Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10132
2026-07-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/690984 / FA RK 24-9266 en C/10/712521 / FA RK 25-9930
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding en nevenverzoeken, Rechtbank acht co-ouderschap in belang minderjarige, eens voortgezet gebruik/ lasten woning en geen kinderalimentatie bij co-ouderschap, afwijzing hoofdverblijfplaats (verdeling en vergoedingsrecht, eenvoudige gemeenschap, niet voldaan stelplicht bij verzoek finale verrekening).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (49.004 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummers: C/10/690984 / FA RK 24-9266 en C/10/712521 / FA RK 25-9930
Beschikking van 15 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,
t e g e n
[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. J-M.F. Honders te Rotterdam.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 12 december 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 11 maart 2025;
het aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 1 april 2025;
het aanvullend verweerschrift tevens aanvullend verzoekschrift van de man met bijlagen, ingekomen op 28 mei 2025;
het verweerschrift tevens voorwaardelijk aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 9 oktober 2025;
het aanvullend verweerschrift van de man met bijlagen, ingekomen op 10 december 2025;
het bericht met bijlage van de vrouw van 3 februari 2026;
het bericht met bijlagen van de man van 29 mei 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 29 mei 2026 (twee berichten), 1 juni 2026 en 4 juni 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
1.3
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdag] 2013.
2.2
Partijen zijn, voor het huwelijk, op [datum] huwelijkse voorwaarden aangegaan. Deze huwelijkse voorwaarden luiden, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
UITSLUITING
Artikel 1
De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.
(…)
VERGOEDINGSRECHTEN
Artikel 4
1. Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken, De vergoeding is, behoudens het bepaalde in lid 2, gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking
2. Indien uit het vermogen van een echtgenoot een bedrag is aangewend in verband met de verkrijging van een registergoed op naam van de andere echtgenoot ontstaat ten behoeven van de eerste echtgenoot een vergoedingsrecht dat afhangt van de waarde van het registergoed. Deze echtgenoot heeft recht op dat deel van de waarde van het registergoed dat evenredig is aan het deel van de tegenprestatie dat uit zijn vermogen afkomstig is. De waarde van het registergoed wordt vastgesteld op het tijdstip waarop het vergoedingsrecht wordt opgeëist.
3. Een vergoedingsrecht als bedoeld in de leden 1 en 2 is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.
(…)
KOSTEN VAN DE HUISHOUDING EN EIGENDOM VAN (HUISHOUDELIJKE) GOEDEREN
Artikel 7
(…)
1. (…).
6. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.
(…)
VERREKENING VAN INKOMSTEN EN VAN HETGEEN MET NIET-VERDEELDE INKOMSTEN IS VERKREGEN
Artikel 9
1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is
gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.
Tot het inkomen behoren niet de werkelijke inkomsten uit vermogen.
De echtgenoten beogen met deze bepaling alleen te verrekenen hetgeen zij jaarlijks daadwerkelijk verdeeld kan worden. In verband hiermee wordt het begrip inkomen beperkt uitgelegd. Zo worden optierechten, uitkeringen die niet jaarlijks terugkeren en vergoedingen bij het einde van de dienstbetrekking niet tot het inkomen gerekend.
2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomsten groter is dan dat van de andere echtgenoot, de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert.
3. De uitkering geschiedt in geld en vindt, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalender jaar.
4. De verplichting tot verrekening heeft allen betrekking op het nominale bedrag van de bespaarde inkomens. Indien met de besparingen goederen worden verkregen, wordt de waarde daarvan niet in de verrekening betrokken.
5. De winst van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 lid 3 wordt niet in de verrekening betrokken.
De vordering tot verrekening moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk of na de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed.
(…)
RECHTSKEUZE
Artikel 13
De verschenen personen verklaarden dat de vermogensrechtelijke gevolgen van hun
huwelijk zullen worden beheerst door het Nederlandse recht.
(…)”
2.3
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] .
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2025 is in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure bepaald dat:
de vrouw met uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de man is bevolen de woning met ingang van de datum van de beschikking te verlaten en hem is verboden deze verder te betreden;
de minderjarige wordt toevertrouwd aan de vrouw;
de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) die de man aan de vrouw moet betalen met ingang van 28 maart 2025 tot 1 september 2025 € 758,- per maand zal zijn en met ingang van 1 september 2025 € 567,- per maand.
2.5
Bij vonnis in kort geding van 4 juni 2026 is de overeenstemming tussen partijen opgenomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling). Partijen zijn overeengekomen dat de minderjarige van vrijdag 29 mei 2026 op zaterdag 30 mei 2026 bij de man verblijft en dat vanaf vrijdag 12 juni 2026 de reguliere zorgregeling wordt hervat, waarbij de minderjarige eens in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft.
2.6
Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is daarnaast Amerikaans burger en de man heeft ook de Duitse nationaliteit.
3De beoordeling
Buiten de termijn ingediende stukken
3.1
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
het bericht met bijlagen van de vrouw van 1 juni 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 4 juni 2026;
het bericht met bijlage van de man van 4 juni 2026.
3.2
Het bericht van de vrouw van 1 juni 2026 bevat dezelfde inhoud als het tijdig ingediende bericht van 29 mei 2026. De bijlagen bij het bericht van 29 mei 2026 waren onjuist genummerd en dat is hersteld bij het bericht van 1 juni 2026. Het bericht van de vrouw van 4 juni 2026 bevat als bijlage het vonnis in kort geding van 4 juni 2026 dat niet eerder overgelegd kon worden. Gelet hierop accepteert de rechtbank de berichten van de vrouw van 1 en 4 juni 2026.
3.3
Het bericht van de man van 4 juni 2026 laat de rechtbank buiten beschouwing. Dit is een inhoudelijk bericht met bijlagen dat buiten de daarvoor geldende termijn van tien kalenderdagen is ingediend en eerder ingediend had kunnen worden.
Aanvullend verzoek van de vrouw van 29 mei 2026
3.4
In het bericht van 29 mei 2026 heeft de vrouw een aanvullend verzoek tot een bijdrage van de man in haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) ingediend. Op grond van artikel 283 Rv gelezen in samenhang met artikel 130 Rv mag een verzoek in beginsel worden vermeerderd, tenzij dat in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank constateert dat deze procedure sinds 2024 aanhangig is en niet eerder is de partnerbijdrage aan de orde gekomen. Dat het aanvullende verzoek zo kort voor de mondelinge behandeling wordt ingediend, acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. De vermeerdering wordt door de rechtbank daarom op grond van de eisen van een goede procesorde terzijde gelaten.
Scheiding
3.5
Partijen verzoeken ieder de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stellen beide dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.6
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.7
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.8
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
3.9
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
3.10
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
Ouderschapsplan en convenant
3.11
Beide partijen hebben het verzoek tot opname van een nog op te stellen ouderschapsplan in de beschikking ingetrokken. De man heeft daarnaast ook het verzoek tot opname van een nog op te stellen echtscheidingsconvenant in de beschikking ingetrokken. De rechtbank wijst deze verzoeken daarom af.
Zorgregeling
3.12
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen zoals omschreven in het aanvullend verzoekschrift onder 2.3 tot en met 2.11. en toegelicht tijdens de mondelinge behandeling.
3.13
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt een zorgregeling vast te stellen zoals omschreven in het verweer van 10 december 2025 en het bericht van 29 mei 2026 en zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling.
3.14
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
3.15
In navolging van de afspraken die partijen in de kort geding procedure hebben gemaakt, hebben de man en de minderjarige in het weekend van 29 en 30 mei 2026 weer contact gehad. Partijen zijn het erover eens dat dit contact goed is verlopen, waarbij voor hen beide duidelijk was dat de minderjarige heeft genoten van het contact met de man. Sinds vrijdag 12 juni 2026 is, conform de overeenstemming van partijen, de reguliere zorgregeling zoals partijen die eerder samen hebben afgesproken, hervat. Dit betekent dat de minderjarige eens in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft.
