Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5711

2026-09-15 Civiel recht 11781627
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-26
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11781627
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Na tussenvonnis. Wel tekortkoming, maar ontbinding en ontruiming is op dit moment niet gerechtvaardigd. Voorwaardelijke ontbinding en ontruiming toegewezen. Bewind is geen reden om proceskosten af te wijzen of te compenseren.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.391 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 11781627 \ CV EXPL 25-2062




Vonnis van 15 september 2026




in de zaak van



de stichting

WONINGSTICHTING RENTREE,
uit Deventer,
eisende partij,
hierna te noemen: Rentree,
gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,



tegen





[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene],
uit [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. A. aan het Rot.





1Samenvatting


Na het tussenvonnis van 23 juni 2026 hebben partijen zich bij akte gemotiveerd uitgelaten over de staat van het gehuurde. In dit eindvonnis oordeelt de kantonrechter dat [betrokkene] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen, maar dat deze tekortkoming op dit moment ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt. Dat betekent dat [betrokkene] het gehuurde nu niet hoeft te verlaten, maar de kantonrechter oordeelt ook dat [betrokkene] moet voldoen aan een aantal verplichtingen, zoals het onderhouden van het gehuurde en het toelaten van medewerkers van Rentree. Als zij dat niet doet, zal de huurovereenkomst alsnog worden ontbonden en zal [betrokkene] het gehuurde moeten ontruimen.





2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:



het (tussen)vonnis van 23 juni 2026;


de akte van Rentree;


de akte van de bewindvoerder.





2.2
Ten slotte is bepaald dat de kantonrechter vandaag uitspraak zal doen.





3De verdere beoordeling


3.1
De kantonrechter stelt vast dat er op 7 mei 2026 een huisbezoek heeft plaatsgevonden. [betrokkene], haar begeleider, de bewindvoerder en twee medewerkers van Rentree waren daarbij aanwezig. Tijdens het bezoek zijn er foto’s gemaakt van de staat van het gehuurde en beide partijen hebben de foto’s aan hun akte toegevoegd.



3.2
In haar akte heeft Rentree toegelicht dat al op 9 april 2026 een huisbezoek gepland stond, maar dat [betrokkene] de medewerkers van Rentree en de bewindvoerder toen enkel tot de hal toeliet. [betrokkene] zou hebben gezegd te willen meewerken aan het huisbezoek, maar dat het niet het moment was en dat Rentree geen foto’s mocht maken. Daarna heeft, met tussenkomst van de gemachtigden van partijen, het huisbezoek van 7 mei 2026 plaatsgevonden. Aan de hand van de situatie die Rentree tijdens dat huisbezoek aantrof, handhaaft zij haar stelling dat het gehuurde niet voldoet aan een aanvaardbaar niveau. Rentree wijst erop dat meerdere deuren in het gehuurde beschadigd zijn of uit de sponning hangen, de keuken nog steeds onherstelbaar kapot is, de badkamer nog steeds niet aangesloten is op een afvoer, in de badkamer het plafond afbladdert en er een deur door vocht is aangetast, een slaapkamer is bevuild en een muur is beschadigd. Verder wijst zij erop dat de cv-ketel op de zolder niet vrij staat en het kozijn is aangetast, de klimop in de tuin is overwoekerd, de schuur overvol staat en er ruitschade is in de schuurdeur.



3.3
De bewindvoerder weerspreekt dat er sprake is van een tekortkoming die ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. Volgens hem is er sprake van achterstallig onderhoud waarvan de verantwoordelijkheid bij Rentree ligt, zoals vocht- en schimmel in de badkamer en roest op de radiator. Wat de keuken betreft, voert de bewindvoerder aan dat de staat daarvan niet aan [betrokkene] kan worden toegerekend, omdat het keukenblok minstens 15,5 jaar oud en dus aan vervanging toe is. De bewindvoerder voert verder aan dat het laminaat eigendom is van [betrokkene] en zij daarom geen verantwoording daarover hoeft af te leggen. Daarbij wijst de bewindvoerder erop dat [betrokkene] met minimale financiële middelen moet rondkomen en dat zij het voornemen heeft met behulp van derden een andere vloer te leggen. Tot slot erkent de bewindvoerder dat er spullen en/of kledingstukken in het gehuurde liggen, maar die kunnen volgens hem vrij snel worden opgeruimd als dat nodig is.




