Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2023:6133

2023-07-14 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 21/4150
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2023-07-14
Publicatiedatum
2023-07-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 21/4150
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan slachthuis voor overtreding van artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009 vanwege het onjuist handelen bij het bedwelmen van een varken. De overtreding is terecht vastgesteld. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (18.354 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 21/4150


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),


en


De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigde: mr. M. Kool).



Procesverloop


Bij besluit van 29 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 2.500,- voor een overtreding van de Wet dieren.



Bij besluit van 23 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2023. Namens verweerder is verschenen mr. M. Kool, bijgestaan door [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).





Overwegingen

1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 15 april 2020 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende:



“Bevinding(en):


Datum en tijdstip van de bevinding: 9 april 2020 omstreeks 15:11 uur.





Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: de



[naam], functie: Medewerker Kwaliteitsdienst.





Ik was deze dag belast met het toezicht in het verlengde van keuren. Tijdens mijn


bevindingen bevond ik mij in de deuropening tussen de schone slachthal en de


vuile slachthal, waarbij ik met mijn rug richting de schone slachthal stond. Ik was


in de deuropening gaan staan omdat ik een aantal varkens wilde controleren op


correcte bedwelming en verbloeding. Ik keek uit op het einde van de lattenband,


waar een bedrijfsmedewerker de bedwelmde en gestoken varkens aanket (een


ketting op de achterpoot plaatsen, voorafgaand aan het ophangen).





Op dat moment hoorde ik rechts van mij een varken gillen. Ik verplaatste mijn


blik richting de automatisch elektrische verdover en het begin van de lattenband.


Ik zag daar dat de steker een varken probeerde te bedwelmen met de daar


aanwezige handmatige verdooftang die dient als backup -apparatuur. Het


betreffende varken lag in buikligging, achterpoten onder zich, en met zijn


achterhand richting de steker. Bij correcte bedwelming liggen de varkens in


zijligging, met de kop richting de steker. Dit varken was duidelijk niet correct


bedwelmd: het varken gilde, trilde en bewoog actief zijn kop en ledematen. Ik zag


dat de steker de handmatige verdooftang reeds in zijn hand had en dat hij de


tang bij het varken halverwege de rug plaatste, op beide flanken. Het varken


kreeg een elektrische schok en ging hierdoor iets anders liggen. Het gilde nog


steeds. Vervolgens zag ik dat de steker opnieuw de tang gebruikte, dit keer zat de


ene electrode op de borstingang en de andere op de zijkant van de borstkas. Het


varken stopte met gillen en werd tonisch. Vervolgens werd het stijve varken


gedraaid, waarna de steker een correcte kopbedwelming uitvoerde, en het varken


stak ter uitbloeding.





Deze handelingen gebeurden zo snel dat ik tussendoor, vanuit mijn positie, niet


voldoende kon ingrijpen. Ik noteerde het tijdstip van mijn bevindingen en


controleerde hierna nog enkele varkens op correcte bedwelming en uitbloeding.


Hierbij zag ik geen afwijkingen.





Vervolgens ben ik direct naar de kwaliteitsdienst gelopen om, samen met de


medewerker van de kwaliteitsdienst, de camerabeelden terug te bekijken. Op de


camerabeelden zagen we dat het betreffende varken heel snel en achterstevoren


de korf van de automatische verdover was ingelopen. De medewerker bij de korf


heeft vervolgens de steker verwittigd, waardoor deze klaar stond met de


handmatige verdooftang. Echter, omdat het varken achterstevoren uit de


automatische verdover kwam, kon hij niet goed met de verdooftang bij de kop


komen. Hierna handelde hij zoals hierboven beschreven. Ik heb gevraagd om de


beelden van het voorval op te slaan ter bewaring. De medewerker van de


kwaliteitsdienst heeft vervolgens de steker en de medewerker die bij de korf stond


bij zich geroepen om samen de beelden te bekijken, te melden dat dit niet mag,


en de correcte acties in dergelijk geval te bespreken. Het bedrijf heeft ook een


extra handmatige verdooftang besteld, voor aan de overzijde van de lattenband.


Zowel de steker als de medewerker bij de korf beschikten over een geldig


getuigschrift van vakbekwaamheid, zie bijlage getuigschrift [naam] (de


steker).





Ik stelde vast dat een medewerker van het slachthuis die zich bezig hield met het


doden van dieren of daarmee verband houdende activiteiten er niet voor zorgde


dat bij de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd


voorkomen en zodoende niet beschikte over het passende vakbekwaamheidsniveau.


Ik zag namelijk dat hij door verkeerd gebruik van de handmatige


verdooftang een varken twee maal elektrische schokken toediende alvorens een


correcte kopbedwelming uit te voeren. Hiermee is er ernstig vermijdbaar lijden


berokkend aan dit varken. Het voorkomen van elektrische schokken vóór de


bedwelming is een cruciale parameter bij elektrisch verdoven. Juist van eenieder


met een getuigschrift van vakbekwaamheid mag verwacht worden dat hij/zij weet


dat dergelijke elektrische schokken, wanneer deze niet doorheen de hersenen


gaan, niet zorgen voor een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid en juist


zeer ernstig lijden veroorzaken. Zodoende concludeer ik dat deze medewerker niet


beschikte over een passend vakbekwaamheidsniveau.





Ik stelde vast dat de toegepaste bedwelmingsmethode niet pijnloos leidde tot


bewusteloosheid en gevoelloosheid. Ik hoorde namelijk een varken luid gillen nadat


bij dit onverdoofde varken de verdooftang op beide flanken gebruikt werd. Bij de


tweede poging stopte het gillen, maar ook toen werden de hersenen niet


blootgesteld aan een stroomsterkte. Hierdoor kon geen gegeneraliseerd epileptisch


beeld gegenereerd worden, hetgeen nodig is voor een staat van bewusteloosheid en


gevoelloosheid.”



2. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder in het boetebesluit vastgesteld dat eiseres de volgende twee beboetbare feiten heeft gepleegd.


2.1.


Beboetbaar feit 1:
Een varken werd niet gedood nadat het was bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in Bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd niet aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. De elektrische nabedwelming werd niet uitsluitend gebruikt op de kop, maar tweemaal verkeerd halverwege de rug en op de borstkas. Hierdoor werden elektrische schokken niet voorkomen en werd er niet voor gezorgd dat het dier elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8, van de Regeling houders van dieren en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de Verordening 1099/2009.




2.2.


Beboetbaar feit 2:
Het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten werden niet uitgevoerd door personeel dat over het passende vakbekwaamheidsniveau beschikt om dit te kunnen doen zonder enige vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bij de dieren te veroorzaken.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8, van de Regeling houders van dieren en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de Verordening 1099/2009.




2.3.
Vanwege de samenhang tussen beide overtredingen heeft verweerder alleen voor het eerste beboetbare feit een boete aan eiseres opgelegd.


3. Eiseres voert aan dat de situatie rond het verdoven van het betreffende varken een calamiteit betrof. Eiseres slacht wekelijks ongeveer 35.000 varkens en dit is de eerste keer dat een dergelijke stuitligging is voorgekomen. Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden waarmee verweerder rekening had moeten houden. Eiseres bestrijdt ten zeerste dat de steker tijdens het incident niets zou hebben laten zien van zijn vakbekwaamheid. De betreffende steker heeft niet verkeerd gehandeld waardoor een andere medewerker zou hebben moeten ingrijpen. Eiseres heeft maatregelen genomen om in deze uitzonderlijke situatie nog adequater te kunnen handelen. Er is een noodstop geplaatst en een extra handverdover aangeschaft om passende maatregelen te kunnen nemen voor het geval een dergelijk zeldzaam incident zich opnieuw voor zou doen.
Dat de steker voor een verdoving in de hartstreek heeft gekozen, is volgens eiseres niet verwijtbaar. De kop van het betreffende varken was volkomen onbereikbaar, wat ook blijkt uit de beelden. In deze situatie was het van belang de kop van het dier zo snel mogelijk bereikbaar te maken voor de verdover. In dit specifieke geval is gekozen voor verdoving van de hartstreek om op die manier zo snel mogelijk te kop te kunnen verdoven, aldus eiseres.




3.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2022:168, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.



3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport van bevindingen in voldoende mate wat eiseres wordt verweten. Het gaat in deze zaak om een incident in het slachthuis van eiseres waarbij het betreffende varken heel snel en achterstevoren de korf van de automatische verdover was ingelopen. Vervolgens heeft de verdover/steker het dier eerst op de verkeerde plekken verdoofd, namelijk eerst op beide flanken bij de rug en vervolgens op de borstingang en op de zijkant van de borstkas. Het varken kreeg hierdoor een elektrische shock en bleef gillen. Pas daarna is een juiste kopbedwelming uitgevoerd. Volgens verweerder leveren elektrische schokken, die niet door de hersenen gaan, geen staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid op, maar veroorzaken deze juist zeer ernstig lijden bij het dier. Uit het twee keer toedienen van een zeer pijnlijke elektrische shock aan het varken blijkt dat de betreffende medewerker (steker) niet over de vereiste vakbekwaamheid beschikte, aldus verweerder.



3.3.

Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, gaat ook verweerder ervan uit dat het feit dat het varken achterstevoren uit de automatische verdover kwam, een incident of calamiteit is. Maar dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de betreffende medewerker op juiste wijze heeft gehandeld. Dat de betreffende medewerker over een vakbekwaamheidsbewijs beschikt, waarin staat dat deze medewerker geschoold is in het verdoven in de hartstreek, maakt het voorgaande niet anders, omdat uit het boeterapport voldoende is gebleken dat hij in deze specifieke situatie niet adequaat heeft gehandeld. Het dier heeft volgens verweerder erg geleden, omdat tot twee keer toe op een onjuiste plaats een elektrische shock is toegediend. Beiden schokken hebben niet geleid tot een gegeneraliseerd epileptisch beeld waardoor er geen staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid is bereikt. Pas toen bij de derde poging een kopbedwelming werd uitgevoerd, is het varken op juiste wijze bedwelmd geraakt. Hierdoor is juist veel pijn bij het dier ontstaan, wat eiseres volledig kan worden verweten.
Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat de medewerker de noodstop had moeten gebruiken en naar de andere zijde had moeten lopen en daar het varken goed bij de kop had moeten verdoven. De rechtbank volgt verweerder in deze toelichting van zijn standpunt. Dat door eiseres een noodstop is geplaatst en een extra handverdover is aangeschaft, maakt de ernst van de overtreding niet minder.



Dit betekent dat sprake is van een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8, van de Regeling houders van dieren en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de Verordening 1099/2009.




3.4.

Ten aanzien van de hoogte van de opgelegde boete overweegt de rechtbank dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Zoals het CBb heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 3 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:355) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het kader waarin de op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of - in deze zaak - de ingevolge de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. De rechtbank acht de bij wettelijk voorschrift vastgestelde boete van € 2.500,- voor dit soort overtredingen in het algemeen evenredig.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete had moeten worden gematigd.


4. Het beroep is dus ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.














Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2023.














griffier


rechter
















Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.