Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10137

2026-07-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/720422 / FA RK 26-4249
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/720422 / FA RK 26-4249
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 1:253a BW. Omvang processtukken. Rb. neemt beslissingen over wisselmomenten vakanties, paardrijles, inschrijving huisarts en benoeming bijzondere curator. Overige verzoeken worden aangehouden, in afwachting van solo parallel ouderschap.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.418 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/720422 / FA RK 26-4249




Beschikking van 15 juli 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming en de benoeming van een bijzondere curator




in de zaak van:





[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. A.C. Otten te Bussum,



t e g e n





[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 mei 2026;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 29 juni 2026;


het bericht met bijlagen van de vrouw van 30 juni 2026;


het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek van 3 juli 2026.





1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .








2De vaststaande feiten


2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] .




2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.



2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 februari 2023 is – voor zover van belang – bepaald dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) bij de man zal zijn als volgt:


de ene week van donderdag uit de peuterspeelzaal dan wel school tot maandag naar de peuterspeelzaal dan wel school;


de andere week van donderdag uit de peuterspeelzaal dan wel school tot vrijdag 19.00 uur;


vanaf 2024:



 in de zomervakantie de eerste drie weken bij de man, de laatste drie weken bij de vrouw;
 in de voorjaars- en najaarsvakantie (vakanties van een week) een wisseling halverwege de week op woensdag, waarbij de minderjarige de eerste helft van de week bij de man is en de tweede helft van de week bij de vrouw verblijft;
 in de meivakantie (indien twee weken) de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw met wisseling halverwege op zaterdag;
 in de kerstvakantie (twee weken) jaarlijks in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de even jaren omgekeerd, waarbij gewisseld wordt halverwege op vrijdag;
 in het weekend van Pasen en Pinksteren die dagen bij de ouder verblijft waar zij in het kader van de zorgregeling verblijft. Als de minderjarige bij de man is dan verblijft zij tot de tweede Pinkster- of Paasdag tot 17.00 uur bij de man;
 in het weekend van Hemelvaart bij de ouder verblijft waar zij in het kader van de zorgregeling verblijft, van donderdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur;
 op bijzondere dagen, zoals de verjaardag van de minderjarige, verjaardagen van ouders, verjaardagen van grootouders, Vaderdag, Moederdag, verjaardag van nicht [naam] in onderling overleg door partijen te regelen.
Ook is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn.




2.4.
Bij beschikking van het hof Den Haag van 22 november 2023 is – voor zover van belang – de beschikking van 8 februari 2023 vernietigd voor wat betreft de vaststelling van de reguliere zorgregeling en is vastgesteld dat de minderjarige in het kader van de reguliere zorgregeling via een week-op-week-af regeling bij de ouders verblijft waarbij de wisseling plaatsvindt op woensdagen uit school, dan wel de woensdagen om 12:00 uur. Ook is de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vernietigd en bij de man bepaald.



2.5.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.






3De beoordeling


3.1.

Omvang processtukken



3.1.1.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken, merkt de rechtbank het volgende op. Het rechtbankdossier bestaat inmiddels uit 889 pagina’s. Het inleidend verzoekschrift beslaat 43 pagina’s, het verweerschrift 46 pagina’s en het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken 8 pagina’s. De vrouw heeft 49 producties overgelegd en de man 33 producties. Deze omvang staat in geen enkele verhouding met de voorliggende verzoeken, die zien op gezagsgeschillen tussen ouders. De procesreglementen handel en kanton vermelden al enige tijd dat de omvang van een processtuk exclusief producties (bewijsstukken) in overeenstemming moet zijn met de aard, de complexiteit en het belang van de zaak. Het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, dat ook ziet op kort gedingen in familiezaken, vermeldt een vergelijkbare eis. Daarmee is een meer open norm geformuleerd dan is terug te vinden in Procesreglement verzoekschriftprocedures
familiezaken gerechtshoven, waarin een maximum van 25 pagina’s wordt genoemd. Dergelijke beperkingen worden niet genoemd in het Procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken. Dat neemt niet weg dat er beperkingen gesteld kunnen worden aan de omvang van de stukken. De procesreglementen vormen op dit punt immers een uitwerking van de goede procesorde, die in familiezaken net zo zeer gelden. De rechter kan namelijk op grond van dit beginsel alle beslissingen nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure (artikel 19 lid 2 Rv) en om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure (artikel 20 lid 1 Rv). Op basis hiervan kunnen beperkingen gesteld worden aan de omvang van processtukken. Dat is ook nodig, omdat dergelijke omvangrijke stukken een te grote belasting vormen voor alle deelnemers aan het proces, waaronder de rechtbank.




