Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2024:3280
2024-04-16
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 22/4223
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CBB:2026:292 → ECLI:NL:RBROT:2024:3280 overig
- hogerBeroep ECLI:NL:CBB:2026:363 → ECLI:NL:RBROT:2024:3280 overig
Inhoudsindicatie
BC; Wet dieren; grondslag boete; te weinig ruimte voor varkens.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2022:168 College van Beroep voor het bedrijfsleven 12-04-2022
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:CBB:2026:363 College van Beroep voor het bedrijfsleven 03-06-2026
- ECLI:NL:CBB:2026:292 College van Beroep voor het bedrijfsleven 03-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (15.927 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/4223
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2024 in de zaak tussen
Compaxo Vlees Zevenaar B.V., uit Zevenaar, eiseres
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. R.R. Berkhout).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 14 januari 2022 heeft verweerder eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 29 juli 2022 op het bezwaar van eiser heeft
verweerder deze boete gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 1], toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 27 januari 2021 heeft een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een rapport van bevindingen opgemaakt. In dat rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende:
“Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 27 januari 2021 omstreeks 10:00 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam 2] en
[naam 3], functie: kwaliteitsdienstmedewerkers. De kwaliteitsdienst is het
aanspreekpunt vanuit Compaxo voor constateringen binnen het bedrijf.
Op 27 januari 2021, omstreeks 10.00 uur, is gebleken dat er 1136 overliggende
varkens op stal aanwezig waren, zie bijlage stallijst Compaxo 26-01-2021 en 27-
01-2021. Deze varkens waren volgens de stallijst op 26 januari 2021 ten laatste
omstreeks 14.00 uur gelost. Zodoende hebben de varkens bijgevolg meer dan 12
uur op stal gelegen. Daarnaast zijn er volgens de stallijst op 26 januari 2021
tussen 23.00 uur en 23.55 uur nog 686 varkens gelost en op stal ondergebracht.
Waardoor er vanaf toen 1822 varkens op stal hebben gelegen.
Het betroffen slachtvarkens. Deze varkens hebben in Nederland een leeftijd
tussen de 6 en de 8 maanden. Varkens van die leeftijd hebben een gemiddeld
slachtgewicht van 98 kilogram. Het levend gewicht van een varken is gemiddeld
genomen 25% meer, waardoor het gemiddelde levend gewicht van een varken
123 kilogram is.
Dit houdt in dat, volgens artikel 2.17, lid 2, onder punt f van het Besluit houders
van dieren, per varken 1 m2 ter beschikking moet zijn. Er is bij Compaxo Vlees
Zevenaar B.V. een maximale staloppervlak van 869 m2 beschikbaar, zie
fotobijlage. Dit betekent dat maximaal ruimte was voor 869 varkens; hieruit blijkt
dat de 1136 overliggende varkens niet genoeg ruimte tot hun beschikking hadden.
Daarnaast lagen er vanaf 23.55 uur 1822 varkens op stal.
Ondanks meerdere mondelinge waarschuwingen en het bespreken hiervan tijdens
bedrijfsoverleggen, zie bijlage notulen overleg NVWA Compaxo 15-01-2020 en
20-01-2021, en een eerdere schriftelijke waarschuwing, waren er toch, gezien de
capaciteit van de stal, te veel overliggende varkens. Vanaf 23.55 uur waren er te
veel varkens op stal voor de capaciteit van de stal. Dit hadden er volgens eigen
procedures maximaal 1742 mogen zijn, zie fotobijlage.
Hieruit bleek mij dat gehandeld werd in strijd met het Besluit houders van dieren:
Artikel 2.17 lid 2, de voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal
bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden
geiten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht van meer dan
110 kg ten minste:
onder punt f: 1,0 m2.”
2.2.
Op grond van het rapport van bevindingen van 27 januari 2021 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De slachtvarkens in de stal beschikten niet over voldoende
totale vloeroppervlakte tijdens het overliggen.”
Volgens verweerder is dit een overtreding van artikel 2.2, tiende lid, onder c, ten vijfde, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren.