[betrokkene] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen





3.4
De kantonrechter overweegt dat een huurder volgens de wet verplicht is om zich als een goed huurder te gedragen (artikel 7:213 BW). Daaronder valt ook de verplichting om goed voor de woning te zorgen. Goede zorg betekent dat de woning op zijn minst opgeruimd en onderhouden is en dat blijft. De bewindvoerder voert weliswaar aan dat opruimen vrij snel kan gebeuren, maar daar ligt nu juist het probleem. Zoals het gehuurde volgens de foto’s op 7 mei 2026 is aangetroffen, betreft namelijk geen eenmalig incident. Uit de door Rentree in deze procedure overgelegde stukken, waaronder de MDO-verslagen en eerder gemaakte foto’s, volgt dat het [betrokkene] ondanks de goede voornemens niet lukt om blijvend aan haar verplichtingen te voldoen, terwijl zij de hulp die haar wordt aangeboden ook niet gemakkelijk aanvaardt. De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling van 23 maart 2026 vastgesteld dat [betrokkene] het probleem inziet en ook dat zij de wil heeft om verandering in de staat van het gehuurde te brengen, maar de kantonrechter stelt ook vast dat de situatie grotendeels onveranderd is gebleven. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat [betrokkene] tekortgeschoten is de nakoming van haar verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat Rentree in beginsel de bevoegdheid heeft om de huurovereenkomst te laten ontbinden.



3.5
Volgens de bewindvoerder is ontbinding niet gerechtvaardigd, omdat het belang van [betrokkene] zwaarder weegt dan het belang van Rentree. Daartoe voert de bewindvoerder aan dat [betrokkene] niet over een vervangende woonruimte noch over een sociaal vangnet beschikt. Met de krapte op de woningmarkt zal dat volgens de bewindvoerder betekenen dat [betrokkene] op straat komt te staan.



3.6
Volgens Rentree is ontbinding wel gerechtvaardigd, omdat zij als toegelaten instelling erop moet toezien dat haar woningen op de juiste manier worden gebruikt. Zij voert aan dat [betrokkene] niet in staat blijkt om zonder de inspanningen en tegemoetkomingen van Rentree en hulpverlening, zich als een goed huurder te gedragen. Volgens Rentree kan niet langer van haar worden verwacht dat het ‘vanzelf goedkomt’.



De tekortkoming rechtvaardigt niet de ontbinding van de huurovereenkomst





3.7
De kantonrechter komt na afweging van de aangevoerde belangen tot het volgende oordeel. De kantonrechter onderkent het probleem waarmee Rentree wordt geconfronteerd, want zoals hiervoor ook opgemerkt, volgt uit de overgelegde stukken dat het ondanks de goede intenties van [betrokkene], moeilijk is om afspraken met haar te maken over de zorg voor en de staat van het gehuurde en [betrokkene] aan de afspraken te houden. Het lijkt geen onwil, maar veeleer onmacht te zijn van [betrokkene] om afspraken na te komen. Tegelijkertijd bevinden zich in het dossier voldoende aanwijzingen die erop duiden dat [betrokkene] tot een kwetsbare groep behoort. Een groep waarvoor Rentree als woningbouwcorporatie in het leven is geroepen en voor waarbij het belang bij het behoud van de (vertrouwde) woonsituatie groot is.



3.8
De kantonrechter acht het dan ook bij deze stand van zaken niet gerechtvaardigd om op dit moment de ontbinding en ontruiming toe te wijzen. De primaire vordering van Rentree zal dan ook worden afgewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de ontbinding en ontruiming onder opschortende voorwaarde zoals Rentree subsidiair heeft gevorderd, toe te wijzen.