3.1.2.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling het voorgaande aan partijen voorgehouden en uiteindelijk beslist de stukken onverkort mee te nemen, omdat de minderjarige niet gebaat is bij een vertraging van de procedure. Dat neemt niet weg dat de rechtbank in andere procedures tot een andere afweging kan komen, wat er bijvoorbeeld toe kan leiden dat partijen hun schriftelijke stukken moeten inkorten.




3.2.

Zorgregeling en hoofdverblijfplaats



3.2.1.
De vrouw verzoekt primair de door de rechtbank en het hof vastgestelde zorgregeling te wijzigen. Primair verzoekt zij een weekendregeling voor de man, subsidiair een verlengde weekendregeling. Zij verzoekt daarnaast een specifieke vakantie- en feestdagenregeling. Ook verzoekt de vrouw te bepalen dat:


de wisseldagen en wisseltijden tijdens vakanties op zaterdag om 9.00 uur en in het geval eerste of tweede Kerstdag op de wisseldag plaatsvindt de wisseldag op 27 december om 09.00 uur is;


ook heeft de vrouw een verzoek gedaan over tussentijdse belmomenten en de overdracht.





3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van de verzoeken van de vrouw. De man verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat wat betreft de onder 2.4 genoemde uitspraak van het hof:


wordt aangevuld voor wat betreft de wisseltijden in de vakanties, in die zin dat de wisseltijd wordt vastgesteld op zaterdag om 12:00 uur (in de mei-, kerst- en zomervakantie);


een wijziging van de verdeling van de herfst- en voorjaarsvakantie;


de bekrachtigde verdeling van de vakanties aan te vullen met de vaststelling van de aanvang- en eindtijden, waarbij geldt dat alle schoolvakanties starten op vrijdag uit school of op een vrije dag om 12.00 uur en eindigen op maandagochtend voor schooltijd of op een vrije dag om 8.30 uur;


de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 22 november 2023 wordt gewijzigd voor wat betreft de wisseldag in de kerstvakantie, in die zin dat de wisseldag wordt vastgesteld op zaterdag in plaats van op vrijdag.





3.2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoeken aangevuld met het verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw te bepalen en de regeling voor de zomervakantie te wijzigen in die zin dat de minderjarige in de zomervakantie elk jaar in eerste, tweede en vijfde week bij de man verblijft en in derde, vierde en zesde week bij de vrouw. Deze verzoeken van de vrouw stonden niet in het petitum van haar verzoekschrift, maar werden wel besproken in het lichaam van het inleidend verzoekschrift. De man was bekend met deze verzoeken van de vrouw en heeft er in zijn verweerschrift op gereageerd. Toch is de man van mening dat de vrouw deze verzoeken schriftelijk had moeten doen en geen mondelinge aanvulling kan doen tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank verwerpt dit verweer en zal beslissen op de verzoeken en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat de verzoekschriftprocedure minder aan vormen is gebonden en dat er geen grond is die een mondelinge aanvulling van verzoeken in de weg staat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de advocaat van de vrouw heeft aangegeven de betreffende verzoeken te hebben gezien in het lichaam van het verzoekschrift en in zoverre zich ook heeft kunnen voorbereiden op een bespreking hiervan.



3.2.4.
Bij de beoordeling is het volgende juridische kader van belang. De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.