Hiervoor heeft verweerder aan eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres voert aan dat de overtreding haar ten onrechte is verweten, nu zij geen houder van dieren is, maar exploitant van een slachthuis. Eiseres is niet de normadressaat met betrekking tot de regelgeving in het Besluit houders van dieren. Voor een exploitant van een slachthuis gelden volgens eiseres andere regels dan voor een houder van dieren. Volgens eiseres omvat Verordening 853/2004 geen specifieke oppervlakte-eisen. Gelet op de korte periode dat dieren op een slachthuis verblijven, dient aansluiting te worden gezocht bij Verordening 1/2005 (de Transportverordening).
3.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2022:168, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.
3.2.
Op basis van de informatie in het rapport van bevindingen is verweerder er aanvankelijk vanuit gegaan dat er 1822 varkens op stal hebben gelegen in de nacht van
26 op 27 januari 2021. Op pagina 3 van het bestreden besluit heeft verweerder de motivering aangevuld en overwogen dat naar aanleiding van de heroverweging in bezwaar wordt uitgegaan van 1136 varkens op stal, dit naar aanleiding van de door eiseres overgelegde slachtlijst.
3.3.
Uit de toelichting in het bestreden besluit over de berekening van het aantal varkens waarvoor ruimte was in de stal van het bedrijf van eiseres blijkt dat het in dit geval ging om zogenoemde overliggers, die langer dan 12 uur op stal zijn ondergebracht, voordat ze konden worden geslacht. Volgens de plattegrond heeft de stal van eiseres een oppervlakte van 869 m2, verdeeld over 38 hokken, waarvan het kleinste hok 14 m2 beslaat en de grootste hokken 24 m2 beslaan. Nu er in geen van de hokken ruimte was om meer dan 40 varkens met een gewicht van meer dan 110 kilogram te houden, kon de oppervlakte volgens verweerder niet worden verkleind op grond van artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit houders van dieren. Volgens verweerder was er, gelet op het gewicht van de varkens en de grootte van de stal ruimte voor 869 varkens. Omdat eiseres 1136 varkens in de stal had ondergebracht, heeft zij volgens verweerder de norm van artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren overtreden.
3.4.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de Transportverordening in dit geval niet van toepassing is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
In artikel 2, aanhef en onder w, van de Transportverordening staat de definitie van vervoer:
vervoer: de verplaatsing van dieren met behulp van een of meer vervoermiddelen en de daarmee samenhangende activiteiten, zoals laden, lossen, overladen en rusten, tot aan het moment waarop alle dieren op de plaats van bestemming zijn uitgeladen (onderstreping door de rechtbank).
Dit betekent dat de Transportverordening niet meer van toepassing is nadat de dieren zijn uitgeladen bij het slachthuis.
Verweerder heeft vervolgens toegelicht waarom in dit geval niet is aangesloten bij punt 2.1 van Bijlage III van Verordening 1099/2009. In die bepaling staat dat elk dier over voldoende ruimte dient te beschikken om op te kunnen staan, te gaan liggen, en met uitzondering van afzonderlijk gehouden vee, rond te draaien.
Het ging hier, zoals blijkt uit het rapport van bevindingen, om een administratieve controle en niet om een visuele vaststelling door de toezichthouder dat de dieren niet over genoeg ruimte zouden hebben beschikt. Daarom is volgens verweerder aangesloten bij de norm van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren en is een (lagere) boete van € 1.500 - opgelegd in plaats van een boete van € 2.500,-.
Onder verwijzing naar artikel 3.107 van het BW merkt verweerder eiseres als houder van dieren aan. Ook meent verweerder dat het hier gaat om het houden van varkens voor productie in de zin van artikel 2.17 van het Besluit houders van dieren. Verder gaat het hier ook om varkens voor de mesterij, als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit houders van dieren. De varkens zijn immers bestemd voor voedselvoorziening. Omdat het ging om varkens met een de gemiddelde leeftijd tussen 6 en 8 maanden konden deze dieren ook als gebruiksvarkens als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit houders van dieren worden gezien.
