Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2024:2419
2024-03-27
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 22/5581
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CBB:2026:292 → ECLI:NL:RBROT:2024:2419 overig
- hogerBeroep ECLI:NL:CBB:2026:363 → ECLI:NL:RBROT:2024:2419 overig
Inhoudsindicatie
BC; Wet dieren; spoelwater druppelde vanaf plafond op vlees; geen sprake van gering risico volksgezondheid; beroep og.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2022:168 College van Beroep voor het bedrijfsleven 12-04-2022
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:CBB:2026:363 College van Beroep voor het bedrijfsleven 03-06-2026
- ECLI:NL:CBB:2026:292 College van Beroep voor het bedrijfsleven 03-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (17.835 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2024 in de zaak tussen
Compaxo Vlees Zevenaar B.V., uit Zevenaar, eiseres
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. R.R. Berkhout).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 10 juni 2022 heeft verweerder eiseres een boete van € 5.000,- opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 oktober 2022 op het bezwaar van eiser heeft
verweerder deze boete gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 1], toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 19 mei 2022 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van bevindingen opgemaakt. In dat rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende:
“Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 21 oktober 2021 omstreeks 07:20 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam 2],
functie: Kwaliteitsdienst medewerker.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de uitsnijderij in de hal bij de varkens
schouders. Ik zag daar dat er waterdruppels hingen aan het plafond (zie
fotobijlage, foto 1 en 2). Ik zag dat er onder deze waterdruppels vlees, door mij
herkent als schouders, hing aan een band en onder dit vlees zag ik een lopende
band waar ook vlees op lag. Ik zag dat medewerkers bezig waren het vlees op de
onderste lopende band nog verder uit te snijden. Ik zag dat als de waterdruppels
naar beneden vielen, dat deze op het vlees bestemd voor humane consumptie
terechtkwamen. Ik zag de druppels vallen op de schouders en op het vlees op de
band. Ik zag op de schouders die boven de band hingen een stempel welke het
vlees goedkeurt voor humane consumptie.
Waterdruppels vanaf het plafond kan vlees verontreinigen. Deze druppels kunnen
potentieel Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten.
Toen ik deze druppels aan het plafond zag heb ik de halchef van de hal waar ik in
stond op de hoogte gesteld van mijn bevindingen. Deze halchef zei dat hij in de
pauze, wanneer de medewerkers niet meer aan het werk waren aan de band, het
plafond zou laten moppen.
Vervolgens heb ik [naam 2], hoofd kwaliteitsdienst, aangesproken en een
rapport van bevindingen aangezegd. De kwaliteitsdienst is voor ons het
aanspreekpunt vanuit het bedrijf bij geconstateerde afwijkende waarnemingen.
Ik zag dat er waterdruppels op vlees vielen. Hierdoor zag ik dat levensmiddelen
niet in alle stadia van de productie werden beschermd tegen elke vorm van
verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor
menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op
zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in
die staat kunnen worden geconsumeerd.”
Bij het rapport van bevindingen zijn twee foto’s als bijlagen opgenomen.
2.2.
Op grond van het rapport van bevindingen van 19 mei 2022 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijs niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.
Volgens verweerder gaat het hier om een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in samenhang gelezen met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van de
Verordening (EG) 852/2004 (Verordening 852/2004).
Verweerder heeft aan eiseres voor deze overtreding een boete van € 5.000,- opgelegd. Verweerder heeft het boetebedrag op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving met
€ 2.500,- verhoogd, omdat eiseres eerder, op 6 juli 2018, is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het relevante juridisch kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
4. Eiseres voert aan dat spoelwater niet gelijk kan worden gesteld met condens. Condensdruppels kunnen als gevolg van het neerslaan van waterdamp op mogelijk vervuilde oppervlaktes eventueel aanwezige bacteriën opnemen en het vlees besmetten en verontreinigen indien het daarop terecht komt. Volgens eiseres is dit bij schoon spoelwater niet aan de orde. Het oppervlak is gereinigd en gedesinfecteerd en reinigingsmiddel is verwijderd. Van een overdracht van bacteriën is daarom volgens eiseres geen sprake.
Verder voert eiseres aan dat enkele druppels spoelwater er niet voor zorgen dat het vlees ongeschikt kan raken voor menselijke consumptie. Volgens eiseres hebben met zeep gewassen handen, die worden nagespoeld met schoon kraanwater, dezelfde behandeling ondergaan en komen deze handen ook in aanraking met vlees. Slachthaken en andere technische middelen worden na desinfectie ook schoongespoeld met spoelwater.