3.2.5.
Met partijen is uitgebreid gesproken over de situatie. Uit de grote hoeveelheid stukken van beide kanten volgt het beeld dat de communicatie van partijen slecht is. Partijen communiceren ieder op hun eigen manier en bereiken elkaar daardoor niet. Er is over en weer sprake van wantrouwen. Daarnaast hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling allebei gezegd geen verwachting te hebben op verbetering van hun communicatie in de toekomst. De raad heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling op het hart gedrukt dat zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen en in het belang van de minderjarige stappen moeten zetten. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling allebei aangegeven bereid te zijn om deel te nemen aan het traject ‘Parallel Solo Ouderschap’. Dit traject kan volgens de raad worden ingezet voor een korte periode, ongeveer zes maanden, en dient alleen ter overbrugging om partijen tijd te geven om bij zichzelf te rade gaan welke stappen zij kunnen ondernemen om te zorgen voor verbetering. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat Kwadraad en de Lelie zorggroep dit hulpverleningstraject aanbieden in de gemeente van partijen. Partijen zullen zich in onderling overleg aanmelden en de rechtbank raadt hen aan dit te doen bij de organisatie met de kortste wachttijd. De raad ziet een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige en het is daarom noodzakelijk dat partijen het traject zullen volgen als laatste mogelijkheid om tot verbetering van hun communicatie te komen voordat ingrijpen van instanties noodzakelijk zal worden. Daarmee heeft de raad dus aangegeven dat als de situatie op korte termijn niet verbetert, er kinderbeschermingsmaatregelen in beeld komen. De raad heeft ook geadviseerd een raadsonderzoek in te zetten om de mogelijkheden te onderzoeken als het traject ‘Parallel Solo Ouderschap’ is afgerond. Partijen hebben hiermee ingestemd.



3.2.6.
De rechtbank acht het noodzakelijk dat de raad onderzoek doet naar de huidige dynamiek van partijen, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling en de rechtbank daarover adviseert. Om deze reden zal de behandeling op deze punten (gedeeltelijk) worden aangehouden en zal de raad worden verzocht nader te rapporteren.



3.2.7.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt, die gelden tijdens de maanden waarin het raadsonderzoek wordt verricht en in afwachting van de beschikking van de rechtbank. De rechtbank neemt deze afspraken op in de beschikking, omdat deze afspraken in het belang van de minderjarige zijn. Partijen hebben afgesproken dat de minderjarige in de zomervakantie elke woensdag om 17:00 uur met de ouder belt, waarbij zij op dat moment niet verblijft. Ook heeft de man toegezegd tot de hierna te nemen beslissing over de vervangende toestemming mee te werken aan noodzakelijk te achten handelingen door de huidige huisarts van de minderjarige. Daarmee wordt voorkomen dat de minderjarige eventueel noodzakelijke zorg niet krijgt. De rechtbank complimenteert partijen met deze afspraken en hun houding ten opzichte van het traject ‘Parallel Solo Ouderschap’. Partijen hebben daarmee laten zien dat zij in het belang van de minderjarige afspraken willen maken en zich in willen zetten om voor de minderjarige te verbeteren in de toekomst.



3.2.8.
Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling de wens geuit dat de rechtbank, ondanks de aanhouding van de verzoeken vanwege het raadsonderzoek, een beslissing neemt over de wisselmomenten in en de aanvangs- en eindtijden van de vakanties. De rechtbank neemt daarover een beslissing, omdat dit van belang is om onduidelijkheid voor partijen en de minderjarige te voorkomen. De gewijzigde omstandigheden zijn erin gelegen dat de wisselmomenten een terugkerend geschilpunt zijn tussen partijen. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke bespreking van de verzoeken. Daarbij tekent de rechtbank aan dat hiermee niet geoordeeld is dat ten aanzien van de overige verzoeken ook sprake is van gewijzigde omstandigheden. Daarover zal later in deze procedure zo nodig nog een beslissing worden gegeven.



