Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5868

2026-09-21 Civiel recht 12318473 \ CV EXPL 26-2352
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-21
Publicatiedatum
2026-10-02
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12318473 \ CV EXPL 26-2352
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur. Ontruiming.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.318 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 12318473 \ CV EXPL 26-2352




Vonnis in kort geding van 21 september 2026




in de zaak van





[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] B.V.,
gemachtigde: mr. J.L. Kale,



tegen





1
[gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 2],
hierna te noemen: ‘[gedaagde 1]’,
vertegenwoordigd door: [gedaagde 2],2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 1],
hierna te noemen: ‘[gedaagde 2]’,
procederend in persoon,3. MR. D.H. DE HAAN in zijn hoedanig van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V.,
te Utrecht,
hierna te noemen: ‘Curator’,
gemachtigde en advocaat: mr. E.H. Geertman,4. [gedaagde 3],
te [woonplaats 2],
hierna te noemen: ‘[gedaagde 3]’,
procederend in persoon,

5. [gedaagde 4],

te [woonplaats 3],
hierna te noemen: ‘[gedaagde 4]’,
procederend in persoon,

6. zij die verblijven in de gebouwde onroerende zaak/zaken, of enig gedeelte daarvan, staande en gelegen te [adres], anders dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, waarvan de namen en woonplaatsen niet kunnen worden achterhaald,

te Kampen,
hierna te noemen: ‘de overige bewoners’,
niet verschenen,



gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ‘gedaagden’.





1De zaak en het oordeel in het kort


1.1

[eiser] B.V. vordert in deze procedure ontruiming van de woning aan de [adres] op basis van een overeenkomst waarin de huurovereenkomst is beëindigt. [gedaagde 2] voert geen verweer tegen de ontruiming, maar wel tegen de ontruimingstermijn. Curator voert eveneens verweer. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] B.V. (grotendeels) toewijzen. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.





2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 28 producties,- de aanvullende productie 29 van [eiser] B.V..
- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarbij door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:


namens [eiser] B.V.: [naam 1] en [naam 2] met mr. J.L. Kale,



[gedaagde 2] via een Teams-verbinding voor zichzelf en als vertegenwoordiger van [gedaagde 1],


de Curator met mr. E.H. Geertman,



[gedaagde 3] en [gedaagde 4],


- de spreekaantekeningen van mr. E.H. Geertman.



2.2
Tegen de overige bewoners is verstek verleend.



2.3
Ten slotte is vonnis bepaald.




3De feiten


3.1

[eiser] B.V. is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde).



3.2

[gedaagde 2] is (middellijk) bestuurder van [gedaagde 1] (opgericht op 18 juli 2024) en [bedrijf 1].



3.3

[bedrijf 2] B.V. (hierna [bedrijf 2]) is een ontbonden vennootschap waarvan op 2 september 2019 door de KVK is geregistreerd dat zij is opgehouden te bestaan.



3.4

[gedaagde 2] heeft op 30 april 2024 een huurovereenkomst voor bepaalde tijd voor zelfstandige woonruimte ondertekend waarin [eiser] B.V. als verhuurder het gehuurde verhuurt aan “huurder”. Op de eerste pagina van de overeenkomst staat [gedaagde 1] met het KvK-nummer van [bedrijf 1] als huurder vermeld. De overeenkomst is ondertekent door [gedaagde 2], als vertegenwoordiger van [bedrijf 2].



3.5

[gedaagde 2], dan wel [gedaagde 1], laat arbeidsmigranten verblijven in het gehuurde.



3.6
Begin 2025 wenste [eiser] B.V. de huurovereenkomst te beëindigen, omdat de huurder volgens [eiser] B.V. te veel personen in het gehuurde huisvestte waardoor het stroomnet overbelast raakte en de brandveiligheid in het geding kwam. Ook ontving [eiser] B.V. vanuit de omgeving klachten vanwege overlast. Bij brief van 20 februari 2025 heeft [eiser] B.V. de huurovereenkomst “zoals reeds besproken” opgezegd per 1 mei 2025. De opzegging is gericht aan [bedrijf 2].



3.7
Bij brief van 24 februari 2025 heeft [gedaagde 2], namens [gedaagde 1] in reactie op deze brief verzocht om de huurovereenkomst te continueren.



3.8
Op 5 juni 2025 heeft [eiser] B.V. een overeenkomst over de beëindiging van de huur gesloten. Als wederpartij is vermeld [bedrijf 2], vertegenwoordigd door [gedaagde 2]. In de overeenkomst is opgenomen, voor zover hier van belang dat de huurovereenkomst wordt beëindigd per 1 mei 2026.



