Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2023:5447
2023-05-12
Civiel recht; Verbintenissenrecht
10129883
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis; bewijsopdracht voor expertisebureau dat partijen hebben afgesproken dat zij uitstel van betaling zou verlenen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.272 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10129883 \ CV EXPL 22-30319
datum uitspraak: 12 mei 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Brandenborch B.V.
,
vestigingsplaats: Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde: mr. I.G.E. Muller,
tegen
Kade 100 B.V.
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. drs. M.H.G. Plieger.
De partijen worden hierna ‘Brandenborch’ en ‘Kade 100’ genoemd.
1.
De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 september 2022, met producties 1 t/m 13;
de conclusie van antwoord;
de nagekomen producties 14 t/m 16 van Brandenborch;
de spreekaantekeningen van Brandenborch;
de spreekaantekeningen van Kade 100.
1.2.
Op 31 maart 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam01] namens Brandenborch en [naam02][naam02] namens Kade 100, bijgestaan door voornoemde gemachtigden. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2.
De feiten
2.1.
Kade 100 exploiteerde tot 28 februari 2013 een horecagelegenheid. Zij heeft een zaak- en bedrijfsschadeverzekering afgesloten op grond waarvan onder meer brandschade verzekerd is conform de polisvoorwaarden NBZB 2006. In die voorwaarden (hierna: de polisvoorwaarden) is het volgende bepaald:
“
8.4 Honoraria en kosten
Honoraria en kosten van experts en deskundigen zijn ten volle voor rekening van verzekeraars. Overtreft echter het totaal aan declaraties van de door verzekerde benoemde expert(s) en de door deze geraadpleegde deskundige(n) het overeenkomstige totaal van de kant van verzekeraars, dan is het meerdere voor rekening van verzekerde.”
2.2.
Op 28 februari 2013 heeft een brand gewoed in de horecagelegenheid van Kade 100.
2.3.
Brandenborch heeft, onder haar handelsnaam [handelsnaam01] en als expert van verzekerde (Kade 100), samen met [naam03] als expert van verzekeraars en met Kade 100, een ‘akte benoeming van experts’ ondertekend op basis waarvan Brandenborch expertisewerkzaamheden heeft verricht teneinde de brandschade in kaart te brengen.
2.4.
Op 27 september 2013 heeft Brandenborch aan Kade 100 voor de door haar uitgevoerde expertisewerkzaamheden een zogenaamde interimfactuur gestuurd ten bedrage van € 40.308,73 inclusief btw (hierna: ‘factuur 1’). Kade 100 heeft het op factuur 1 vermelde btw-bedrag van € 6.995,73 aan Brandenborch betaald.
2.5.
Op 18 maart 2014 heeft Brandenborch een betaling van € 26.517,76 ontvangen.
2.6.
Op 20 juli 2021 heeft het gerechtshof Den Haag een arrest gewezen in een zaak tussen Kade 100 en de verzekeraars van voornoemde zaak- en bedrijfsschadeverzekering. In dat arrest is onder meer het volgende opgenomen:
“
Waar deze zaak over gaat
Er is brand geweest in het pand waar Kade 100 was gevestigd. Deze brand is ontstaan door brandstichting. Kade 100 heeft op grond van de met verzekeraars gesloten verzekeringsovereenkomst aanspraak gemaakt op vergoeding van de brandschade, verzekeraars hebben (na uitkering van een voorschot) geweigerd de schade te vergoeden omdat, volgens hen, de directeur-grootaandeelhouder van Kade 100 de opdracht tot de brandstichting heeft gegeven en/of onjuiste verklaringen heeft afgelegd tegen de door verzekeraars ingeschakelde onderzoekers. In deze zaak is aan de orde of die weigering terecht is.
[…]
Het hof zal de schade toewijzen overeenkomst de door partijen genoemde posten uit de akten van taxatie […]”
2.7.
Op 22 juli 2021 heeft [naam02] namens Kade 100 aan Brandenborch de volgende e-mail gestuurd:
“Beste [naam01] ,
Na een lange tijd van procederen kan ik je eindelijk mededelen dat in Hoger beroep de rechters hebben besloten dat de verzekeraar de schade moet vergoeden obv ‘niet voortzetten van de onderneming’ (Uitspraak heeft op 20-7-2021 plaatsgevonden).
Nogmaals bedankt voor jullie steun en advies.
Vriendelijke groeten
[naam02] ”
2.8.
