Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2023:10093
2023-10-25
Civiel recht; Arbeidsrecht
10686840 VV EXPL 23-433
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Looneis. Wanneer wel/niet gebonden aan de cao? Algemeen verbindend verklaren. Incorporatiebeding.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.116 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10686840 VV EXPL 23-433
datum uitspraak: 25 oktober 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. R.W. van den Hoek,
tegen
Participeer010 B.V.
,
vestigingsplaats: Schiedam ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ Participeer010 ’ genoemd.
1
De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 14 september 2023 met bijlagen.
1.2.
Op 11 oktober 2023 is de zaak tijdens een zitting besproken met mr. Van den Hoek , die namens [eiser] is verschenen. Namens Participeer010 is niemand verschenen.
2
De beoordeling
2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eiser hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. Tegen Participeer010 wordt verstek verleend, omdat niemand namens die partij in de procedure is verschenen en [eiser] de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht heeft genomen (artikel 139 Rv).
De eisen worden toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond zijn (artikel 139 Rv), behalve de eisen inzake het betalen van een eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering over 2019. De eindejaarsuitkering over 2019 is slechts voor een deel toe te wijzen en de eenmalige uitkering over 2019 is niet toewijsbaar. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
De cao Gehandicaptenzorg
2.2.
[eiser] baseert de eisen over een eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering op bepalingen van de cao Gehandicaptenzorg, die volgens hem algemeen verbindend zijn verklaard. Die cao-bepalingen zijn echter niet onafgebroken algemeen verbindend geweest en daarom niet onafgebroken van toepassing op de rechtsverhouding tussen partijen.
2.3.
[eiser] is op 1 september 2018 in dienst getreden bij Participeer010 . In zijn toenmalige contract is niet bepaald dat een cao van toepassing is. De bepalingen van de cao Gehandicaptenzorg zijn daarom alleen van toepassing als die bepalingen algemeen verbindend zijn verklaard. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een besluit van 26 april 2018 bepalingen van de cao Gehandicaptenzorg 2018/2019 algemeen verbindend verklaard (
Stcrt.
2018, 18915). Het besluit heeft werking van 2 mei 2018 tot 1 april 2019. Die cao-bepalingen zijn dus van toepassing op de rechtsverhouding tussen Participeer010 en [eiser] vanaf 1 september 2018 (datum indiensttreding [eiser] ) tot 1 april 2019.
2.4.
Het eerstvolgende besluit tot het algemeen verbindend verklaren van bepalingen van de cao is van 8 december 2020 (
Stcrt.
2020, 57037). Dat besluit is niet relevant voor [eiser] , omdat hij vanaf 1 juni 2020 een contract voor onbepaalde tijd heeft met Participeer010 , waarin de cao Gehandicaptenzorg en toekomstige cao’s van toepassing zijn verklaard. Vanwege dat incorporatiebeding is de cao van toepassing vanaf 1 juni 2020.
Eindejaarsuitkering
2.5.
Over een eindejaarsuitkering is het volgende bepaald in artikel 4:6 van de cao Gehandicaptenzorg 2018/2019:
“(…)
1. Werknemers die op 31 december van een kalenderjaar in dienst zijn bij de werkgever ontvangen van deze werkgever over dat kalenderjaar een eindejaarsuitkering. De hoogte van deze eindejaarsuitkering bedraagt 7,05% van het feitelijk verdiende salaris bij de werkgever in de periode van 1 januari tot en met 31 december van het betreffende kalenderjaar. Het feitelijk verdiende salaris bij de werkgever is het salaris zoals bedoeld in artikel 1:1 sub d.
2. Indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer eindigt vóór 31 december heeft de werknemer recht op een eindejaarsuitkering over het tot dan toe bij de werkgever genoten feitelijk verdiende salaris van het betreffende kalenderjaar. (…)”
2.6.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in 2019 recht heeft op een eindejaarsuitkering, maar niet dat hij recht heeft op een percentage van 8,33%, zoals door hem gevorderd, over het salaris van het kalenderjaar. [eiser] kan bovendien slechts aanspraak maken op 7,05% over het genoten feitelijk verdiende salaris vanaf 1 januari 2019 tot 1 april 2019. Dat is af te leiden uit artikel 4:6 lid 2 van de cao. Dat artikellid bepaalt het recht op en de omvang van een eindejaarsuitkering als lid 1 niet van toepassing is. Hoewel [eiser] op 31 december 2019 wel in dienst is bij Participeer010 kan hij geen beroep doen op lid 1, omdat de cao dan niet van toepassing is op de rechtsverhouding tussen hem en zijn werkgever.
Eenmalige uitkering
2.7.