3.9
Dat betekent dat [betrokkene] nog een kans krijgt om aan haar verplichtingen als huurder zoals Rentree ze heeft geformuleerd, te voldoen. Dat houdt in dat [betrokkene] het gehuurde in een goede staat, schoon en opgeruimd moet houden, zich als een goed huurder moet gedragen en medewerkers van Rentree op afspraak ten minste twee keer per jaar moet toelaten om het gehuurde te inspecteren. De kantonrechter merkt op dat er weliswaar al een gedragsaanwijzing ligt, maar zoals de bewindvoerder terecht heeft aangevoerd, kan Rentree zich daarop niet beroepen. De gedragsaanwijzing is gesloten nadat het bewind over de (toekomstige) goederen van [betrokkene] is ingesteld. Tegelijkertijd heeft Rentree de gedragsaanwijzing aangemerkt als allonge aan de huurovereenkomst. Daarmee valt de gedragsaanwijzing onder het onder bewind gestelde vermogen en had deze gesloten moeten worden met de bewindvoerder.


3.10
De kantonrechter wijst [betrokkene] erop dat de hierboven genoemde omstandigheden maken dat de belangenafweging op dit moment in haar voordeel uitvalt en dat de kantonrechter daarom bij deze stand van zaken, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde nog niet gerechtvaardigd acht. [betrokkene] moet zich realiseren dat als zij nu niet met behulp van Rentree en hulpverlening aan de verplichtingen voldoet waartoe zij wordt veroordeeld, de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde wel gerechtvaardigd kan zijn en zij dan het gehuurde moet verlaten.



De ontruimingstermijn wordt twee weken





3.11
Rentree heeft een voorwaardelijke ontruimingstermijn van twee weken gevorderd. De kantonrechter acht die termijn redelijk, gelet op alle omstandigheden, met name het feit dat het om een voorwaardelijke ontruimingstermijn gaat.



De proceskosten





3.12

[betrokkene] krijgt als materiële procespartij ongelijk. Daarom moet de bewindvoerder als formele procespartij de kosten die Rentree heeft gemaakt om de procedure te voeren (proceskosten) ten laste van het vermogen van [betrokkene] betalen. De bewindvoerder heeft de kantonrechter verzocht de proceskosten af te wijzen dan wel de proceskosten tussen partijen te compenseren, omdat er sprake is van beschermingsbewind. De kantonrechter wijst dat verzoek af, want hiervoor is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat [betrokkene] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen en dat de subsidiaire vordering van Rentree zal worden toegewezen. Rentree is deze procedure dan ook terecht gestart. Tegen deze achtergrond is het enkele gegeven er bewind is ingesteld onvoldoende om van het uitgangspunt af te wijken dat de partij die ongelijk krijgt de proceskosten van partij die gelijk krijgt moet dragen.



3.13
De proceskosten van Rentree worden begroot op:










- kosten van de dagvaarding


€


120,21







- griffierecht


€


135,00







- salaris gemachtigde


€


434,00


(2 punten × € 217,00)




- nakosten


€


144,00


(+ de kosten van betekening)




Totaal


€


833,21











3.14
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Dat zijn de kosten die Rentree maakt om de bewindvoerder ertoe te brengen aan het vonnis te voldoen. Als de bewindvoerder niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis voldoet en het vonnis daarna is betekend, moet de bewindvoerder ook de kosten van de betekening aan Rentree betalen.



Het vonnis wordt uitvoerbaarheid bij voorraad verklaard





3.15
De proceskostenveroordeling zal, zoals Rentree heeft gevorderd en waarop de bewindvoerder geen verweer heeft gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv). Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als de bewindvoerder niet aan de veroordeling voldoet, ook als hoger beroep zou worden ingesteld.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1
ontbindt de huurovereenkomst tussen Rentree en [betrokkene] met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] en veroordeelt de bewindvoerder om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en te verlaten met al degenen die zich daar vanwege [betrokkene] bevinden en al hetgeen zich daarin vanwege [betrokkene] bevindt, alsmede de woning onder afgifte van alle sleutels daarvan, geheel ter vrije beschikking aan Rentree te stellen onder de opschortende voorwaarde dat [betrokkene] zich niet houdt aan de volgende verplichtingen:


ervoor te zorgen dat de woning in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is en blijft,


ervoor te zorgen dat de tuin in goede staat wordt onderhouden en schoon en opgeruimd is, waarbij de tuin een nette en verzorgde indruk moet maken,


zich als een goed huurder te gedragen,


op afspraak medewerkers van Rentree tot de woning toe te laten om deze te inspecteren, minstens twee keer per jaar;





4.2
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 833,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend;



4.3
verklaart 4.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
15 september 2026.






Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525.