3.9
Bij e-mail van 4 mei 2026 heeft [eiser] B.V. [gedaagde 2] gesommeerd om binnen vijf dagen tot ontruiming over te gaan. Bij WhatsApp van 9 mei 2026 heeft [gedaagde 2] bericht dat hij eruit gaat, maar dat je niet zomaar mensen op straat kunt gooien. Op 21 mei 2026 en op 27 mei 2026 heeft [eiser] B.V. [gedaagde 2] opnieuw gesommeerd om tot ontruiming over te gaan.



3.10
Op 11 juni 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] B.V. [bedrijf 1] gesommeerd om binnen twee weken tot ontruiming over te gaan. [gedaagde 2] heeft in reactie hierop verzocht om twee maanden extra uitstel, zodat voor de bewoners een vervangende woonruimte kan worden gevonden.



3.11
Op 30 juni 2026 is het faillissement over [bedrijf 1] uitgesproken, met de benoeming van de Curator tot curator.



3.12

[eiser] B.V. heeft op 3 juli 2026 een overeenkomst gesloten. [gedaagde 2] heeft daarbij getekend voor zichzelf en namens [bedrijf 1] en [gedaagde 1], deze drie partijen worden in de overeenkomst verder aangeduid als “[gedaagde 2]”. In deze overeenkomst is opgenomen, voor zover hier van belang:



“
Overwegingen


(…)



[gedaagde 2] heeft gevraagd aan [eiser] of hij nog twee maanden langer (tot 1 september 2026) in het pand mag verblijven. [eiser] kan daar uitsluitend mee leven als [gedaagde 2] tegen 1 september 2026 leeg en ontruimd oplevert en [eiser] daarbij een ontruimingstitel verkrijgt. [gedaagde 2] stemt hiermee in.





Bovenstaande betekent dat – onder handhaving van de eerdere vaststellingsovereenkomst d.d. 5 juni 2026 – [gedaagde 2] een extra termijn gegund wordt waarbinnen [eiser] niet zal overgaan tot ontruiming. [gedaagde 2] heeft er geen bezwaar tegen dat een ontruimingstitel tegen [gedaagde 2] wordt verschaft door middel van een kortgeding, dit met ingang van 1 september 2026.


(…)





Artikel 1


Bevestiging beëindiging huurovereenkomst




1.1

Partijen bevestigen uitdrukkelijk dat de eerder gesloten beëindigingsovereenkomst/vaststellingsovereenkomst d.d. 5 juni 2026 rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat de huurovereenkomst definitief is geëindigd en niet zal worden voortgezet.




(…)




Artikel 2


Laatste uitstel van ontruiming




2.1


[eiser] verleent [gedaagde 2] een laatste uitstel voor de feitelijke ontruiming van het gehuurde tot en met 31 augustus 2026.



2.2


[gedaagde 2] verplicht zich het gehuurde uiterlijk op 1 september 2026 volledig te hebben verlaten, ontruimd, opgeleverd en ter vrije beschikking van [eiser] te stellen.




(…)





Artikel 4


Kortgedingprocedure




4.1


[gedaagde 2] stemt er uitdrukkelijk mee in dat [eiser] een kortgedingprocedure aanhangig maakt teneinde een executoriale ontruimingstitel te verkrijgen voor [gedaagde 2] en alle personen die zich vanwege hem in het gehuurde bevinden.



4.2


[gedaagde 2] erkent dat [eiser] daarbij een ontruimingsvordering zal instellen en strekkende tot ontruiming van het gehuurde per 1 september 2026, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum. [gedaagde 2] zal aan die procedure zijn medewerking verlenen.




Artikel 5


Referteverklaring en afstand van verweren




5.1


[gedaagde 2] verklaart zich ten aanzien van de door [eiser] ingestelde ontruimingsvordering te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter.



5.2


[gedaagde 2] zal geen inhoudelijk verweer voeren tegen:


- de beëindiging van de huurovereenkomst;


- de geldigheid van de eerdere beëindigingsovereenkomst;


- de verplichting tot ontruiming van het gehuurde uiterlijk op 1 september 2026;


- de gevorderde veroordeling tot ontruiming




Artikel 6


Proceskosten



[eiser] zal de voorzieningenrechter verzoeken de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, tenzij [gedaagde 2] in strijd handelt met deze overeenkomst.





(…)”





3.13
De woning is niet ontruimd.





4Het geschil


4.1

[eiser] B.V. vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ontruiming van het gehuurde, onmiddellijk na betekening van dit vonnis. Verder vordert [eiser] B.V. ten aanzien van de partij die geen verweer voert de proceskosten te compenseren en ten aanzien van de partij die wel verweer voert die partij in de proceskosten te veroordelen.



4.2

[gedaagde 2] en de Curator hebben ter zitting verweer gevoerd.



