Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5724
2026-09-16
Civiel recht
C/08/342513 / HA ZA 25-441
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Partij wordt opgedragen om op grond van artikel 22 Rv informatie/documenten in het geding te brengen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2025:24 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.822 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/342513 / HA ZA 25-441
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
CUPOLA ENERGY,
te Ontario (Canada),
eisende partij,
hierna te noemen: Cupola,
advocaat: mr. P. de Haan,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.B. Bollen.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,
- de aanvullende productie van de zijde van Cupola,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandelingen aantekeningen gemaakt.
1.2
Bij akte van 24 juni 2026 heeft Cupola, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, nadere beslagstukken overgelegd.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2Samenvatting
In een eerdere procedure is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) kort gezegd veroordeeld tot terugbetaling aan Cupola van twee door Cupola gedane aanbetalingen voor twee orders (vermeerderd met rente en kosten). Aan deze veroordeling(en) heeft [bedrijf 2] (nog) niet voldaan. Cupola vordert in deze procedure de bedragen waartoe [bedrijf 2] is veroordeeld van [gedaagde] op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid.
De rechtbank draagt [gedaagde], uit hoofde van de verzwaarde motiveringsplicht, op om op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde informatie en documenten bij akte in het geding te brengen.
3De feiten
3.1
Cupola is een in Canada gevestigde onderneming die handelt in energieprojecten, in de ruimste zin des woords, alsmede in machinerie en installaties met betrekking tot energie, afvalverwerking en recycling.
3.2
[gedaagde] is enig bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]). Laatstgenoemde rechtspersoon is thans enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2].
3.3
Op 28 december 2019 heeft Cupola een (eerste) order bij [bedrijf 2] geplaatst (waaronder een pomp van Allweiler met nummer [nummer 1]) middels een purchase order (met nummer [nummer 2]). In de purchase order staan vermeld een “delivery time” van “14-20 weeks” en een totaalprijs van € 69.940,00, waarop € 50.000,00 moet worden aanbetaald. Bij [bedrijf 2] wordt “[nummer 7]-6710-wier” als referentie vermeld. Voor deze aanbetaling heeft [bedrijf 2] een factuur (“invoice”) met als datum 29 december 2019 verstuurd voor een bedrag van € 50.000,00. Het invoicenummer is [nummer 3]. Op 15 januari 2020 is op de bankrekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 49.970,00 afkomstig van de rekening ten name van The Completed Moon Trading bijgeschreven met omschrijving [nummer 4] [nummer 3]. Er is een opdrachtbevestiging van deze bestelling met als datum 5 februari 2020. Hierop staat: “Delivery: 20 weeks . Ex works ( approx. week 23)”.
3.4
Op 28 september 2020 heeft Cupola een tweede order bij [bedrijf 2] geplaatst (voor andere goederen dan bij de eerste order) middels een purchase order (met nummer 1 170 CU 20). In de purchase order staat een “delivery time” van “14-16 weeks” en een totaalprijs van € 23.200,00 vermeld. Volgens de “payment terms” die staan vermeld in de purchase order moet “70% advanced” worden betaald en “30% shipping time”. Voor deze aanbetaling heeft [bedrijf 2] een factuur (“invoice”) met als datum 29 september 2020 verstuurd voor een bedrag van € 16.240,00. Bij de factuur wordt “Our ref.: [nummer 14]” vermeld.
Op 21 oktober 2020 is op de bankrekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 16.240,00 afkomstig van de rekening ten name van Ares International bijgeschreven.
3.5
Op 6 oktober 2020 heeft Cupola een derde order bij [bedrijf 2] geplaatst. Hiervoor heeft [bedrijf 2] op 7 oktober 2020 een factuur verstuurd voor een aanbetaling. Cupola heeft die aanbetaling niet verricht.
3.6
Op 10 november 2020 heeft [gedaagde], de directeur van [bedrijf 2], aan Cupola gemaild: “(..) Last Friday I was able to split up the orders. So the parts are been expected 5-6 weeks. (..) The pump would take 8 weeks (..)”
3.7
Op 16 november 2020 heeft [bedrijf 2] een bestelling geplaatst bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sulteq Pompen en Revisie B.V. (hierna: Sulteq) voor een Allweiler pump [nummer 5] voor een bedrag van € 21.750,00 exclusief btw. Het vermelde bestelnummer is [nummer 6] en het vermelde projectnummer is [nummer 7]. Bij “Onze ref” staat [nummer 7] vermeld. Bij de commerciële condities wordt onder meer vermeld “Betaling: 80% bij order, 20% bij gereed”.
3.8
Op 16 november 2020 heeft [bedrijf 2] een bestelling geplaatst bij Sulteq voor een insert for Pump [nummer 8] voor een bedrag van € 14,851.43 exclusief btw. Het vermelde bestelnummer is 5126 en het vermelde projectnummer is [nummer 9]. Bij “Onze ref” staat 12612 vermeld.
3.9
Sulteq heeft [bedrijf 2] op of omstreeks 18 november 2020 de volgende vier facturen gestuurd:
Factuurnummer [nummer 10] voor een bedrag van € 18.280,00 exclusief btw
met de volgende omschrijving
“Levering conform onze offerte 20.346738.01 / Pomp SNH2200
80% vooruitbetaling bij opdracht **uw order [nummer 7]**
T.b.v. het totaalbedrag € 22.850,- (…)”
Eveneens wordt “1e betaling” vermeld.
Factuurnummer [nummer 11] voor een bedrag van € 4.570,- exclusief btw met de volgende omschrijving
“Levering conform onze offerte 20.346738.01 / Pomp SNH2200
20% vooruitbetaling bij verzendgereed melding fabriek **uw order [nummer 7]**
T.b.v. het totaalbedrag € 22.850,- (…)”
Pomp blijft eigendom van Sulteq tot het totaalbedrag is betaald voor levering.
Eveneens wordt “2e betaling” vermeld.