Op 30 september 2021 heeft Brandenborch aan Kade 100 een factuur gestuurd ten bedrage van € 2.422,42 inclusief btw (hierna: ‘factuur 2’) alsmede de volgende e-mail:
“Geachte [naam02] ,
Inzake de brand d.d. 28 februari 2013 willen wij u het volgende mededelen;
Zoals door [naam01] eerder al bij u aangegeven, staat er bij ons nog een en ander open. Uiteraard hebben wij u hier niet mee belast voordat er een definitieve uitspraak van het Hof was.
De openstaande posten bestaan uit twee delen:
1.
Het niet vergoede deel van onze interim-factuur van 27 september 2013 (zie bijlage)
ad € 6.795,24
excl. BTW
Uw verzekeraar betaalde ons conform de polisvoorwaarden niet meer dan wat zij aan hun eigen expert(s) hadden betaald. Dit was een bedrag van € 26.517,76 excl. BTW. De BTW is door u betaald, waarmee er dus nog € 6.795,24 open staat.
2.
De nog niet gefactureerde uren van onze werkzaamheden vanaf bovengenoemde datum tot eind 2017, zijnde 15,4 uur ad € 130,-- excl. BTW.
Deze uren worden eveneens niet vergoed door uw verzekeraar, daarom treft u hiervoor onze factuur aan.
Wij verzoeken u om zowel het openstaande deel van de factuur uit 2013 als de factuur voor de nog niet gefactureerde uren aan ons te betalen.”
2.9.
Brandenborch heeft Kade 100 diverse malen schriftelijk aangemaand tot betaling.
3.
Het geschil
3.1.
Brandenborch eist samengevat:
Kade 100 te veroordelen aan haar te betalen € 9.217,66 aan hoofdsom en € 835,88 aan incassokosten, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW en subsidiair de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over voornoemde hoofdsom, te rekenen vanaf 20 juli 2022 tot de dag van algehele voldoening;
Kade 100 te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Brandenborch baseert de eis – kort gezegd – op het volgende. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW gesloten. De overeenkomst is in de uitoefening van het beroep of bedrijf aangegaan, waardoor Kade 100 ingevolge van het bepaalde in artikel 7:405 lid 1 BW als opdrachtgever loon verschuldigd is aan Brandenborch. Op basis van de (mondeling) tussen partijen gemaakte afspraken zou de (restant)vordering van Brandenborch eerst opeisbaar worden na het arrest in de zaak tegen de verzekeraars op 20 juli 2021.
3.3.
Kade 100 is het niet eens met de eis en voert – kort gezegd – het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden bij de verzekeraars zou declareren, niet dat Brandenborch daarnaast nog kosten bij Kade 100 in rekening zou brengen. Kade 100 had dat in redelijkheid ook niet hoeven te verwachten; Brandenborch had Kade 100 daar anders (schriftelijk) over moeten informeren. Daarnaast betwist Kade 100 dat partijen hebben afgesproken dat Brandenborch uitstel van betaling zou verlenen tot na de uitspraak van het hof. Volgens Kade 100 is de vordering voor zover die is gebaseerd op (de werkzaamheden die ten grondslag liggen aan) factuur 1 dan ook verjaard, en ook voor zover die is gebaseerd op de werkzaamheden uit 2013 en 2014 die op 30 september 2021 op factuur 2 zijn gefactureerd. Verder betwist Kade 100 dat partijen zijn overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden op uurbasis zou verrichten en dat zij een uurtarief zijn overeengekomen. Ook betwist Kade 100 bij gebrek aan wetenschap dat de verzekeraars het volgens Brandenborch inzake factuur 1 openstaande bedrag van € 6.795,24 niet hebben betaald. Ten slotte voert Kade 100 aan dat zij geen betaling verschuldigd is van een factuur zonder specificatie, en voldoet de specificatie die Brandenborch achteraf heeft opgesteld volgens haar niet aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen.
4.
De beoordeling
Nagekomen producties
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Kade 100 aangevoerd dat Brandenborch haar nagekomen producties 14 t/m 16 voor de mondelinge behandeling heeft ingediend, ofschoon zij deze reeds jarenlang in bezit heeft. Zij geeft aan erop te vertrouwen dat de kantonrechter toepassing geeft aan de uitspraak van de Hoge Raad van 29 november 2002. De kantonrechter begrijpt hieruit dat Kade 100 van mening is dat de producties 14 t/m 16 buiten beschouwing dienen te worden gelaten.
4.2.