3.16
Uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling en de stukken volgt dat partijen het erover eens zijn dat er op regelmatige basis contact moet zijn tussen de man en de minderjarige. Voor wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn partijen het nagenoeg eens, maar dit is niet het geval als het gaat om de reguliere zorgregeling. De rechtbank zal hierna beoordelen welke regeling in het belang van de minderjarige is.
Reguliere zorgregeling
3.17
De vrouw is van mening dat de huidige weekendregeling het beste aansluit bij het belang van de minderjarige. Volgens de vrouw kan deze regeling mogelijk in de toekomst worden uitgebreid naar een co-ouderschapsregeling. De man wenst dat er in het belang van de minderjarige nu al een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld.
3.18
De wet hanteert gelijkwaardig ouderschap als uitgangspunt. Daarbij past een gelijkwaardige verdeling van de zorg zoals de man dat wenst. De rechtbank ziet geen contra-indicaties voor het vaststellen van een co-ouderschapsregeling.
3.18.1
Hoewel er oud zeer zit op het ouderniveau, is er voldoende basis voor een co-ouderschapsregeling. De rechtbank constateert dat partijen op een goede manier uitvoering kunnen geven aan de zorgregeling. Zij kunnen hierover communiceren, overleggen en handelen in het belang van de minderjarige. Zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat zij bijvoorbeeld samen naar een afspraak op school zijn gegaan waarin erover is gesproken dat de minderjarige werd gepest.
3.18.2
Ook ondernemen zij samen met de minderjarige leuke activiteiten, zoals een dagje naar een pretpark voor haar verjaardag. Juist het toewijzen van het verzoek van de vrouw kan naar het oordeel van de rechtbank zorgen voor wrijving. In dat geval zal de huidige zorgregeling blijven gelden en zullen partijen op een later moment al dan niet in onderling overleg de regeling uitbreiden naar een co-ouderschapsregeling, Op die manier wordt een eventueel conflict tussen partijen in de hand gewerkt. Bij handhaving van de huidige regeling blijft de ongelijkwaardigheid in de zorg bovendien in stand, terwijl beide partijen in staat zijn uitvoering te geven aan een co-ouderschapsregeling. Deze ongelijkwaardigheid acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarige.
3.18.3
Dat de minderjarige een specifieke zorgvraag heeft in verband met haar autisme en ADHD, maakt dit niet anders. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat ook een co-ouderschapsregeling structuur en voorspelbaarheid biedt. Bij co-ouderschap zijn er net zoveel wisselingen als bij een weekendregeling en ook dan is het voor de minderjarige duidelijk wanneer zij bij de vrouw dan wel bij de man verblijft. Daarbij komt dat de sportieve en sociale activiteiten van de minderjarige kunnen doorlopen bij co-ouderschap, zodat hierin ook geen contra-indicatie ligt.
3.19
Alles overziend wijst de rechtbank het deel van het verzoek van de man dat ziet op de co-ouderschapsregeling toe, onder afwijzing van de door de vrouw verzochte weekendregeling. Omdat deze beschikking wordt gegeven aan het eind van het schooljaar, zal de co-ouderschapsregeling starten op het moment dat de minderjarige na de zomervakantie weer naar school gaat.
3.20
De rechtbank geeft partijen mee dat zij moeten toewerken naar een verstandhouding van wederzijds respect voor en vertrouwen in de rol die ieder van hen vervult als ouder van de minderjarige. De minderjarige heeft immers recht op onbelast contact met beide ouders. Als partijen ervaren dat hun onderlinge verhouding daaraan in de weg staat, kunnen zij zich voor hulp wenden tot het wijkteam van de gemeente waar de minderjarige staat ingeschreven.
Verdeling van de vakanties
3.21
Partijen zijn het erover eens dat de vakanties van twee of meer weken (zomer-, kerst- en meivakantie) bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal in het belang van de minderjarige aldus beslissen, inclusief een regeling met betrekking tot de planning.
Verdeling van de feestdagen
3.22
De rechtbank constateert dat partijen het over de verdeling van de feestdagen nagenoeg eens zijn. De man voert geen verweer tegen de door de vrouw voorgestelde verdeling. Voor wat betreft de verjaardag van de minderjarige geldt dat deze samenvalt met Koningsdag en Koningsdag valt meestal in de meivakantie. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de verdeling van de meivakantie bepaalt waar de minderjarige haar verjaardag (Koningsdag) doorbrengt. Wel is het in het belang van de minderjarige dat de ouder waar zij dat jaar niet verblijft op haar verjaardag in de gelegenheid wordt gesteld de minderjarige te zien.
3.23
De rechtbank stelt de verdeling van de feestdagen in het belang van de minderjarige hierna vast.
Verblijfplaats
3.24
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
3.25
De man heeft op de mondelinge behandeling aangegeven zijn verweer niet te handhaven in het geval de rechtbank tot een co-ouderschapsregeling beslist.
3.26
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
3.27
De rechtbank beslist volgens het verzoek van de vrouw, omdat de man niet langer verweer voert en toewijzing niet strijdt met het belang van de minderjarige.
Voortgezet gebruik woning
3.28
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden met uitsluiting van de man.
3.29
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt primair het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden. Bij toewijzing van het verzoek van de vrouw verzoekt de man een gebruiksvergoeding vast te stellen ter hoogte van € 1.125,- per maand.
3.30
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.31
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek tot het verkrijgen van het voortgezet gebruik van de woning ingetrokken en hij verzet zich niet langer tegen het verzoek van de vrouw. Met betrekking tot de door de man verzochte gebruiksvergoeding zijn partijen overeengekomen dat de vrouw vanaf het moment dat zij het voortgezet gebruik van de woning krijgt, alle lasten voor haar rekening neemt. Partijen zijn het erover eens dat deze afspraak niet geldt voor de hypotheekaflossing. De man blijft hiervan zijn eigen deel betalen in verband met de vermogensopbouw. Gelet op voornoemde intrekking en overeenstemming wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe en de verzoeken van de man af.
Kinderbijdrage
3.32
De vrouw verzoekt, na wijziging, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 626,- per maand vast te stellen.
3.33
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt zelfstandig – na wijziging – primair, in het geval van een co-ouderschapsregeling, geen kinderbijdrage vast te stellen, althans deze op nihil te stellen, dan wel op € 66,- per maand rekening houdend met de juiste zorgkorting. In het geval er een andere zorgregeling wordt vastgesteld, verzoekt de man subsidiair een kinderbijdrage te bepalen van € 154,- per maand.
3.34
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage.