4.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2022:168, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.
4.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder eiseres niet heeft verweten dat zij voorschriften heeft overtreden die betrekking hebben op het voorkomen en tegengaan van condens.
Aan eiseres wordt verweten dat zij zich niet heeft gehouden aan het voorschrift van bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004, waarin staat dat in alle stadia van de productie, verwerking en distributie levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
4.3.
Uit het rapport van bevindingen van 19 mei 2022 blijkt in voldoende mate dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat er waterdruppels aan het plafond hingen boven een band met varkensschouders en een lopende band met vlees. Er vielen waterdruppels naar beneden op vlees dat bestemd was voor menselijke consumptie. De rechtbank is het met verweerder eens dat uit de bevindingen in het rapport kan worden afgeleid dat eiseres het hiervoor genoemde voorschrift heeft overtreden. Dat het hier, zoals eiseres stelt, om schoon spoelwater gaat, maakt het voorgaande niet anders. Zoals verweerder heeft toegelicht, kunnen druppels spoelwater die afkomstig zijn van het plafond mogelijk Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten. Zodra water langs oppervlakten dan wel de buitenzijde van leidingen komt, kan het worden besmet met micro-organismen, zoals bacteriën. Deze bacteriën kunnen ook op een plafond zitten dat recent is gereinigd of zelfs is gedesinfecteerd. Ook kunnen in druppels spoelwater die van een schoongemaakt plafond naar beneden vallen resten van een schoonmaakmiddel zitten. Anders dan eiseres stelt, kan (schoon) spoelwater dat afkomstig is van het plafond dus levensmiddelen verontreinigen.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de levensmiddelen niet heeft beschermd tegen elke vorm van verontreiniging door niet te voorkomen dat de druppels vanaf het plafond naar beneden druppelden.
Verweerder heeft onduidelijk kunnen achten hoe het kan dat er tijdens de controle van de toezichthouder om 7:20 uur nog steeds druppels op het plafond zichtbaar waren, terwijl de werkzaamheden in de uitsnijderij om 6:00 uur waren begonnen en sindsdien het plafond niet was schoongespoten. Nadat dit door de toezichthouder was geconstateerd, heeft de halchef gezegd dat hij later het plafond zou laten moppen, maar dit had juist in een eerder stadium moeten gebeuren.
4.4.
De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat enkele druppels spoelwater er niet voor kunnen zorgen dat het vlees ongeschikt wordt voor menselijke consumptie. Zoals hiervoor al is overwogen, kunnen in spoelwater dat afkomstig is van het plafond bacteriën zitten waardoor vlees verontreinigd kan raken. Dat slachthaken en ander materiaal ook worden schoongespoeld met spoelwater maakt dit niet anders, nu slachthaken regelmatig worden gereinigd vanwege het frequente gebruik hiervan gedurende de dag. Ook de vergelijking met het wassen van de handen gaat niet op. Handen worden daarna gedroogd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het plafond regelmatig moet worden droog gemaakt met een mop zodra daar druppels aan hangen. Niet is gebleken dat dit in het bedrijf van eiseres is gebeurd.
4.5.
De beroepsgronden slagen dus niet. Verweerder was dus bevoegd om een boete aan eiseres op te leggen.
5. Verder voert eiseres dat de boete had moeten worden gematigd op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, nu er sprake is van geen of een gering risico voor de volksgezondheid.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, kan spoelwater dat afkomstig is van het plafond ziekteverwekkers bevatten waardoor het vlees besmet kon raken. Eiseres heeft er niet voor gezorgd dat de levensmiddelen tijdens alle stadia van de productie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging. Verweerder heeft terecht van belang geacht dat de druppels ook daadwerkelijk vanaf het plafond op het vlees zijn gevallen. Onder deze omstandigheden is er dan ook geen sprake van een gering risico voor de volksgezondheid.
Verweerder heeft de recidivebepaling van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren terecht toegepast, nu eiseres op 6 juli 2018 eerder is beboet voor eenzelfde overtreding en er sinds het onherroepelijk worden hiervan nog geen vijf jaar zijn verstreken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
De overtreding
Op grond van artikel 4, tweede lid, van Verordening 852/2004 houden exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening 853/2004.
Op grond van bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004 moeten in alle stadia van de productie, verwerking en distributie levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Op grond van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten zijn voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van Verordening 852/2004.
Op grond van artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet dieren - voor zover thans van belang - wordt in deze paragraaf verstaan onder overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 6.2. van de Wet dieren.
Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren kan verweerder een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
De hoogte van de boete
Op grond van artikel 8.8, eerste lid, van de Wet dieren worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is de hoogte van de bestuurlijke boete die verweerder aan een overtreder voor een overtreding overeenkomstig boetecategorie 3 kan opleggen € 2.500,-.
Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd, indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken.
Op grond van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3, 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2024 in de zaak tussen
Compaxo Vlees Zevenaar B.V., uit Zevenaar, eiseres
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. R.R. Berkhout).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 10 juni 2022 heeft verweerder eiseres een boete van € 5.000,- opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 oktober 2022 op het bezwaar van eiser heeft
verweerder deze boete gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 1], toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 19 mei 2022 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van bevindingen opgemaakt. In dat rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende:
“Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 21 oktober 2021 omstreeks 07:20 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam 2],
functie: Kwaliteitsdienst medewerker.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de uitsnijderij in de hal bij de varkens
schouders. Ik zag daar dat er waterdruppels hingen aan het plafond (zie
fotobijlage, foto 1 en 2). Ik zag dat er onder deze waterdruppels vlees, door mij
herkent als schouders, hing aan een band en onder dit vlees zag ik een lopende
band waar ook vlees op lag. Ik zag dat medewerkers bezig waren het vlees op de
onderste lopende band nog verder uit te snijden. Ik zag dat als de waterdruppels
naar beneden vielen, dat deze op het vlees bestemd voor humane consumptie
terechtkwamen. Ik zag de druppels vallen op de schouders en op het vlees op de
band. Ik zag op de schouders die boven de band hingen een stempel welke het
vlees goedkeurt voor humane consumptie.
Waterdruppels vanaf het plafond kan vlees verontreinigen. Deze druppels kunnen
potentieel Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten.
Toen ik deze druppels aan het plafond zag heb ik de halchef van de hal waar ik in
stond op de hoogte gesteld van mijn bevindingen. Deze halchef zei dat hij in de
pauze, wanneer de medewerkers niet meer aan het werk waren aan de band, het
plafond zou laten moppen.
Vervolgens heb ik [naam 2], hoofd kwaliteitsdienst, aangesproken en een
rapport van bevindingen aangezegd. De kwaliteitsdienst is voor ons het
aanspreekpunt vanuit het bedrijf bij geconstateerde afwijkende waarnemingen.
Ik zag dat er waterdruppels op vlees vielen. Hierdoor zag ik dat levensmiddelen
niet in alle stadia van de productie werden beschermd tegen elke vorm van
verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor
menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op
zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in
die staat kunnen worden geconsumeerd.”
Bij het rapport van bevindingen zijn twee foto’s als bijlagen opgenomen.
2.2.
Op grond van het rapport van bevindingen van 19 mei 2022 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijs niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.
Volgens verweerder gaat het hier om een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in samenhang gelezen met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van de
Verordening (EG) 852/2004 (Verordening 852/2004).
Verweerder heeft aan eiseres voor deze overtreding een boete van € 5.000,- opgelegd. Verweerder heeft het boetebedrag op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving met
€ 2.500,- verhoogd, omdat eiseres eerder, op 6 juli 2018, is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het relevante juridisch kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
4. Eiseres voert aan dat spoelwater niet gelijk kan worden gesteld met condens. Condensdruppels kunnen als gevolg van het neerslaan van waterdamp op mogelijk vervuilde oppervlaktes eventueel aanwezige bacteriën opnemen en het vlees besmetten en verontreinigen indien het daarop terecht komt. Volgens eiseres is dit bij schoon spoelwater niet aan de orde. Het oppervlak is gereinigd en gedesinfecteerd en reinigingsmiddel is verwijderd. Van een overdracht van bacteriën is daarom volgens eiseres geen sprake.
Verder voert eiseres aan dat enkele druppels spoelwater er niet voor zorgen dat het vlees ongeschikt kan raken voor menselijke consumptie. Volgens eiseres hebben met zeep gewassen handen, die worden nagespoeld met schoon kraanwater, dezelfde behandeling ondergaan en komen deze handen ook in aanraking met vlees. Slachthaken en andere technische middelen worden na desinfectie ook schoongespoeld met spoelwater.
4.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2022:168, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.
4.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder eiseres niet heeft verweten dat zij voorschriften heeft overtreden die betrekking hebben op het voorkomen en tegengaan van condens.
Aan eiseres wordt verweten dat zij zich niet heeft gehouden aan het voorschrift van bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004, waarin staat dat in alle stadia van de productie, verwerking en distributie levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
4.3.
