Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5512

2026-09-02 Civiel recht C/08/342622 / HA ZA 25-446
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/342622 / HA ZA 25-446
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident. Rechtbank Onbevoegd. Arbitrage.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.320 tekens)
RECHTBANK Overijssel


Civiel recht



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: C/08/342622 / HA ZA 25-446




Vonnis van 2 september 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij A] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij in de hoofdzaak (in conventie), verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. P.H.A. Mulder,



tegen





1
[partij B1],


en




2
2. [partij B2],


beiden wonend in [woonplaats],
gedaagde partijen in de hoofdzaak (in conventie), eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen (in enkelvoud): [partij B],
advocaat: mr. Y. Cenik.





1De procedure


1.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 mei 2026,
- de akte uitlaten na tussenvonnis in incident van [partij B], gedateerd 24 juni 2026,
- de antwoordakte van [partij A], gedateerd 22 juli 2026.


1.2
Aansluitend is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling



In het incident




2.1
De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 27 mei 2026. De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat artikel 49 UAV 2012 – dat onderdeel uitmaakt van de contractsinhoud van partijen – onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a BW. Het gevolg daarvan is dat artikel 49 UAV 2012 in de rechtsverhouding tussen partijen in beginsel buiten beschouwing moet blijven, tenzij [partij B] zich daartegen verzet. De rechtbank heeft partijen gevraagd zich hierover uit te laten, te beginnen bij [partij B].



2.2

[partij B] heeft bij akte aangevoerd dat hij zich verzet tegen het buiten toepassing laten van artikel 49 UAV 2012.



2.3

[partij A] heeft bij antwoordakte aangevoerd dat zij zich in het incident refereert aan het oordeel van de rechtbank. [partij A] heeft daarnaast aangevoerd dat volgens haar van de zijde van [partij B] sprake is van misbruik van recht, met als gevolg dat het beroep van [partij B] op arbitragebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank oordeelt als volgt.



2.4
Gelet op het feit dat [partij B] zich verzet tegen het buiten toepassing laten van artikel 49 UAV 2012, blijft dit achterwege. Artikel 49 UAV 2012 blijft daardoor onderdeel uitmaken van de contractsinhoud tussen partijen. Dit houdt in dat partijen, ten aanzien van het geschil dat nu bij de rechtbank voorligt, een overeenkomst tot arbitrage hebben gesloten.



2.5
De rechtbank verwerpt het beroep van [partij A] op misbruik van procesrecht van de zijde van [partij B] en in het verlengde daarvan de stelling dat het beroep van [partij B] op het arbitragebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvan kan alleen al geen sprake zijn doordat [partij B] in het incident in het gelijk wordt gesteld. Afgezien daarvan geldt dat [partij B] het onbevoegheidsverweer tijdig heeft opgeworpen, te weten bij conclusie van antwoord vóór alle weren in de hoofdzaak.



2.6
De conclusie is dat het bevoegdheidsincident terecht door [partij B] is opgeworpen. De incidentele vordering van [partij B] wordt toegewezen. In de hoofdzaak verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen, gelet op artikel 1022 Rv.



2.7

[partij A] wordt veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten van [partij B] in het incident worden begroot op:










- salaris advocaat


€


979,50


(1,5 punt × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.168,50











2.8

[partij A] heeft met betrekking tot de proceskosten in het incident nog betoogd dat de proceshouding van [partij B] ertoe zou moeten leiden dat [partij B] in de proceskosten in het incident zou moeten worden veroordeeld. De rechtbank ziet daar geen aanleiding voor. Het is [partij A] die de zaak bij de verkeerde rechter heeft ingeleid, gelet op het tussen partijen overeengekomen arbitragebeding. Het staat [partij B] vrij om op dat arbitragebeding een beroep te doen en afstand te doen van de consumentenrechtelijke bescherming die hij aan artikel 6:233 BW kan ontlenen.




In de hoofdzaak





2.9
Omdat het door [partij B] opgeworpen bevoegdheidsincident wordt gehonoreerd, verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen, op grond van artikel 1022 Rv.



2.10
De conclusie is dat [partij A] de zaak bij de verkeerde rechter heeft aangebracht. Gelet daarop wordt [partij A] ook in de hoofdzaak veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [partij B] in de hoofdzaak worden begroot op:









- griffierecht


€


1.374,00







- salaris advocaat


€


1.290,00


(1 punt × € 1.290,00)




Totaal


€


2.664,00



























3De beslissing


De rechtbank




In het incident




3.1
wijst de vordering toe,



3.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.168,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissing weergegeven in rechtsoverweging 3.2.



In de hoofdzaak





3.4
verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.



3.5
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 2.664,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



3.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissing weergegeven in rechtsoverweging 3.5.


Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.




Artikel 1022 Rv.