In voornoemde uitspraak van de Hoge Raad is onder meer overwogen dat een rechter ambtshalve erop dient te letten dat in een civiele procedure slechts mag worden beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. De producties 14 t/m 16 zijn op 20 maart 2023 zowel aan Kade 100 als aan de rechtbank verzonden hetgeen conform artikel 4.4 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling is geweest. De producties betreffen polisvoorwaarden waarover Kade 100 reeds beschikte en een tweetal tabellen op elk één pagina. Kade 100 heeft niet onderbouwd dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om de producties tot zich te kunnen nemen voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Het geven van een juiste toepassing aan de uitspraak van de Hoge Raad van 29 november 2002 leidt dan ook tot de conclusie dat niet het vermoeden wordt gewettigd dat aan Kade 100 de tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming van de producties 14 t/m 16 en voor een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen hebben ontbroken. De producties zullen dus niet buiten beschouwing worden gelaten in deze procedure.
Overeenkomst van opdracht; omvang hoofdsom
4.3.
Vast staat dat Kade 100 opdracht heeft gegeven aan Brandenborch tot het verrichten van expertisewerkzaamheden en dat Brandenborch werkzaamheden heeft verricht; partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. Ook staat vast dat Kade 100 een bedrag van € 6.995,73 heeft betaald aan Brandenborch inzake factuur 1. Brandenborch heeft aangevoerd dat de verzekeraars op 18 maart 2014 € 26.517,76 hebben betaald inzake factuur 1, en heeft ter onderbouwing een overzicht uit haar administratie overgelegd waarin te zien is dat een betaling van voornoemd bedrag is ontvangen. Kade 100 heeft – bij gebrek aan wetenschap – betwist dat verzekeraars niet het volledige, resterende, factuurbedrag hebben betaald.
4.4.
De kantonrechter overweegt in dit kader dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat een bedrag van € 6.795,24 van factuur 1 onbetaald is gebleven. Brandenborch heeft – onder verwijzing naar artikel 8.4 van de polisvoorwaarden en het overzicht uit haar administratie – haar stelling voldoende onderbouwd tegenover de blote betwisting van Kade 100. Opgeteld bij het openstaande (volledige) bedrag van factuur 2 (€ 2.422,42) bedraagt het totaal aan onbetaald gebleven factuurbedragen € 9.217,66. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag voor wiens rekening dit bedrag dient te komen.
Overeengekomen prijs/loon
4.5.
Zoals reeds overwogen, hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. Op de voet van artikel 7:405 lid 1 BW is Kade 100 als opdrachtgever in beginsel loon verschuldigd aan Brandenborch, die de overeenkomst in de uitoefening van haar bedrijf is aangegaan.
4.6.
Kade 100 heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden op uurbasis zou verrichten en dat zij een uurloon zijn overeengekomen. Volgens Kade 100 is sprake van een ‘fixed fee’: hetgeen verzekeraars aan Brandenborch hebben betaald vormt een redelijk loon. Brandenborch heeft echter betwist dat de fixed fee een redelijk loon zou zijn en voert daartoe aan dat zij als contra-expert veel meer werkzaamheden heeft verricht dan de expert van de verzekeraar en dat zij al veel eerder betrokken was. Kade 100 heeft dit niet weersproken.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat partijen niet expliciet een uurloon zijn overeengekomen, maar ook niet expliciet voornoemde fixed fee. Nu de hoogte van het loon niet door partijen is bepaald, is Kade 100 op de voet van artikel 7:405 lid 2 BW een redelijk loon verschuldigd. Brandenborch heeft onderbouwd aangevoerd dat een uurloon van
€ 130,00 à € 135,00 een redelijk loon is dat gebruikelijk is in de branche. De redelijkheid van dat uurloon is inhoudelijk niet door Kade 100 betwist. De kantonrechter zal zodoende een uurloon van € 130,00 à € 135,00 hanteren als redelijk uurloon.
Betalingsverplichting Kade 100
4.8.
Volgens Kade 100 zijn partijen overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden slechts bij de verzekeraars zou declareren, niet dat zij daarnaast kosten bij Kade 100 in rekening zou brengen. Uit het bepaalde in artikel 8.4 van de polisvoorwaarden (geciteerd bij 2.1) volgt echter dat indien het totaal aan declaraties van de door verzekerde benoemde expert (in dit geval Brandenborch) het totaal van de kant van verzekeraars overtreft, het meerdere voor rekening van verzekerde (in dit geval Kade 100) komt. In beginsel heeft zodoende tussen partijen te gelden dat declaraties ‘voor het meerdere’ van Brandenborch bij Kade 100 in rekening konden worden gebracht. Brandenborch heeft onderbouwd aangevoerd dat zij meer werk heeft verricht (en dus ook heeft gedeclareerd) dan de expert van de verzekeraars; Kade 100 heeft dit niet betwist.