Factuurnummer [nummer 12] voor een bedrag van € 11.881,14 exclusief btw met de volgende omschrijving
“Levering conform onze offerte 20.346738.01 / INSERT SNH2200
80% vooruitbetaling bij opdracht **uw order [nummer 9]**
T.b.v. het totaalbedrag € 14.851,43 (…)”
Eveneens wordt “1e betaling” vermeld.
Factuurnummer [nummer 13] voor een bedrag van € 2.970,29 exclusief btw met de volgende omschrijving “20% vooruitbetaling bij verzendgereed melding fabriek.
**uw order [nummer 9]**
T.b.v. het totaalbedrag € 14.851,43 is:
Pomp blijft eigendom van Sulteq tot het totaalbedrag is betaald voor levering.”
Eveneens wordt “2e betaling” vermeld.
3.10
Op 26 april 2021 heeft [gedaagde] aan Cupola ter zake de status van de Allweiler gemaild: “Friday and this morning I had a meeting with Allweiler – the new housing are in production . The deliver time is set on 10 weeks – they try to improve and let me know.”
3.11
Op 2 juni 2021 heeft [gedaagde] aan Cupola gemaild: “Please find the picture of the pillar seal — the de end is in process at this Moment. In 2weeks 1 know more. (…)
The allweiler housing is in process – They are not able to give me a exact date - -we assume 6 weeks.”
3.12
In juni 2022 heeft [gedaagde] gevraagd naar gegevens van de eindgebruiker van de goederen. Deze informatie is namens Cupola verstrekt.
3.13
Op 8 maart 2023 heeft een incassobureau namens Cupola aan RM Support een brief gestuurd met als onderwerp “ingebrekestelling”: “Cupola Energy (...) heeft zich tot ons gewend aangezien de hieronder vermelde vordering nog niet door u is voldaan, hoewel de betalingstermijn reeds lang overschreden is, derhalve stellen wij u wettelijk in gebreke. Inmiddels is uw schuld (…) opgelopen tot € 93.501,84 inclusief wettelijke rente en incassokosten, welke voor uw rekening komen.(..)”
3.14
Op 11 mei 2023 heeft [gedaagde] namens [bedrijf 2] het incassobureau gemaild:
“(..) In ons gesprek gaf ik aan dat [bedrijf 2] geen ontvangsten heeft ontvangen, ten name van Cupola Energy . De eis en incasso names deze firma lijkt me daarom in eerste instantie ongepast.
Er is echter meer omtrent de genoemde Firma:
Deze firma heeft met ons per 6/10/2020 nog een verplichting aangegaan in hun order 042 CU 18 . De lopende bestellingen zijn op hold gezet, daar twee zaken uit blijven welke vereist zijn in deze leveringen. Éen daarvan is de aanbetaling van genoemde schriftelijke order. Tot dat deze niet is voldaan blijven orders op hold. (..)
Daarbij komt nog, dat in uw genoemde bestellingen, deze firma of zijn klant de leveringen hebben bemoeilijkt ,danwel onmogelijk hebben gemaakt .
Het is de leveranciers ter ore gekomen, dat de eindklant zich in een sanctie land bevindt.
Gezien de wereldwijde afspraken zijn de projecten ook door leveranciers op hold gezet.”
3.15
Op 22 augustus 2023 heeft de advocaat van Cupola een brief aan [bedrijf 2] gestuurd waarin hij onder meer [bedrijf 2] sommeert de aanbetalingen terug te betalen.
3.16
Op 6 september 2023 heeft [gedaagde] namens [bedrijf 2] per mail gereageerd op deze brief, waarin onder meer wordt geschreven: “(…) Uw cliënt vergeet te vertellen, dat de leverancier informatie had ontvangen dat naar alle waarschijnlijkheid deze leveringen naar een eindklant in land onder Internationale sanctie regels zou betreffen en om deze reden is de productie afgebroken.(..)”
3.17
Bij brief van 10 september 2023 heeft [gedaagde] namens RM Support gereageerd op een schrijven namens Cupola. Deze brief heeft dezelfde strekking als het hiervoor opgenomen e-mailbericht van 11 mei 2023.
3.13
Op 28 november 2023 heeft de advocaat van Cupola [bedrijf 2] aangeschreven en (onder meer) meegedeeld dat alle overeenkomsten tussen Cupola en [bedrijf 2] worden ontbonden vanwege een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen. Daarbij is [bedrijf 2] gesommeerd om het bedrag van € 89.209,36 binnen 14 dagen te betalen.
3.18
Bij (tussen)vonnis van deze rechtbank, locatie Almelo, van 10 juli 2024 heeft de rechtbank (kort gezegd) geoordeeld dat de koopovereenkomsten tussen Cupola en [bedrijf 2] zijn ontbonden, dat de door [bedrijf 2] ontvangen bedragen door een derde namens Cupola zijn betaald, dat [bedrijf 2] geen beroep op opschorting toekomt en dat [bedrijf 2] de aanbetalingen moet restitueren. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag wanneer de rente begint te lopen.
3.19
Bij (eind)vonnis van 30 oktober 2024 heeft deze rechtbank, locatie Almelo, [bedrijf 2] veroordeeld tot betaling aan Cupola van:
een bedrag van € 49.970,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over het toegewezen bedrag met ingang van 15 januari 2020, tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 16.240,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 21 oktober 2020, tot de dag van volledige betaling.
Daarnaast is [bedrijf 2] veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van de procedure. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissingen in de procedure van Cupola tegen [bedrijf 2] zijn onherroepelijk geworden.
3.20
[bedrijf 2] heeft niet aan het vonnis van 30 oktober 2024 voldaan.
3.21
Nadat daartoe verlof is verleend door de voorzieningenrechter van deze rechtbank is er op 18 november 2025 conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde].
3.22
Omdat de dagvaarding niet tijdig is uitgebracht is namens Cupola opnieuw verzocht om verlof te verlenen om conservatoir beslag te leggen op de woning van [gedaagde]. Dit verlof is op 9 december 2025 verleend.