4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





5De beoordeling



Spoedeisend belang




5.1
Het (overigens niet betwiste) spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde, zodat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.



Contractspartijen huurovereenkomst





5.2
Als eerste is de vraag aan de orde wie de contractspartijen zijn bij de huurovereenkomst.



5.3

[gedaagde 2] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [gedaagde 1] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst nog niet was ingeschreven en [bedrijf 1] destijds mede handelde onder de naam [gedaagde 1]. Hij heeft verder gezegd aan deze omstandigheid geen conclusie of rechtsgevolg te willen verbinden. [eiser] B.V. en de Curator hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat [gedaagde 2] destijds heeft gehandeld namens [gedaagde 1] in oprichting en [gedaagde 1] dus contractspartij is bij de huurovereenkomst. Deze stelling is door [gedaagde 2] niet meer weersproken. Bij deze stand van zaken gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] in oprichting de huurovereenkomst is aangegaan. Dat wordt bevestigd door de omstandigheid dat maanden na oprichting [gedaagde 1], namelijk op 24 februari 2025, [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] heeft verzocht om de huurovereenkomst te continueren en [bedrijf 1] blijkens haar registratie bij KVK in ieder geval op 4 juni 2026 niet (meer) [gedaagde 1] als handelsnaam gebruikte.



Ontruiming





5.4

[eiser] B.V. vordert om gedaagden te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, onmiddellijk na betekening van dit vonnis.



5.5

[eiser] B.V. legt aan de vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst als gevolg van overeenkomsten van 5 juni 2025 per 1 mei 2026 en 3 juli 2026 tot een einde is gekomen. Gedaagden gebruiken volgens [eiser] B.V. sindsdien de woning zonder recht of titel. Ondanks sommaties hebben gedaagden het gehuurde niet ontruimd. [gedaagde 1] handelt daardoor in strijd met de huurovereenkomst en de overeenkomsten van 5 juni 2026 en 3 juli 2026. Daarnaast handelen de (overige) gedaagden onrechtmatig. Door de wijze waarop het gehuurde wordt gebruikt en bewoond is schade aan het gehuurde ontstaan en is een brandgevaarlijke situatie gecreëerd als gevolg van structurele overbelasting van het stroomnet. Gedaagden maken (daarmee) inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] B.V. en zij handelen volgens [eiser] B.V. in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.



5.6
De kantonrechter zal de vordering per gedaagde partij bespreken.




[gedaagde 1]






5.7
Tussen [eiser] B.V. en [gedaagde 1] is niet in geschil dat de huurovereenkomst is geëindigd door de overeenkomsten van 5 juni 2025 en 3 juli 2026 en dat zij het gehuurde moet verlaten. Ter zitting heeft [gedaagde 2], namens [gedaagde 1], verweer gevoerd tegen de gevorderde ontruimingstermijn. Hij voert aan bezig te zijn met een nieuwe woning en hij wenst daarom een langere ontruimingstermijn, in ieder geval tot de tweede week van oktober 2026.



5.8
Dát het gehuurde moet worden ontruimd, is duidelijk. De ontruimingstermijn zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis. De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke ontruimingstermijn, te meer nu [gedaagde 1] al geruime tijd wist dat zij het gehuurde op 1 mei 2026 respectievelijk 1 september 2026 had moeten verlaten.




[gedaagde 2]






5.9
Naar oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] B.V. onvoldoende toegelicht op welke grond [gedaagde 2] in persoon onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Daarnaast volgt uit 5.3 dat [gedaagde 2] in persoon geen contractspartij is bij de huurovereenkomst. Er bestaat daarom geen aanleiding om [gedaagde 2] in persoon te veroordelen om het gehuurde te ontruimen. De vordering die hierop ziet zal dus worden afgewezen.




[bedrijf 1]






5.10
De Curator heeft aangevoerd dat [bedrijf 1] geen contractspartij is bij de huurovereenkomst. Dit volgt uit de stellingen van [eiser] B.V. en de feitelijke situatie en gedragingen van [gedaagde 1]. Ook kan de Curator feitelijk geen uitvoering geven aan een ontruimingsvonnis. De Curator weet niet hoeveel en welke personen in het gehuurde verblijven en heeft geen toegang tot het gehuurde. Daarnaast heeft de Curator weersproken dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] B.V. aangezien [bedrijf 1] geen betrokkenheid heeft bij het gebruik van het gehuurde.



5.11
De kantonrechter volgt de Curator in zijn stellingen. Uit 5.3 volgt dat de Curator geen contractspartij is bij de huurovereenkomst en in het licht van het verweer van de Curator heeft [eiser] B.V. onvoldoende toegelicht op welke wijze [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] B.V.. Aangezien van een op de Curator rustende verplichting om het gehuurde te ontruimen niet aannemelijk is geworden moet de vordering, voor zover tegen hem ingesteld worden afgewezen.




