Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5509
2026-08-26
Civiel recht
C/08/327006 / HA ZA 25-3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBOVE:2026:5509 → ECLI:NL:RBOVE:2026:378
Inhoudsindicatie
Eindbeslissing, gedeeltelijke toewijzing van door eiseres gevorderde bedragen als vergoeding voor in opdracht van gedaagde verrichte werkzaamheden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.520 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/327006 / HA ZA 25-3
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. M.Ch. Kaaks en E.H.F. Dings,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mrs. S. Erkel en R.M.P. Holsbrink.
1De procedure
1.1
Al eerder is op 28 januari 2026 een vonnis gewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de akte onderbouwing uren met producties 48 tot en met 51 van [eiseres]
- de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1
Partijen hebben de mogelijkheden verkend om een lange termijn samenwerking aan te gaan. Intussen zijn partijen al met elkaar gaan samenwerken. Op enig moment is deze samenwerking geëindigd. In het tussenvonnis is al geoordeeld dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op vergoeding in verband met de wijze van beëindiging. Wel heeft [eiseres] aanspraak op een vergoeding in verband met de door haar in opdracht van [gedaagde] verrichte werkzaamheden, waarbij als uitgangspunt een uurloon van € 105,- wordt gehanteerd. Partijen hebben zich nog kunnen uitlaten over het aantal uren dat [eiseres] voor [gedaagde] heeft gewerkt. In dit vonnis komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende vaststaat [eiseres] in totaal 246 uren heeft gewerkt, zodat [gedaagde] in totaal in hoofdsom een bedrag van € 25.830,00 aan [eiseres] moet betalen.
3De verdere beoordeling
3.1
In het tussenvonnis is geoordeeld dat de samenwerking tussen partijen kwalificeert als overeenkomst(en) van opdracht. Verder is geoordeeld dat € 105,- voor de door [naam 1] verrichte werkzaamheden een redelijk uurloon is en is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om “bij akte (nader) te onderbouwen:
dat zij in 2022 144 uren voor [gedaagde] heeft gewerkt;
welke werkzaamheden zij heeft verricht in de uren vermeld in productie 42 bij de dagvaarding, waarvan [gedaagde] stelt dat het haar onduidelijk is wat er in die uren is gebeurd.”
Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid op de akte van [eiseres] te reageren.
[eiseres] heeft bij akte aangegeven dat zij in 2022 144 uur heeft gewerkt en dat zij die inschatting op basis van aantekeningen nader kan onderbouwen.
Volgens [eiseres] verkeert zij in een moeilijk bewijspositie. Voor zover zij daarmee betoogt dat in het licht van de betwisting van [gedaagde] minder van haar kan worden gevergd c.q. aan de betwisting door [gedaagde] hogere eisen zouden moeten worden gesteld, volgt de rechtbank [eiseres] daarin niet.
De uren in 2022
3.2
[eiseres] heeft aan de hand van een reconstructie die is voorzien van een nadere onderbouwing aan de hand van WhatsApp- en mailcorrespondentie betoogd dat [naam 1] tenminste 144 uren heeft gewerkt in 2022. Zij heeft haar werkzaamheden daarbij opgedeeld in 4 clusters.
Take Off 2 aanvraag en strategie (46 uur)
3.2.1
Uit de toelichting en uit de antwoordakte kan worden afgeleid dat op 25 september 2022 in iedere geval enige werkzaamheden zijn verricht, zonder duidelijk inzicht in de omvang. Datzelfde geldt voor 26 september 2022. Volgens [gedaagde] is op deze dagen hooguit een aantal uren besteed aan de aanvraag. Uit de WhatsApp-conversatie volgt verder dat op 27 september 2022 [eiseres] het laatste concept heeft becommentarieerd, zonder dat duidelijkheid is ontstaan over de omvang. De rechtbank schat het aantal uren dat [eiseres] op 25 tot en met 30 september 2022 heeft gewerkt op 8.
Verder staat vast dat [eiseres] bij het interview op 11 november 2022 aanwezig was. [gedaagde] wijst erop dat het interview om 11.00 uur begon en aansluitend is geluncht. De rechtbank schat het aantal gewerkte uren op 11 november 2022 op 2.
[eiseres] heeft gesteld dat zij nog een concept-persbericht heeft opgesteld. Een onderbouwing daarvan ontbreekt, zodat in het licht van de betwisting daarvan niet kan worden aangenomen dat [eiseres] in dit verband aanspraak kan maken op een vergoeding.
