Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10100
2026-07-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/721367 / KG ZA 26-581
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Minderjarige woont bij vader zonder gezag. Verzoek om toestemming van moeder met gezag te vervangen om op vakantie te kunnen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.088 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zaaknummer: C/10/721367 / KG ZA 26-581
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[naam man]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Aksü te Rotterdam,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van de man, met producties;
- nadere productie van de man.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Hierbij is gezamenlijk behandeld het verzoek van de minderjarige met kenmerk zaaknummer / rekestnummer C/10/721417 / FA RK 26-4765. Op dit verzoek is op 2 juli 2026 afzonderlijk beslist.
Bij de mondelinge behandeling is verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarige is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Dit heeft zij gedaan tijdens een gesprek met de voorzieningenrechter, tevens kinderrechter.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De vrouw en de man zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Bij beschikking van 9 december 2013 is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tijdelijk tot voogd over de minderjarige benoemd.
2.4.
De man heeft de Griekse nationaliteit. De vrouw en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
3Het geschil
3.1.
De man vordert – samengevat – vervangende toestemming om tijdens de zomervakantie 2026 met de minderjarige naar [land 1] en/of [land 2] te reizen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn vordering ten aanzien van het paspoort van de minderjarige ingetrokken.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verstekverlening
4.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat verstek zal worden verleend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vervangende toestemming. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de man graag deze zomer met de minderjarige op vakantie wil. Gelet op het korte tijdsbestek tot aan de start van de zomervakantie en de tijd die de man nodig heeft om de vakantie te boeken, is het spoedeisend belang een gegeven.
Vervangende toestemming
4.4.
De man wil graag samen met de minderjarige op vakantie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verteld naar [land 1] te willen reizen voor de duur van ongeveer twee weken. Ook de minderjarige heeft tijdens het kindgesprek verteld graag op vakantie te willen, vooral omdat zij nog nooit in het buitenland is geweest. De man geeft aan dat het hem niet lukt om met de vrouw in contact te komen om toestemming te krijgen om met de minderjarige op vakantie te gaan.
4.5.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het onduidelijk is wie belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Dit te meer nu uit het uittreksel van het gezagsregister zou blijken dat er een voogdijmaatregel zou zijn. Na de mondelinge behandeling is de rechtbank uit het door de man overgelegde proces-verbaal van 9 december 2013 gebleken dat de aantekening van de voogdijmaatregel in het gezagsregister gerelateerd is aan de minderjarigheid van de vrouw ten tijde van de geboorte van de minderjarige. Uit overweging 3.4. van dit proces-verbaal blijkt dat de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot en met 28 december 2013 met de voorlopige voogdij is belast. Niet is gebleken dat de vrouw daarna niet het ouderlijk gezag van rechtswege heeft verkregen, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de vrouw met het ouderlijk gezag over de minderjarige is belast. In het gezagsregister wordt alleen afwijking van het van rechtswege ontstane gezag aangetekend. De voorzieningenrechter ziet bevestiging in het feit dat de vrouw toestemming heeft gegeven voor de erkenning van de minderjarige, zoals blijkt uit de latere vermelding op de geboorteakte opgemaakt op 4 maart 2014.
4.6.
Gelet op het voorgaande oefent de vrouw alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. In artikel 1:247 lid 3 BW is bepaald dat het ouderlijk gezag van de vrouw mede de verplichting omvat van de vrouw om de ontwikkeling van de banden van de minderjarige met de andere ouder te bevorderen. Deze norm beperkt zich niet tot ouders met gezamenlijk gezag, maar is ook van toepassing op de ouder die het eenhoofdig gezag heeft. De man, als niet gezag dragende ouder, heeft op grond van artikel 1:377a BW het recht op en de verplichting tot omgang met de minderjarige. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wens van de man (en de minderjarige) om tijdens de zomervakantie op vakantie te gaan kan worden gestoeld op deze grondslag, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot vervangende toestemming om met de minderjarige op zomervakantie te gaan.
4.7.
De voorzieningenrechter acht het in het belang van de minderjarige dat zij op zomervakantie kan samen met haar vader (en stiefmoeder) en overweegt daartoe als volgt. Niet in geschil is dat de minderjarige op dit moment al langere tijd bij de man woont en onderdeel uitmaakt van dit gezin. Daarbij heeft de minderjarige zelf ook de grote wens om een keer naar het buitenland op vakantie te gaan, nu zij dit nog niet eerder heeft gedaan. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de noodzakelijke toestemming van de vrouw zal vervangen. De man heeft in afwachting van de beslissing van de voorzieningenrechter nog geen reis geboekt en zal dat pas na verlening van zijn verzoek doen. Daarom zijn data, reisinformatie en definitieve bestemming nog niet met zekerheid te geven. Tijdens de mondelinge behandeling is met de man en zijn advocaat besproken wanneer de man vakantie heeft. De voorzieningenrechter zal de vervangende toestemming verlenen voor de periode van 31 juli 2026 tot en met 24 augustus 2026, zodat de man in zijn vakantieperiode een geschikte reis, vliegticket en verblijf kan boeken. Niet is gebleken dat verlening in deze manier niet in het belang van de minderjarige zou zijn.
