Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5719

2026-09-15 Civiel recht 12280413 \ EJ VERZ 26-115
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-26
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12280413 \ EJ VERZ 26-115
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven, geen vergoedingen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.598 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer / rekestnummer: 12280413 \ EJ VERZ 26-115




Beschikking van 15 september 2026




in de zaak van





[eiseres] ,
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. R. de Rijk (Stichting Achmea Rechtsbijstand),



tegen




ASITO PERSONEELSDIENSTEN B.V.,
gevestigd te Almelo,
verwerende partij,
hierna te noemen: Asito,
gemachtigde: mr. M.E. Kikkert.




De zaak in het kort




In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van diverse vergoedingen na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is en er geen aanleiding is om toch een transitievergoeding toe te kennen.





1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1973, is sinds 29 oktober 2021 in dienst bij Asito. Haar functie is [functie] met een loon van € 25,72 bruto per uur.



2.2

Asito heeft op 11 februari 2026 aan (onder anderen) [eiseres] het volgende gemaild:

(...)


Het is in onze regio regelmatig voorgekomen dat [functie] of andere collega’s medewerkers laten starten bij Asito zonder dat er een getekende arbeidsovereenkomst of dat uitzendkrachten geen registratienummer hebben.


(...)


Het is absoluut niet toegestaan dat een medewerker werkzaamheden verricht voordat hij of zij volledig in AFAS is aangemeld en de arbeidsovereenkomst getekend is, noch dat een medewerker doorwerkt nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.





Werken zonder getekende arbeidsovereenkomst en zonder ID-check brengt forse risico’s met zich mee:


Wanneer iemand start zonder getekende arbeidsovereenkomst, betekent dit juridisch dat er geen geldig proeftijdbeding is. De medewerker heeft dan meteen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. We kunnen van de medewerker geen afscheid nemen binnen de proeftijd, omdat er geen rechtsgeldig proeftijdbeding bestaat.


Daarnaast ontstaan er risico’s bij ziekmelding kort na de start van de werkzaamheden. Zonder getekende arbeidsovereenkomst en zonder proeftijdbeding kan de werknemer volledig aanspraak maken op loondoorbetaling gedurende twee jaren, met langdurige loonkosten en verzuimkosten tot gevolg. Als de ID-check niet vooraf is uitgevoerd en de werknemer niet in AFAS is aangemeld, bestaat het risico dat de medewerker niet in Nederland mag werken. Bij controle door de Arbeidsinspectie kan dit leiden tot forse boetes per overtreding. De Arbeidsinspectie is zeer actief binnen onze branche op dit moment.


(...)


Vanaf nu geldt dan ook dat wanneer iemand toch start zonder getekende arbeidsovereenkomst er sancties volgen, net als wanneer een medewerker toch wordt ingezet na afloop van de arbeidsovereenkomst.


(...)


Geen uitzonderingen. Geen interpretaties. Geen “dit moet toch even kunnen, want het is druk”. Bij een onverhoopte keuze tussen inzet van een medewerker zonder het volgen van de juiste procedure of niet leveren – kiezen we voor het laatste, (...).





2.3

Asito heeft [eiseres] op 23 maart 2026 een officiële waarschuwing gestuurd. In de betreffende brief staat onder meer:

(...)


Aanleiding hiervoor (voor het sturen van de hiervoor onder 2.2. vermelde mail, ktr.) was een incident begin dit jaar waarbij u ook betrokken was. Na onderzoek hebben wij vastgesteld dat er toen geen sprake was van opzet en is de casus destijds afgesloten. (...) Helaas hebben wij moeten constateren dat zich opnieuw een dergelijke situatie heeft voorgedaan. Daarom ontvangt u hierbij een officiële waarschuwing. (...)

(...)


Op 6 maart hebben zowel u als de medewerker de overeenkomst digitaal ondertekend in AFAS, waarna de medewerker formeel kon starten met haar werkzaamheden voor Asito. Vervolgens gaf u aan dat de medewerker aanspraak wilde maken op haar contracturen, omdat de ingangsdatum van het contract op 13 februari 2026 stond.


Volgens uw verklaring had de medewerker in de tussentijd echter niet gewerkt vanwege de vertraging in het proces.


(...)


Pas na herhaald doorvragen heeft u erkend dat de medewerker toch eerder is gestart zonder een getekende arbeidsovereenkomst. Daarnaast hebben wij u de gelegenheid geboden om aan te geven of er nog meer soortgelijke situaties spelen. U gaf aan dat dit niet het geval is.


(...)


Indien opnieuw een nieuwe medewerker of uitzendkracht start zonder een getekende arbeidsovereenkomst dan wel een registratienummer voor de uitzendkracht,
beschouwen wij dit als verwijtbaar handelen wat kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.


(...)