4.9.
Daarnaast heeft Kade 100 aangevoerd dat zij in redelijkheid niet hoefde te verwachten dat Brandenborch kosten bij haar in rekening zou brengen. De kantonrechter overweegt in dit kader dat Kade 100 bij het afsluiten van haar verzekering handelde in de uitoefening van een bedrijf en geen consument is. Daarnaast neemt de kantonrechter in overweging dat Kade 100 niet heeft geprotesteerd tegen factuur 1 en bovendien een deel heeft betaald. Hoewel deze betaling – anders dan Brandenborch heeft aangevoerd – geen erkenning van verschuldigdheid van het volledige factuurbedrag is aangezien het geen ondubbelzinnige en zonder voorbehoud gedane bevestiging is, vormt de betaling een omstandigheid die, in samenhang bezien met voornoemde omstandigheden, leidt tot het oordeel dat Kade 100 er niet redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat zij – in het geval de verzekeraar niet alle kosten zou dekken – niet zelf door Brandenborch aangesproken zou kunnen worden tot betaling van het restant. De bewoording van artikel 8.4 van de polisvoorwaarden is duidelijk, en van een verzekerde ondernemer mag worden verwacht dat zij zelf in staat is om na te gaan in hoeverre (expertise)kosten worden gedekt door haar verzekeraar. Dit verweer staat dus niet aan toewijzing van de vorderingen van Brandenborch in de weg.
Uitstel van betaling - verjaring
4.10.
Volgens Brandenborch had zij uit coulance aan Kade 100 uitstel van betaling verleend totdat er duidelijkheid kwam met betrekking tot eventuele uitkeringen van de verzekeraars. Ter onderbouwing verwijst Brandenborch naar het feit dat op factuur 1 staat vermeld dat het een zogenaamde interimfactuur is. Kade 100 betwist dat partijen afspraken hebben gemaakt over uitstel van betaling.
4.11.
Aangezien Brandenborch zich beroept op het rechtsgevolg (te weten dat haar vordering opeisbaar is geworden na het arrest in de zaak tegen de verzekeraars op 20 juli 2021) van haar stelling dat partijen hebben afgesproken dat Brandenborch uitstel van betaling zou verlenen aan Kade 100, draagt Brandenborch op grond van artikel 150 Rv de bewijslast van die stelling. Brandenborch heeft aangeboden dit bewijs te leveren. De kantonrechter zal haar daartoe de gelegenheid bieden.
4.11.1.
Indien Brandenborch slaagt in dat bewijs, dan zijn haar vorderingen niet verjaard.
4.11.2.
Indien Brandenborch níet slaagt in het bewijs, dan zou de vordering van Brandenborch voor zover die betrekking heeft op factuur 1 en een deel van factuur 2 zijn verjaard. Factuur 1 zou dan immers opeisbaar zijn geworden op 11 oktober 2013 (14 dagen na 27 september 2013) en voor factuur 2 heeft te gelden dat de vordering voor zover die ziet op werkzaamheden die tot en met 2014 zijn uitgevoerd, rekening houdend met de wettelijke betaaltermijn van 30 dagen, laatstelijk 23 juni 2014 opeisbaar is geworden. Het feit dat de werkzaamheden pas op 30 september 2021 daadwerkelijk zijn gefactureerd, leidt er niet toe dat de vordering pas op die datum opeisbaar is geworden. Gesteld noch gebleken is dat Brandenborch binnen vijf jaar na voornoemde data van opeisbaarheid stuitingshandelingen heeft verricht, waardoor op de voet van artikel 3:307 lid 1 BW de vordering van Brandenborch dus deels verjaard zou zijn als zij niet in haar bewijsopdracht slaagt.
Verder verloop
4.12.
In dit stadium van het geding wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
5.
De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
draagt Brandenborch op om te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat Brandenborch uitstel van betaling zou verlenen aan Kade 100 tot het moment dat er duidelijkheid kwam met betrekking tot uitkeringen van de verzekeraars;
schriftelijk bewijs
5.2.
bepaalt dat als Brandenborch schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van
31 mei 2023 om 14:30 uur
in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
5.3.
bepaalt dat als Brandenborch getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en
beide
partijen voor de maanden september, oktober, november en december 2023;
5.4.
wijst erop dat Brandenborch na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
5.5.
bepaalt dat als Brandenborch op een andere manier bewijs wil leveren, Brandenborch uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
48637
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10129883 \ CV EXPL 22-30319
datum uitspraak: 12 mei 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Brandenborch B.V.