[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij over 2019 recht heeft op een eenmalige uitkering van 1,25% van het salaris van het kalenderjaar. Hoewel in de preambule van de cao Gehandicaptenzorg 2019-2021 – zoals [eiser] terecht stelt – is bepaald dat de werknemer die op 1 december 2019 in dienst is op die datum zo’n uitkering krijgt, is dat deel van de preambule niet algemeen verbindend verklaard in het besluit van 8 december 2020.
Samengevat
2.8.
De geëiste eindejaarsuitkering over 2019 van € 1.814,16 (8,33% van het salaris in kalenderjaar 2019) wordt afgewezen. Slechts toegewezen bij wijze van voorschot wordt een eindejaarsuitkering van 7,05% over het genoten feitelijk verdiende salaris van 1 januari 2019 tot 1 april 2019. De geëiste eenmalige uitkering over 2019 van € 272,23 (1,25% van het salaris in kalenderjaar 2019) wordt afgewezen.
Proceskosten
2.9.
Participeer010 moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 86,00 aan griffierecht en € 529,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 615,00. Dat bedrag moet rechtstreeks aan de gemachtigde van [eiser] worden betaald. De dagvaardingskosten worden buiten beschouwing gelaten, omdat [eiser] procedeert op basis van een toevoeging. Voor kosten die [eiser] maakt na deze uitspraak moet Participeer010 een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
3
De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Participeer010 om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:
de salarisstroken van september en oktober 2018;
de salarisstrook van oktober 2021;
de salarisstroken van januari tot en met augustus 2023;
de jaaropgaven van 2021 en 2022;
op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat in strijd met dit gebod wordt gehandeld, met een maximum van € 20.000,00;
3.2.
veroordeelt Participeer010 om uiterlijk op de laatste dag van de maand een correcte salarisstrook over die maand aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat in strijd met dit gebod wordt gehandeld, met een maximum van € 5.000,00;
3.3.
veroordeelt Particpeer010 om aan [eiser] te betalen als voorschot:
€ 6.145,97 bruto aan eindejaarsuitkering over september tot en met december 2018 en 2020 tot en met 2022;
7,05% over het genoten feitelijk verdiende salaris van 1 januari 2019 tot 1 april 2019 bruto aan eindejaarsuitkering over voornoemde periode;
€ 691,42 bruto aan eenmalige uitkering over 2020 en 2021;
€ 1.712,92 netto aan achterstallig loon over augustus 2022;
3.4.
veroordeelt Participeer010 in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot vandaag worden vastgesteld op € 615,00 dat rechtstreeks aan de gemachtigde moet worden betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
34286
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10686840 VV EXPL 23-433
datum uitspraak: 25 oktober 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. R.W. van den Hoek,
tegen
Participeer010 B.V.
,
vestigingsplaats: Schiedam ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ Participeer010 ’ genoemd.
1
De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 14 september 2023 met bijlagen.
1.2.
Op 11 oktober 2023 is de zaak tijdens een zitting besproken met mr. Van den Hoek , die namens [eiser] is verschenen. Namens Participeer010 is niemand verschenen.
2
De beoordeling
2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eiser hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. Tegen Participeer010 wordt verstek verleend, omdat niemand namens die partij in de procedure is verschenen en [eiser] de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht heeft genomen (artikel 139 Rv).
De eisen worden toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond zijn (artikel 139 Rv), behalve de eisen inzake het betalen van een eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering over 2019. De eindejaarsuitkering over 2019 is slechts voor een deel toe te wijzen en de eenmalige uitkering over 2019 is niet toewijsbaar. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
De cao Gehandicaptenzorg
2.2.
[eiser] baseert de eisen over een eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering op bepalingen van de cao Gehandicaptenzorg, die volgens hem algemeen verbindend zijn verklaard. Die cao-bepalingen zijn echter niet onafgebroken algemeen verbindend geweest en daarom niet onafgebroken van toepassing op de rechtsverhouding tussen partijen.
2.3.
[eiser] is op 1 september 2018 in dienst getreden bij Participeer010 . In zijn toenmalige contract is niet bepaald dat een cao van toepassing is. De bepalingen van de cao Gehandicaptenzorg zijn daarom alleen van toepassing als die bepalingen algemeen verbindend zijn verklaard. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een besluit van 26 april 2018 bepalingen van de cao Gehandicaptenzorg 2018/2019 algemeen verbindend verklaard (
Stcrt.
2018, 18915). Het besluit heeft werking van 2 mei 2018 tot 1 april 2019. Die cao-bepalingen zijn dus van toepassing op de rechtsverhouding tussen Participeer010 en [eiser] vanaf 1 september 2018 (datum indiensttreding [eiser] ) tot 1 april 2019.
2.4.
Het eerstvolgende besluit tot het algemeen verbindend verklaren van bepalingen van de cao is van 8 december 2020 (
Stcrt.