Proceskosten
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen vrouw;
5.2.
verleent de man vervangende toestemming voor de reis met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , naar [land 1] en/of [land 2] in de periode van 31 juli 2026 tot en met 24 augustus 2026;
5.3.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wierink en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Team familie
Zaaknummer: C/10/721367 / KG ZA 26-581
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[naam man]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Aksü te Rotterdam,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van de man, met producties;
- nadere productie van de man.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Hierbij is gezamenlijk behandeld het verzoek van de minderjarige met kenmerk zaaknummer / rekestnummer C/10/721417 / FA RK 26-4765. Op dit verzoek is op 2 juli 2026 afzonderlijk beslist.
Bij de mondelinge behandeling is verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarige is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Dit heeft zij gedaan tijdens een gesprek met de voorzieningenrechter, tevens kinderrechter.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De vrouw en de man zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Bij beschikking van 9 december 2013 is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tijdelijk tot voogd over de minderjarige benoemd.
2.4.
De man heeft de Griekse nationaliteit. De vrouw en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
3Het geschil
3.1.
De man vordert – samengevat – vervangende toestemming om tijdens de zomervakantie 2026 met de minderjarige naar [land 1] en/of [land 2] te reizen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn vordering ten aanzien van het paspoort van de minderjarige ingetrokken.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verstekverlening
4.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat verstek zal worden verleend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vervangende toestemming. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de man graag deze zomer met de minderjarige op vakantie wil. Gelet op het korte tijdsbestek tot aan de start van de zomervakantie en de tijd die de man nodig heeft om de vakantie te boeken, is het spoedeisend belang een gegeven.
Vervangende toestemming
4.4.
De man wil graag samen met de minderjarige op vakantie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verteld naar [land 1] te willen reizen voor de duur van ongeveer twee weken. Ook de minderjarige heeft tijdens het kindgesprek verteld graag op vakantie te willen, vooral omdat zij nog nooit in het buitenland is geweest. De man geeft aan dat het hem niet lukt om met de vrouw in contact te komen om toestemming te krijgen om met de minderjarige op vakantie te gaan.
4.5.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het onduidelijk is wie belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Dit te meer nu uit het uittreksel van het gezagsregister zou blijken dat er een voogdijmaatregel zou zijn. Na de mondelinge behandeling is de rechtbank uit het door de man overgelegde proces-verbaal van 9 december 2013 gebleken dat de aantekening van de voogdijmaatregel in het gezagsregister gerelateerd is aan de minderjarigheid van de vrouw ten tijde van de geboorte van de minderjarige. Uit overweging 3.4. van dit proces-verbaal blijkt dat de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot en met 28 december 2013 met de voorlopige voogdij is belast. Niet is gebleken dat de vrouw daarna niet het ouderlijk gezag van rechtswege heeft verkregen, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de vrouw met het ouderlijk gezag over de minderjarige is belast. In het gezagsregister wordt alleen afwijking van het van rechtswege ontstane gezag aangetekend. De voorzieningenrechter ziet bevestiging in het feit dat de vrouw toestemming heeft gegeven voor de erkenning van de minderjarige, zoals blijkt uit de latere vermelding op de geboorteakte opgemaakt op 4 maart 2014.
4.6.
Gelet op het voorgaande oefent de vrouw alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. In artikel 1:247 lid 3 BW is bepaald dat het ouderlijk gezag van de vrouw mede de verplichting omvat van de vrouw om de ontwikkeling van de banden van de minderjarige met de andere ouder te bevorderen. Deze norm beperkt zich niet tot ouders met gezamenlijk gezag, maar is ook van toepassing op de ouder die het eenhoofdig gezag heeft. De man, als niet gezag dragende ouder, heeft op grond van artikel 1:377a BW het recht op en de verplichting tot omgang met de minderjarige. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wens van de man (en de minderjarige) om tijdens de zomervakantie op vakantie te gaan kan worden gestoeld op deze grondslag, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot vervangende toestemming om met de minderjarige op zomervakantie te gaan.
4.7.
De voorzieningenrechter acht het in het belang van de minderjarige dat zij op zomervakantie kan samen met haar vader (en stiefmoeder) en overweegt daartoe als volgt. Niet in geschil is dat de minderjarige op dit moment al langere tijd bij de man woont en onderdeel uitmaakt van dit gezin. Daarbij heeft de minderjarige zelf ook de grote wens om een keer naar het buitenland op vakantie te gaan, nu zij dit nog niet eerder heeft gedaan. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de noodzakelijke toestemming van de vrouw zal vervangen. De man heeft in afwachting van de beslissing van de voorzieningenrechter nog geen reis geboekt en zal dat pas na verlening van zijn verzoek doen. Daarom zijn data, reisinformatie en definitieve bestemming nog niet met zekerheid te geven. Tijdens de mondelinge behandeling is met de man en zijn advocaat besproken wanneer de man vakantie heeft. De voorzieningenrechter zal de vervangende toestemming verlenen voor de periode van 31 juli 2026 tot en met 24 augustus 2026, zodat de man in zijn vakantieperiode een geschikte reis, vliegticket en verblijf kan boeken. Niet is gebleken dat verlening in deze manier niet in het belang van de minderjarige zou zijn.
Proceskosten
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen vrouw;
5.2.
verleent de man vervangende toestemming voor de reis met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , naar [land 1] en/of [land 2] in de periode van 31 juli 2026 tot en met 24 augustus 2026;
5.3.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wierink en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.