Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2023:13114

2023-10-09 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 22/1323
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2023-10-09
Publicatiedatum
2026-06-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 22/1323
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan veehandel omdat bij administratieve controle bleek dat bij een vervoer tempreatuursensoren in de wagen een termperatuur van meer dan 30 graden Celsius registreerden. De rechtbank leidt uit het boeterapport af dat de overtredin uitsluitend is gebaseerd op de gegevens van één sensor, terwijl niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat in het compartiment waar deze sensor zich bevond biggen zijn vervoerd. Het boeterapport biedt onvoldoende grondslag om de overtreding vast te stellen. Verweerder was niet bevoegd een boete op te leggen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.656 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 22/1323


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),


en


De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri).




Procesverloop


Bij besluit van 15 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.500,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



Bij besluit van 2 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2023. Namens eiseres is verschenen [naam], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).





Overwegingen

1. In het rapport van bevindingen van 28 juli 2021 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij op 27 juli 2021 een administratieve controle heeft uitgevoerd van een door eiseres uitgevoerd transport. In dat rapport is, voor zover hier van belang, het volgende beschreven:



“Op 18 juni 2021 heeft [eiseres] een transport uitgevoerd van varkens, vanuit [plaats], Nederland naar [naam bedrijf], Slovenië.


Certificaatnummer behorend bij dit transport: INTRA.NL.2021.0046496


Journaalnummer behorend bij dit transport: 162119


Kenteken vervoermiddel: [kenteken]





Uit het door [eiseres] aangeleverde journaal blijkt dat het transport is aangevangen op 18 juni 2021 om 07:00 uur in [plaats] (Nederland), volgens deel 2 van het journaal (eerste dier geladen).




Op basis van het door [eiseres]. aangeleverde GPS en Temperatuur gegevens, heb ik, toezichthouder, de volgende temperaturen geconstateerd:





Bij het wegrijden op 18 juni 2021 registreerden de temperatuursensoren AN1, AN2, AN3, AN4 en AN5 respectievelijk 26.7, 25.1, 26.2, 24.0, 20.5 °Celcius.



18-6-2021, om 10:45 uur tot 12:45uur, om 17:15 uur tot 17:53 uur en om 18:45 uur tot 21:00 uur komt de temperatuur in AN1 boven de 30 °C.




Vanaf 12:30 uur tot 20:15 uur registreert sensor AN2 een temperatuur boven de 30°C.




Vanaf 12:30 uur tot 20:15 uur registreert sensor AN3 een temperatuur boven de 30°C.




Vanaf 12:30 uur tot 20:15 uur registreert sensor AN4 een temperatuur boven de 30°C.




Vanaf 13:45 uur tot 18:45 uur registreert sensor AN5 een temperatuur boven de 30°C.




Vanaf 13:00 uur tot en met 17:00 uur en om 18:00 uur tot en met 18:30 uur meet sensor AN1 een temperatuur boven de 35°C. De piek qua gemeten temperatuur ligt in genoemde perioden voor AN1 op 37.5°C.”




2. Op basis van dit rapport van bevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 1.500,- voor het volgende beboetbare feit: de ventilatiesystemen op wegvervoermiddelen waren niet zodanig ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens het transport, ongeacht of het vervoermiddel stilstaat of in beweging is, volstaan om de temperatuur in het vervoermiddel voor alle dieren tussen 5°C en 30°C te handhaven met een tolerantie van plus of min 5°C, afhankelijk van de buitentemperatuur. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 6, derde lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk VI, onder 3.1, van de Transportverordening.


2.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.


3. Eiseres heeft aangevoerd dat het rapport van bevindingen niet als grondslag voor het opleggen van de boete mag dienen, omdat de bevindingen die in dat rapport zijn weergegeven uitsluitend zijn gebaseerd op een administratieve controle. De temperaturenlijst van de vijf sensoren in de oplegger is het enige bewijs en is daarom onvoldoende om de overtreding te kunnen vaststellen. Er is geen inspectie uitgevoerd van het vervoermiddel of de dieren tijdens het transport.




3.1.
Het rapport van bevindingen is naar waarheid opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Uit vaste jurisprudentie van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1027) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan.



3.2.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet heeft mogen baseren op de bevindingen die door middel van een administratieve controle zijn verkregen. Deze administratieve controle bestond uit het raadplegen van de door eiseres aangeleverde gps- en temperatuurgegevens. Gesteld noch gebleken is dat deze gegevens onjuist zouden zijn. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft opgemerkt, valt niet in te zien waarom de temperatuur in het vervoermiddel zelf moet worden opgemeten als er al betrouwbare technische voorzieningen voorhanden zijn, die verplicht zijn gesteld vanuit de wetgeving (temperatuursensoren en GPS-tracking). Om die reden ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat de dieren tijdens het transport hadden moeten worden onderzocht.