,
vestigingsplaats: Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde: mr. I.G.E. Muller,
tegen
Kade 100 B.V.
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. drs. M.H.G. Plieger.
De partijen worden hierna ‘Brandenborch’ en ‘Kade 100’ genoemd.
1.
De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 september 2022, met producties 1 t/m 13;
de conclusie van antwoord;
de nagekomen producties 14 t/m 16 van Brandenborch;
de spreekaantekeningen van Brandenborch;
de spreekaantekeningen van Kade 100.
1.2.
Op 31 maart 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam01] namens Brandenborch en [naam02][naam02] namens Kade 100, bijgestaan door voornoemde gemachtigden. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2.
De feiten
2.1.
Kade 100 exploiteerde tot 28 februari 2013 een horecagelegenheid. Zij heeft een zaak- en bedrijfsschadeverzekering afgesloten op grond waarvan onder meer brandschade verzekerd is conform de polisvoorwaarden NBZB 2006. In die voorwaarden (hierna: de polisvoorwaarden) is het volgende bepaald:
“
8.4 Honoraria en kosten
Honoraria en kosten van experts en deskundigen zijn ten volle voor rekening van verzekeraars. Overtreft echter het totaal aan declaraties van de door verzekerde benoemde expert(s) en de door deze geraadpleegde deskundige(n) het overeenkomstige totaal van de kant van verzekeraars, dan is het meerdere voor rekening van verzekerde.”
2.2.
Op 28 februari 2013 heeft een brand gewoed in de horecagelegenheid van Kade 100.
2.3.
Brandenborch heeft, onder haar handelsnaam [handelsnaam01] en als expert van verzekerde (Kade 100), samen met [naam03] als expert van verzekeraars en met Kade 100, een ‘akte benoeming van experts’ ondertekend op basis waarvan Brandenborch expertisewerkzaamheden heeft verricht teneinde de brandschade in kaart te brengen.
2.4.
Op 27 september 2013 heeft Brandenborch aan Kade 100 voor de door haar uitgevoerde expertisewerkzaamheden een zogenaamde interimfactuur gestuurd ten bedrage van € 40.308,73 inclusief btw (hierna: ‘factuur 1’). Kade 100 heeft het op factuur 1 vermelde btw-bedrag van € 6.995,73 aan Brandenborch betaald.
2.5.
Op 18 maart 2014 heeft Brandenborch een betaling van € 26.517,76 ontvangen.
2.6.
Op 20 juli 2021 heeft het gerechtshof Den Haag een arrest gewezen in een zaak tussen Kade 100 en de verzekeraars van voornoemde zaak- en bedrijfsschadeverzekering. In dat arrest is onder meer het volgende opgenomen:
“
Waar deze zaak over gaat
Er is brand geweest in het pand waar Kade 100 was gevestigd. Deze brand is ontstaan door brandstichting. Kade 100 heeft op grond van de met verzekeraars gesloten verzekeringsovereenkomst aanspraak gemaakt op vergoeding van de brandschade, verzekeraars hebben (na uitkering van een voorschot) geweigerd de schade te vergoeden omdat, volgens hen, de directeur-grootaandeelhouder van Kade 100 de opdracht tot de brandstichting heeft gegeven en/of onjuiste verklaringen heeft afgelegd tegen de door verzekeraars ingeschakelde onderzoekers. In deze zaak is aan de orde of die weigering terecht is.
[…]
Het hof zal de schade toewijzen overeenkomst de door partijen genoemde posten uit de akten van taxatie […]”
2.7.
Op 22 juli 2021 heeft [naam02] namens Kade 100 aan Brandenborch de volgende e-mail gestuurd:
“Beste [naam01] ,
Na een lange tijd van procederen kan ik je eindelijk mededelen dat in Hoger beroep de rechters hebben besloten dat de verzekeraar de schade moet vergoeden obv ‘niet voortzetten van de onderneming’ (Uitspraak heeft op 20-7-2021 plaatsgevonden).
Nogmaals bedankt voor jullie steun en advies.
Vriendelijke groeten
[naam02] ”
2.8.