Uit het rapport van bevindingen van 19 mei 2022 blijkt in voldoende mate dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat er waterdruppels aan het plafond hingen boven een band met varkensschouders en een lopende band met vlees. Er vielen waterdruppels naar beneden op vlees dat bestemd was voor menselijke consumptie. De rechtbank is het met verweerder eens dat uit de bevindingen in het rapport kan worden afgeleid dat eiseres het hiervoor genoemde voorschrift heeft overtreden. Dat het hier, zoals eiseres stelt, om schoon spoelwater gaat, maakt het voorgaande niet anders. Zoals verweerder heeft toegelicht, kunnen druppels spoelwater die afkomstig zijn van het plafond mogelijk Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten. Zodra water langs oppervlakten dan wel de buitenzijde van leidingen komt, kan het worden besmet met micro-organismen, zoals bacteriën. Deze bacteriën kunnen ook op een plafond zitten dat recent is gereinigd of zelfs is gedesinfecteerd. Ook kunnen in druppels spoelwater die van een schoongemaakt plafond naar beneden vallen resten van een schoonmaakmiddel zitten. Anders dan eiseres stelt, kan (schoon) spoelwater dat afkomstig is van het plafond dus levensmiddelen verontreinigen.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de levensmiddelen niet heeft beschermd tegen elke vorm van verontreiniging door niet te voorkomen dat de druppels vanaf het plafond naar beneden druppelden.
Verweerder heeft onduidelijk kunnen achten hoe het kan dat er tijdens de controle van de toezichthouder om 7:20 uur nog steeds druppels op het plafond zichtbaar waren, terwijl de werkzaamheden in de uitsnijderij om 6:00 uur waren begonnen en sindsdien het plafond niet was schoongespoten. Nadat dit door de toezichthouder was geconstateerd, heeft de halchef gezegd dat hij later het plafond zou laten moppen, maar dit had juist in een eerder stadium moeten gebeuren.
4.4.
De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat enkele druppels spoelwater er niet voor kunnen zorgen dat het vlees ongeschikt wordt voor menselijke consumptie. Zoals hiervoor al is overwogen, kunnen in spoelwater dat afkomstig is van het plafond bacteriën zitten waardoor vlees verontreinigd kan raken. Dat slachthaken en ander materiaal ook worden schoongespoeld met spoelwater maakt dit niet anders, nu slachthaken regelmatig worden gereinigd vanwege het frequente gebruik hiervan gedurende de dag. Ook de vergelijking met het wassen van de handen gaat niet op. Handen worden daarna gedroogd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het plafond regelmatig moet worden droog gemaakt met een mop zodra daar druppels aan hangen. Niet is gebleken dat dit in het bedrijf van eiseres is gebeurd.
4.5.
De beroepsgronden slagen dus niet. Verweerder was dus bevoegd om een boete aan eiseres op te leggen.
5. Verder voert eiseres dat de boete had moeten worden gematigd op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, nu er sprake is van geen of een gering risico voor de volksgezondheid.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, kan spoelwater dat afkomstig is van het plafond ziekteverwekkers bevatten waardoor het vlees besmet kon raken. Eiseres heeft er niet voor gezorgd dat de levensmiddelen tijdens alle stadia van de productie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging. Verweerder heeft terecht van belang geacht dat de druppels ook daadwerkelijk vanaf het plafond op het vlees zijn gevallen. Onder deze omstandigheden is er dan ook geen sprake van een gering risico voor de volksgezondheid.
Verweerder heeft de recidivebepaling van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren terecht toegepast, nu eiseres op 6 juli 2018 eerder is beboet voor eenzelfde overtreding en er sinds het onherroepelijk worden hiervan nog geen vijf jaar zijn verstreken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
De overtreding
Op grond van artikel 4, tweede lid, van Verordening 852/2004 houden exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening 853/2004.
Op grond van bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004 moeten in alle stadia van de productie, verwerking en distributie levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Op grond van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten zijn voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van Verordening 852/2004.
Op grond van artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet dieren - voor zover thans van belang - wordt in deze paragraaf verstaan onder overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 6.2. van de Wet dieren.
Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren kan verweerder een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
De hoogte van de boete
Op grond van artikel 8.8, eerste lid, van de Wet dieren worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is de hoogte van de bestuurlijke boete die verweerder aan een overtreder voor een overtreding overeenkomstig boetecategorie 3 kan opleggen € 2.500,-.
Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd, indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken.
Op grond van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3, 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.