4Het geschil
4.1
Cupola vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om aan Cupola te betalen een bedrag van € 49.970,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 15 januari 2020, tot de dag van volledige betaling;
II. [gedaagde] veroordeelt om aan Cupola te betalen een bedrag van € 16.240,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 21 oktober 2020, tot de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Cupola van een bedrag ad € 9.931,50, zijnde de buitengerechtelijke kosten in de procedure tussen Cupola en [bedrijf 2], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van deze dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
IV. [gedaagde] veroordeelt om aan Cupola te betalen de proceskosten aangaande de procedure tussen Cupola en [bedrijf 2], zijnde een bedrag van € 9.085,13, te vermeerderen met € 92,00 voor betekening, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
V. [gedaagde] te veroordelen in de beslagkosten en de (na)kosten van de onderhavige procedure.
4.2
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cupola, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cupola, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cupola in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat Cupola gevestigd is in Canada. Dit betekent dat eerst (ambtshalve) beoordeeld zal worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
5.2
[gedaagde] woont in Nederland. De Nederlandse rechter is daarom op grond van artikel 2 Rv bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
5.3
De vraag of [gedaagde], in verband met zijn hoedanigheid als (indirect) bestuurder (naast de vennootschap), voor niet nagekomen verplichtingen van de door hem bestuurde vennootschap jegens derden aansprakelijk is, wordt op grond van artikel 10:119 aanhef en onder e BW beheerst door Nederlands recht.
Maatstaf bestuurdersaansprakelijkheid
5.4
De vorderingen van Cupola jegens [gedaagde] zijn (kort gezegd) gebaseerd op (externe) bestuurdersaansprakelijkheid en gegrond op artikel 6:162 BW. [gedaagde] wordt als (indirect) bestuurder, mede gelet op het bepaalde in artikel 2:11 BW, aansprakelijk gehouden.
5.5
De rechtbank stelt voorop dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt en dat de bestuurder ter zake een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij geldt een hoge drempel: bestuurders zijn niet aansprakelijk voor iedere gemaakte fout of vergissing. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
5.6
Van een persoonlijk ernstig verwijt is sprake als (1) de bestuurder namens de vennootschap verplichtingen aangaat, waarvan hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de vennootschap deze verplichting niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie geleden schade of (2) de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat een door hem bestuurder vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.
5.7
Verder bepaalt artikel 2:11 BW dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
Stelplicht en bewijslast en verzwaarde motiveringsplicht
5.8
Het ligt (in beginsel) op de weg van de benadeelde schuldeiser om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 150 Rv). Onder omstandigheden wordt voor de aangesproken (gewezen) bestuurder een verzwaarde motiveringsplicht aangenomen. Dit is het geval als de bestuurder de volledige zeggenschap heeft over de onderneming, de eiser zijn vordering aannemelijk heeft gemaakt en de informatie ter beoordeling van de vordering in het domein van de bestuurder liggen. Van de bestuurder wordt dan verwacht dat hij in het kader van zijn gemotiveerde betwisting van de stellingen van de schuldeiser nadere gegevens dient te overleggen, bijvoorbeeld over de financiële situatie van de vennootschap, omdat de bestuurder, anders dan de schuldeiser, erover kan beschikken.
Uitgangspunt
5.9
De betalingsverplichting van [bedrijf 2] staat, gelet op de onherroepelijke vonnissen van 10 juli 2024 en 30 oktober 2024, definitief vast. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door [bedrijf 2] van het in het vonnis toegewezen bedrag van € 66.210, - (vermeerderd met rente). [gedaagde] kan in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat hij
niet wordt aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die Cupola door zijn handelen heeft geleden. In dat verband is ook van belang dat de rechtbank in het vonnis van 10 juli 2024 ook bindend heeft beslist dat er namens Cupola aanbetalingen van € 66.210,- zijn gedaan aan [bedrijf 2]. In die zin faalt de stelling van [gedaagde] dat [bedrijf 2] aanbetalingen heeft ontvangen zonder goede verwijzingen en/of te verifiëren afzenders. Voor zover [gedaagde] met zijn stellingname onder randnummer 14 van de conclusie van antwoord beoogt om opnieuw discussie te voeren over de bevoegdheid tot opschorting geldt dat dat in deze procedure niet kan, nu de rechtbank in haar vonnis van 30 oktober 2024 bindend heeft beslist dat [bedrijf 2] geen beroep op opschorting toekomt. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 30 oktober 2024 tegenover [gedaagde] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.
Onrechtmatig handelen van [gedaagde]?
5.10
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat [gedaagde] als enig bestuurder en enig (middellijk) aandeelhouder van [bedrijf 2] de volledige zeggenschap in [bedrijf 2] heeft.
5.11
Voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [bedrijf 2] tot gevolg zou hebben dat zij haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, moet worden beoordeeld of de handelwijze van [gedaagde] overeenkomt met wat is afgesproken met Cupola en wat Cupola redelijkerwijs mocht verwachten. In dat kader zijn ook de mededelingen en/of handelwijze van [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomsten van belang. Cupola verwijt [gedaagde] immers dat haar is voorgespiegeld dat de goederen besteld zouden zijn en geleverd zouden worden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. [gedaagde] betwist dat er geen bestellingen zijn gedaan en stelt dat zij de door Cupola gekochte zaken heeft besteld bij de leverancier Sulteq. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar de bestelbewijzen, de tekeningen van Sulteq en de facturen van Sulteq. Cupola heeft betoogd dat deze stukken niet overtuigen. Daarbij wijst Cupola (kort gezegd) op een aantal merkwaardigheden/omstandigheden, te weten: (1) de stukken zijn niet in de eerdere procedure overgelegd, terwijl zij destijds al wel beschikbaar moeten zijn geweest, (2) een orderbevestiging van Sulteq/overeenkomst tussen [bedrijf 2] en Sulteq ontbreekt, de overgelegde factuur is van twee dagen na de besteldatum, (3) Cupola heeft de bestellingen al een jaar eerder gedaan, (4) het vermelde typenummer van de pomp op de factuur komt niet overeen met het typenummer van de bestelde pomp door Cupola en (5) afgevraagd kan worden waarom de overgelegde facturen van Sulteq niet zijn betaald, gezien de aanbetalingen van Cupola.