Op 30 september 2021 heeft Brandenborch aan Kade 100 een factuur gestuurd ten bedrage van € 2.422,42 inclusief btw (hierna: ‘factuur 2’) alsmede de volgende e-mail:
“Geachte [naam02] ,
Inzake de brand d.d. 28 februari 2013 willen wij u het volgende mededelen;
Zoals door [naam01] eerder al bij u aangegeven, staat er bij ons nog een en ander open. Uiteraard hebben wij u hier niet mee belast voordat er een definitieve uitspraak van het Hof was.
De openstaande posten bestaan uit twee delen:
1.
Het niet vergoede deel van onze interim-factuur van 27 september 2013 (zie bijlage)
ad € 6.795,24
excl. BTW
Uw verzekeraar betaalde ons conform de polisvoorwaarden niet meer dan wat zij aan hun eigen expert(s) hadden betaald. Dit was een bedrag van € 26.517,76 excl. BTW. De BTW is door u betaald, waarmee er dus nog € 6.795,24 open staat.
2.
De nog niet gefactureerde uren van onze werkzaamheden vanaf bovengenoemde datum tot eind 2017, zijnde 15,4 uur ad € 130,-- excl. BTW.
Deze uren worden eveneens niet vergoed door uw verzekeraar, daarom treft u hiervoor onze factuur aan.
Wij verzoeken u om zowel het openstaande deel van de factuur uit 2013 als de factuur voor de nog niet gefactureerde uren aan ons te betalen.”
2.9.
Brandenborch heeft Kade 100 diverse malen schriftelijk aangemaand tot betaling.
3.
Het geschil
3.1.
Brandenborch eist samengevat:
Kade 100 te veroordelen aan haar te betalen € 9.217,66 aan hoofdsom en € 835,88 aan incassokosten, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW en subsidiair de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over voornoemde hoofdsom, te rekenen vanaf 20 juli 2022 tot de dag van algehele voldoening;
Kade 100 te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Brandenborch baseert de eis – kort gezegd – op het volgende. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW gesloten. De overeenkomst is in de uitoefening van het beroep of bedrijf aangegaan, waardoor Kade 100 ingevolge van het bepaalde in artikel 7:405 lid 1 BW als opdrachtgever loon verschuldigd is aan Brandenborch. Op basis van de (mondeling) tussen partijen gemaakte afspraken zou de (restant)vordering van Brandenborch eerst opeisbaar worden na het arrest in de zaak tegen de verzekeraars op 20 juli 2021.
3.3.
Kade 100 is het niet eens met de eis en voert – kort gezegd – het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden bij de verzekeraars zou declareren, niet dat Brandenborch daarnaast nog kosten bij Kade 100 in rekening zou brengen. Kade 100 had dat in redelijkheid ook niet hoeven te verwachten; Brandenborch had Kade 100 daar anders (schriftelijk) over moeten informeren. Daarnaast betwist Kade 100 dat partijen hebben afgesproken dat Brandenborch uitstel van betaling zou verlenen tot na de uitspraak van het hof. Volgens Kade 100 is de vordering voor zover die is gebaseerd op (de werkzaamheden die ten grondslag liggen aan) factuur 1 dan ook verjaard, en ook voor zover die is gebaseerd op de werkzaamheden uit 2013 en 2014 die op 30 september 2021 op factuur 2 zijn gefactureerd. Verder betwist Kade 100 dat partijen zijn overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden op uurbasis zou verrichten en dat zij een uurtarief zijn overeengekomen. Ook betwist Kade 100 bij gebrek aan wetenschap dat de verzekeraars het volgens Brandenborch inzake factuur 1 openstaande bedrag van € 6.795,24 niet hebben betaald. Ten slotte voert Kade 100 aan dat zij geen betaling verschuldigd is van een factuur zonder specificatie, en voldoet de specificatie die Brandenborch achteraf heeft opgesteld volgens haar niet aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen.
4.
De beoordeling
Nagekomen producties
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Kade 100 aangevoerd dat Brandenborch haar nagekomen producties 14 t/m 16 voor de mondelinge behandeling heeft ingediend, ofschoon zij deze reeds jarenlang in bezit heeft. Zij geeft aan erop te vertrouwen dat de kantonrechter toepassing geeft aan de uitspraak van de Hoge Raad van 29 november 2002. De kantonrechter begrijpt hieruit dat Kade 100 van mening is dat de producties 14 t/m 16 buiten beschouwing dienen te worden gelaten.
4.2.
