Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2023:2768
2023-02-22
Strafrecht
22/000007-18
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een redelijke uitleg van de tekst van artikel 6:6:25, derde lid, Wetboek van Strafvordering en de memorie van toelichting daarbij brengt mee dat publicatie in de Staatscourant van de oproeping voor de behandeling van een vordering gijzeling is aangewezen indien de betrokkene die bekend is met de vervolging geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, ook indien de grondslag van de vordering gijzeling is gelegen in de ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel. I.c. geen publicatie in Staatscourant van de oproeping, terwijl de veroordeelde kennelijk geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Oproeping nietig.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4418 Rechtbank Overijssel 08-07-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.423 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
raadkamernummer : 22/025918
parketnummer hof : 22/000007-18
datum : 22 februari 2023
Beslissing van de politierechter op de vordering machtiging gijzeling na wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering in de zaak van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
De vordering is op 14 november 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 22 februari 2023 de vordering op de openbare terechtzitting behandeld. Daarbij is de officier van justitie, mr. A.S. Breugem, gehoord.
De veroordeelde is niet op de zitting verschenen.
Feiten
Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde bij arrest van 5 juni 2019 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de staat van
€ 71.006,79. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
De veroordeelde heeft tot 14 november 2022, zijnde de datum van indiening van de vordering, niets betaald.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 180 dagen.
Standpunt van de veroordeelde
De veroordeelde heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de oproeping op 22 december 2022 is betekend aan het Openbaar Ministerie en dat geen afschrift daarvan is gestuurd naar het adres van de veroordeelde nu hij geen vaste woon-of verblijfplaats heeft. De officier van justitie acht de wijze van betekenen rechtsgeldig en concludeert dat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
Beoordeling
Aangezien de veroordeelde zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de terechtzitting is de vraag die allereerst dient te worden beantwoord of hij op de juiste wijze is opgeroepen.
Op grond van artikel 6:6:25, derde lid, Sv dient, in afwijking van artikel 6:6:3, tweede lid, Sv, de oproeping aan het basisregistratie personen vermelde adres te worden toegezonden indien de veroordeelde bekend is met de vervolging. Indien diegene niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen en geen adres heeft opgegeven bij het doen van verzet tegen verhaal overeenkomstige de artikelen 6:4:5 en 6:4:5 Sv, dient oproeping plaats te vinden in de Staatscourant.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) wordt in het derde lid van voornoemd artikel de bekendmaking van de oproeping geregeld. Vermeld wordt dat daarbij de wet Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats wordt gevolgd (Kamerstukken 33 956). De gegeven reden hiervoor is dat bij dat wetsvoorstel enkel de oproeping voor de behandeling van een gijzelingsvordering bij een strafbeschikking is voorgesteld, terwijl met dit artikel de procedure voor de zitting algemeen wordt geregeld (vgl. artikel 6:6:3 Sv).
De rechtbank begrijpt het bepaalde in het derde lid van artikel 6:6:25 Sv mede in het licht van de hiervoor aangehaalde tekst uit de memorie van toelichting zo dat beoogd is niet alleen de wijze van betekening van de oproeping in verband met een gijzelingsprocedure bij een strafbeschikking te regelen, maar ook in verband met de gijzelingsprocedure bij een ontnemingsvordering. De rechtbank ziet ook anderszins geen reden te veronderstellen dat deze regeling enkel van toepassing behoort te zijn op gijzelingsprocedures in verband met een strafbeschikking.
De veroordeelde in deze zaak is op de hoogte van de ontnemingsvordering die bij arrest van het gerechtshof Den Haag in een procedure op tegenspraak op 5 juni 2019 aan hem is opgelegd, terwijl gebleken is dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Toepassing van artikel 6:6:25, derde lid, Sv brengt in dit geval mee dat de oproeping in de Staatscourant had moeten worden gepubliceerd. Nu dit niet is gebeurd, wordt geconcludeerd dat de oproeping niet geldig heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande zal de oproeping nietig worden verklaard.
Beslissing
De politierechter verklaart de oproeping nietig.
Deze beslissing is gegeven door
mr. B.E. Dijkers, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2023.
Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 107-108.
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
raadkamernummer : 22/025918
parketnummer hof : 22/000007-18
datum : 22 februari 2023
Beslissing van de politierechter op de vordering machtiging gijzeling na wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering in de zaak van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
De vordering is op 14 november 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 22 februari 2023 de vordering op de openbare terechtzitting behandeld. Daarbij is de officier van justitie, mr. A.S. Breugem, gehoord.
De veroordeelde is niet op de zitting verschenen.
Feiten
Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde bij arrest van 5 juni 2019 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de staat van
€ 71.006,79. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
De veroordeelde heeft tot 14 november 2022, zijnde de datum van indiening van de vordering, niets betaald.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 180 dagen.
Standpunt van de veroordeelde
De veroordeelde heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de oproeping op 22 december 2022 is betekend aan het Openbaar Ministerie en dat geen afschrift daarvan is gestuurd naar het adres van de veroordeelde nu hij geen vaste woon-of verblijfplaats heeft. De officier van justitie acht de wijze van betekenen rechtsgeldig en concludeert dat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
Beoordeling
Aangezien de veroordeelde zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de terechtzitting is de vraag die allereerst dient te worden beantwoord of hij op de juiste wijze is opgeroepen.
Op grond van artikel 6:6:25, derde lid, Sv dient, in afwijking van artikel 6:6:3, tweede lid, Sv, de oproeping aan het basisregistratie personen vermelde adres te worden toegezonden indien de veroordeelde bekend is met de vervolging. Indien diegene niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen en geen adres heeft opgegeven bij het doen van verzet tegen verhaal overeenkomstige de artikelen 6:4:5 en 6:4:5 Sv, dient oproeping plaats te vinden in de Staatscourant.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) wordt in het derde lid van voornoemd artikel de bekendmaking van de oproeping geregeld. Vermeld wordt dat daarbij de wet Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats wordt gevolgd (Kamerstukken 33 956). De gegeven reden hiervoor is dat bij dat wetsvoorstel enkel de oproeping voor de behandeling van een gijzelingsvordering bij een strafbeschikking is voorgesteld, terwijl met dit artikel de procedure voor de zitting algemeen wordt geregeld (vgl. artikel 6:6:3 Sv).
De rechtbank begrijpt het bepaalde in het derde lid van artikel 6:6:25 Sv mede in het licht van de hiervoor aangehaalde tekst uit de memorie van toelichting zo dat beoogd is niet alleen de wijze van betekening van de oproeping in verband met een gijzelingsprocedure bij een strafbeschikking te regelen, maar ook in verband met de gijzelingsprocedure bij een ontnemingsvordering. De rechtbank ziet ook anderszins geen reden te veronderstellen dat deze regeling enkel van toepassing behoort te zijn op gijzelingsprocedures in verband met een strafbeschikking.
De veroordeelde in deze zaak is op de hoogte van de ontnemingsvordering die bij arrest van het gerechtshof Den Haag in een procedure op tegenspraak op 5 juni 2019 aan hem is opgelegd, terwijl gebleken is dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Toepassing van artikel 6:6:25, derde lid, Sv brengt in dit geval mee dat de oproeping in de Staatscourant had moeten worden gepubliceerd. Nu dit niet is gebeurd, wordt geconcludeerd dat de oproeping niet geldig heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande zal de oproeping nietig worden verklaard.
Beslissing
De politierechter verklaart de oproeping nietig.
Deze beslissing is gegeven door
mr. B.E. Dijkers, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2023.
Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 107-108.