Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5541

2026-09-15 Civiel recht 12330878 \ CV EXPL 26-1469
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12330878 \ CV EXPL 26-1469
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Verstekvonnis vernietigd. Voorwaardelijke O&O.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.877 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: 12330878 \ CV EXPL 26-1469




Vonnis van 15 september 2026




in de zaak van




WONINGSTICHTING ST. JOSEPH,
te Almelo,
oorspronkelijke eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis.



tegen





[partij A]
,
te [woonplaats],
oorspronkelijke gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: de huurder,
gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg,





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 mei 2026;
- het verstekvonnis van deze rechtbank van 16 juni 2026 met zaaknummer 12232779 CV EXPL 26-834;- de verzetdagvaarding van 15 juli 2026.


1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Op de mondelinge behandeling zijn namens de verhuurder verschenen mevrouw [naam 1] (medewerkster huurincasso), vergezeld van [naam 2], werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis gerechtsdeurwaarders & incasso. De huurder is eveneens verschenen, vergezeld van mr. Langeweg en mevrouw [naam 3], werkzaam bij
RA Bewindvoering Nederland. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.




1.3.
Op verzoek van de kantonrechter heeft de verhuurder na de mondelinge behandeling een specificatie van de huurachterstand in het geding gebracht. De huurder heeft hierop bij e-mail van 10 september 2026 gereageerd.



1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
De huurder huurt van de verhuurder de woning gelegen aan de [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 773,36 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.



2.2.
De huurder heeft een huurachterstand laten ontstaan.



2.3.
Bij verstekvonnis van 16 juni 2026 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling aan de verhuurder van € 3.363,96 aan achterstallige huur tot 1 juni 2026, inclusief rente en te vermeerderen met de rente vanaf 1 mei 2026. Ook is de huurder veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan de huurprijs vanaf 1 juni 2026 tot de dag van ontruiming van het gehuurde en in de proceskosten.





3Het geschil


3.1.

De verhuurder vordert bij inleidende dagvaarding – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.838,13 (bestaande uit
€ 3.342,18 aan huurachterstand tot 1 juni 2026, rente en buitengerechtelijke incassokosten). Volgens de verhuurder is aan de zijde van de huurder sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn verbintenissen uit de huurovereenkomst die aan de verhuurder de bevoegdheid geven om de huurovereenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.




3.2.
De kantonrechter heeft bij verstekvonnis de huurovereenkomst ontbonden en de huurder veroordeeld de woning binnen twee weken te ontruimen. Ook de overige vorderingen zijn toegewezen behalve de betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit deel van de vordering is afgewezen omdat er sprake is van een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden van de verhuurder hierover.



3.3.
De huurder vordert in de verzetdagvaarding hem te ontheffen van de veroordelingen uitgesproken bij verstekvonnis van 16 juni 2026, de vorderingen tot ontbinding en ontruiming van de verhuurder af te wijzen danwel haar te ontzeggen en de verhuurder te veroordelen tot betaling van de proceskosten.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat de huurder in zijn verzet kan worden ontvangen en de zaak opnieuw moet worden beoordeeld.






Ambtshalve toetsing





4.2.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom en de gevorderde vergoeding van rente. Met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter als na te melden.



De huurachterstand





4.3.
Omdat de huurder niet heeft betwist dat hij de huurachterstand moet betalen, zal dit deel van de vordering worden toegewezen. De verhuurder heeft op verzoek van de kantonrechter na de mondelinge behandeling een specificatie van de huurachterstand overgelegd. De huurder heeft de genoemde huurachterstand bij e-mail van 10 september 2026 bevestigd. Dat betekent dat aan huurachterstand tot en met september 2026 zal worden toegewezen een bedrag van € 4.788,90.



De wettelijke rente





4.4.
De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, worden toegewezen zoals hierna vermeld, omdat de huurder niet op tijd heeft betaald.



De buitengerechtelijke incassokosten





4.5.
De verhuurder heeft een bedrag van € 474,17 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. In artikel 9 van het huurreglement woonruimte, uitgave mei 2011, is het volgende opgenomen:



““
9.1 Incasso


Als de huurder niet op tijd heeft betaalt of op een andere manier zijn verplichtingen niet nakomt en STJA daardoor verdere (rechts)maatregelen moet nemen, zijn de daaruit voortvloeiende buitengerechtelijke incassokosten, die worden begroot op 15% van de hoofdsom, voor rekening van huurder. De buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de STJA de deurwaarder opdracht geeft om de vordering te innen. (…)”





4.6.