5.12
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat op Cupola de stelplicht en bewijslast rust, van [gedaagde] meer mag worden verwacht ter onderbouwing van zijn verweer. Dit geldt te meer nu de door hem overgelegde stukken de nodige vraagtekens oproepen en hij stellingen inneemt die (vooralsnog) niet of moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Zo blijkt uit de stukken dat er pas op 16 november 2020 goederen (zouden) zijn besteld bij Sulteq, terwijl de eerste order van Cupola dateert van 28 december 2019. Dat is bijna een jaar later. Dit werpt ook de vraag op hoe het e-mailbericht van 10 november 2020, waar ook Cupola naar verwijst, in het licht hiervan moeten worden gezien. Uit dit e-mailbericht van [gedaagde] namens [bedrijf 2] kan worden afgeleid dat de goederen al eerder (zouden) zijn besteld en dat deze binnen enkele weken geleverd (zouden) worden. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat uit de overgelegde facturen van Sulteq blijkt dat [bedrijf 2] aanbetalingen moest doen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat [bedrijf 2] geen aanbetalingen hoefde te doen aan Sulteq. Volgens [gedaagde] is er, mede vanwege Corona (en de chaos die daardoor ontstond) alsook de omstandigheid dat de eerste order van Cupola een vervangingspomp betreft (waarbij de bestaande pomp uit ongeveer 1980 komt) en daarom niet duidelijk was of de pomp gemaakt kon worden, met Sulteq afgesproken dat [bedrijf 2] pas hoefde te betalen als de (vervangings)pomp daadwerkelijk kon worden geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank mag van [gedaagde] worden verwacht dat hij concreet onderbouwt dat met Sulteq is afgesproken dat [bedrijf 2] geen aanbetalingen hoefde te verrichten, nu deze feiten en omstandigheden in zijn domein liggen. Daarbij kan er ook niet aan het door Cupola ingenomen standpunt dat geen enkel bedrijf een pomp gaat maken zonder dat er (een) aanbetaling(en) is/zijn gedaan, voorbij worden gegaan.
5.13
[gedaagde] heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat ten aanzien van de tweede order van Cupola [bedrijf 2] (nog) geen facturen heeft ontvangen. Bestudering van de facturen levert echter op dat deze zien op twee orders van [bedrijf 2], namelijk orders (PO) [nummer 7] en (PO) [nummer 9]. Als deze facturen, in tegenstelling tot wat uit de conclusie van antwoord valt af te leiden, niet ook zien op de tweede order van Cupola (van 28 september 2020), dan roept dat wel de vraag op wanneer de tweede order van Cupola (van 28 september 2020) dan is besteld. De bestellingen die [bedrijf 2] heeft overgelegd betreffen immers (ook en enkel) de orders (PO) [nummer 7] en (PO) [nummer 9]. Uit de aan Cupola toegestuurde factuur lijkt te volgen dat de tweede order van Cupola bij [bedrijf 2] is geregistreerd als order [nummer 14]. Het is aan [gedaagde] om (meer) duidelijkheid te verschaffen over deze tweede order van Cupola in die zin dat hij concreet inzicht geeft wanneer deze order is geplaatst bij de leverancier(s) en op welke wijze deze is gefactureerd door de leverancier(s) aan [bedrijf 2]. Ook deze feiten en omstandigheden liggen in het domein van [gedaagde].
5.14
[gedaagde] voert ook het verweer dat de leveranciers kritischer zijn geworden over de bestemming van de bestellingen, maar onderbouwt dit alleen met een brief van 3 maart 2022. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat dit in dit geval niet, nu deze brief enkel ter illustratie dient. Cupola heeft bovendien betwist dat de door haar bestelde goederen worden geraakt door enige sanctiebepaling. Mede in dat licht bezien en nu de benodigde informatie zich in het domein van [gedaagde] bevindt, kan naar het oordeel van de rechtbank van [gedaagde] verlangd worden dat hij concrete informatie verstrekt waaruit blijkt dat de leverancier(s) van de door Cupola bestelde goederen [bedrijf 2] heeft/hebben verzocht om bij Cupola navraag te doen naar de eindklant(en) van de bestelde goederen in verband met de sanctie- en exportbepalingen en dat de betreffende leverancier(s) uiteindelijk in verband met voornoemde bepalingen heeft/hebben geweigerd om tot levering van de door Cupola bestelde goederen over te gaan.
Tussentijdse slotsom
5.15
Op grond van artikel 22 Rv zal de rechtbank [gedaagde] opdragen de volgende informatie/documenten bij akte in het geding te brengen:
informatie/documenten waaruit blijkt dat met Sulteq is afgesproken dat [bedrijf 2] geen aanbetalingen hoefde te doen betreffende de ten behoeve van Cupola bestelde goederen;
informatie/documenten waaruit blijkt dat de tweede order van Cupola (van 28 september 2020) is geplaatst bij (een) leverancier(s) en op welke wijze deze is gefactureerd door de leverancier(s) aan [bedrijf 2];
informatie/documenten waaruit volgt dat de leverancier(s) ter zake de door Cupola bestelde goederen [bedrijf 2] heeft/hebben verzocht om bij Cupola navraag te doen naar de eindklant(en) van de bestelde goederen in verband met de sanctie- en exportbepalingen en dat de betreffende leverancier(s) uiteindelijk in verband met voornoemde bepalingen heeft/hebben geweigerd om tot levering van de door Cupola bestelde goederen over te gaan.
5.16
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
6.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 21 oktober 2026 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over wat is vermeld onder rechtsoverweging 5.15, waarna Cupola op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,
6.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Egberink en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
Dit vonnis is geregistreerd onder nummer C/08/307226 / HA ZA 23-462.
Vgl. o.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014: 2627 (RCI Financial Services/K).
Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Leeuwarden-Arnhem 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:24 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
Randnummer 11 van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 7 van productie 1 bij de conclusie van antwoord.
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/342513 / HA ZA 25-441
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
CUPOLA ENERGY,
te Ontario (Canada),
eisende partij,
hierna te noemen: Cupola,
advocaat: mr. P. de Haan,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.B. Bollen.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,
- de aanvullende productie van de zijde van Cupola,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandelingen aantekeningen gemaakt.
1.2
Bij akte van 24 juni 2026 heeft Cupola, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, nadere beslagstukken overgelegd.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2Samenvatting
In een eerdere procedure is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) kort gezegd veroordeeld tot terugbetaling aan Cupola van twee door Cupola gedane aanbetalingen voor twee orders (vermeerderd met rente en kosten). Aan deze veroordeling(en) heeft [bedrijf 2] (nog) niet voldaan. Cupola vordert in deze procedure de bedragen waartoe [bedrijf 2] is veroordeeld van [gedaagde] op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid.
De rechtbank draagt [gedaagde], uit hoofde van de verzwaarde motiveringsplicht, op om op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde informatie en documenten bij akte in het geding te brengen.
3De feiten
3.1
Cupola is een in Canada gevestigde onderneming die handelt in energieprojecten, in de ruimste zin des woords, alsmede in machinerie en installaties met betrekking tot energie, afvalverwerking en recycling.
3.2
[gedaagde] is enig bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]). Laatstgenoemde rechtspersoon is thans enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2].
3.3
Op 28 december 2019 heeft Cupola een (eerste) order bij [bedrijf 2] geplaatst (waaronder een pomp van Allweiler met nummer [nummer 1]) middels een purchase order (met nummer [nummer 2]). In de purchase order staan vermeld een “delivery time” van “14-20 weeks” en een totaalprijs van € 69.940,00, waarop € 50.000,00 moet worden aanbetaald. Bij [bedrijf 2] wordt “[nummer 7]-6710-wier” als referentie vermeld. Voor deze aanbetaling heeft [bedrijf 2] een factuur (“invoice”) met als datum 29 december 2019 verstuurd voor een bedrag van € 50.000,00. Het invoicenummer is [nummer 3]. Op 15 januari 2020 is op de bankrekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 49.970,00 afkomstig van de rekening ten name van The Completed Moon Trading bijgeschreven met omschrijving [nummer 4] [nummer 3]. Er is een opdrachtbevestiging van deze bestelling met als datum 5 februari 2020. Hierop staat: “Delivery: 20 weeks . Ex works ( approx. week 23)”.
3.4
Op 28 september 2020 heeft Cupola een tweede order bij [bedrijf 2] geplaatst (voor andere goederen dan bij de eerste order) middels een purchase order (met nummer 1 170 CU 20). In de purchase order staat een “delivery time” van “14-16 weeks” en een totaalprijs van € 23.200,00 vermeld. Volgens de “payment terms” die staan vermeld in de purchase order moet “70% advanced” worden betaald en “30% shipping time”. Voor deze aanbetaling heeft [bedrijf 2] een factuur (“invoice”) met als datum 29 september 2020 verstuurd voor een bedrag van € 16.240,00. Bij de factuur wordt “Our ref.: [nummer 14]” vermeld.
Op 21 oktober 2020 is op de bankrekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 16.240,00 afkomstig van de rekening ten name van Ares International bijgeschreven.
3.5
Op 6 oktober 2020 heeft Cupola een derde order bij [bedrijf 2] geplaatst. Hiervoor heeft [bedrijf 2] op 7 oktober 2020 een factuur verstuurd voor een aanbetaling. Cupola heeft die aanbetaling niet verricht.
3.6
Op 10 november 2020 heeft [gedaagde], de directeur van [bedrijf 2], aan Cupola gemaild: “(..) Last Friday I was able to split up the orders. So the parts are been expected 5-6 weeks. (..) The pump would take 8 weeks (..)”
3.7
Op 16 november 2020 heeft [bedrijf 2] een bestelling geplaatst bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sulteq Pompen en Revisie B.V. (hierna: Sulteq) voor een Allweiler pump [nummer 5] voor een bedrag van € 21.750,00 exclusief btw. Het vermelde bestelnummer is [nummer 6] en het vermelde projectnummer is [nummer 7]. Bij “Onze ref” staat [nummer 7] vermeld. Bij de commerciële condities wordt onder meer vermeld “Betaling: 80% bij order, 20% bij gereed”.
3.8
Op 16 november 2020 heeft [bedrijf 2] een bestelling geplaatst bij Sulteq voor een insert for Pump [nummer 8] voor een bedrag van € 14,851.43 exclusief btw. Het vermelde bestelnummer is 5126 en het vermelde projectnummer is [nummer 9]. Bij “Onze ref” staat 12612 vermeld.
3.9
Sulteq heeft [bedrijf 2] op of omstreeks 18 november 2020 de volgende vier facturen gestuurd:
Factuurnummer [nummer 10] voor een bedrag van € 18.280,00 exclusief btw
met de volgende omschrijving
“Levering conform onze offerte 20.346738.01 / Pomp SNH2200
80% vooruitbetaling bij opdracht **uw order [nummer 7]**
T.b.v. het totaalbedrag € 22.850,- (…)”
Eveneens wordt “1e betaling” vermeld.
Factuurnummer [nummer 11] voor een bedrag van € 4.570,- exclusief btw met de volgende omschrijving
“Levering conform onze offerte 20.346738.01 / Pomp SNH2200
20% vooruitbetaling bij verzendgereed melding fabriek **uw order [nummer 7]**
T.b.v. het totaalbedrag € 22.850,- (…)”
Pomp blijft eigendom van Sulteq tot het totaalbedrag is betaald voor levering.
Eveneens wordt “2e betaling” vermeld.
Factuurnummer [nummer 12] voor een bedrag van € 11.881,14 exclusief btw met de volgende omschrijving
“Levering conform onze offerte 20.346738.01 / INSERT SNH2200
80% vooruitbetaling bij opdracht **uw order [nummer 9]**
T.b.v. het totaalbedrag € 14.851,43 (…)”
Eveneens wordt “1e betaling” vermeld.