Financiële ondersteuning & Business Development (34 uur)
3.2.2
Uit de onderbouwing aan de hand van WhatsAppverkeer volgt dat [eiseres] een overzicht heeft opgesteld met ‘Top 20 Medical Device VCs’. Schattenderwijs zal de rechtbank de hiermee corresponderende uren stellen op 2. Een onderbouwing waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] (i) een strategisch discussiedocument heeft opgesteld, (ii) contact heeft gelegd met Siemens Health, Zoetis, Elanco en Boehringer Ingelheim, (iii) nieuwe toepassingsgebieden heeft verkend, (iv) feedback heeft gegeven voor verschillende investeringsdecks, ontbreekt.
Juridische ondersteuning (NDAs / MTA) (18 uur)
3.2.3
Uit de onderbouwing van [eiseres] kan worden afgeleid dat [eiseres] een ‘material transfer agreement’ heeft voorzien van commentaar en suggesties en een concept-non-disclosure agreement heeft verstrekt. [gedaagde] heeft betwist dat daarmee 18 uur is gemoeid. Schattenderwijs zal de rechtbank uitgaan van 9 uur.
Vergaderingen en bezoeken (46 uur)
3.2.4
[eiseres] stelt aanwezig te zijn geweest bij een vaste (online en fysieke) meeting, tijd heeft zitten in de voorbereiding en opvolging daarvan en maakt voorts aanspraak op vergoeding in verband met reistijd en aanwezigheid bij fysieke afspraken, waaronder NWO te Utrecht. Enige onderbouwing ontbreekt. De onderbouwing die [eiseres] wel heeft verstrekt betreffen vluchtgegevens van een vlucht op 20 september 2023 en een factuur voor een verblijf in een hotel op 21 september 2023. De stukken zien op 2023 en kunnen om die reden niet bijdragen aan een onderbouwing van in 2022 verrichte werkzaamheden. Aangezien enige onderbouwing ontbreekt ziet de rechtbank geen aanleiding voor dit cluster uren te laten vergoeden door [gedaagde] .
3.3
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] aanspraak kan maken op vergoeding van 21 uur. Voor meer uren bieden de in het geding gebracht stukken, in het licht van de betwisting daarvan door [gedaagde] , onvoldoende (concrete) onderbouwing.
De uren in 2023
3.4
[eiseres] heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat zij aanspraak kan maken op (redelijk) loon voor de door haar geleverde werkzaamheden op de in de dagvaarding uiteengezette gronden, waaronder dat sprake is van een overeenkomst van opdracht onder andere productie 42 in het geding gebracht. Onder verwijzing daarnaar maakt zij aanspraak vergoeding van 333 uren.
3.5
Met juistheid heeft [gedaagde] opgemerkt dat, anders dan abusievelijk in het vonnis van 28 januari 2026 is vermeld, productie 42 niet bij dagvaarding, maar voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij akte in het geding is gebracht. Anders dan [gedaagde] ingang lijkt te doen willen vinden, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij niet voldoende in de gelegenheid is geweest om op deze productie te reageren. Voor zover zij meent dat de mondelinge behandeling daarvoor onvoldoende gelegenheid zou hebben geboden, merkt de rechtbank op dat zij voorafgaand aan de behandeling had kunnen vragen om extra spreektijd, maar zij dat niet heeft gedaan. In rechtsoverweging 5.22 van het vonnis van 28 januari 2026 is het verweer van [gedaagde] samengevat weergegeven. Voor zover van belang komt dat verweer neer op het navolgende:
[eiseres] heeft niet alleen tijd is ingevuld die betrekking heeft op de EIC-aanvraag, maar bijvoorbeeld ook tijd die verband houdt met het opstellen van de LOI.
Bij de juistheid van de geregistreerde uren kunnen vraagtekens worden gesteld omdat meerdere keren 8 uren op een dag wordt geregistreerd zonder dat duidelijk is waarvoor en ook voor uren in het weekend en nachtelijke uren is geregistreerd.