Verder heeft verweerder erop gewezen dat paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren een implementatie is van Richtlijn 2008/120/EG (de Varkensrichtlijn), waarin minimumnormen zijn vastgesteld ter bescherming van varkens die voor de fokkerij of de mesterij opgesloten moeten worden gehouden. Uit artikel 3, eerste lid, van de Varkensrichtlijn kan worden afgeleid dat de oppervlaktenormen die in deze Richtlijn worden genoemd, voor alle bedrijven gelden waar varkens voor de fokkerij of de mesterij opgesloten worden gehouden.
In dit geval gaat het om het onderbrengen van varkens voor de duur van langer dan 12 uur. In die situatie wordt bekeken of wordt voldaan aan de norm van het Besluit houders van dieren.
3.5.
De rechtbank volgt verweerder, gelet op de toelichting in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting, dat in dit geval de norm van artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren als uitgangspunt is en kon worden genomen. Nu eiseres ten minste 1136 overliggende varkens met een gewicht van meer dan 110 kilogram voor langer dan 12 uur in de stal had ondergebracht, terwijl er slechts ruimte was voor 869 varkens, is er sprake van een overtreding van artikel 2.2, tiende lid, onder c, ten vijfde, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren.
3.6.
De rechtbank is het ook met verweerder eens dat de bevoegdheid bestond om vanwege deze overtreding een boete aan eiseres op te leggen op grond van het geldende interventiebeleid. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting kenbaar gemaakt dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangesloten bij het Specifiek interventiebeleid Dierenwelzijn (IB02-SPEC72). Dit interventiebeleid geldt echter niet voor slachthuizen. Voor slachthuizen geldt het Algemeen interventiebeleid. Nu ook op basis van het Algemeen interventiebeleid ingeval van een categorie B-overtreding eerst een waarschuwing dient te worden gegeven voordat een boete wordt opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om geen consequenties aan dit gebrek te verbinden. Eiseres heeft eerder op 6 januari 2021 een waarschuwing ontvangen voor eenzelfde soort overtreding. Dit betekent dat op basis van het rapport van bevindingen van 27 januari 2021 een boete aan eiseres kon worden opgelegd.
3.7.
Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de boete dient te worden gematigd.
3.8.
Gezien het voorgaande was verweerder bevoegd een boete van € 1.500,- aan eiseres op te leggen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is dus ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/4223
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2024 in de zaak tussen
Compaxo Vlees Zevenaar B.V., uit Zevenaar, eiseres
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. R.R. Berkhout).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 14 januari 2022 heeft verweerder eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 29 juli 2022 op het bezwaar van eiser heeft
verweerder deze boete gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 1], toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 27 januari 2021 heeft een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een rapport van bevindingen opgemaakt. In dat rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende:
“Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 27 januari 2021 omstreeks 10:00 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam 2] en
[naam 3], functie: kwaliteitsdienstmedewerkers. De kwaliteitsdienst is het
aanspreekpunt vanuit Compaxo voor constateringen binnen het bedrijf.
Op 27 januari 2021, omstreeks 10.00 uur, is gebleken dat er 1136 overliggende
varkens op stal aanwezig waren, zie bijlage stallijst Compaxo 26-01-2021 en 27-
01-2021. Deze varkens waren volgens de stallijst op 26 januari 2021 ten laatste
omstreeks 14.00 uur gelost. Zodoende hebben de varkens bijgevolg meer dan 12
uur op stal gelegen. Daarnaast zijn er volgens de stallijst op 26 januari 2021
tussen 23.00 uur en 23.55 uur nog 686 varkens gelost en op stal ondergebracht.
Waardoor er vanaf toen 1822 varkens op stal hebben gelegen.
Het betroffen slachtvarkens. Deze varkens hebben in Nederland een leeftijd
tussen de 6 en de 8 maanden. Varkens van die leeftijd hebben een gemiddeld
slachtgewicht van 98 kilogram. Het levend gewicht van een varken is gemiddeld
genomen 25% meer, waardoor het gemiddelde levend gewicht van een varken
123 kilogram is.