In voornoemde uitspraak van de Hoge Raad is onder meer overwogen dat een rechter ambtshalve erop dient te letten dat in een civiele procedure slechts mag worden beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. De producties 14 t/m 16 zijn op 20 maart 2023 zowel aan Kade 100 als aan de rechtbank verzonden hetgeen conform artikel 4.4 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling is geweest. De producties betreffen polisvoorwaarden waarover Kade 100 reeds beschikte en een tweetal tabellen op elk één pagina. Kade 100 heeft niet onderbouwd dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om de producties tot zich te kunnen nemen voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Het geven van een juiste toepassing aan de uitspraak van de Hoge Raad van 29 november 2002 leidt dan ook tot de conclusie dat niet het vermoeden wordt gewettigd dat aan Kade 100 de tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming van de producties 14 t/m 16 en voor een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen hebben ontbroken. De producties zullen dus niet buiten beschouwing worden gelaten in deze procedure.
Overeenkomst van opdracht; omvang hoofdsom
4.3.
Vast staat dat Kade 100 opdracht heeft gegeven aan Brandenborch tot het verrichten van expertisewerkzaamheden en dat Brandenborch werkzaamheden heeft verricht; partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. Ook staat vast dat Kade 100 een bedrag van € 6.995,73 heeft betaald aan Brandenborch inzake factuur 1. Brandenborch heeft aangevoerd dat de verzekeraars op 18 maart 2014 € 26.517,76 hebben betaald inzake factuur 1, en heeft ter onderbouwing een overzicht uit haar administratie overgelegd waarin te zien is dat een betaling van voornoemd bedrag is ontvangen. Kade 100 heeft – bij gebrek aan wetenschap – betwist dat verzekeraars niet het volledige, resterende, factuurbedrag hebben betaald.
4.4.
De kantonrechter overweegt in dit kader dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat een bedrag van € 6.795,24 van factuur 1 onbetaald is gebleven. Brandenborch heeft – onder verwijzing naar artikel 8.4 van de polisvoorwaarden en het overzicht uit haar administratie – haar stelling voldoende onderbouwd tegenover de blote betwisting van Kade 100. Opgeteld bij het openstaande (volledige) bedrag van factuur 2 (€ 2.422,42) bedraagt het totaal aan onbetaald gebleven factuurbedragen € 9.217,66. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag voor wiens rekening dit bedrag dient te komen.
Overeengekomen prijs/loon
4.5.
Zoals reeds overwogen, hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. Op de voet van artikel 7:405 lid 1 BW is Kade 100 als opdrachtgever in beginsel loon verschuldigd aan Brandenborch, die de overeenkomst in de uitoefening van haar bedrijf is aangegaan.
4.6.
Kade 100 heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden op uurbasis zou verrichten en dat zij een uurloon zijn overeengekomen. Volgens Kade 100 is sprake van een ‘fixed fee’: hetgeen verzekeraars aan Brandenborch hebben betaald vormt een redelijk loon. Brandenborch heeft echter betwist dat de fixed fee een redelijk loon zou zijn en voert daartoe aan dat zij als contra-expert veel meer werkzaamheden heeft verricht dan de expert van de verzekeraar en dat zij al veel eerder betrokken was. Kade 100 heeft dit niet weersproken.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat partijen niet expliciet een uurloon zijn overeengekomen, maar ook niet expliciet voornoemde fixed fee. Nu de hoogte van het loon niet door partijen is bepaald, is Kade 100 op de voet van artikel 7:405 lid 2 BW een redelijk loon verschuldigd. Brandenborch heeft onderbouwd aangevoerd dat een uurloon van
€ 130,00 à € 135,00 een redelijk loon is dat gebruikelijk is in de branche. De redelijkheid van dat uurloon is inhoudelijk niet door Kade 100 betwist. De kantonrechter zal zodoende een uurloon van € 130,00 à € 135,00 hanteren als redelijk uurloon.
Betalingsverplichting Kade 100
4.8.
Volgens Kade 100 zijn partijen overeengekomen dat Brandenborch haar werkzaamheden slechts bij de verzekeraars zou declareren, niet dat zij daarnaast kosten bij Kade 100 in rekening zou brengen. Uit het bepaalde in artikel 8.4 van de polisvoorwaarden (geciteerd bij 2.1) volgt echter dat indien het totaal aan declaraties van de door verzekerde benoemde expert (in dit geval Brandenborch) het totaal van de kant van verzekeraars overtreft, het meerdere voor rekening van verzekerde (in dit geval Kade 100) komt. In beginsel heeft zodoende tussen partijen te gelden dat declaraties ‘voor het meerdere’ van Brandenborch bij Kade 100 in rekening konden worden gebracht. Brandenborch heeft onderbouwd aangevoerd dat zij meer werk heeft verricht (en dus ook heeft gedeclareerd) dan de expert van de verzekeraars; Kade 100 heeft dit niet betwist.