Daarnaast heeft [eiseres] per whatsapp van 11 december 2023 gemeld dat hij 96 uur aan de EIC aanvraag zou hebben besteed, en de laatste opgave is een veelvoud daarvan. Daar waar [eiseres] heeft geschreven dat zij de uren vanaf juni 2023 heeft bijgehouden is een dergelijk verschil onbegrijpelijk en onverklaarbaar;
Het lijkt er dus op dat [eiseres] de bestede tijd achteraf heeft opgehoogd, aldus [gedaagde] .
3.6
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank aanleiding gezien [eiseres] in de gelegenheid te stellen welke werkzaamheden zij heeft verricht in de uren vermeld in productie 42 van [eiseres] waarvan [gedaagde] heeft aangevoerd dat haar onduidelijk is wat er in die uren is gebeurd.
3.7
Bij haar akte van 8 april 2026 heeft [eiseres] als productie 50 een overzicht in het geding gebracht, waarbij per registratie zo veel als mogelijk een verband wordt gelegd met de tussen partijen gevoerde WhatsApp-conversatie. Daarmee zou, zo stelt [eiseres] , voldoende inzicht kunnen worden gegeven in omvang en aard van de door [eiseres] verrichte werkzaamheden.
3.8
[eiseres] heeft erop gewezen dat zij haar werkzaamheden niet binnen vaste kantoortijden, maar juist in de avonduren en in de weekenden voor [gedaagde] verrichte. Dat lag volgens haar ook voor de hand, gelet op de aard van deze werkzaamheden. Er bestond geen afspraak of noodzaak om de werkzaamheden tot kantoortijden te beperken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] daarmee een afdoende verklaring gegeven voor de omstandigheid dat in het weekend en ’s nachts uren werden geschreven.
3.9
Aan het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] niet alleen tijd heeft opgevoerd die is gerelateerd aan de EIC-aanvraag gaat de rechtbank voorbij. Gelet op de samenwerking moet worden aangenomen dat voor vergoeding in aanmerking komen de werkzaamheden die [eiseres] op verzoek van [gedaagde] heeft verricht. Dat is dus niet zonder meer beperkt tot de uren die gemoeid zijn met de EIC-aanvraag. De (drie) uren die gemoeid zijn met het opstellen van een LOI komen evenwel niet voor vergoeding in aanmerking. [eiseres] heeft deze uren opgevoerd en daartoe gesteld dat deze betrekking hebben op een algemene LOI. Dat zou zijn gebeurd op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] . [gedaagde] bestrijdt dat. Van een verzoek van [gedaagde] voor het opstellen van een LOI die ten behoeve van meerdere medewerkers zou kunnen worden gebruikt is geen sprake, zo voert zij aan. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar haar productie 17. Dat betreft een e-mail waarin [gedaagde] schrijft dat de LOI waardevol kan zijn omdat het [naam 2] zou kunnen helpen een ontwerp-LOI op te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit die enkele mededeling niet een opdracht tot het opstellen van een LOI die breder kan worden ingezet, worden afgeleid. De rechtbank volgt dus [gedaagde] in haar verweer dat de uren die betrekking hebben op de LOI zijn te relateren aan de tussen partijen gevoerde onderhandelingen over de (juridische) kaders van de samenwerking. De daarop betrekking 3 uren komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.
3.10
Gelet op het onder 3.6 genoemde verweer, met name c. en d. had van [eiseres] mogen verwacht op voldoende inzichtelijke en concrete wijze nader te onderbouwen wanneer zij welke werkzaamheden heeft verricht. Onder punt 34 van haar antwoordakte heeft [gedaagde] een nadere toelichting gegeven op in productie 42 genoemde uren die [eiseres] volgens haar ten onrechte en/of zonder deugdelijke onderbouwing heeft geschreven. Het betreft uren op 6 en 14 januari 2023 (16 uren), 1 en 21 februari 2023 (13 uren), 1 en 10 maart 2023 (14 uren), 3 en 14 april 2023 (15 uren), 2 en 11 mei 2023 (16 uren) en 9 juni 2023 (3 uren). Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat deze door [gedaagde] genoemde uren onvoldoende deugdelijk zijn verantwoord. Zij worden dus in minder gebracht op het totaal van 333 uren die [eiseres] stelt te hebben gemaakt in 2023.Punt 37 van de antwoordakte benoemt dat op 21 en 22 september wel afspraken zijn geweest met [eiseres] , maar niet voor 8 uur; op 22 september 2023 zou [eiseres] na 14.00 de bespreking hebben verlaten. Ook hier geldt dat een voldoende deugdelijke onderbouwing van deze uren ontbreekt. De rechtbank zal in verband hiermee van de 16 opgevoerde uren schattenderwijs 5 uren in mindering brengen. Onder punt 42 wordt gemotiveerd aangevoerd dat de 16 uren die zijn opgevoerd voor de dagen 28 en 29 november 2023 zijn te relateren aan overleg over de vergoeding waarop [eiseres] aanspraak kan maken in verband met haar werkzaamheden en overigens uren betreft die niet aan de werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] zijn te relateren. Ook die uren komen, vanwege een gebrek aan deugdelijke onderbouwing, niet voor vergoeding in aanmerking.