2.4

Op 13 april 2026 is [eiseres] bij haar leidinggevende geroepen voor een gesprek. Vervolgens is [eiseres] bij bericht van diezelfde datum (gemaild om 14.00u) gemeld dat zij op non-actief is gesteld. In het betreffende bericht staat:

(...)


Op deze dag heeft er met u en [naam 1] een gesprek plaatsgevonden in het kader van hoor en wederhoor, naar aanleiding van vermoedens van meerdere incidenten. Op basis hiervan zullen wij een onderzoek starten naar het bestaan van een dringende rede voor ontslag op staande voet. (...) Gedurende de looptijd van het onderzoek blijft u op non-actief gesteld, zoals u reeds mondeling is meegedeeld.





De non-actiefstelling houdt in dat u geen werkzaamheden mag verrichten en op geen enkele wijze activiteiten namens Asito mag uitvoeren. (...)





2.5


[eiseres] mailt op 14 april 2026:

(...)


Toen ik vanmiddag thuiskwam heb ik mijn mail gecheckt en zag dat jullie mail op 13-4 om 1400 uur is verstuurd. (...) Door de enorme werkdruk waar Asito van op de hoogte was en is (...) waardoor je niet meer rationeel kunt functioneren is de situatie ontstaan. (...)





2.6

Asito heeft [eiseres] bij brief van 17 april 2026 bericht als volgt:

(...)


Ondanks deze expliciete waarschuwing (de mail van 11 februari 2026, ktr.) en de daarbij gegeven laatste kans (de brief van 23 maart 2026, ktr.), hebben zich nadien opnieuw meerdere, ernstige en deels samenhangende overtredingen voorgedaan, waaronder het laten verrichten van werkzaamheden zonder geldige arbeidsovereenkomst, onjuiste urenverwerking en het opnieuw in dienst nemen van een eerder op staande voet ontslagen medewerker.





In de week van 6 april 2026 is melding gemaakt van onjuiste urenverwerking met betrekking tot de heer [naam 2]. Hij is feitelijk gestart op 3 maart 2026, maar pas op 19 maart 2026 in dienst gemeld. Daarnaast zijn gewerkte uren onjuist verwerkt via het salaris van een andere medewerker ([naam 3]). Ondanks eerdere ontkenning door u, blijkt uit correctieverzoeken dat deze constructie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.




Daarnaast heeft u zonder overleg een medewerker ([naam 3]), die eerder op 31 oktober 2025 op staande voet is ontslagen wegens verwijtbaar handelen, opnieuw in dienst gemeld. Dit is in strijd met de geldende normen en waarden binnen de organisatie.




Met betrekking tot drie proefplaatsingen met startdatum 1 april 2026 is gebleken dat deze medewerkers niet correct in het systeem zijn opgenomen. Ondanks herhaalde verzoeken en instructies vanuit HR is de indiensttreding niet afgerond. Dit heeft ertoe geleid dat medewerkers onverzekerd werkzaamheden hebben verricht. Tevens heeft u, terwijl u op non-actief was gesteld, op 14 april 2026 nog documenten doorgestuurd waarvan u zelf aangaf niet zeker te zijn of alles correct en volledig was verwerkt.




Op 15 april 2026 rond 21.00 uur is opnieuw een correctieverzoek ingediend met betrekking tot uren van de heer [naam 2], hetgeen bevestigt dat er wederom werkzaamheden hebben plaatsgevonden zonder geldige arbeidsovereenkomst. Ook hier heeft u, terwijl u op non-actief was gesteld, nog werkzaamheden verricht.






(...)





U krijgt de gelegenheid om hierover (over een beëindiging van het dienstverband met een vaststellingsovereenkomst, ktr.) na te denken tot uiterlijk maandag 20 april 206 om 17.00 uur. Tot dat moment zullen wij het ontslag op staande voet nog niet effectueren, (...).




2.7

Nadat namens [eiseres] op 20 april 2026 om 16.30 uur om uitstel is verzocht, is Asito bij brief van 21 april 2026 overgegaan tot ontslag op staande voet. Daarbij zijn de hiervoor onder 2.6 vermelde omstandigheden vermeld, waarbij ook is opgemerkt:

Wij zijn van oordeel dat (elk van) deze gedragingen – zowel de afzonderlijke gedragingen ieder voor zich, alsook in onderling verband bezien – een dringende reden vormt op grond waarvan wij u vandaag op staande voet ontslaan.


(...)







3Het verzoek en het verweer


3.1

[eiseres] verzoekt, na vermindering van haar verzoek, de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om Asito te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Verder verzoekt zij veroordeling van Asito tot betaling van rente en (buitengerechtelijke) kosten. Volgens [eiseres] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.



3.2
Asito voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.



3.3
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, in het navolgende ingegaan.






4De beoordeling


4.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [eiseres] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of Asito moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.