4.9.
Daarnaast heeft Kade 100 aangevoerd dat zij in redelijkheid niet hoefde te verwachten dat Brandenborch kosten bij haar in rekening zou brengen. De kantonrechter overweegt in dit kader dat Kade 100 bij het afsluiten van haar verzekering handelde in de uitoefening van een bedrijf en geen consument is. Daarnaast neemt de kantonrechter in overweging dat Kade 100 niet heeft geprotesteerd tegen factuur 1 en bovendien een deel heeft betaald. Hoewel deze betaling – anders dan Brandenborch heeft aangevoerd – geen erkenning van verschuldigdheid van het volledige factuurbedrag is aangezien het geen ondubbelzinnige en zonder voorbehoud gedane bevestiging is, vormt de betaling een omstandigheid die, in samenhang bezien met voornoemde omstandigheden, leidt tot het oordeel dat Kade 100 er niet redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat zij – in het geval de verzekeraar niet alle kosten zou dekken – niet zelf door Brandenborch aangesproken zou kunnen worden tot betaling van het restant. De bewoording van artikel 8.4 van de polisvoorwaarden is duidelijk, en van een verzekerde ondernemer mag worden verwacht dat zij zelf in staat is om na te gaan in hoeverre (expertise)kosten worden gedekt door haar verzekeraar. Dit verweer staat dus niet aan toewijzing van de vorderingen van Brandenborch in de weg.
Uitstel van betaling - verjaring
4.10.
Volgens Brandenborch had zij uit coulance aan Kade 100 uitstel van betaling verleend totdat er duidelijkheid kwam met betrekking tot eventuele uitkeringen van de verzekeraars. Ter onderbouwing verwijst Brandenborch naar het feit dat op factuur 1 staat vermeld dat het een zogenaamde interimfactuur is. Kade 100 betwist dat partijen afspraken hebben gemaakt over uitstel van betaling.
4.11.
Aangezien Brandenborch zich beroept op het rechtsgevolg (te weten dat haar vordering opeisbaar is geworden na het arrest in de zaak tegen de verzekeraars op 20 juli 2021) van haar stelling dat partijen hebben afgesproken dat Brandenborch uitstel van betaling zou verlenen aan Kade 100, draagt Brandenborch op grond van artikel 150 Rv de bewijslast van die stelling. Brandenborch heeft aangeboden dit bewijs te leveren. De kantonrechter zal haar daartoe de gelegenheid bieden.
4.11.1.
Indien Brandenborch slaagt in dat bewijs, dan zijn haar vorderingen niet verjaard.
4.11.2.
Indien Brandenborch níet slaagt in het bewijs, dan zou de vordering van Brandenborch voor zover die betrekking heeft op factuur 1 en een deel van factuur 2 zijn verjaard. Factuur 1 zou dan immers opeisbaar zijn geworden op 11 oktober 2013 (14 dagen na 27 september 2013) en voor factuur 2 heeft te gelden dat de vordering voor zover die ziet op werkzaamheden die tot en met 2014 zijn uitgevoerd, rekening houdend met de wettelijke betaaltermijn van 30 dagen, laatstelijk 23 juni 2014 opeisbaar is geworden. Het feit dat de werkzaamheden pas op 30 september 2021 daadwerkelijk zijn gefactureerd, leidt er niet toe dat de vordering pas op die datum opeisbaar is geworden. Gesteld noch gebleken is dat Brandenborch binnen vijf jaar na voornoemde data van opeisbaarheid stuitingshandelingen heeft verricht, waardoor op de voet van artikel 3:307 lid 1 BW de vordering van Brandenborch dus deels verjaard zou zijn als zij niet in haar bewijsopdracht slaagt.
Verder verloop
4.12.
In dit stadium van het geding wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
5.
De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
draagt Brandenborch op om te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat Brandenborch uitstel van betaling zou verlenen aan Kade 100 tot het moment dat er duidelijkheid kwam met betrekking tot uitkeringen van de verzekeraars;
schriftelijk bewijs
5.2.
bepaalt dat als Brandenborch schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van
31 mei 2023 om 14:30 uur
in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
5.3.
bepaalt dat als Brandenborch getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en
beide
partijen voor de maanden september, oktober, november en december 2023;
5.4.
wijst erop dat Brandenborch na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
5.5.
bepaalt dat als Brandenborch op een andere manier bewijs wil leveren, Brandenborch uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
48637