Daarnaast wijst [gedaagde] er in punt 44 en verder op dat niet aannemelijk is dat [eiseres] 40 uren heeft besteed aan een bijdrage van vijf dia’s voor een pitchdek. Schattenderwijs zal het aantal uren worden gesteld op 20, zodat 20 uren in mindering worden gebracht.Voor zover [gedaagde] in haar antwoordakte nog meer uren heeft betwist, acht de rechtbank die betwisting, in het licht van de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken, onvoldoende concreet en door [eiseres] geboden verantwoording deugdelijk.
3.11
Gelet op het voorgaande volgt dat op de 333 door [eiseres] gestelde uren 116 uren in mindering zullen worden gebracht, zodat over 2023 217 uren voor vergoeding in aanmerking komen.
Conclusie
3.12
Uit het voorgaande volgt dat ter vaststelling van het loon waarop [eiseres] aanspraak kan maken de rechtbank uitgaat van in totaal 246 uur (2022 21 uur, 2022 217 uur en 2024 8 uur), zodat [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van € 25.830,00 moet betalen.
3.13
[eiseres] heeft de wettelijke (handels)rente over de verschuldigde vergoeding gevorderd, zonder aan te geven vanaf welke datum. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] door middel van een ingebrekestelling met een termijnstelling in verzuim is geraakt. De rechtbank zal de wettelijke handelsrente toewijzen van de dag waarop [gedaagde] haar conclusie van antwoord heeft ingediend, aangezien dat processtuk valt aan te merken als een mededeling in de zin van 6:83 aanhef en onder c BW.
proceskosten
3.14
Aangezien beide partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 25.830,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
4.2
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft.
4.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op
26 augustus 2026
Productie 49 van [eiseres] .
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/327006 / HA ZA 25-3
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. M.Ch. Kaaks en E.H.F. Dings,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mrs. S. Erkel en R.M.P. Holsbrink.
1De procedure
1.1
Al eerder is op 28 januari 2026 een vonnis gewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de akte onderbouwing uren met producties 48 tot en met 51 van [eiseres]
- de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1
Partijen hebben de mogelijkheden verkend om een lange termijn samenwerking aan te gaan. Intussen zijn partijen al met elkaar gaan samenwerken. Op enig moment is deze samenwerking geëindigd. In het tussenvonnis is al geoordeeld dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op vergoeding in verband met de wijze van beëindiging. Wel heeft [eiseres] aanspraak op een vergoeding in verband met de door haar in opdracht van [gedaagde] verrichte werkzaamheden, waarbij als uitgangspunt een uurloon van € 105,- wordt gehanteerd. Partijen hebben zich nog kunnen uitlaten over het aantal uren dat [eiseres] voor [gedaagde] heeft gewerkt. In dit vonnis komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende vaststaat [eiseres] in totaal 246 uren heeft gewerkt, zodat [gedaagde] in totaal in hoofdsom een bedrag van € 25.830,00 aan [eiseres] moet betalen.
3De verdere beoordeling
3.1
In het tussenvonnis is geoordeeld dat de samenwerking tussen partijen kwalificeert als overeenkomst(en) van opdracht. Verder is geoordeeld dat € 105,- voor de door [naam 1] verrichte werkzaamheden een redelijk uurloon is en is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om “bij akte (nader) te onderbouwen:
dat zij in 2022 144 uren voor [gedaagde] heeft gewerkt;
welke werkzaamheden zij heeft verricht in de uren vermeld in productie 42 bij de dagvaarding, waarvan [gedaagde] stelt dat het haar onduidelijk is wat er in die uren is gebeurd.”
Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid op de akte van [eiseres] te reageren.