3.2.9.
Bij haar beslissing sluit de rechtbank aan bij het advies van de raad. De rechtbank is van oordeel dat de vakanties beginnen op vrijdagmiddag uit school en eindigen op maandag naar school. Dat zijn de momenten waarop de vakanties voor de scholen beginnen en eindigen en dit zal voor de minderjarige dan ook het meest voelen als het begin en het einde van de vakantie. Als het gaat om het wisselmoment in de vakanties voert de vrouw aan dat het wisselmoment in de mei-, kerst- en zomervakantie op zaterdag om 9.00 uur moet zijn en in de herfst- en voorjaarsvakantie op woensdag om 9.00 uur moet zijn. De vrouw verzoekt het wisselmoment in de kerstvakantie op 27 december te bepalen als tweede Kerstdag op een zaterdag valt. De man is van mening dat het wisselmoment in elke vakantie op zaterdag of woensdag om 12:00 uur moet plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat het wisselmoment in elke vakantie op zaterdag of woensdag om 12:00 uur moet plaatsvinden. De rechtbank acht dat het meest in het belang van de minderjarige, omdat zij dan rustig de tijd heeft om de dag te starten en haar spullen in te pakken. Dit tijdstip voorkomt dat de minderjarige dat een dag eerder moet doen, waardoor zij minder tijd heeft bij de ouder waar zij verblijft en zorgt daardoor voor een eerlijke verdeling tussen partijen. Daarbij heeft de rechtbank onder ogen gezien dat het wisselmoment in de kerstvakantie blijkens de uitspraak van de rechtbank op een vrijdag is, maar de rechtbank acht een vaste wisseldag op zaterdag meer in het belang van de minderjarige. Er is onvoldoende reden om voor de kerstvakantie een andere wisseldag te bepalen dan voor de overige vakanties van minimaal twee weken. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het wisselmoment in de herfst- en voorjaarsvakantie voorlopig op woensdag blijft, totdat daar eventueel een andere beslissing over wordt genomen. Verder bepaalt de rechtbank dat het wisselmoment in de kerstvakantie vanwege de continuïteit gelijk blijft, ook al valt tweede Kerstdag op een zaterdag. Het wisselmoment is dan ook op zaterdag om 12:00 uur. Omdat de rechtbank uitspraak doet vóór de zomervakantie en er in zoverre een belang is voor een beslissing, zal de rechtbank ook voor die vakantie het wisselmoment bepalen en wel op zaterdag om 12:00 uur.




3.3.

Vervangende inschrijving paardrijles



3.3.1.
De vrouw verzoekt aan haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven voor paardrijles bij manege [naam manege] .



3.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.



3.3.3.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.



3.3.4.
De vrouw stelt dat de minderjarige veel van dieren houdt en in het bijzonder van paarden. Zij wil graag op paardrijles. De vrouw heeft meerdere malen bij de man verzocht zijn toestemming te geven voor inschrijving van de minderjarige op paardrijles. De man heeft deze toestemming niet gegeven en betwist dat het in het belang van de minderjarige is om op paardrijles te gaan. Volgens de man brengt paardrijles risico’s met zich voor de minderjarige, waarvoor zij nog te jong is. Ook heeft de man aangegeven dat de minderjarige pas mag starten met een andere sport als zij haar zwemlessen heeft afgerond. Verder betwijfelt de man of het de wens van de minderjarige is. De man zou graag willen dat zij de mogelijkheid krijgt zich te oriënteren op andere sporten.



3.3.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe en legt uit waarom. De minderjarige heeft inmiddels haar zwemdiploma behaald. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde van de man. De rechtbank is het met de man eens dat paardrijden risico’s met zich brengt, maar is van oordeel dat deze risico’s niet dusdanig zijn dat het de veiligheid van de minderjarige in gevaar brengt. Daarnaast heeft de vrouw toegelicht dat de minderjarige begint op een pony. Het paardrijden wordt dus in stapjes opgebouwd, waardoor de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt. Ook heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat de minderjarige dit leuk vindt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat zij kan leren paardrijden. Als de minderjarige na een tijdje ontdekt dat zij het toch niet leuk vindt, dan vertrouwt de rechtbank erop dat partijen daarop inspelen en in onderling overleg tot een andere sportkeuze komen.




3.4.

Vervangende toestemming huisarts



3.4.1.
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek aan hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven bij Huisartsenpraktijk [naam huisarts] .



3.4.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.4.3.
Op dit verzoek is het wettelijk kader van toepassing, zoals beschreven in 3.3.3.