4.2
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.



4.3
Het ontslag op staande voet is geregeld in artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel staat dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Er zijn dus drie vereisten voor een geldig ontslag op staande voet:
- De arbeidsovereenkomst moet onverwijld worden opgezegd;
- Er moet sprake zijn van een dringende reden;
- Deze dringende reden moet onverwijld worden meegedeeld.



Dringende reden?




4.4
Volgens [eiseres] zijn de haar verweten handelingen niet komen vast te staan. Voor zover dit wel het geval zou zijn, zou (hooguit) sprake kunnen zijn van disfunctioneren, maar niet van een dringende reden. In het navolgende wordt hierop ingegaan.


- De onjuiste urenverwerking met betrekking tot de heer [naam 2]



4.5
Volgens Asito is deze medewerker feitelijk gestart op 3 maart 2026, maar is hij pas op 19 maart 2026 in dienst gemeld, waarbij gewerkte uren onjuist zijn verwerkt via het salaris van een andere medewerker (zijn partner). [eiseres] heeft in haar verzoekschrift aangevoerd dat “door Asito geen nadere documentatie (is) verstrekt”, waarna zij de gewraakte handeling betwist bij gebrek aan wetenschap. Ter zitting heeft zij, al dan niet naar aanleiding van door Asito overgelegde producties, een en ander niet langer betwist, maar heeft zij te kennen gegeven dat zij ervoor wilde zorgen dat de betreffende medewerker salaris ontving voor gewerkte uren.


- Opnieuw in dienst melden van eerder op staande voet ontslagen medewerker



4.6
Hoewel [eiseres] in haar verzoekschrift heeft vermeld dat zij hiervan (naar mag worden aangenomen van “het ontslag op staande voet”) niet op de hoogte was, heeft zij ter zitting erkend dat zij dat wel was; zij was degene die de betreffende medewerker op staande voet heeft ontslagen (en enige tijd later weer in dienst heeft gemeld).


- Drie proefplaatsingen niet correct in het systeem opgenomen en op 14 april 2026 documenten doorgestuurd tijdens de op non-actief stelling



4.7

Volgens haar verzoekschrift kan [eiseres] dit verwijt niet plaatsen, omdat onduidelijk is om welke medewerkers het gaat en wat precies wordt bedoeld met “niet correct in het systeem opnemen”. Uit Asito’s productie 3 blijkt echter dat op 7 april 2026 aan [eiseres] is gemaild met de vraag of het is gelukt om drie (bij naam genoemde) BBL-medewerkers aan te melden in het systeem, omdat de betreffende HR-medewerker die medewerkers niet terugzag in AFAS.
Welke documenten [eiseres] zou hebben doorgestuurd op 14 april 2026 “waarvan zij zelf aangaf niet zeker te zijn of alles correct en volledig was verwerkt” is in het kader van dit verwijt niet duidelijk geworden.



- Indienen correctieverzoek uren [naam 2], na de op non-actiefstelling



4.8

Hoewel Asito heeft gesteld dat het gaat om een correctieverzoek ingediend op
15 april 2026 rond 21:00 uur, blijkt het te gaan om een op 14 april 2026 rond diezelfde tijd ingediend verzoek.




4.9
Uit het voorgaande volgt dat de hiervoor vermelde handelingen grotendeels zijn komen vast te staan. Naar het oordeel van de kantonrechter is het [eiseres] te verwijten dat zij, in weerwil van de hiervoor onder 2.2 weergegeven waarschuwing, is doorgegaan met het inzetten van medewerkers voordat de indiensttreding correct was afgehandeld. Voor zover zij dit heeft gedaan in verband met de door haar ervaren hoge werkdruk, is dat geen rechtvaardiging. Zij wist immers van de met een dergelijke handelwijze gepaard gaande risico’s voor Asito en ook dat Asito een dergelijke handelwijze niet (meer) zou accepteren (zie de hiervoor onder 2.2. vermelde mail). Dat zij een en ander onbewust zou hebben gedaan, is niet te volgen. Volgens Asito gaat het immers om een simpele naleving van een procesvereiste; niet starten zonder arbeidsovereenkomst en AFAS-registratie. Ook is [eiseres] te verwijten dat zij na haar op non-actief stelling toch werkzaamheden heeft verricht (ter correctie van de uren van [naam 2]). Dat zij zonder overleg een door haar op staande voet ontslagen medewerkster weer in dienst heeft genomen, kan haar ook worden verweten. Niet valt in te zien waarom een werkgever zonder meer (dus: zonder nadere uitleg/nader overleg) zich zou moeten laten welgevallen dat een eerder op staande voet ontslagen werknemer weer in dienst is.