De kantonrechter overweegt over de oneerlijkheid van het beding het volgende. Het beding suggereert dat vanaf het moment dat de vordering uit handen is gegeven direct incassokosten verschuldigd zijn. Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij na het intreden van het verzuim een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW genoemde eisen voldoet. Daarnaast moet in het beding de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden genoemd. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 15 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld.
Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. Als gevolg van bovenstaande wordt de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.




Wat betekent dit voor de huurder?





4.7.
De huurder moet aan de verhuurder betalen een bedrag van € 4.810,68 (bestaande uit € 4.788,90 aan huurachterstand tot en met september 2026 en € 21,78 aan wettelijke rente berekend tot 1 mei 2026), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.342,18 vanaf 1 mei 2026 tot de dag van volledige betaling.



De ontbinding en ontruiming.





4.8.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (HR ECLI:NL:HR:2018:1810). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.



4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand van de huurder zodanig groot is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.



4.10.
Echter hebben de verhuurder en de huurder tijdens de mondelinge behandeling een in het vonnis op te nemen regeling getroffen, inhoudende dat de huurder de lopende huur op tijd betaald. Daarnaast zal de huurder zijn medewerking verlenen aan beschermingsbewind en dient de (nog te benoemen) bewindvoerder vóór 1 januari 2027 contact op te nemen met de (gemachtigde van) de verhuurder om inzicht te geven in de financiële situatie van de huurder en om een haalbare betalingsregeling tussen partijen te bespreken om de achterstand af te lossen. De verhuurder en de huurder hebben ingestemd met voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming onder de vermelde voorwaarden. De kantonrechter zal de regeling hierna opnemen in het dictum. De kantonrechter wijst de huurder erop dat overtreding van de genoemde voorwaarden door hem automatisch met zich brengt dat de huurovereenkomst alsnog is ontbonden en hij de woning alsnog zal moeten ontruimen als verhuurder dat verlangt (en het vonnis ten uitvoer legt). De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld.



De proceskosten.





4.11.
Ondanks dat het verzet gegrond is, krijgt de huurder wel (grotendeels) ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv).




De kosten aan de zijde van de verhuurder worden begroot op:

- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 529,00
- salaris gemachtigde € 667,50 (2 punt x tarief € 253,00)
- nakosten € 126,50
Totaal € 1.314,52.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
vernietigt het op 16 juni 2026 gewezen verstekvonnis met zaaknummer 12232779 CV EXPL 26-834,



5.2.
veroordeelt de huurder om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de verhuurder een bedrag van € 4.810,68 (bestaande uit € 4.788,90 aan huurachterstand tot en met september 2026 plus € 21,78 aan wettelijke rente berekend tot 1 mei 2026), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.342,18 vanaf 1 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;



5.3.
veroordeelt de huurder in de proceskosten tot op heden aan de kant van de verhuurder begroot op € 1.314,52;



5.4.

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan [adres] en veroordeelt de huurder om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met al wie en al wat zich daarin vanwege hem bevindt en geheel ter vrije beschikking van de verhuurder te stellen, met aanzegging dat, indien de huurder daarmee in gebreke mochten blijven, de ontruiming door de deurwaarder zal worden bewerkstelligd en de huurder met alle zich daarop en daarin bevindende personen en niet aan de verhuurder toebehorende roerende zaken uit genoemde gehuurde te doen brengen naar de openbare straat, indien en zodra binnen één jaar na heden aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de huurder betaalt niet of niet tijdig (uiterlijk de 1e van iedere maand) de (volledige) maandelijkse huur aan de verhuurder;
- de huurder werkt niet mee aan beschermingsbewind;
- de (nog te benoemen) bewindvoerder heeft niet vóór 1 januari 2027 contact opgenomen met (de gemachtigde van) de verhuurder om inzicht te geven in de financiële situatie van de huurder en om een haalbare betalingsregeling tussen partijen te bespreken om de achterstand af te lossen.




5.5.
veroordeelt de huurder tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat de huurder de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;



5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,





5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
15 september 2026 (ak)







HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.