4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aan het voorschrift uit de Transportverordening heeft voldaan. Voor aanvang van het transport en bij aankomst was alles in orde en waren de biggen in goede gezondheid. Daarbij heeft eiseres naar voren gebracht dat zij heeft voorkomen dat de biggen in een te warm vervoermiddel zaten door hen niet te plaatsen in het compartiment nabij de motor en waar de eerste sensor is geplaatst. De ruimte daarvoor was aanwezig, omdat er minder biggen werden geladen dan er in het vervoermiddel konden worden geplaatst. Verweerder is hier ten onrechte aan voorbij gegaan, aldus eiseres.




4.1.
Het voorschrift uit bijlage I, hoofdstuk VI, punt 3.1, van de Transportverordening houdt in dat de ventilatiesystemen op wegvervoermiddelen zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens het transport, ongeacht of het vervoermiddel stilstaat of in beweging is, volstaan om de temperatuur in het vervoermiddel voor alle dieren tussen 5 °C en 30 °C te handhaven met een tolerantie van plus of min 5 °C, afhankelijk van de buitentemperatuur.



4.2.

Hoewel uit de sensorgegevens blijkt dat de sensor AN2 om 13.45 uur een temperatuur van 35,4 °C en om 14.00 uur een temperatuur van 35,5 °C heeft geregistreerd en sensor AN3 om 13.45 uur een temperatuur van 35,1 °C, is in het rapport van bevindingen enkel vermeld dat de sensoren AN2, AN3, AN4 en AN5 tussen 12:30 uur en 20:15 uur een temperatuur van boven de 30 °C hebben geregistreerd, en is alleen van sensor AN1 expliciet vermeld dat deze sensor van 13:00 uur tot en met 17:00 uur en van 18:00 uur tot en met 18:30 uur een temperatuur van boven de 35 °C heeft geregistreerd, met een piek van 37,5 °C. Hieruit leidt de rechtbank af dat uitsluitend op basis van de meetgegevens van sensor AN1 is vastgesteld dat het ventilatiesysteem niet voldeed om de maximum-temperatuur van 35 °C te handhaven. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn standpunt dat de overtreding ook is gebaseerd op de metingen van overige sensoren en niet uitsluitend op de meting van één sensor.
Uit het voorschrift, zoals hiervoor weergegeven onder 4.1., volgt dat de temperatuur in het vervoermiddel tussen de 5 °C en 30 °C, met een tolerantie van plus of min 5 °C, voor alle dieren (cursivering door de rechtbank) moet worden gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het rapport van bevindingen niet zonder meer worden geconcludeerd dat eiseres deze norm heeft overtreden, nu niet met zekerheid is komen vast te staan dat er in het voorste compartiment waar sensor AN1 een te hoge temperatuur heeft gemeten, biggen zijn vervoerd. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat er geen biggen zijn vervoerd in het voorste compartiment van het voertuig heeft verweerder enkel opgemerkt dat hij bij de controle niet kan zien of alle lagen van een voertuig volledig zijn geladen. Een bevestiging voor het oordeel dat de temperatuurnorm van bijlage I, hoofdstuk VI, punt 3.1 van de Transportverordening moet worden gehandhaafd in die delen van het wegvervoermiddel waar zich dieren bevinden, kan ook worden gevonden in punt 3.4 van bijlage I, hoofdstuk VI van de Transportverordening. Daarin is bepaald dat de wegvervoermiddelen moeten zijn voorzien van een alarmsysteem dat de bestuurder waarschuwt wanneer de temperatuur in de compartimenten waarin zich dieren bevinden (cursivering door de rechtbank), de minimum- of de maximumgrens bereikt.




4.3.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het rapport van bevindingen onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat eiseres artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 6, derde lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk VI, onder 3.1, van de Transportverordening heeft overtreden. Verweerder was daarom niet bevoegd eiseres daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen.





Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande volgt dat de boete ten onrechte is opgelegd en geen stand kan houden. Eiseres hoeft de boete niet te betalen. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank herroept gelet op het voorgaande ook het primaire besluit.

6. Het door eiseres betaalde griffierecht bedraagt € 365,-. Verweerder moet dit bedrag aan eiseres vergoeden.

7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 597,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.271,-.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;


bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt;


bepaalt dat verweerder aan eiseres een bedrag van € 2.271,- aan proceskosten van eiseres moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Dielemans-Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2023.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.