2020, 57037). Dat besluit is niet relevant voor [eiser] , omdat hij vanaf 1 juni 2020 een contract voor onbepaalde tijd heeft met Participeer010 , waarin de cao Gehandicaptenzorg en toekomstige cao’s van toepassing zijn verklaard. Vanwege dat incorporatiebeding is de cao van toepassing vanaf 1 juni 2020.
Eindejaarsuitkering
2.5.
Over een eindejaarsuitkering is het volgende bepaald in artikel 4:6 van de cao Gehandicaptenzorg 2018/2019:
“(…)
1. Werknemers die op 31 december van een kalenderjaar in dienst zijn bij de werkgever ontvangen van deze werkgever over dat kalenderjaar een eindejaarsuitkering. De hoogte van deze eindejaarsuitkering bedraagt 7,05% van het feitelijk verdiende salaris bij de werkgever in de periode van 1 januari tot en met 31 december van het betreffende kalenderjaar. Het feitelijk verdiende salaris bij de werkgever is het salaris zoals bedoeld in artikel 1:1 sub d.
2. Indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer eindigt vóór 31 december heeft de werknemer recht op een eindejaarsuitkering over het tot dan toe bij de werkgever genoten feitelijk verdiende salaris van het betreffende kalenderjaar. (…)”
2.6.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in 2019 recht heeft op een eindejaarsuitkering, maar niet dat hij recht heeft op een percentage van 8,33%, zoals door hem gevorderd, over het salaris van het kalenderjaar. [eiser] kan bovendien slechts aanspraak maken op 7,05% over het genoten feitelijk verdiende salaris vanaf 1 januari 2019 tot 1 april 2019. Dat is af te leiden uit artikel 4:6 lid 2 van de cao. Dat artikellid bepaalt het recht op en de omvang van een eindejaarsuitkering als lid 1 niet van toepassing is. Hoewel [eiser] op 31 december 2019 wel in dienst is bij Participeer010 kan hij geen beroep doen op lid 1, omdat de cao dan niet van toepassing is op de rechtsverhouding tussen hem en zijn werkgever.
Eenmalige uitkering
2.7.
[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij over 2019 recht heeft op een eenmalige uitkering van 1,25% van het salaris van het kalenderjaar. Hoewel in de preambule van de cao Gehandicaptenzorg 2019-2021 – zoals [eiser] terecht stelt – is bepaald dat de werknemer die op 1 december 2019 in dienst is op die datum zo’n uitkering krijgt, is dat deel van de preambule niet algemeen verbindend verklaard in het besluit van 8 december 2020.
Samengevat
2.8.
De geëiste eindejaarsuitkering over 2019 van € 1.814,16 (8,33% van het salaris in kalenderjaar 2019) wordt afgewezen. Slechts toegewezen bij wijze van voorschot wordt een eindejaarsuitkering van 7,05% over het genoten feitelijk verdiende salaris van 1 januari 2019 tot 1 april 2019. De geëiste eenmalige uitkering over 2019 van € 272,23 (1,25% van het salaris in kalenderjaar 2019) wordt afgewezen.
Proceskosten
2.9.
Participeer010 moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 86,00 aan griffierecht en € 529,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 615,00. Dat bedrag moet rechtstreeks aan de gemachtigde van [eiser] worden betaald. De dagvaardingskosten worden buiten beschouwing gelaten, omdat [eiser] procedeert op basis van een toevoeging. Voor kosten die [eiser] maakt na deze uitspraak moet Participeer010 een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
3
De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Participeer010 om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:
de salarisstroken van september en oktober 2018;
de salarisstrook van oktober 2021;
de salarisstroken van januari tot en met augustus 2023;
de jaaropgaven van 2021 en 2022;
op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat in strijd met dit gebod wordt gehandeld, met een maximum van € 20.000,00;
3.2.
veroordeelt Participeer010 om uiterlijk op de laatste dag van de maand een correcte salarisstrook over die maand aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat in strijd met dit gebod wordt gehandeld, met een maximum van € 5.000,00;
3.3.
veroordeelt Particpeer010 om aan [eiser] te betalen als voorschot:
€ 6.145,97 bruto aan eindejaarsuitkering over september tot en met december 2018 en 2020 tot en met 2022;
7,05% over het genoten feitelijk verdiende salaris van 1 januari 2019 tot 1 april 2019 bruto aan eindejaarsuitkering over voornoemde periode;
€ 691,42 bruto aan eenmalige uitkering over 2020 en 2021;
€ 1.712,92 netto aan achterstallig loon over augustus 2022;
3.4.
veroordeelt Participeer010 in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot vandaag worden vastgesteld op € 615,00 dat rechtstreeks aan de gemachtigde moet worden betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
34286