3.35
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
3.36
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat als de rechtbank een co-ouderschapsregeling vaststelt, zij overeenstemming hebben over de kinderbijdrage. De vrouw heeft ingestemd met het voorstel van de man dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt op het moment dat de minderjarige bij hem/haar verblijft, waaronder ook de oppaskosten als die worden gemaakt, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten bij helfte worden gedragen. Partijen zijn het er dus over eens dat bij co-ouderschap geen kinderbijdrage wordt bepaald. De rechtbank heeft hiervoor beslist dat een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld. Gelet op de overeenstemming tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank de verzoeken van ieder van partijen over de kinderbijdrage als te zijn ingetrokken. De rechtbank wijst deze verzoeken af en neemt de onderlinge afspraak van partijen hierna op.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
3.37
De man verzoekt de navolgende afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:
te bepalen dat de man recht heeft op vergoeding van de waarde van de echtelijke woning conform zijn inbreng en de beleggingsleer, zoals vermeld in het verzoekschrift van 28 mei 2025;
te bepalen dat de woning aan de [adres] zo spoedig mogelijk moet worden verkocht, onder gezamenlijke aanwijzing van een makelaar;
te bepalen dat, voor zover de vrouw niet binnen een nader te bepalen termijn schriftelijk instemt met verkoop van de woning aan de [adres] , de man wordt gemachtigd om namens de vrouw alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor het verkopen en leveren van de woning, waaronder mede begrepen het tekenen van de koopovereenkomst en de leveringsakte;
een termijn vast te stellen van ten hoogste twee weken voor vrijwillige instemming door de vrouw met gezamenlijke verkoop van de woning, waarna de in het voorgaande punt verzochte vervangende toestemming van kracht wordt;
al hetgeen meer of anders te bepalen of te oordelen dat nodig is om de verkoop van de woning zonder verdere blokkering mogelijk te maken;
voor zover de vrouw een beroep doet op artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden dan wel artikel 1:141 lid 3 BW, dat beroep af te wijzen, althans haar in dat beroep niet te volgen, althans voor zover uw rechtbank desondanks (gedeeltelijk) een vordering van de vrouw op dit punt zou aannemen, bij de bepaling daarvan tevens rekening te houden met de door de man in de periode 2011–2025 betaalde gezamenlijke vaste lasten en overige bijdragen, zoals gespecificeerd in productie 9 ( [documentnummer] ).
3.38
De vrouw voert verweer en verzoekt – na wijziging – het navolgende:
te bepalen dat de door de man gestelde vergoedingsrechten niet zijn komen vast te staan, nu geen sprake is van uitsluitingsclausules, geen bewijs is geleverd van schenkingen uitsluitend aan hem, en de betrokken vermogensbestanddelen steeds gezamenlijk eigendom van partijen betreffen. Voor zover de rechtbank al een vergoedingsrecht zou aannemen, te oordelen dat ingevolge artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW finale verrekening dient plaats te vinden alsof een gemeenschap van goederen bestond, zodat de opbrengsten bij helfte worden verdeeld;
te bepalen dat de netto-opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning aan de [adres] bij helfte wordt verdeeld tussen partijen. Subsidiair: indien de rechtbank een regeling wenst te treffen omtrent het verkoopproces van de woning, deze regeling voor beide partijen gelijkluidend te laten gelden en rekening te houden met een voortgezet gebruiksrecht van de woning door de vrouw van zes maanden;
voor het geval de rechtbank niet uitgaat van een gelijke verdeling van de woningopbrengst bij helfte, te bepalen dat de vrouw een vordering op de man toekomt wegens haar substantiële en structureel hogere bijdrage in de kosten van de huishouding in de periode 2012-2025, tot een bedrag van ten minste € 170.820,02, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
3.39
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels). Geen van de uitzonderingen van artikel 5 lid 2 doet zich voor.
3.40
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Omdat partijen een volgens dit Verdrag een geldige keuze hebben uitgebracht voor het Nederlands recht (artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden), is dat recht van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
Eenvoudige gemeenschap
3.41
Vast staat dat de woning aan de [adres] een eenvoudige gemeenschap betreft. De peildatum van de waardering van een eenvoudige gemeenschap is in beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij overeenstemming bestaat over een andere datum dan wel uit redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit.
3.42
De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
3.43
Partijen zijn het erover eens dat deze woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht aan de hand van het zogenaamde spoorboekje. Daarbij zijn partijen het eens dat de verkoop begeleid moet worden door [naam makelaar] .
3.44
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over de reparaties die al dan niet moeten worden uitgevoerd om de woning verkoopklaar te maken. De vrouw stelt, onweersproken, dat de kosten hiervan € 18.150,- bedragen. Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen de helft van deze kosten moet dragen als zij besluiten tot reparatie over te gaan. De man geeft te kennen dat hij de helft van de kosten kan betalen, maar de vrouw moet bekijken of zij hiertoe in staat is. Daarop hebben partijen afgesproken dat de vrouw hiervoor een termijn van twee maanden krijgt. Dit betekent dat de woning uiterlijk twee maanden na de beschikkingsdatum in de verkoop komt, ongeacht of de reparatiewerkzaamheden dan wel of niet zijn uitgevoerd.
3.45
Voorgaande leidt tot het volgende stappenplan:
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan geplande bezichtigingen,
zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
het tekenen van de koopovereenkomst,
het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
3.46
Bij dit alles geldt nog het volgende:
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
met de verkoopopbrengst van de woning wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk met inachtneming van het hierna te bespreken vergoedingsrecht van de man.
Vergoedingsrecht eenvoudige gemeenschap
3.47
De man stelt dat sprake is van een vergoedingsrecht in het kader van de verdeling van de echtelijke woning.
3.47.1
Ter onderbouwing stelt de man dat hij een bedrag van € 528.348,- aan privévermogen heeft ingebracht. Dit privévermogen bestaat volgens de man uit opbrengsten uit de verkoop van de woningen aan de [straatnaam] . Deze woningen zijn weliswaar in gezamenlijk eigendom verkregen, maar zijn in overwegende mate met zijn privévermogen zijn gefinancierd. De grootmoeder van de man heeft € 200.000,- geschonken in verband met de aankoop van de woning aan de [straatnaam] . De vader van de man heeft € 113.348,- geschonken in verband met de aankoop van de woning aan de [adres]
3.48
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij voert primair aan dat partijen tijdens de onderhandeling over de afwikkeling van de scheiding al afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning. Subsidiair voert de vrouw aan dat beide partijen begunstigde waren van de schenkingen en niet alleen de man.
3.49
Voor wat betreft het primaire verweer van de vrouw stellen partijen het volgende. De vrouw stelt dat partijen in de aanloop naar de echtscheidingsprocedure hebben afgesproken dat de netto-opbrengst van de echtelijke woning bij helfte tussen hen zou worden verdeeld. Hoewel deze afspraak niet in een convenant is opgenomen, blijkt volgens de vrouw uit de overgelegde correspondentie dat partijen het daarover eens waren.
De man betwist dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt. Partijen waren nog in overleg en hebben geen convenant ondertekend. Volgens de man zijn de door hem gedane investeringen naar voren gebracht door zijn advocaat kort na het onderlinge overleg tussen partijen waar de vrouw naar verwijst. De vrouw laat na deze correspondentie in het geding te brengen, aldus de man.
3.50
De rechtbank oordeelt als volgt.
3.50.1
Leidend is de Haviltex-maatstaf: bij de uitleg van een overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die verklaringen en de in die overeenkomst vervatte bedingen mochten toekennen. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Dit geldt niet alleen voor de inhoud van de overeenkomst, maar ook voor de vraag of sprake is van de aanvaarding van een aanbod, wat noodzakelijk is voor het tot stand komen van een overeenkomst.
3.50.2
Vast staat dat partijen in aanloop van en tijdens de echtscheidingsprocedure hebben geprobeerd overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de echtscheiding. Dit is uiteindelijk niet gelukt. De vraag rijst of wel sprake was van een (deel)afspraak waarbij partijen het eens waren over de verdeling van de overwaarde van de woning, zoals de vrouw stelt en de man weerspreekt.
3.50.3
Een dergelijke afspraak leest de rechtbank niet in de e-mail waar de vrouw ter onderbouwing van haar stelling naar verwijst, waarin haar advocaat onder 1. schrijft: “Verdeling van de verkoopopbrengst: Omdat de woning wordt verkocht, moeten schriftelijke afspraken worden gemaakt over de aflossing van gezamenlijke schulden. Beide partijen hebben afgesproken dat dit 50/50 zal zijn.” De afspraak waar in deze e-mail aan wordt gerefereerd, lijkt alleen over gezamenlijke schulden te gaan. De vrouw heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man dan ook onvoldoende onderbouwd dat wilsovereenstemming bestaat over de verdeling van de overwaarde van de woning.