3.4.4.
De man heeft geen vertrouwen meer in de huidige huisarts van de minderjarige, omdat deze huisarts de man onvoldoende heeft ingelicht over de medische behandelingen van de minderjarige en het doen van de meldingen bij Veilig Thuis. Uit de stukken van partijen is gebleken dat de huisarts hiervoor zijn excuus heeft aangeboden en heeft beloofd zijn werkwijze aan te passen. De rechtbank is van oordeel dat de huisarts onderdeel is geworden van de discussie van partijen. De slechte communicatie van partijen is het onderliggende probleem en dit is daar een symptoom van. Een wijziging van de huisarts lost dit onderliggende probleem niet op en is daarmee niet in het belang van de minderjarige. Een wijziging van de huisarts is aan partijen gezamenlijk. Daarbij wordt aangetekend dat het niet aan de rechtbank is om het handelen van de huisarts te beoordelen. Slechts terzijde wordt opgemerkt dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan het goed hulpverlenerschap van de huisarts.



3.4.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook af.




3.5.

Benoeming bijzondere curator



3.5.1.
De vrouw verzoekt een bijzondere curator te benoemen over de minderjarige om de volgende vragen te beantwoorden:


Wat is het effect van de huidige zorgregeling en het contact tussen ouders op het welzijn van de minderjarige?


Wat is hierin nodig om het welzijn van de minderjarige te verbeteren?


Is een verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen ouders, waarbij de minderjarige meer bij de vrouw verblijft in het belang van de minderjarige?


Welke hulpverlening is nodig voor de minderjarige en (ieder van) ouders om onbelast contact van de minderjarige met beide ouders te borgen?


Welke bevindingen komen uit het onderzoek naar voren, die niet aan de orde zijn in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarige?


Zijn er overigens nog opmerkingen die voor de rechtbank van belang zijn om tot een goede beslissing te komen?





3.5.2.
De man voert gemotiveerd verweer.



3.5.3.
Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.



3.5.4.
De rechtbank wijst het verzoek af. Omdat de raad onderzoek zal verrichten naar de belangen van de minderjarige, ziet de rechtbank geen meerwaarde in de benoeming van een bijzondere curator. Mocht op een later moment in de procedure er toch aanleiding bestaan voor een dergelijke benoeming, dan kan de rechtbank daar zo nodig ambtshalve (dus zonder verzoek) toe overgaan.




3.6.

Proceskosten



3.6.1.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.



3.6.2.
Omdat ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen voorlopig hebben getroffen, te weten dat de minderjarige in de zomervakantie elke woensdag om 17:00 uur met de ouder belt, waarbij zij op dat moment niet verblijft;



4.2.
stelt in aanvulling op de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2023 en het gerechtshof Den Haag van 22 november 2023 vast dat het wisselmoment en de aanvangs- en eindtijden van de vakanties in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zullen zijn als volgt: de vakanties beginnen op vrijdagmiddag uit school en eindigen op maandag naar school en de wisselmomenten vinden in elke vakantie plaats op een zaterdag (in de mei-, zomer- en kerstvakantie) of woensdag (in de vakanties van een week) om 12:00 uur;



4.3.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven voor paardrijles bij manege [naam manege] ;



4.4.
bepaalt dat de vervangende toestemming onder 4.3. strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;



4.5.
wijst af het verzoek van de man om vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarige bij Huisartsenpraktijk [naam huisarts] ;



4.6.
wijst af het verzoek van de vrouw tot benoeming van een bijzondere curator;



4.7.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;



en voordat verder wordt beslist:





4.8.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 mei 2027 PRO FORMA;



4.9.
bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de pro-formadatum niet tijdens de mondelinge behandeling behoeven te verschijnen.



4.10.
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.









Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 15 juli 2026.













































Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.






Zie art. 2.13 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken
handel en kanton in de versie van 1 juli 2026 en art. 1.2.14 Landelijk procesreglement
verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter in de versie van 1 juli 2026.


Art. 3.12 in de versie van 1 juli 2025.


Art. 1.1.10.1 in de versie van 1 juli 2026.


Ook de meest recente reglementen die per 1 juli 2026 gelden.


Zie HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, r.o. 3.3.1.


Vgl r.o. 3.3.2.


HR 4 juni 1976, NJ 1977/125.