Factuurnummer [nummer 13] voor een bedrag van € 2.970,29 exclusief btw met de volgende omschrijving “20% vooruitbetaling bij verzendgereed melding fabriek.
**uw order [nummer 9]**
T.b.v. het totaalbedrag € 14.851,43 is:
Pomp blijft eigendom van Sulteq tot het totaalbedrag is betaald voor levering.”
Eveneens wordt “2e betaling” vermeld.
3.10
Op 26 april 2021 heeft [gedaagde] aan Cupola ter zake de status van de Allweiler gemaild: “Friday and this morning I had a meeting with Allweiler – the new housing are in production . The deliver time is set on 10 weeks – they try to improve and let me know.”
3.11
Op 2 juni 2021 heeft [gedaagde] aan Cupola gemaild: “Please find the picture of the pillar seal — the de end is in process at this Moment. In 2weeks 1 know more. (…)
The allweiler housing is in process – They are not able to give me a exact date - -we assume 6 weeks.”
3.12
In juni 2022 heeft [gedaagde] gevraagd naar gegevens van de eindgebruiker van de goederen. Deze informatie is namens Cupola verstrekt.
3.13
Op 8 maart 2023 heeft een incassobureau namens Cupola aan RM Support een brief gestuurd met als onderwerp “ingebrekestelling”: “Cupola Energy (...) heeft zich tot ons gewend aangezien de hieronder vermelde vordering nog niet door u is voldaan, hoewel de betalingstermijn reeds lang overschreden is, derhalve stellen wij u wettelijk in gebreke. Inmiddels is uw schuld (…) opgelopen tot € 93.501,84 inclusief wettelijke rente en incassokosten, welke voor uw rekening komen.(..)”
3.14
Op 11 mei 2023 heeft [gedaagde] namens [bedrijf 2] het incassobureau gemaild:
“(..) In ons gesprek gaf ik aan dat [bedrijf 2] geen ontvangsten heeft ontvangen, ten name van Cupola Energy . De eis en incasso names deze firma lijkt me daarom in eerste instantie ongepast.
Er is echter meer omtrent de genoemde Firma:
Deze firma heeft met ons per 6/10/2020 nog een verplichting aangegaan in hun order 042 CU 18 . De lopende bestellingen zijn op hold gezet, daar twee zaken uit blijven welke vereist zijn in deze leveringen. Éen daarvan is de aanbetaling van genoemde schriftelijke order. Tot dat deze niet is voldaan blijven orders op hold. (..)
Daarbij komt nog, dat in uw genoemde bestellingen, deze firma of zijn klant de leveringen hebben bemoeilijkt ,danwel onmogelijk hebben gemaakt .
Het is de leveranciers ter ore gekomen, dat de eindklant zich in een sanctie land bevindt.
Gezien de wereldwijde afspraken zijn de projecten ook door leveranciers op hold gezet.”
3.15
Op 22 augustus 2023 heeft de advocaat van Cupola een brief aan [bedrijf 2] gestuurd waarin hij onder meer [bedrijf 2] sommeert de aanbetalingen terug te betalen.
3.16
Op 6 september 2023 heeft [gedaagde] namens [bedrijf 2] per mail gereageerd op deze brief, waarin onder meer wordt geschreven: “(…) Uw cliënt vergeet te vertellen, dat de leverancier informatie had ontvangen dat naar alle waarschijnlijkheid deze leveringen naar een eindklant in land onder Internationale sanctie regels zou betreffen en om deze reden is de productie afgebroken.(..)”
3.17
Bij brief van 10 september 2023 heeft [gedaagde] namens RM Support gereageerd op een schrijven namens Cupola. Deze brief heeft dezelfde strekking als het hiervoor opgenomen e-mailbericht van 11 mei 2023.
3.13
Op 28 november 2023 heeft de advocaat van Cupola [bedrijf 2] aangeschreven en (onder meer) meegedeeld dat alle overeenkomsten tussen Cupola en [bedrijf 2] worden ontbonden vanwege een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen. Daarbij is [bedrijf 2] gesommeerd om het bedrag van € 89.209,36 binnen 14 dagen te betalen.
3.18
Bij (tussen)vonnis van deze rechtbank, locatie Almelo, van 10 juli 2024 heeft de rechtbank (kort gezegd) geoordeeld dat de koopovereenkomsten tussen Cupola en [bedrijf 2] zijn ontbonden, dat de door [bedrijf 2] ontvangen bedragen door een derde namens Cupola zijn betaald, dat [bedrijf 2] geen beroep op opschorting toekomt en dat [bedrijf 2] de aanbetalingen moet restitueren. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag wanneer de rente begint te lopen.
3.19
Bij (eind)vonnis van 30 oktober 2024 heeft deze rechtbank, locatie Almelo, [bedrijf 2] veroordeeld tot betaling aan Cupola van:
een bedrag van € 49.970,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over het toegewezen bedrag met ingang van 15 januari 2020, tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 16.240,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 21 oktober 2020, tot de dag van volledige betaling.
Daarnaast is [bedrijf 2] veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van de procedure. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissingen in de procedure van Cupola tegen [bedrijf 2] zijn onherroepelijk geworden.
3.20
[bedrijf 2] heeft niet aan het vonnis van 30 oktober 2024 voldaan.
3.21
Nadat daartoe verlof is verleend door de voorzieningenrechter van deze rechtbank is er op 18 november 2025 conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde].
3.22
Omdat de dagvaarding niet tijdig is uitgebracht is namens Cupola opnieuw verzocht om verlof te verlenen om conservatoir beslag te leggen op de woning van [gedaagde]. Dit verlof is op 9 december 2025 verleend.
