zijn betaald.
Zo blijkt uit het strafdossier dat de huurkosten zijn betaald door [persoon B] (kantoor Nieuw-Vennep, dat overigens eerst operationeel was vanaf 19 november 2020) en [persoon C] en [persoon D] (kantoor Wateringen).
De rechtbank houdt met deze door de verdediging aangevoerde kostenposten dan ook geen rekening.



Uit het ontnemingsrapport en de conclusie van repliek blijkt dat in de ANOM-periode in totaal € 1.088.680,- minus € 55.824,- aan kosten is gemaakt, en in de SKY-ECC-periode € 144.617,-. In totaal bedragen de gemaakte kosten dus € 1.177.473,-.




Toerekening

Bij de schatting van het te ontnemen voordeel is het uitgangspunt dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht waarin hij verkeerde vóór het plegen van de strafbare feiten waaruit dat voordeel is genoten. Gelet hierop dient bij de bepaling van dat voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.



Gebleken is dat de veroordeelde door middel van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.




Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 1.493.769,-.




7Vaststelling van de betalingsverplichting
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.


De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 1.493.769,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.



Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.




8Maximale duur gijzeling
Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.


Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr) hanteert de rechtbank naar rato de volgende verdeling:



voor bedragen tot € 50.000,- geldt een maximum van 360 dagen;


voor bedragen tot € 500.000,- geldt een maximum van 720 dagen;


voor bedragen van € 5.000.000,- of meer geldt een maximum van 1080 dagen.




Het aantal dagen gijzeling in deze zaak zal daarom worden vastgesteld op 720 dagen (voor de eerste € 500.000,-) plus 79 dagen voor de resterende € 993.769,- (€ 993.769,-/4.500.000,- x 360) is 799 dagen.




9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.



10Beslissing
De rechtbank:


stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 1.493.769,- (zegge: een miljoen vierhonderddrieënnegentigduizend zevenhonderdnegenenzestig euro);



legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 1.493.769,- (zegge: een miljoen vierhonderddrieënnegentigduizend zevenhonderdnegenenzestig euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;



bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 799 (zegge: zevenhonderdnegenennegentig) dagen.




Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van der Groen, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en H.C. van Vuren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 augustus 2026.



De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.




Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 17 december 2024, rapportnummer [rapportnummer] , met bijlagen.


Ontnemingsrapport, p 11 en de onderliggende bijlage 5.


Ontnemingsrapport, p. 7 en 8.


Ontnemingsrapport, p. 7 en 11.


Conclusie van repliek, p. 9.


Requisitoir, p. 13 en 14, met verwijzing naar de onderliggende stukken uit het strafdossier.


Ontnemingsrapport, p. 8-12, conclusie van repliek, p. 9.