[gedaagde 3] en [gedaagde 4]





5.12

[gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben geen verweer gevoerd. Voor zover aangenomen zou worden dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] onderhuurders zijn, bestaan er geen aanwijzingen dat zij op grond van 7:269 BW in de plaats kunnen treden van [gedaagde 1], aangezien de stelling van [eiser] B.V. dat in dat geval in ieder geval geen sprake is van onderhuur van een zelfstandige woning, door hen niet is weersproken. De (niet door [gedaagde 3] en [gedaagde 4] betwiste) stellingen van [eiser] B.V. kunnen (verder) het gevorderde dragen. De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen en de ontruimingstermijn zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.



Zij die verblijven in het gehuurde / De overige bewoners





5.13
De vorderingen van [eiser] B.V. ten aanzien van de overige bewoners komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter ook ten aanzien van hen de ontruimingstermijn zal bepalen op veertien dagen na betekening van dit vonnis.



Proceskosten






[gedaagde 1]






5.14

[eiser] B.V. heeft gewezen op de overeenkomst van 3 juli 2026, waarin is afgesproken dat zij zal vragen de proceskosten te compenseren als [gedaagde 1] geen verweer voert. Aangezien [gedaagde 1] wél verweer heeft gevoerd, is volgens haar een proceskostenveroordeling op haar plaats. [gedaagde 1] heeft dit niet weersproken.



5.15

[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] B.V. worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


154,61







- griffierecht


€


139,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.014,61











De Curator





5.16

[eiser] B.V. heeft gewezen op de overeenkomst van 3 juli 2026, waarin is afgesproken dat zij zal vragen de proceskosten te compenseren als [bedrijf 1] geen verweer voert. Aangezien [bedrijf 1] wél verweer heeft gevoerd, is volgens haar een proceskostenveroordeling op haar plaats.



5.17

[eiser] B.V. miskent dat de Curator niet aan deze overeenkomst is gebonden omdat [gedaagde 2], nadat het faillissement is uitgesproken op 30 juni 2026, [bedrijf 1] niet meer kon binden. De Curator heeft er verder op gewezen dat [bedrijf 1] genoodzaakt was verweer te voeren in deze procedure nu hij feitelijk niet kan voldoen aan een ontruimingsvonnis. Nu de Curator respectievelijk de boedel van [bedrijf 1] nodeloos in de procedure is betrokken, vordert hij om [eiser] B.V. te veroordelen in de proceskosten.



5.18
De vorderingen, voor zover ingesteld tegen de Curator zullen worden afgewezen. [eiser] B.V. is dus in de procedure tegen de Curator in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten (inclusief nakosten) van haar worden veroordeeld. De proceskosten van de Curator worden begroot op € 577,00, zijnde één punt voor het salaris van de gemachtigde, vermeerderd met € 144,00 aan nakosten.




[gedaagde 2]





5.19

[eiser] B.V. heeft gewezen op de overeenkomst van 3 juli 2026, waarin is afgesproken dat zij zal vragen de proceskosten te compenseren als [gedaagde 2] geen verweer voert. Aangezien [gedaagde 2] wél verweer heeft gevoerd, is volgens haar een proceskostenveroordeling op haar plaats.



5.20
De kantonrechter zal de proceskosten tussen [eiser] B.V. en [gedaagde 2] compenseren. [gedaagde 2] is verschenen in deze procedure maar aangenomen moet worden dat hij alleen namens [gedaagde 1] verweer heeft gevoerd. Als gevolg daarvan dienen op grond van de overeenkomst van 3 juli 2026 de proceskosten tussen hen te worden gecompenseerd.




[gedaagde 3], [gedaagde 4] en de overige bewoners





5.21

[eiser] B.V. heeft gevraagd de (verschenen en niet verschenen) bewoners, waaronder [gedaagde 3], [gedaagde 4] alleen in de proceskosten te veroordelen indien zij verweer voeren. Aangezien zij geen verweer hebben gevoerd zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





6De beslissing


De kantonrechter



6.1
veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en de overige bewoners om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning gelegen te [adres] (zich bevindende op het perceel met kadastrale gegevens: [adres]) te verlaten en te ontruimen met al de hunnen en al het hunne, de woning in oorspronkelijke staat geheel en leeg en ontruimd aan [eiser] B.V. op te leveren en de woning na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden,



6.2
bepaalt dat de veroordeling onder 6.1 binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van één jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet,



6.3
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.014,61, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening,



6.4
veroordeelt [eiser] B.V. in de proceskosten van de Curator van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] B.V. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.5
compenseert de proceskosten van [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en de overige bewoners, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



6.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.7
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.