3.50.4
Bovendien is van belang dat als echtgenoten in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding overeenstemming proberen te bereiken, sprake is van grote (financiële) verwevenheid bij de verschillende onderwerpen waarover partijen het eens willen worden. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat al die afspraken gezamenlijk moeten worden beschouwd en in het algemeen niet snel moet worden aangenomen dat een partij met slechts een deel daarvan al onvoorwaardelijk instemt. Dan verliest die partij immers onderhandelingsruimte bij de rest van de te maken afspraken. Er zijn geen gedragingen van de man of andere omstandigheden gesteld waaruit de vrouw mocht afleiden dat de man een bindende deelafspraak wilde maken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer de van de vrouw.
3.51
Met betrekking tot het subsidiaire verweer van de vrouw geldt het volgende.
3.51.1
Tussen partijen staat vast dat de man twee schenkingen heeft ontvangen van zijn familie in verband met de aankoop van de gezamenlijke woningen aan de [straatnaam] (in 2012) en de [adres] (in 2022). De vrouw stelt echter dat beide schenkingen ook aan haar zijn gedaan. De rechtbank verwerpt dit betoog en oordeelt als volgt.
3.51.2
De grootmoeder van de man heeft in 2012 een bedrag van € 200.000,- aan hem geschonken. Uit de door de man overgelegde verklaring van zijn grootmoeder volgt dat het bedrag is geschonken in verband met zijn verjaardag en dat de grootmoeder het bedrag heeft overgemaakt op de rekening van de notaris vanwege de aankoop van de woning aan de [straatnaam] . Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat dit bedrag ook aan haar is geschonken alleen al omdat partijen de woning in mede-eigendom verkregen, geldt dat dit geen steun vindt in het recht. De mede-eigendom van de woning maakt op zichzelf niet dat de vrouw, naast de man, begunstigde was van de schenking. Verder blijkt nergens uit dat er een overeenkomst van schenking is met de vrouw als (mede)begunstigde. De stelling van de vrouw dat de grootmoeder zou hebben gezegd dat het bedrag voor partijen samen was, heeft zij in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man niet onderbouwd. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat, omdat partijen vervolgens zijn gehuwd onder uitsluiting van elke huwelijksgemeenschap, de man een privévermogen van € 200.000,- heeft geïnvesteerd in de (opvolgende) woningen van partijen. Hij heeft daarom recht op vergoeding van dit bedrag.
3.51.3
Daarnaast heeft de man in 2022 een schenking ontvangen van zijn vader van € 173.000,-. Deze schenking vond plaats tijdens het huwelijk. Zoals hiervoor is overwogen, was er geen sprake van enige huwelijksgemeenschap. Dat de schenking geen uitsluitingsclausule bevat, zoals de vrouw stelt, is dan ook niet relevant. Uit productie 8 volgt dat de schenking in verschillende delen in september 2022 is gestort op de privérekening van de man met nummer [bankrekeningnummer] . De schenking valt vanwege de huwelijkse voorwaarden daarom in het privévermogen van de man. In het licht van de betwisting van de man zijn er in de stellingen van de vrouw geen aanknopingspunten te vinden dat ook zij begunstigde was van de schenking. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat er een overeenkomst van schenking is met de vrouw als (mede)begunstigde. De man stelt verder, onweersproken, dat hij van deze schenking een bedrag van € 113.348,84 heeft betaald in verband met de aankoop van de woning aan de [adres] . Dit volgt ook uit de bankoverschrijving overgelegd als productie 8. Aangezien de man een bedrag van € 113.348,84 heeft geïnvesteerd in de aankoop van de echtelijke woning van partijen (die hen beide in eigendom toebehoort), heeft de man ook recht op vergoeding van dit bedrag.
3.52
Tussen partijen is niet in geschil dat de vergoedingsrechten nominale rechten zijn. Alles overziend heeft de man een vergoedingsrecht van in totaal € 313.348,84 (€ 200.000 + € 113.348,84). Het verzoek van de man wordt tot dit bedrag toegewezen. De rechtbank bepaalt in redelijkheid dat dit bedrag zal worden verrekend bij de overdracht van de woning.
3.53
De wijze van verdeling van de gemeenschap zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.43 tot en met 3.52 is weergegeven.
Verrekenbeding
3.54
Als bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:141 BW niet is voldaan, wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
3.55
Vast staat dat het overeengekomen periodiek verrekenbeding (artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden) niet is uitgevoerd tijdens het huwelijk. In beginsel kan op verzoek van (een van) partijen finaal verrekend worden.
3.56
Het verzoek van de man tot verrekening was slechts voorwaardelijk in het geval het verzoek van de vrouw over de kosten van de huishouding werd toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat dat laatste verzoek is ingetrokken, zodat het verzoek van de man tot verrekening niet langer ter beoordeling voorligt.
3.57
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw, hierboven vermeld onder C. moet worden beoordeeld omdat de rechtbank een vergoedingsrecht toekent aan de man ten aanzien van de woning. Het lag op de weg van de vrouw haar (voorwaardelijke) verzoek te concretiseren en te onderbouwen. Er is op geen enkele manier inzicht gegeven in de omvang van het te verrekenen vermogen en op welke manier verrekend moet worden. Ook is geen stelling ingenomen over het bedrag waar de vrouw recht op zou hebben als gevolg van de finale verrekening. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Overige vergoedingsrechten: kosten van de huishouding
3.58
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ieder laten weten geen verzoeken met betrekking tot de kosten van de huishouding (meer) te doen. De rechtbank wijst deze daarom af.
Proceskosten
3.59
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. Omdat de vrouw het verzoek tot een proceskostenveroordeling heeft ingetrokken, behoeft deze beslissing geen nadere motivering.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdag] 2013 te [plaats 1] ;
4.2
stelt vast dat in het kader van de reguliere regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na de zomervakantie 2026 een co-ouderschapsregeling geldt waarbij de minderjarige om de week bij de vrouw dan wel de man verblijft en het wisselmoment op zondagavond 19.00 uur is;
4.3
stelt vast dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de vakanties en feestdagen als volgt luidt:
vakanties
- de vakanties van twee of meer weken (zomer-, kerst- en meivakantie) worden in onderling overleg bij helfte verdeeld. In de schooljaren startend in een even jaar heeft de vrouw eerste keuze bij de verdeling en de man in een oneven jaar;
- de vakanties van één week (herfst- en voorjaarsvakantie) worden jaarlijks om en om verdeeld. In de schooljaren startend in een even jaar heeft de man eerste keuze bij de verdeling en de vrouw in een oneven jaar;
- ieder jaar vóór 1 juni worden de vakanties in onderling overleg verdeeld voor het daaropvolgende schooljaar;
- voor het schooljaar 2026-2027 verdelen partijen de vakanties vóór 1 september 2026;
feestdagen
- Driekoningen: de minderjarige verblijft bij de vrouw;
- verjaardag van de minderjarige, tevens Koningsdag: conform de verdeling van de meivakantie, dan wel de reguliere zorgregeling. Wel wordt de ouder bij wie de minderjarige niet verblijft in de gelegenheid gesteld contact te hebben met de minderjarige;
- Moederdag en verjaardag van de vrouw: de minderjarige verblijft bij de vrouw;
- Vaderdag en verjaardag van de man: de minderjarige verblijft bij de man;
4.4
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
4.5
bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] , die aan de man onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;
4.6
neemt in het kader van een gebruiksvergoeding op de onderlinge regeling die partijen over de lasten van de woning hebben getroffen, te weten: de vrouw neemt vanaf het moment dat zij het voortgezet gebruik van de woning krijgt alle lasten voor haar rekening. De man betaalt wel zelf zijn aandeel in de hypotheekaflossing;
4.7
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen, te weten dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt op het moment dat de minderjarige bij hem/haar verblijft, waaronder ook de oppaskosten als die worden gemaakt, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten bij helfte worden gedragen;
4.8
gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.43 tot en met 3.52 en bepaalt dat de man een vergoedingsvordering toekomt van € 313.348,48 die bij de overdracht van de woning zal worden verrekend;
4.9
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.10
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.11
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter, mr. drs. J. van den Bos en mr. M. van der Veer, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 15 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Team familie
Zaaknummers: C/10/690984 / FA RK 24-9266 en C/10/712521 / FA RK 25-9930
Beschikking van 15 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,
t e g e n
[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. J-M.F. Honders te Rotterdam.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 12 december 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 11 maart 2025;
het aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 1 april 2025;
het aanvullend verweerschrift tevens aanvullend verzoekschrift van de man met bijlagen, ingekomen op 28 mei 2025;
het verweerschrift tevens voorwaardelijk aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 9 oktober 2025;
het aanvullend verweerschrift van de man met bijlagen, ingekomen op 10 december 2025;
het bericht met bijlage van de vrouw van 3 februari 2026;
het bericht met bijlagen van de man van 29 mei 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 29 mei 2026 (twee berichten), 1 juni 2026 en 4 juni 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
1.3
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdag] 2013.
