Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:5903

2025-02-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 10966895 CV EXPL 24-6193
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2025-02-07
Publicatiedatum
2025-05-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
10966895 CV EXPL 24-6193
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huur; ontbinding/ontruiming woning.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.741 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 10966895 CV EXPL 24-6193



datum uitspraak: 7 februari 2025




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van




Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.



De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 23 februari 2024, met bijlagen;


het antwoord;


de brief van [gedaagde] , met bijlagen;


de akte van Havensteder, met bijlagen;


het proces-verbaal van de zitting op 25 juni 2024;


de akte van Havensteder van 25 september 2024;


de akte van Havensteder van 18 december 2024, met bijlage.





1.2.
Op 25 juni 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig namens Havensteder [persoon A] met [persoon B] en [gedaagde] met [persoon C] (een vriendin van [gedaagde] ). Ook was aanwezig [persoon D] (wijkteam Vreewijk).



1.3.
Na de zitting is de zaak aangehouden voor uitlating regeling c.q. voortzetting procedure. [gedaagde] is na de laatste akte van Havensteder in de gelegenheid gesteld om op deze akte te reageren, maar zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.





2De beoordeling



Waar gaat de zaak over?



2.1.

[gedaagde] huurt vanaf 1 juli 2016 een woning van Havensteder. De huur is nu € 580,76 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Havensteder eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Zij voert aan dat tijdens de renovatie van de woning in 2022 spullen van haar zijn gestolen en dat zij wil dat Havensteder haar schade (een bedrag tussen de € 3.000,- en € 5.000,-) vergoedt en verrekent met de huurachterstand. Daarnaast moet Havensteder volgens [gedaagde] een aantal punten herstellen. [gedaagde] moet van de kantonrechter de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.




[gedaagde] moet een huurachterstand van € 4.692,93 betalen




2.2.

[gedaagde] wordt veroordeeld om € 4.692,93 aan Havensteder te betalen. Havensteder stelt dat dit de totale huurachterstand is tot en met de maand december 2024 en dat [gedaagde] geen regeling heeft getroffen voor dit deel van de achterstand. [gedaagde] heeft hier niet meer op gereageerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de huurachterstand zoals die er volgens Havensteder is.



2.3.
Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat Havensteder aansprakelijk is voor de door haar gestelde schade. Havensteder heeft betwist dat tijdens de renovatie spullen in de woning mochten blijven staan. Volgens Havensteder had [gedaagde] de mogelijkheid om alles in een gesloten container te laden, maar heeft zij daar bewust niet voor gekozen en heeft zij haar spullen tegen de afspraken in achtergelaten in de woning. [gedaagde] heeft daartegenover onvoldoende onderbouwd dat er met haar wel een afspraak was gemaakt dat zij haar spullen in de woning mocht laten staan.



2.4.

[gedaagde] heeft in haar brief van 10 juni 2024 en de daarbij bijgevoegde stukken een aantal punten die Havensteder volgens haar moet herstellen genoemd. De kantonrechter begrijpt dat zij daarmee een beroep doet op opschorting. Er bestaat alleen een opschortingsrecht indien en voor zover in het licht van alle omstandigheden van het geval de opschorting gerechtvaardigd is. Havensteder heeft in haar laatste akte toegelicht dat in de gesprekken tussen Havensteder en [gedaagde] na de zitting een aantal punten naar voren is gekomen. [gedaagde] heeft hierop niet meer gereageerd, zodat de kantonrechter uitgaat van wat Havensteder hierover heeft aangevoerd. De punten waar Havensteder nog naar zou kijken betreffen het vervangen van een tegel in de keuken, een verstopping van het toilet, de sluiting van de koelkast, de werking van de afzuigkap, het raam aan de voorzijde, het voegwerk aan de gevel aan de achterzijde en schade aan het aanrechtblad. Het punt van de schade aan het aanrechtblad komt niet voor rekening van Havensteder en wordt niet hersteld en van de andere punten moet alleen het voegwerk nog worden gedaan, alle overige punten zijn opgelost, aldus Havensteder. Indien hiermee sprake zou zijn van gebreken, zijn deze naar het oordeel van de kantonrechter niet zo ernstig dat het gerechtvaardigd is om het in 2.2 genoemde bedrag aan huur niet te betalen.



De huurovereenkomst wordt ontbonden




2.5.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat de huurachterstand tijdens de procedure weliswaar is ingelopen, maar de huurachterstand bedraagt, ondanks dat [gedaagde] na de zitting ruim de tijd heeft gehad, nog altijd acht maanden. Enig perspectief op het inlopen van die huurachterstand is niet gebleken.




[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen




2.6.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. De ontruimingstermijn wordt gesteld op een maand na betekening van dit vonnis.



2.7.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 580,76 per maand betalen (artikel 7:225 BW).




[gedaagde] moet incassokosten betalen




2.8.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 719,09 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat is toegewezen.




[gedaagde] moet rente betalen




2.9.
De rente wordt toegewezen, omdat Havensteder genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Havensteder moet betalen de rente van € 187,77 die Havensteder heeft berekend tot de dag van dagvaarding.



Geen oneerlijke bepalingen




2.10.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen




2.11.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Havensteder op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.606,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 5.599,79 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf de dag van dagvaarding heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;



3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf januari 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Havensteder te betalen € 580,76 per maand;



3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.606,97;



3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.6.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
26975




Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810