[eiseres] heeft bij akte aangegeven dat zij in 2022 144 uur heeft gewerkt en dat zij die inschatting op basis van aantekeningen nader kan onderbouwen.
Volgens [eiseres] verkeert zij in een moeilijk bewijspositie. Voor zover zij daarmee betoogt dat in het licht van de betwisting van [gedaagde] minder van haar kan worden gevergd c.q. aan de betwisting door [gedaagde] hogere eisen zouden moeten worden gesteld, volgt de rechtbank [eiseres] daarin niet.
De uren in 2022
3.2
[eiseres] heeft aan de hand van een reconstructie die is voorzien van een nadere onderbouwing aan de hand van WhatsApp- en mailcorrespondentie betoogd dat [naam 1] tenminste 144 uren heeft gewerkt in 2022. Zij heeft haar werkzaamheden daarbij opgedeeld in 4 clusters.
Take Off 2 aanvraag en strategie (46 uur)
3.2.1
Uit de toelichting en uit de antwoordakte kan worden afgeleid dat op 25 september 2022 in iedere geval enige werkzaamheden zijn verricht, zonder duidelijk inzicht in de omvang. Datzelfde geldt voor 26 september 2022. Volgens [gedaagde] is op deze dagen hooguit een aantal uren besteed aan de aanvraag. Uit de WhatsApp-conversatie volgt verder dat op 27 september 2022 [eiseres] het laatste concept heeft becommentarieerd, zonder dat duidelijkheid is ontstaan over de omvang. De rechtbank schat het aantal uren dat [eiseres] op 25 tot en met 30 september 2022 heeft gewerkt op 8.
Verder staat vast dat [eiseres] bij het interview op 11 november 2022 aanwezig was. [gedaagde] wijst erop dat het interview om 11.00 uur begon en aansluitend is geluncht. De rechtbank schat het aantal gewerkte uren op 11 november 2022 op 2.
[eiseres] heeft gesteld dat zij nog een concept-persbericht heeft opgesteld. Een onderbouwing daarvan ontbreekt, zodat in het licht van de betwisting daarvan niet kan worden aangenomen dat [eiseres] in dit verband aanspraak kan maken op een vergoeding.
Financiële ondersteuning & Business Development (34 uur)
3.2.2
Uit de onderbouwing aan de hand van WhatsAppverkeer volgt dat [eiseres] een overzicht heeft opgesteld met ‘Top 20 Medical Device VCs’. Schattenderwijs zal de rechtbank de hiermee corresponderende uren stellen op 2. Een onderbouwing waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] (i) een strategisch discussiedocument heeft opgesteld, (ii) contact heeft gelegd met Siemens Health, Zoetis, Elanco en Boehringer Ingelheim, (iii) nieuwe toepassingsgebieden heeft verkend, (iv) feedback heeft gegeven voor verschillende investeringsdecks, ontbreekt.
Juridische ondersteuning (NDAs / MTA) (18 uur)
3.2.3
Uit de onderbouwing van [eiseres] kan worden afgeleid dat [eiseres] een ‘material transfer agreement’ heeft voorzien van commentaar en suggesties en een concept-non-disclosure agreement heeft verstrekt. [gedaagde] heeft betwist dat daarmee 18 uur is gemoeid. Schattenderwijs zal de rechtbank uitgaan van 9 uur.
Vergaderingen en bezoeken (46 uur)
3.2.4
[eiseres] stelt aanwezig te zijn geweest bij een vaste (online en fysieke) meeting, tijd heeft zitten in de voorbereiding en opvolging daarvan en maakt voorts aanspraak op vergoeding in verband met reistijd en aanwezigheid bij fysieke afspraken, waaronder NWO te Utrecht. Enige onderbouwing ontbreekt. De onderbouwing die [eiseres] wel heeft verstrekt betreffen vluchtgegevens van een vlucht op 20 september 2023 en een factuur voor een verblijf in een hotel op 21 september 2023. De stukken zien op 2023 en kunnen om die reden niet bijdragen aan een onderbouwing van in 2022 verrichte werkzaamheden. Aangezien enige onderbouwing ontbreekt ziet de rechtbank geen aanleiding voor dit cluster uren te laten vergoeden door [gedaagde] .
3.3
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] aanspraak kan maken op vergoeding van 21 uur. Voor meer uren bieden de in het geding gebracht stukken, in het licht van de betwisting daarvan door [gedaagde] , onvoldoende (concrete) onderbouwing.