4.10

[eiseres] betoog dat Asito gelet op haar leeftijd, de duur van het dienstverband en de invulling daarvan en de hoge werkdruk had moeten volstaan met een waarschuwing faalt. [eiseres] wás immers gewaarschuwd. Hoe vervelend de door [eiseres] ervaren werkdruk voor haar ook geweest zal zijn, dit vormt onvoldoende rechtvaardiging voor de haar verweten handelingen.



4.11
De conclusie is dan ook dat sprake is van een dringende reden.



Onverwijlde opzegging?




4.12
De volgende vraag is of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven; volgens [eiseres] is dat namelijk niet het geval. Zij heeft aangevoerd dat het gaat om feiten en omstandigheden waarvan Asito al lang voor 21 april 2026 op de hoogte was althans had kunnen c.q. moeten zijn.



4.13
Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die aan de opzegging ten grondslag zijn gelegd, bekend werden bij degene die bevoegd was tot opzegging over te gaan. Indien een werkgever vermoedt dat sprake is van een dringende reden voor ontslag van een werknemer, maar voorafgaand onderzoek naar de juistheid van dat vermoeden noodzakelijk acht, dient hij ook met dat onderzoek de grootst mogelijke voortvarendheid te betrachten. Of de werkgever voldoende voortvarend heeft gehandeld, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij valt onder meer te denken aan aard en omvang van noodzakelijk geacht onderzoek, behoedzaamheid die bij het instellen van zulk onderzoek geboden kan zijn ter voorkoming van onrust in de onderneming van de werkgever, problemen bij bewijsvergaring, wenselijkheid van inwinnen van (juridisch) advies, horen van de betrokken werknemer(s) en tot slot intern overleg. Daarnaast moet de werkgever zorg in acht nemen om te vermijden dat de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen geschaad wordt indien het vermoeden onjuist blijkt.



4.14
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Asito met de nodige voortvarendheid gehandeld door op 13 april 2026, nadat meldingen van meerdere incidenten waren binnengekomen, [eiseres] op non-actief te stellen en door vervolgens, na door haar verricht onderzoek en het horen van [eiseres], laatstgenoemde op 17 april 2026 te laten weten dat zij het voornemen had [eiseres] op staande voet te ontslaan. Door [eiseres] op die datum als alternatief een beëindigingsovereenkomst voor te stellen heeft Asito de onverwijldheid niet verspeeld. Dat al vóór 13 april 2026 bepaalde (HR-)medewerkers op de hoogte waren van enkele incidenten ([naam 2] heeft op 6 april 2026 (overigens tweede Paasdag) gemeld dat hij niet zijn volledige loon had ontvangen en op 7 april 2026 wist de onder 4.7 vermelde HR medewerker dat de door haar genoemde medewerkers niet in AFAS waren geregistreerd), doet aan het voorgaande niet af; zij waren immers niet bevoegd het ontslag te verlenen.



Rechtsgeldig ontslag




4.15
De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Dit betekent dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.



Transitievergoeding?




4.16
Het verzoek om Asito te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding omdat geen sprake zou zijn van ernstige verwijtbaarheid wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [eiseres] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.



4.17

[eiseres] heeft tot slot nog aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar geen transitievergoeding toe te kennen. Daarbij heeft zij herhaald dat zij zich van geen kwaad bewust was en heeft zij gewezen op “de ernstige gevolgen die een gegeven ontslag op staande voet doorgaans voor een werknemer heeft”. Daarbij heeft zij onvermeld gelaten dat zij al kort na het ontslag op staande voet (vóór de indiening van het verzoekschrift) elders in dienst is getreden. Volgens haar hoefde dit ook niet, omdat deze omstandigheid niet behoort te worden meegewogen.



4.18
De kantonrechter volgt haar hierin niet. De vergoeding ex artikel 7:673 lid 8 BW wordt door de rechter toegekend en vloeit dus, anders dan de “normale” transitievergoeding, niet voort uit de wet, waarbij er geen aanleiding is het toetsingsmoment te fixeren op het moment van het ontslag op staande voet. Bij de vraag of voormelde vergoeding moet worden toegekend, is wel degelijk van belang of er ten tijde van de beschikking sprake is, zoals hier, van een dienstverband elders. Nu gesteld noch gebleken is dat (desalniettemin) het ontslag op staande voet ernstige financiële gevolgen heeft gehad voor [eiseres] en hiervoor al is overwogen dat zij had te gelden als gewaarschuwd mens, is er geen aanleiding voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is – een strenge en terughoudend toe te passen maatstaf – haar geen transitievergoeding toe te kennen.



Proceskosten




4.19
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [eiseres]. De proceskosten aan de zijde van Asito worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



4.20
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De kantonrechter



5.1
wijst het verzoek af,



5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



5.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.





!





!


























!









HR 4 november 1983, NJ 1984, 187


Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Artikel 7:673 lid 8 BW.


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.