4Het geschil
4.1
Cupola vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om aan Cupola te betalen een bedrag van € 49.970,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 15 januari 2020, tot de dag van volledige betaling;
II. [gedaagde] veroordeelt om aan Cupola te betalen een bedrag van € 16.240,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 21 oktober 2020, tot de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Cupola van een bedrag ad € 9.931,50, zijnde de buitengerechtelijke kosten in de procedure tussen Cupola en [bedrijf 2], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van deze dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
IV. [gedaagde] veroordeelt om aan Cupola te betalen de proceskosten aangaande de procedure tussen Cupola en [bedrijf 2], zijnde een bedrag van € 9.085,13, te vermeerderen met € 92,00 voor betekening, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
V. [gedaagde] te veroordelen in de beslagkosten en de (na)kosten van de onderhavige procedure.
4.2
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cupola, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cupola, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cupola in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat Cupola gevestigd is in Canada. Dit betekent dat eerst (ambtshalve) beoordeeld zal worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
5.2
[gedaagde] woont in Nederland. De Nederlandse rechter is daarom op grond van artikel 2 Rv bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
5.3
De vraag of [gedaagde], in verband met zijn hoedanigheid als (indirect) bestuurder (naast de vennootschap), voor niet nagekomen verplichtingen van de door hem bestuurde vennootschap jegens derden aansprakelijk is, wordt op grond van artikel 10:119 aanhef en onder e BW beheerst door Nederlands recht.
Maatstaf bestuurdersaansprakelijkheid
5.4
De vorderingen van Cupola jegens [gedaagde] zijn (kort gezegd) gebaseerd op (externe) bestuurdersaansprakelijkheid en gegrond op artikel 6:162 BW. [gedaagde] wordt als (indirect) bestuurder, mede gelet op het bepaalde in artikel 2:11 BW, aansprakelijk gehouden.
5.5
De rechtbank stelt voorop dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt en dat de bestuurder ter zake een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij geldt een hoge drempel: bestuurders zijn niet aansprakelijk voor iedere gemaakte fout of vergissing. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
5.6
Van een persoonlijk ernstig verwijt is sprake als (1) de bestuurder namens de vennootschap verplichtingen aangaat, waarvan hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de vennootschap deze verplichting niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie geleden schade of (2) de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat een door hem bestuurder vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.
5.7
Verder bepaalt artikel 2:11 BW dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
Stelplicht en bewijslast en verzwaarde motiveringsplicht
5.8
Het ligt (in beginsel) op de weg van de benadeelde schuldeiser om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 150 Rv). Onder omstandigheden wordt voor de aangesproken (gewezen) bestuurder een verzwaarde motiveringsplicht aangenomen. Dit is het geval als de bestuurder de volledige zeggenschap heeft over de onderneming, de eiser zijn vordering aannemelijk heeft gemaakt en de informatie ter beoordeling van de vordering in het domein van de bestuurder liggen. Van de bestuurder wordt dan verwacht dat hij in het kader van zijn gemotiveerde betwisting van de stellingen van de schuldeiser nadere gegevens dient te overleggen, bijvoorbeeld over de financiële situatie van de vennootschap, omdat de bestuurder, anders dan de schuldeiser, erover kan beschikken.
Uitgangspunt
5.9
De betalingsverplichting van [bedrijf 2] staat, gelet op de onherroepelijke vonnissen van 10 juli 2024 en 30 oktober 2024, definitief vast. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door [bedrijf 2] van het in het vonnis toegewezen bedrag van € 66.210, - (vermeerderd met rente). [gedaagde] kan in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat hij
niet wordt aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die Cupola door zijn handelen heeft geleden. In dat verband is ook van belang dat de rechtbank in het vonnis van 10 juli 2024 ook bindend heeft beslist dat er namens Cupola aanbetalingen van € 66.210,- zijn gedaan aan [bedrijf 2]. In die zin faalt de stelling van [gedaagde] dat [bedrijf 2] aanbetalingen heeft ontvangen zonder goede verwijzingen en/of te verifiëren afzenders. Voor zover [gedaagde] met zijn stellingname onder randnummer 14 van de conclusie van antwoord beoogt om opnieuw discussie te voeren over de bevoegdheid tot opschorting geldt dat dat in deze procedure niet kan, nu de rechtbank in haar vonnis van 30 oktober 2024 bindend heeft beslist dat [bedrijf 2] geen beroep op opschorting toekomt. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 30 oktober 2024 tegenover [gedaagde] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.
Onrechtmatig handelen van [gedaagde]?
5.10
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat [gedaagde] als enig bestuurder en enig (middellijk) aandeelhouder van [bedrijf 2] de volledige zeggenschap in [bedrijf 2] heeft.
5.11
Voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [bedrijf 2] tot gevolg zou hebben dat zij haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, moet worden beoordeeld of de handelwijze van [gedaagde] overeenkomt met wat is afgesproken met Cupola en wat Cupola redelijkerwijs mocht verwachten. In dat kader zijn ook de mededelingen en/of handelwijze van [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomsten van belang. Cupola verwijt [gedaagde] immers dat haar is voorgespiegeld dat de goederen besteld zouden zijn en geleverd zouden worden, terwijl dat in werkelijkheid niet is gebeurd. [gedaagde] betwist dat er geen bestellingen zijn gedaan en stelt dat zij de door Cupola gekochte zaken heeft besteld bij de leverancier Sulteq. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar de bestelbewijzen, de tekeningen van Sulteq en de facturen van Sulteq. Cupola heeft betoogd dat deze stukken niet overtuigen. Daarbij wijst Cupola (kort gezegd) op een aantal merkwaardigheden/omstandigheden, te weten: (1) de stukken zijn niet in de eerdere procedure overgelegd, terwijl zij destijds al wel beschikbaar moeten zijn geweest, (2) een orderbevestiging van Sulteq/overeenkomst tussen [bedrijf 2] en Sulteq ontbreekt, de overgelegde factuur is van twee dagen na de besteldatum, (3) Cupola heeft de bestellingen al een jaar eerder gedaan, (4) het vermelde typenummer van de pomp op de factuur komt niet overeen met het typenummer van de bestelde pomp door Cupola en (5) afgevraagd kan worden waarom de overgelegde facturen van Sulteq niet zijn betaald, gezien de aanbetalingen van Cupola.