De uren in 2023
3.4
[eiseres] heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat zij aanspraak kan maken op (redelijk) loon voor de door haar geleverde werkzaamheden op de in de dagvaarding uiteengezette gronden, waaronder dat sprake is van een overeenkomst van opdracht onder andere productie 42 in het geding gebracht. Onder verwijzing daarnaar maakt zij aanspraak vergoeding van 333 uren.
3.5
Met juistheid heeft [gedaagde] opgemerkt dat, anders dan abusievelijk in het vonnis van 28 januari 2026 is vermeld, productie 42 niet bij dagvaarding, maar voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij akte in het geding is gebracht. Anders dan [gedaagde] ingang lijkt te doen willen vinden, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij niet voldoende in de gelegenheid is geweest om op deze productie te reageren. Voor zover zij meent dat de mondelinge behandeling daarvoor onvoldoende gelegenheid zou hebben geboden, merkt de rechtbank op dat zij voorafgaand aan de behandeling had kunnen vragen om extra spreektijd, maar zij dat niet heeft gedaan. In rechtsoverweging 5.22 van het vonnis van 28 januari 2026 is het verweer van [gedaagde] samengevat weergegeven. Voor zover van belang komt dat verweer neer op het navolgende:
[eiseres] heeft niet alleen tijd is ingevuld die betrekking heeft op de EIC-aanvraag, maar bijvoorbeeld ook tijd die verband houdt met het opstellen van de LOI.
Bij de juistheid van de geregistreerde uren kunnen vraagtekens worden gesteld omdat meerdere keren 8 uren op een dag wordt geregistreerd zonder dat duidelijk is waarvoor en ook voor uren in het weekend en nachtelijke uren is geregistreerd.
Daarnaast heeft [eiseres] per whatsapp van 11 december 2023 gemeld dat hij 96 uur aan de EIC aanvraag zou hebben besteed, en de laatste opgave is een veelvoud daarvan. Daar waar [eiseres] heeft geschreven dat zij de uren vanaf juni 2023 heeft bijgehouden is een dergelijk verschil onbegrijpelijk en onverklaarbaar;
Het lijkt er dus op dat [eiseres] de bestede tijd achteraf heeft opgehoogd, aldus [gedaagde] .
3.6
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank aanleiding gezien [eiseres] in de gelegenheid te stellen welke werkzaamheden zij heeft verricht in de uren vermeld in productie 42 van [eiseres] waarvan [gedaagde] heeft aangevoerd dat haar onduidelijk is wat er in die uren is gebeurd.
3.7
Bij haar akte van 8 april 2026 heeft [eiseres] als productie 50 een overzicht in het geding gebracht, waarbij per registratie zo veel als mogelijk een verband wordt gelegd met de tussen partijen gevoerde WhatsApp-conversatie. Daarmee zou, zo stelt [eiseres] , voldoende inzicht kunnen worden gegeven in omvang en aard van de door [eiseres] verrichte werkzaamheden.
3.8
[eiseres] heeft erop gewezen dat zij haar werkzaamheden niet binnen vaste kantoortijden, maar juist in de avonduren en in de weekenden voor [gedaagde] verrichte. Dat lag volgens haar ook voor de hand, gelet op de aard van deze werkzaamheden. Er bestond geen afspraak of noodzaak om de werkzaamheden tot kantoortijden te beperken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] daarmee een afdoende verklaring gegeven voor de omstandigheid dat in het weekend en ’s nachts uren werden geschreven.
3.9
Aan het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] niet alleen tijd heeft opgevoerd die is gerelateerd aan de EIC-aanvraag gaat de rechtbank voorbij. Gelet op de samenwerking moet worden aangenomen dat voor vergoeding in aanmerking komen de werkzaamheden die [eiseres] op verzoek van [gedaagde] heeft verricht. Dat is dus niet zonder meer beperkt tot de uren die gemoeid zijn met de EIC-aanvraag. De (drie) uren die gemoeid zijn met het opstellen van een LOI komen evenwel niet voor vergoeding in aanmerking. [eiseres] heeft deze uren opgevoerd en daartoe gesteld dat deze betrekking hebben op een algemene LOI. Dat zou zijn gebeurd op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] . [gedaagde] bestrijdt dat. Van een verzoek van [gedaagde] voor het opstellen van een LOI die ten behoeve van meerdere medewerkers zou kunnen worden gebruikt is geen sprake, zo voert zij aan. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar haar productie 17. Dat betreft een e-mail waarin [gedaagde] schrijft dat de LOI waardevol kan zijn omdat het [naam 2] zou kunnen helpen een ontwerp-LOI op te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit die enkele mededeling niet een opdracht tot het opstellen van een LOI die breder kan worden ingezet, worden afgeleid. De rechtbank volgt dus [gedaagde] in haar verweer dat de uren die betrekking hebben op de LOI zijn te relateren aan de tussen partijen gevoerde onderhandelingen over de (juridische) kaders van de samenwerking. De daarop betrekking 3 uren komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.