2.2
Partijen zijn, voor het huwelijk, op [datum] huwelijkse voorwaarden aangegaan. Deze huwelijkse voorwaarden luiden, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
UITSLUITING
Artikel 1
De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.
(…)
VERGOEDINGSRECHTEN
Artikel 4
1. Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken, De vergoeding is, behoudens het bepaalde in lid 2, gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking
2. Indien uit het vermogen van een echtgenoot een bedrag is aangewend in verband met de verkrijging van een registergoed op naam van de andere echtgenoot ontstaat ten behoeven van de eerste echtgenoot een vergoedingsrecht dat afhangt van de waarde van het registergoed. Deze echtgenoot heeft recht op dat deel van de waarde van het registergoed dat evenredig is aan het deel van de tegenprestatie dat uit zijn vermogen afkomstig is. De waarde van het registergoed wordt vastgesteld op het tijdstip waarop het vergoedingsrecht wordt opgeëist.
3. Een vergoedingsrecht als bedoeld in de leden 1 en 2 is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.
(…)
KOSTEN VAN DE HUISHOUDING EN EIGENDOM VAN (HUISHOUDELIJKE) GOEDEREN
Artikel 7
(…)
1. (…).
6. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.
(…)
VERREKENING VAN INKOMSTEN EN VAN HETGEEN MET NIET-VERDEELDE INKOMSTEN IS VERKREGEN
Artikel 9
1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is
gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.
Tot het inkomen behoren niet de werkelijke inkomsten uit vermogen.
De echtgenoten beogen met deze bepaling alleen te verrekenen hetgeen zij jaarlijks daadwerkelijk verdeeld kan worden. In verband hiermee wordt het begrip inkomen beperkt uitgelegd. Zo worden optierechten, uitkeringen die niet jaarlijks terugkeren en vergoedingen bij het einde van de dienstbetrekking niet tot het inkomen gerekend.
2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomsten groter is dan dat van de andere echtgenoot, de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert.
3. De uitkering geschiedt in geld en vindt, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalender jaar.
4. De verplichting tot verrekening heeft allen betrekking op het nominale bedrag van de bespaarde inkomens. Indien met de besparingen goederen worden verkregen, wordt de waarde daarvan niet in de verrekening betrokken.
5. De winst van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 lid 3 wordt niet in de verrekening betrokken.
De vordering tot verrekening moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk of na de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed.
(…)
RECHTSKEUZE
Artikel 13
De verschenen personen verklaarden dat de vermogensrechtelijke gevolgen van hun
huwelijk zullen worden beheerst door het Nederlandse recht.
(…)”
2.3
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] .
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2025 is in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure bepaald dat:
de vrouw met uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de man is bevolen de woning met ingang van de datum van de beschikking te verlaten en hem is verboden deze verder te betreden;
de minderjarige wordt toevertrouwd aan de vrouw;
de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) die de man aan de vrouw moet betalen met ingang van 28 maart 2025 tot 1 september 2025 € 758,- per maand zal zijn en met ingang van 1 september 2025 € 567,- per maand.
2.5
Bij vonnis in kort geding van 4 juni 2026 is de overeenstemming tussen partijen opgenomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling). Partijen zijn overeengekomen dat de minderjarige van vrijdag 29 mei 2026 op zaterdag 30 mei 2026 bij de man verblijft en dat vanaf vrijdag 12 juni 2026 de reguliere zorgregeling wordt hervat, waarbij de minderjarige eens in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft.
2.6
Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is daarnaast Amerikaans burger en de man heeft ook de Duitse nationaliteit.
3De beoordeling
Buiten de termijn ingediende stukken
3.1
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
het bericht met bijlagen van de vrouw van 1 juni 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 4 juni 2026;
het bericht met bijlage van de man van 4 juni 2026.
3.2
Het bericht van de vrouw van 1 juni 2026 bevat dezelfde inhoud als het tijdig ingediende bericht van 29 mei 2026. De bijlagen bij het bericht van 29 mei 2026 waren onjuist genummerd en dat is hersteld bij het bericht van 1 juni 2026. Het bericht van de vrouw van 4 juni 2026 bevat als bijlage het vonnis in kort geding van 4 juni 2026 dat niet eerder overgelegd kon worden. Gelet hierop accepteert de rechtbank de berichten van de vrouw van 1 en 4 juni 2026.
3.3
Het bericht van de man van 4 juni 2026 laat de rechtbank buiten beschouwing. Dit is een inhoudelijk bericht met bijlagen dat buiten de daarvoor geldende termijn van tien kalenderdagen is ingediend en eerder ingediend had kunnen worden.
Aanvullend verzoek van de vrouw van 29 mei 2026
3.4
In het bericht van 29 mei 2026 heeft de vrouw een aanvullend verzoek tot een bijdrage van de man in haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) ingediend. Op grond van artikel 283 Rv gelezen in samenhang met artikel 130 Rv mag een verzoek in beginsel worden vermeerderd, tenzij dat in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank constateert dat deze procedure sinds 2024 aanhangig is en niet eerder is de partnerbijdrage aan de orde gekomen. Dat het aanvullende verzoek zo kort voor de mondelinge behandeling wordt ingediend, acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. De vermeerdering wordt door de rechtbank daarom op grond van de eisen van een goede procesorde terzijde gelaten.
Scheiding
3.5
Partijen verzoeken ieder de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stellen beide dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.6
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.7
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.8
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
3.9
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
3.10
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
Ouderschapsplan en convenant
3.11
Beide partijen hebben het verzoek tot opname van een nog op te stellen ouderschapsplan in de beschikking ingetrokken. De man heeft daarnaast ook het verzoek tot opname van een nog op te stellen echtscheidingsconvenant in de beschikking ingetrokken. De rechtbank wijst deze verzoeken daarom af.
Zorgregeling
3.12
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen zoals omschreven in het aanvullend verzoekschrift onder 2.3 tot en met 2.11. en toegelicht tijdens de mondelinge behandeling.
3.13
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt een zorgregeling vast te stellen zoals omschreven in het verweer van 10 december 2025 en het bericht van 29 mei 2026 en zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling.
3.14
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
3.15
In navolging van de afspraken die partijen in de kort geding procedure hebben gemaakt, hebben de man en de minderjarige in het weekend van 29 en 30 mei 2026 weer contact gehad. Partijen zijn het erover eens dat dit contact goed is verlopen, waarbij voor hen beide duidelijk was dat de minderjarige heeft genoten van het contact met de man. Sinds vrijdag 12 juni 2026 is, conform de overeenstemming van partijen, de reguliere zorgregeling zoals partijen die eerder samen hebben afgesproken, hervat. Dit betekent dat de minderjarige eens in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft.