5.12
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat op Cupola de stelplicht en bewijslast rust, van [gedaagde] meer mag worden verwacht ter onderbouwing van zijn verweer. Dit geldt te meer nu de door hem overgelegde stukken de nodige vraagtekens oproepen en hij stellingen inneemt die (vooralsnog) niet of moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Zo blijkt uit de stukken dat er pas op 16 november 2020 goederen (zouden) zijn besteld bij Sulteq, terwijl de eerste order van Cupola dateert van 28 december 2019. Dat is bijna een jaar later. Dit werpt ook de vraag op hoe het e-mailbericht van 10 november 2020, waar ook Cupola naar verwijst, in het licht hiervan moeten worden gezien. Uit dit e-mailbericht van [gedaagde] namens [bedrijf 2] kan worden afgeleid dat de goederen al eerder (zouden) zijn besteld en dat deze binnen enkele weken geleverd (zouden) worden. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat uit de overgelegde facturen van Sulteq blijkt dat [bedrijf 2] aanbetalingen moest doen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat [bedrijf 2] geen aanbetalingen hoefde te doen aan Sulteq. Volgens [gedaagde] is er, mede vanwege Corona (en de chaos die daardoor ontstond) alsook de omstandigheid dat de eerste order van Cupola een vervangingspomp betreft (waarbij de bestaande pomp uit ongeveer 1980 komt) en daarom niet duidelijk was of de pomp gemaakt kon worden, met Sulteq afgesproken dat [bedrijf 2] pas hoefde te betalen als de (vervangings)pomp daadwerkelijk kon worden geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank mag van [gedaagde] worden verwacht dat hij concreet onderbouwt dat met Sulteq is afgesproken dat [bedrijf 2] geen aanbetalingen hoefde te verrichten, nu deze feiten en omstandigheden in zijn domein liggen. Daarbij kan er ook niet aan het door Cupola ingenomen standpunt dat geen enkel bedrijf een pomp gaat maken zonder dat er (een) aanbetaling(en) is/zijn gedaan, voorbij worden gegaan.
5.13
[gedaagde] heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat ten aanzien van de tweede order van Cupola [bedrijf 2] (nog) geen facturen heeft ontvangen. Bestudering van de facturen levert echter op dat deze zien op twee orders van [bedrijf 2], namelijk orders (PO) [nummer 7] en (PO) [nummer 9]. Als deze facturen, in tegenstelling tot wat uit de conclusie van antwoord valt af te leiden, niet ook zien op de tweede order van Cupola (van 28 september 2020), dan roept dat wel de vraag op wanneer de tweede order van Cupola (van 28 september 2020) dan is besteld. De bestellingen die [bedrijf 2] heeft overgelegd betreffen immers (ook en enkel) de orders (PO) [nummer 7] en (PO) [nummer 9]. Uit de aan Cupola toegestuurde factuur lijkt te volgen dat de tweede order van Cupola bij [bedrijf 2] is geregistreerd als order [nummer 14]. Het is aan [gedaagde] om (meer) duidelijkheid te verschaffen over deze tweede order van Cupola in die zin dat hij concreet inzicht geeft wanneer deze order is geplaatst bij de leverancier(s) en op welke wijze deze is gefactureerd door de leverancier(s) aan [bedrijf 2]. Ook deze feiten en omstandigheden liggen in het domein van [gedaagde].
5.14
[gedaagde] voert ook het verweer dat de leveranciers kritischer zijn geworden over de bestemming van de bestellingen, maar onderbouwt dit alleen met een brief van 3 maart 2022. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat dit in dit geval niet, nu deze brief enkel ter illustratie dient. Cupola heeft bovendien betwist dat de door haar bestelde goederen worden geraakt door enige sanctiebepaling. Mede in dat licht bezien en nu de benodigde informatie zich in het domein van [gedaagde] bevindt, kan naar het oordeel van de rechtbank van [gedaagde] verlangd worden dat hij concrete informatie verstrekt waaruit blijkt dat de leverancier(s) van de door Cupola bestelde goederen [bedrijf 2] heeft/hebben verzocht om bij Cupola navraag te doen naar de eindklant(en) van de bestelde goederen in verband met de sanctie- en exportbepalingen en dat de betreffende leverancier(s) uiteindelijk in verband met voornoemde bepalingen heeft/hebben geweigerd om tot levering van de door Cupola bestelde goederen over te gaan.
Tussentijdse slotsom
5.15
Op grond van artikel 22 Rv zal de rechtbank [gedaagde] opdragen de volgende informatie/documenten bij akte in het geding te brengen:
informatie/documenten waaruit blijkt dat met Sulteq is afgesproken dat [bedrijf 2] geen aanbetalingen hoefde te doen betreffende de ten behoeve van Cupola bestelde goederen;
informatie/documenten waaruit blijkt dat de tweede order van Cupola (van 28 september 2020) is geplaatst bij (een) leverancier(s) en op welke wijze deze is gefactureerd door de leverancier(s) aan [bedrijf 2];
informatie/documenten waaruit volgt dat de leverancier(s) ter zake de door Cupola bestelde goederen [bedrijf 2] heeft/hebben verzocht om bij Cupola navraag te doen naar de eindklant(en) van de bestelde goederen in verband met de sanctie- en exportbepalingen en dat de betreffende leverancier(s) uiteindelijk in verband met voornoemde bepalingen heeft/hebben geweigerd om tot levering van de door Cupola bestelde goederen over te gaan.
5.16
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
6.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 21 oktober 2026 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over wat is vermeld onder rechtsoverweging 5.15, waarna Cupola op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,
6.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Egberink en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
Dit vonnis is geregistreerd onder nummer C/08/307226 / HA ZA 23-462.
Vgl. o.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014: 2627 (RCI Financial Services/K).
Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Leeuwarden-Arnhem 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:24 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
Randnummer 11 van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 7 van productie 1 bij de conclusie van antwoord.