Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:13703

2025-11-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 24/9803
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2025-11-27
Publicatiedatum
2025-11-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 24/9803
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herziening AOW naar de norm voor een gehuwde en terugvordering. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (11.411 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 24/9803


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),


en


de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).


Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van eisers ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met de herziening en de terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van eisers ouderdomspensioen.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd heeft. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Met het primaire besluit van 29 maart 2024 heeft verweerder eisers AOW-pensioen met ingang van 1 februari 2023 herzien naar een gehuwdenpensioen en het als gevolg van deze herziening te veel betaalde AOW-pensioen van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.




Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser ontving vanaf 1 mei 2021 een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden. Na het overlijden van zijn partner op [datum 1] heeft verweerder eisers AOW-pensioen vanaf juni 2022 omgezet naar de norm voor een alleenstaande. Nadat is gebleken dat eiser op [datum 2] is hertrouwd heeft verweerder met het primaire besluit bepaald dat eiser vanaf 1 februari 2023 recht heeft op een gehuwdenpensioen, dat hij vanaf februari 2023 tot en met november 2023 een bedrag van € 4.297,54 te veel heeft ontvangen en dat verweerder dit bedrag van eiser terugvordert.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven tussen eiser en zijn echtgenote en dat eiser daarom recht heeft op een AOW-pensioen voor een gehuwde. Omdat eiser zijn huwelijk niet tijdig bij verweerder heeft gemeld heeft verweerder eisers AOW-pensioen met terugwerkende kracht aangepast met ingang van 1 februari 2023. Volgens verweerder zijn er in eisers situatie geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.



Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een alleenstaandenpensioen ondanks het feit dat hij gehuwd is. Eiser is de enige die voorziet in het levensonderhoud en hij heeft geen mogelijkheid om deze kosten met zijn echtgenote te delen omdat zij geen verzekerde en ingezetene is van Nederland. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien, gelet op eisers persoonlijke omstandigheden. Verweerder heeft bij de terugvordering onvoldoende rekening gehouden met de beperkte financiële middelen van eiser om in zijn levensonderhoud te voorzien. Tot slot stelt eiser dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Zijn echtgenoot woont in [land] en is nooit in Nederland geweest. Eiser woont in Nederland en is niet voornemens met zijn echtgenote samen te wonen. Ze hebben beide hun eigen levens en betalen hun eigen vaste lasten. Eiser betwist dat er sprake is van een LAT-relatie.

6. Niet in geschil is dat eiser op [datum 2] in [land] getrouwd is. Beoordeeld dient te worden of eiser in aanmerking komt voor een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande ondanks dat hij is getrouwd.


7.1.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd.



7.2.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821) is voor gevallen waarbij geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving bij gehuwden pas van duurzaam gescheiden leven sprake indien aan alle volgende eisen is voldaan:
a. ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b. ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c. ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken.



7.3.
Aspecten die in de beoordeling worden meegenomen hebben onder meer betrekking op de mate waarin sprake is van gezamenlijk eigendom, gezamenlijke rekeningen en verzekeringen, de frequentie waarin betrokkenen elkaar zien, of zij samen op (familie)bezoek gaan, of zij huishoudelijke taken voor elkaar verrichten en of zij bijvoorbeeld in het bezit zijn van elkaars sleutel. Al deze aspecten worden in onderlinge samenhang bezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:171)

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bij een besluit tot herziening van een AOW-pensioen gaat het om een belastend besluit. Volgens vaste rechtspraak is het aan verweerder om de nodige kennis over relevante feiten en omstandigheden te vergaren (zie de uitspraak van de Raad van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3019). Dit betekent in dit geval dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat eiser en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de bewijslast, niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven. Dat eiser zijn echtgenote bezoekt wanneer hij in [land] is en dat hij op het formulier ‘Onderzoek woonsituatie’ heeft aangekruist dat er sprake is van een LAT-relatie is hiervoor, los van de vraag of eiser begreep wat dit begrip inhoudt, onvoldoende. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat niet goed voorstelbaar is dat een huwelijkse samenleving al vanaf het moment van het aangaan van het huwelijk verbroken kan worden geacht. Deze bevinding wordt echter niet ondersteund door relevante feiten en omstandigheden. Zo is uit het onderzoek van verweerder niet gebleken wat bijvoorbeeld de mate van contact is tussen eiser en zijn echtgenote, of er sprake is van gezamenlijk eigendom, of eiser en zijn echtgenote financieel met elkaar verstrengeld zijn en of zij elkaar in levensonderhoud voorzien. Dit zijn echter aspecten die relevant kunnen zijn voor de beoordeling of eiser en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven. Gelet op het belastende karakter van het bestreden besluit had het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de feitelijke leefsituatie van eiser en zijn echtgenote.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder nog onderzoek dient te verrichten naar de feitelijke omstandigheden rondom de situatie van eiser en zijn echtgenote per 1 februari 2023. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 20 september 2024;- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.