3.16
Uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling en de stukken volgt dat partijen het erover eens zijn dat er op regelmatige basis contact moet zijn tussen de man en de minderjarige. Voor wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn partijen het nagenoeg eens, maar dit is niet het geval als het gaat om de reguliere zorgregeling. De rechtbank zal hierna beoordelen welke regeling in het belang van de minderjarige is.
Reguliere zorgregeling
3.17
De vrouw is van mening dat de huidige weekendregeling het beste aansluit bij het belang van de minderjarige. Volgens de vrouw kan deze regeling mogelijk in de toekomst worden uitgebreid naar een co-ouderschapsregeling. De man wenst dat er in het belang van de minderjarige nu al een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld.
3.18
De wet hanteert gelijkwaardig ouderschap als uitgangspunt. Daarbij past een gelijkwaardige verdeling van de zorg zoals de man dat wenst. De rechtbank ziet geen contra-indicaties voor het vaststellen van een co-ouderschapsregeling.
3.18.1
Hoewel er oud zeer zit op het ouderniveau, is er voldoende basis voor een co-ouderschapsregeling. De rechtbank constateert dat partijen op een goede manier uitvoering kunnen geven aan de zorgregeling. Zij kunnen hierover communiceren, overleggen en handelen in het belang van de minderjarige. Zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat zij bijvoorbeeld samen naar een afspraak op school zijn gegaan waarin erover is gesproken dat de minderjarige werd gepest.
3.18.2
Ook ondernemen zij samen met de minderjarige leuke activiteiten, zoals een dagje naar een pretpark voor haar verjaardag. Juist het toewijzen van het verzoek van de vrouw kan naar het oordeel van de rechtbank zorgen voor wrijving. In dat geval zal de huidige zorgregeling blijven gelden en zullen partijen op een later moment al dan niet in onderling overleg de regeling uitbreiden naar een co-ouderschapsregeling, Op die manier wordt een eventueel conflict tussen partijen in de hand gewerkt. Bij handhaving van de huidige regeling blijft de ongelijkwaardigheid in de zorg bovendien in stand, terwijl beide partijen in staat zijn uitvoering te geven aan een co-ouderschapsregeling. Deze ongelijkwaardigheid acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarige.
3.18.3
Dat de minderjarige een specifieke zorgvraag heeft in verband met haar autisme en ADHD, maakt dit niet anders. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat ook een co-ouderschapsregeling structuur en voorspelbaarheid biedt. Bij co-ouderschap zijn er net zoveel wisselingen als bij een weekendregeling en ook dan is het voor de minderjarige duidelijk wanneer zij bij de vrouw dan wel bij de man verblijft. Daarbij komt dat de sportieve en sociale activiteiten van de minderjarige kunnen doorlopen bij co-ouderschap, zodat hierin ook geen contra-indicatie ligt.
3.19
Alles overziend wijst de rechtbank het deel van het verzoek van de man dat ziet op de co-ouderschapsregeling toe, onder afwijzing van de door de vrouw verzochte weekendregeling. Omdat deze beschikking wordt gegeven aan het eind van het schooljaar, zal de co-ouderschapsregeling starten op het moment dat de minderjarige na de zomervakantie weer naar school gaat.
3.20
De rechtbank geeft partijen mee dat zij moeten toewerken naar een verstandhouding van wederzijds respect voor en vertrouwen in de rol die ieder van hen vervult als ouder van de minderjarige. De minderjarige heeft immers recht op onbelast contact met beide ouders. Als partijen ervaren dat hun onderlinge verhouding daaraan in de weg staat, kunnen zij zich voor hulp wenden tot het wijkteam van de gemeente waar de minderjarige staat ingeschreven.
Verdeling van de vakanties
3.21
Partijen zijn het erover eens dat de vakanties van twee of meer weken (zomer-, kerst- en meivakantie) bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal in het belang van de minderjarige aldus beslissen, inclusief een regeling met betrekking tot de planning.
Verdeling van de feestdagen
3.22
De rechtbank constateert dat partijen het over de verdeling van de feestdagen nagenoeg eens zijn. De man voert geen verweer tegen de door de vrouw voorgestelde verdeling. Voor wat betreft de verjaardag van de minderjarige geldt dat deze samenvalt met Koningsdag en Koningsdag valt meestal in de meivakantie. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de verdeling van de meivakantie bepaalt waar de minderjarige haar verjaardag (Koningsdag) doorbrengt. Wel is het in het belang van de minderjarige dat de ouder waar zij dat jaar niet verblijft op haar verjaardag in de gelegenheid wordt gesteld de minderjarige te zien.
3.23
De rechtbank stelt de verdeling van de feestdagen in het belang van de minderjarige hierna vast.
Verblijfplaats
3.24
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
3.25
De man heeft op de mondelinge behandeling aangegeven zijn verweer niet te handhaven in het geval de rechtbank tot een co-ouderschapsregeling beslist.
3.26
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
3.27
De rechtbank beslist volgens het verzoek van de vrouw, omdat de man niet langer verweer voert en toewijzing niet strijdt met het belang van de minderjarige.
Voortgezet gebruik woning
3.28
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden met uitsluiting van de man.
3.29
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt primair het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden. Bij toewijzing van het verzoek van de vrouw verzoekt de man een gebruiksvergoeding vast te stellen ter hoogte van € 1.125,- per maand.
3.30
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.31
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek tot het verkrijgen van het voortgezet gebruik van de woning ingetrokken en hij verzet zich niet langer tegen het verzoek van de vrouw. Met betrekking tot de door de man verzochte gebruiksvergoeding zijn partijen overeengekomen dat de vrouw vanaf het moment dat zij het voortgezet gebruik van de woning krijgt, alle lasten voor haar rekening neemt. Partijen zijn het erover eens dat deze afspraak niet geldt voor de hypotheekaflossing. De man blijft hiervan zijn eigen deel betalen in verband met de vermogensopbouw. Gelet op voornoemde intrekking en overeenstemming wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe en de verzoeken van de man af.
Kinderbijdrage
3.32
De vrouw verzoekt, na wijziging, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 626,- per maand vast te stellen.
3.33
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt zelfstandig – na wijziging – primair, in het geval van een co-ouderschapsregeling, geen kinderbijdrage vast te stellen, althans deze op nihil te stellen, dan wel op € 66,- per maand rekening houdend met de juiste zorgkorting. In het geval er een andere zorgregeling wordt vastgesteld, verzoekt de man subsidiair een kinderbijdrage te bepalen van € 154,- per maand.
3.34
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage.
3.35
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
3.36
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat als de rechtbank een co-ouderschapsregeling vaststelt, zij overeenstemming hebben over de kinderbijdrage. De vrouw heeft ingestemd met het voorstel van de man dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt op het moment dat de minderjarige bij hem/haar verblijft, waaronder ook de oppaskosten als die worden gemaakt, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten bij helfte worden gedragen. Partijen zijn het er dus over eens dat bij co-ouderschap geen kinderbijdrage wordt bepaald. De rechtbank heeft hiervoor beslist dat een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld. Gelet op de overeenstemming tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank de verzoeken van ieder van partijen over de kinderbijdrage als te zijn ingetrokken. De rechtbank wijst deze verzoeken af en neemt de onderlinge afspraak van partijen hierna op.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
3.37
De man verzoekt de navolgende afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:
te bepalen dat de man recht heeft op vergoeding van de waarde van de echtelijke woning conform zijn inbreng en de beleggingsleer, zoals vermeld in het verzoekschrift van 28 mei 2025;
te bepalen dat de woning aan de [adres] zo spoedig mogelijk moet worden verkocht, onder gezamenlijke aanwijzing van een makelaar;
te bepalen dat, voor zover de vrouw niet binnen een nader te bepalen termijn schriftelijk instemt met verkoop van de woning aan de [adres] , de man wordt gemachtigd om namens de vrouw alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor het verkopen en leveren van de woning, waaronder mede begrepen het tekenen van de koopovereenkomst en de leveringsakte;
een termijn vast te stellen van ten hoogste twee weken voor vrijwillige instemming door de vrouw met gezamenlijke verkoop van de woning, waarna de in het voorgaande punt verzochte vervangende toestemming van kracht wordt;
al hetgeen meer of anders te bepalen of te oordelen dat nodig is om de verkoop van de woning zonder verdere blokkering mogelijk te maken;
voor zover de vrouw een beroep doet op artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden dan wel artikel 1:141 lid 3 BW, dat beroep af te wijzen, althans haar in dat beroep niet te volgen, althans voor zover uw rechtbank desondanks (gedeeltelijk) een vordering van de vrouw op dit punt zou aannemen, bij de bepaling daarvan tevens rekening te houden met de door de man in de periode 2011–2025 betaalde gezamenlijke vaste lasten en overige bijdragen, zoals gespecificeerd in productie 9 ( [documentnummer] ).