3.10
Gelet op het onder 3.6 genoemde verweer, met name c. en d. had van [eiseres] mogen verwacht op voldoende inzichtelijke en concrete wijze nader te onderbouwen wanneer zij welke werkzaamheden heeft verricht. Onder punt 34 van haar antwoordakte heeft [gedaagde] een nadere toelichting gegeven op in productie 42 genoemde uren die [eiseres] volgens haar ten onrechte en/of zonder deugdelijke onderbouwing heeft geschreven. Het betreft uren op 6 en 14 januari 2023 (16 uren), 1 en 21 februari 2023 (13 uren), 1 en 10 maart 2023 (14 uren), 3 en 14 april 2023 (15 uren), 2 en 11 mei 2023 (16 uren) en 9 juni 2023 (3 uren). Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat deze door [gedaagde] genoemde uren onvoldoende deugdelijk zijn verantwoord. Zij worden dus in minder gebracht op het totaal van 333 uren die [eiseres] stelt te hebben gemaakt in 2023.Punt 37 van de antwoordakte benoemt dat op 21 en 22 september wel afspraken zijn geweest met [eiseres] , maar niet voor 8 uur; op 22 september 2023 zou [eiseres] na 14.00 de bespreking hebben verlaten. Ook hier geldt dat een voldoende deugdelijke onderbouwing van deze uren ontbreekt. De rechtbank zal in verband hiermee van de 16 opgevoerde uren schattenderwijs 5 uren in mindering brengen. Onder punt 42 wordt gemotiveerd aangevoerd dat de 16 uren die zijn opgevoerd voor de dagen 28 en 29 november 2023 zijn te relateren aan overleg over de vergoeding waarop [eiseres] aanspraak kan maken in verband met haar werkzaamheden en overigens uren betreft die niet aan de werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] zijn te relateren. Ook die uren komen, vanwege een gebrek aan deugdelijke onderbouwing, niet voor vergoeding in aanmerking.
Daarnaast wijst [gedaagde] er in punt 44 en verder op dat niet aannemelijk is dat [eiseres] 40 uren heeft besteed aan een bijdrage van vijf dia’s voor een pitchdek. Schattenderwijs zal het aantal uren worden gesteld op 20, zodat 20 uren in mindering worden gebracht.Voor zover [gedaagde] in haar antwoordakte nog meer uren heeft betwist, acht de rechtbank die betwisting, in het licht van de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken, onvoldoende concreet en door [eiseres] geboden verantwoording deugdelijk.
3.11
Gelet op het voorgaande volgt dat op de 333 door [eiseres] gestelde uren 116 uren in mindering zullen worden gebracht, zodat over 2023 217 uren voor vergoeding in aanmerking komen.
Conclusie
3.12
Uit het voorgaande volgt dat ter vaststelling van het loon waarop [eiseres] aanspraak kan maken de rechtbank uitgaat van in totaal 246 uur (2022 21 uur, 2022 217 uur en 2024 8 uur), zodat [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van € 25.830,00 moet betalen.
3.13
[eiseres] heeft de wettelijke (handels)rente over de verschuldigde vergoeding gevorderd, zonder aan te geven vanaf welke datum. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] door middel van een ingebrekestelling met een termijnstelling in verzuim is geraakt. De rechtbank zal de wettelijke handelsrente toewijzen van de dag waarop [gedaagde] haar conclusie van antwoord heeft ingediend, aangezien dat processtuk valt aan te merken als een mededeling in de zin van 6:83 aanhef en onder c BW.
proceskosten
3.14
Aangezien beide partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 25.830,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
4.2
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft.
4.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op
26 augustus 2026
Productie 49 van [eiseres] .