Dit houdt in dat, volgens artikel 2.17, lid 2, onder punt f van het Besluit houders
van dieren, per varken 1 m2 ter beschikking moet zijn. Er is bij Compaxo Vlees
Zevenaar B.V. een maximale staloppervlak van 869 m2 beschikbaar, zie
fotobijlage. Dit betekent dat maximaal ruimte was voor 869 varkens; hieruit blijkt
dat de 1136 overliggende varkens niet genoeg ruimte tot hun beschikking hadden.
Daarnaast lagen er vanaf 23.55 uur 1822 varkens op stal.
Ondanks meerdere mondelinge waarschuwingen en het bespreken hiervan tijdens
bedrijfsoverleggen, zie bijlage notulen overleg NVWA Compaxo 15-01-2020 en
20-01-2021, en een eerdere schriftelijke waarschuwing, waren er toch, gezien de
capaciteit van de stal, te veel overliggende varkens. Vanaf 23.55 uur waren er te
veel varkens op stal voor de capaciteit van de stal. Dit hadden er volgens eigen
procedures maximaal 1742 mogen zijn, zie fotobijlage.
Hieruit bleek mij dat gehandeld werd in strijd met het Besluit houders van dieren:
Artikel 2.17 lid 2, de voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal
bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden
geiten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht van meer dan
110 kg ten minste:
onder punt f: 1,0 m2.”
2.2.
Op grond van het rapport van bevindingen van 27 januari 2021 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De slachtvarkens in de stal beschikten niet over voldoende
totale vloeroppervlakte tijdens het overliggen.”
Volgens verweerder is dit een overtreding van artikel 2.2, tiende lid, onder c, ten vijfde, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren.
Hiervoor heeft verweerder aan eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres voert aan dat de overtreding haar ten onrechte is verweten, nu zij geen houder van dieren is, maar exploitant van een slachthuis. Eiseres is niet de normadressaat met betrekking tot de regelgeving in het Besluit houders van dieren. Voor een exploitant van een slachthuis gelden volgens eiseres andere regels dan voor een houder van dieren. Volgens eiseres omvat Verordening 853/2004 geen specifieke oppervlakte-eisen. Gelet op de korte periode dat dieren op een slachthuis verblijven, dient aansluiting te worden gezocht bij Verordening 1/2005 (de Transportverordening).
3.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2022:168, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.
3.2.
Op basis van de informatie in het rapport van bevindingen is verweerder er aanvankelijk vanuit gegaan dat er 1822 varkens op stal hebben gelegen in de nacht van
26 op 27 januari 2021. Op pagina 3 van het bestreden besluit heeft verweerder de motivering aangevuld en overwogen dat naar aanleiding van de heroverweging in bezwaar wordt uitgegaan van 1136 varkens op stal, dit naar aanleiding van de door eiseres overgelegde slachtlijst.
3.3.
Uit de toelichting in het bestreden besluit over de berekening van het aantal varkens waarvoor ruimte was in de stal van het bedrijf van eiseres blijkt dat het in dit geval ging om zogenoemde overliggers, die langer dan 12 uur op stal zijn ondergebracht, voordat ze konden worden geslacht. Volgens de plattegrond heeft de stal van eiseres een oppervlakte van 869 m2, verdeeld over 38 hokken, waarvan het kleinste hok 14 m2 beslaat en de grootste hokken 24 m2 beslaan. Nu er in geen van de hokken ruimte was om meer dan 40 varkens met een gewicht van meer dan 110 kilogram te houden, kon de oppervlakte volgens verweerder niet worden verkleind op grond van artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit houders van dieren. Volgens verweerder was er, gelet op het gewicht van de varkens en de grootte van de stal ruimte voor 869 varkens. Omdat eiseres 1136 varkens in de stal had ondergebracht, heeft zij volgens verweerder de norm van artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren overtreden.