3.38
De vrouw voert verweer en verzoekt – na wijziging – het navolgende:
te bepalen dat de door de man gestelde vergoedingsrechten niet zijn komen vast te staan, nu geen sprake is van uitsluitingsclausules, geen bewijs is geleverd van schenkingen uitsluitend aan hem, en de betrokken vermogensbestanddelen steeds gezamenlijk eigendom van partijen betreffen. Voor zover de rechtbank al een vergoedingsrecht zou aannemen, te oordelen dat ingevolge artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW finale verrekening dient plaats te vinden alsof een gemeenschap van goederen bestond, zodat de opbrengsten bij helfte worden verdeeld;
te bepalen dat de netto-opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning aan de [adres] bij helfte wordt verdeeld tussen partijen. Subsidiair: indien de rechtbank een regeling wenst te treffen omtrent het verkoopproces van de woning, deze regeling voor beide partijen gelijkluidend te laten gelden en rekening te houden met een voortgezet gebruiksrecht van de woning door de vrouw van zes maanden;
voor het geval de rechtbank niet uitgaat van een gelijke verdeling van de woningopbrengst bij helfte, te bepalen dat de vrouw een vordering op de man toekomt wegens haar substantiële en structureel hogere bijdrage in de kosten van de huishouding in de periode 2012-2025, tot een bedrag van ten minste € 170.820,02, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
3.39
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels). Geen van de uitzonderingen van artikel 5 lid 2 doet zich voor.
3.40
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Omdat partijen een volgens dit Verdrag een geldige keuze hebben uitgebracht voor het Nederlands recht (artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden), is dat recht van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
Eenvoudige gemeenschap
3.41
Vast staat dat de woning aan de [adres] een eenvoudige gemeenschap betreft. De peildatum van de waardering van een eenvoudige gemeenschap is in beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij overeenstemming bestaat over een andere datum dan wel uit redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit.
3.42
De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
3.43
Partijen zijn het erover eens dat deze woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht aan de hand van het zogenaamde spoorboekje. Daarbij zijn partijen het eens dat de verkoop begeleid moet worden door [naam makelaar] .
3.44
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over de reparaties die al dan niet moeten worden uitgevoerd om de woning verkoopklaar te maken. De vrouw stelt, onweersproken, dat de kosten hiervan € 18.150,- bedragen. Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen de helft van deze kosten moet dragen als zij besluiten tot reparatie over te gaan. De man geeft te kennen dat hij de helft van de kosten kan betalen, maar de vrouw moet bekijken of zij hiertoe in staat is. Daarop hebben partijen afgesproken dat de vrouw hiervoor een termijn van twee maanden krijgt. Dit betekent dat de woning uiterlijk twee maanden na de beschikkingsdatum in de verkoop komt, ongeacht of de reparatiewerkzaamheden dan wel of niet zijn uitgevoerd.
3.45
Voorgaande leidt tot het volgende stappenplan:
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan geplande bezichtigingen,
zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
het tekenen van de koopovereenkomst,
het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
3.46
Bij dit alles geldt nog het volgende:
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
met de verkoopopbrengst van de woning wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk met inachtneming van het hierna te bespreken vergoedingsrecht van de man.
Vergoedingsrecht eenvoudige gemeenschap
3.47
De man stelt dat sprake is van een vergoedingsrecht in het kader van de verdeling van de echtelijke woning.
3.47.1
Ter onderbouwing stelt de man dat hij een bedrag van € 528.348,- aan privévermogen heeft ingebracht. Dit privévermogen bestaat volgens de man uit opbrengsten uit de verkoop van de woningen aan de [straatnaam] . Deze woningen zijn weliswaar in gezamenlijk eigendom verkregen, maar zijn in overwegende mate met zijn privévermogen zijn gefinancierd. De grootmoeder van de man heeft € 200.000,- geschonken in verband met de aankoop van de woning aan de [straatnaam] . De vader van de man heeft € 113.348,- geschonken in verband met de aankoop van de woning aan de [adres]
3.48
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij voert primair aan dat partijen tijdens de onderhandeling over de afwikkeling van de scheiding al afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning. Subsidiair voert de vrouw aan dat beide partijen begunstigde waren van de schenkingen en niet alleen de man.
3.49
Voor wat betreft het primaire verweer van de vrouw stellen partijen het volgende. De vrouw stelt dat partijen in de aanloop naar de echtscheidingsprocedure hebben afgesproken dat de netto-opbrengst van de echtelijke woning bij helfte tussen hen zou worden verdeeld. Hoewel deze afspraak niet in een convenant is opgenomen, blijkt volgens de vrouw uit de overgelegde correspondentie dat partijen het daarover eens waren.
De man betwist dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt. Partijen waren nog in overleg en hebben geen convenant ondertekend. Volgens de man zijn de door hem gedane investeringen naar voren gebracht door zijn advocaat kort na het onderlinge overleg tussen partijen waar de vrouw naar verwijst. De vrouw laat na deze correspondentie in het geding te brengen, aldus de man.
3.50
De rechtbank oordeelt als volgt.
3.50.1
Leidend is de Haviltex-maatstaf: bij de uitleg van een overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die verklaringen en de in die overeenkomst vervatte bedingen mochten toekennen. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Dit geldt niet alleen voor de inhoud van de overeenkomst, maar ook voor de vraag of sprake is van de aanvaarding van een aanbod, wat noodzakelijk is voor het tot stand komen van een overeenkomst.
3.50.2
Vast staat dat partijen in aanloop van en tijdens de echtscheidingsprocedure hebben geprobeerd overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de echtscheiding. Dit is uiteindelijk niet gelukt. De vraag rijst of wel sprake was van een (deel)afspraak waarbij partijen het eens waren over de verdeling van de overwaarde van de woning, zoals de vrouw stelt en de man weerspreekt.
3.50.3
Een dergelijke afspraak leest de rechtbank niet in de e-mail waar de vrouw ter onderbouwing van haar stelling naar verwijst, waarin haar advocaat onder 1. schrijft: “Verdeling van de verkoopopbrengst: Omdat de woning wordt verkocht, moeten schriftelijke afspraken worden gemaakt over de aflossing van gezamenlijke schulden. Beide partijen hebben afgesproken dat dit 50/50 zal zijn.” De afspraak waar in deze e-mail aan wordt gerefereerd, lijkt alleen over gezamenlijke schulden te gaan. De vrouw heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man dan ook onvoldoende onderbouwd dat wilsovereenstemming bestaat over de verdeling van de overwaarde van de woning.
3.50.4
Bovendien is van belang dat als echtgenoten in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding overeenstemming proberen te bereiken, sprake is van grote (financiële) verwevenheid bij de verschillende onderwerpen waarover partijen het eens willen worden. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat al die afspraken gezamenlijk moeten worden beschouwd en in het algemeen niet snel moet worden aangenomen dat een partij met slechts een deel daarvan al onvoorwaardelijk instemt. Dan verliest die partij immers onderhandelingsruimte bij de rest van de te maken afspraken. Er zijn geen gedragingen van de man of andere omstandigheden gesteld waaruit de vrouw mocht afleiden dat de man een bindende deelafspraak wilde maken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer de van de vrouw.
3.51
Met betrekking tot het subsidiaire verweer van de vrouw geldt het volgende.
3.51.1
Tussen partijen staat vast dat de man twee schenkingen heeft ontvangen van zijn familie in verband met de aankoop van de gezamenlijke woningen aan de [straatnaam] (in 2012) en de [adres] (in 2022). De vrouw stelt echter dat beide schenkingen ook aan haar zijn gedaan. De rechtbank verwerpt dit betoog en oordeelt als volgt.
3.51.2
De grootmoeder van de man heeft in 2012 een bedrag van € 200.000,- aan hem geschonken. Uit de door de man overgelegde verklaring van zijn grootmoeder volgt dat het bedrag is geschonken in verband met zijn verjaardag en dat de grootmoeder het bedrag heeft overgemaakt op de rekening van de notaris vanwege de aankoop van de woning aan de [straatnaam] . Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat dit bedrag ook aan haar is geschonken alleen al omdat partijen de woning in mede-eigendom verkregen, geldt dat dit geen steun vindt in het recht. De mede-eigendom van de woning maakt op zichzelf niet dat de vrouw, naast de man, begunstigde was van de schenking. Verder blijkt nergens uit dat er een overeenkomst van schenking is met de vrouw als (mede)begunstigde. De stelling van de vrouw dat de grootmoeder zou hebben gezegd dat het bedrag voor partijen samen was, heeft zij in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man niet onderbouwd. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat, omdat partijen vervolgens zijn gehuwd onder uitsluiting van elke huwelijksgemeenschap, de man een privévermogen van € 200.000,- heeft geïnvesteerd in de (opvolgende) woningen van partijen. Hij heeft daarom recht op vergoeding van dit bedrag.
3.51.3
Daarnaast heeft de man in 2022 een schenking ontvangen van zijn vader van € 173.000,-. Deze schenking vond plaats tijdens het huwelijk. Zoals hiervoor is overwogen, was er geen sprake van enige huwelijksgemeenschap. Dat de schenking geen uitsluitingsclausule bevat, zoals de vrouw stelt, is dan ook niet relevant. Uit productie 8 volgt dat de schenking in verschillende delen in september 2022 is gestort op de privérekening van de man met nummer [bankrekeningnummer] . De schenking valt vanwege de huwelijkse voorwaarden daarom in het privévermogen van de man. In het licht van de betwisting van de man zijn er in de stellingen van de vrouw geen aanknopingspunten te vinden dat ook zij begunstigde was van de schenking. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat er een overeenkomst van schenking is met de vrouw als (mede)begunstigde. De man stelt verder, onweersproken, dat hij van deze schenking een bedrag van € 113.348,84 heeft betaald in verband met de aankoop van de woning aan de [adres] . Dit volgt ook uit de bankoverschrijving overgelegd als productie 8. Aangezien de man een bedrag van € 113.348,84 heeft geïnvesteerd in de aankoop van de echtelijke woning van partijen (die hen beide in eigendom toebehoort), heeft de man ook recht op vergoeding van dit bedrag.
3.52
Tussen partijen is niet in geschil dat de vergoedingsrechten nominale rechten zijn. Alles overziend heeft de man een vergoedingsrecht van in totaal € 313.348,84 (€ 200.000 + € 113.348,84). Het verzoek van de man wordt tot dit bedrag toegewezen. De rechtbank bepaalt in redelijkheid dat dit bedrag zal worden verrekend bij de overdracht van de woning.
3.53
De wijze van verdeling van de gemeenschap zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.43 tot en met 3.52 is weergegeven.
Verrekenbeding
3.54
Als bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:141 BW niet is voldaan, wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
3.55
Vast staat dat het overeengekomen periodiek verrekenbeding (artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden) niet is uitgevoerd tijdens het huwelijk. In beginsel kan op verzoek van (een van) partijen finaal verrekend worden.
3.56
Het verzoek van de man tot verrekening was slechts voorwaardelijk in het geval het verzoek van de vrouw over de kosten van de huishouding werd toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat dat laatste verzoek is ingetrokken, zodat het verzoek van de man tot verrekening niet langer ter beoordeling voorligt.
3.57
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw, hierboven vermeld onder C. moet worden beoordeeld omdat de rechtbank een vergoedingsrecht toekent aan de man ten aanzien van de woning. Het lag op de weg van de vrouw haar (voorwaardelijke) verzoek te concretiseren en te onderbouwen. Er is op geen enkele manier inzicht gegeven in de omvang van het te verrekenen vermogen en op welke manier verrekend moet worden. Ook is geen stelling ingenomen over het bedrag waar de vrouw recht op zou hebben als gevolg van de finale verrekening. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Overige vergoedingsrechten: kosten van de huishouding
3.58
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ieder laten weten geen verzoeken met betrekking tot de kosten van de huishouding (meer) te doen. De rechtbank wijst deze daarom af.
Proceskosten
3.59
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. Omdat de vrouw het verzoek tot een proceskostenveroordeling heeft ingetrokken, behoeft deze beslissing geen nadere motivering.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdag] 2013 te [plaats 1] ;
4.2
stelt vast dat in het kader van de reguliere regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na de zomervakantie 2026 een co-ouderschapsregeling geldt waarbij de minderjarige om de week bij de vrouw dan wel de man verblijft en het wisselmoment op zondagavond 19.00 uur is;
4.3
stelt vast dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de vakanties en feestdagen als volgt luidt:
vakanties
- de vakanties van twee of meer weken (zomer-, kerst- en meivakantie) worden in onderling overleg bij helfte verdeeld. In de schooljaren startend in een even jaar heeft de vrouw eerste keuze bij de verdeling en de man in een oneven jaar;
- de vakanties van één week (herfst- en voorjaarsvakantie) worden jaarlijks om en om verdeeld. In de schooljaren startend in een even jaar heeft de man eerste keuze bij de verdeling en de vrouw in een oneven jaar;
- ieder jaar vóór 1 juni worden de vakanties in onderling overleg verdeeld voor het daaropvolgende schooljaar;
- voor het schooljaar 2026-2027 verdelen partijen de vakanties vóór 1 september 2026;
feestdagen
- Driekoningen: de minderjarige verblijft bij de vrouw;
- verjaardag van de minderjarige, tevens Koningsdag: conform de verdeling van de meivakantie, dan wel de reguliere zorgregeling. Wel wordt de ouder bij wie de minderjarige niet verblijft in de gelegenheid gesteld contact te hebben met de minderjarige;
- Moederdag en verjaardag van de vrouw: de minderjarige verblijft bij de vrouw;
- Vaderdag en verjaardag van de man: de minderjarige verblijft bij de man;
4.4
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
4.5
bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] , die aan de man onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;
4.6
neemt in het kader van een gebruiksvergoeding op de onderlinge regeling die partijen over de lasten van de woning hebben getroffen, te weten: de vrouw neemt vanaf het moment dat zij het voortgezet gebruik van de woning krijgt alle lasten voor haar rekening. De man betaalt wel zelf zijn aandeel in de hypotheekaflossing;
4.7
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen, te weten dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt op het moment dat de minderjarige bij hem/haar verblijft, waaronder ook de oppaskosten als die worden gemaakt, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten bij helfte worden gedragen;
4.8
gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.43 tot en met 3.52 en bepaalt dat de man een vergoedingsvordering toekomt van € 313.348,48 die bij de overdracht van de woning zal worden verrekend;
4.9
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.10
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.11
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter, mr. drs. J. van den Bos en mr. M. van der Veer, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 15 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.