3.4.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de Transportverordening in dit geval niet van toepassing is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
In artikel 2, aanhef en onder w, van de Transportverordening staat de definitie van vervoer:
vervoer: de verplaatsing van dieren met behulp van een of meer vervoermiddelen en de daarmee samenhangende activiteiten, zoals laden, lossen, overladen en rusten, tot aan het moment waarop alle dieren op de plaats van bestemming zijn uitgeladen (onderstreping door de rechtbank).
Dit betekent dat de Transportverordening niet meer van toepassing is nadat de dieren zijn uitgeladen bij het slachthuis.
Verweerder heeft vervolgens toegelicht waarom in dit geval niet is aangesloten bij punt 2.1 van Bijlage III van Verordening 1099/2009. In die bepaling staat dat elk dier over voldoende ruimte dient te beschikken om op te kunnen staan, te gaan liggen, en met uitzondering van afzonderlijk gehouden vee, rond te draaien.
Het ging hier, zoals blijkt uit het rapport van bevindingen, om een administratieve controle en niet om een visuele vaststelling door de toezichthouder dat de dieren niet over genoeg ruimte zouden hebben beschikt. Daarom is volgens verweerder aangesloten bij de norm van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren en is een (lagere) boete van € 1.500 - opgelegd in plaats van een boete van € 2.500,-.
Onder verwijzing naar artikel 3.107 van het BW merkt verweerder eiseres als houder van dieren aan. Ook meent verweerder dat het hier gaat om het houden van varkens voor productie in de zin van artikel 2.17 van het Besluit houders van dieren. Verder gaat het hier ook om varkens voor de mesterij, als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit houders van dieren. De varkens zijn immers bestemd voor voedselvoorziening. Omdat het ging om varkens met een de gemiddelde leeftijd tussen 6 en 8 maanden konden deze dieren ook als gebruiksvarkens als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit houders van dieren worden gezien.
Verder heeft verweerder erop gewezen dat paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren een implementatie is van Richtlijn 2008/120/EG (de Varkensrichtlijn), waarin minimumnormen zijn vastgesteld ter bescherming van varkens die voor de fokkerij of de mesterij opgesloten moeten worden gehouden. Uit artikel 3, eerste lid, van de Varkensrichtlijn kan worden afgeleid dat de oppervlaktenormen die in deze Richtlijn worden genoemd, voor alle bedrijven gelden waar varkens voor de fokkerij of de mesterij opgesloten worden gehouden.
In dit geval gaat het om het onderbrengen van varkens voor de duur van langer dan 12 uur. In die situatie wordt bekeken of wordt voldaan aan de norm van het Besluit houders van dieren.
3.5.
De rechtbank volgt verweerder, gelet op de toelichting in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting, dat in dit geval de norm van artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren als uitgangspunt is en kon worden genomen. Nu eiseres ten minste 1136 overliggende varkens met een gewicht van meer dan 110 kilogram voor langer dan 12 uur in de stal had ondergebracht, terwijl er slechts ruimte was voor 869 varkens, is er sprake van een overtreding van artikel 2.2, tiende lid, onder c, ten vijfde, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren.
3.6.
De rechtbank is het ook met verweerder eens dat de bevoegdheid bestond om vanwege deze overtreding een boete aan eiseres op te leggen op grond van het geldende interventiebeleid. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting kenbaar gemaakt dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangesloten bij het Specifiek interventiebeleid Dierenwelzijn (IB02-SPEC72). Dit interventiebeleid geldt echter niet voor slachthuizen. Voor slachthuizen geldt het Algemeen interventiebeleid. Nu ook op basis van het Algemeen interventiebeleid ingeval van een categorie B-overtreding eerst een waarschuwing dient te worden gegeven voordat een boete wordt opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om geen consequenties aan dit gebrek te verbinden. Eiseres heeft eerder op 6 januari 2021 een waarschuwing ontvangen voor eenzelfde soort overtreding. Dit betekent dat op basis van het rapport van bevindingen van 27 januari 2021 een boete aan eiseres kon worden opgelegd.
3.7.
Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de boete dient te worden gematigd.
3.8.
Gezien het voorgaande was verweerder bevoegd een boete van € 1.500,- aan eiseres op te leggen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is dus ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.