Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5434
2026-08-25
Civiel recht
12274888 \ CV EXPL 26-2051
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
verzetzaak; vonnis in incident; artikel 143 Rv; is het verzet tijdig ingesteld?
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4161 Rechtbank Overijssel 15-07-2026
- ECLI:NL:HR:2005:AT4071 Hoge Raad 23-09-2005
- ECLI:NL:HR:2021:529 Hoge Raad 09-04-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.475 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12274888 \ CV EXPL 26-2051
Vonnis in het incident in een verzetprocedure van 8 september 2026
in de zaak van
mr. MARK LOEF Q.Q.,
te Deventer,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: mr. Loef q.q. of de curator,
gemachtigde: mr. C. ter Braack,
tegen
[partij A]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. R. Dufour.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding van mr. Loef q.q. van 16 maart 2026- het verstekvonnis van 24 maart 2026 met zaaknummer 12153870 CV EXPL 26-915- de verzetdagvaarding van [partij A] van 19 mei 2026- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator
- de antwoordconclusie in het incident van [partij A] .
1.2
Ten slotte is vonnis in incident bepaald.
2Waar de zaak over gaat
Het gaat in dit vonnis in incident om de vraag of er tijdig verzet is ingesteld van een eerder gewezen verstekvonnis. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid in het verzet. In dit vonnis wordt uitgelegd waarom dat zo is.
3De feiten
3.1
Mr. Loef is curator in het faillissement van [faillliet] (hierna te noemen: failliet). Het faillissement is uitgesproken op 20 augustus 2024. Onderdeel van de boedel was de woning aan de [adres] (hierna: de woning)
3.2
Failliet is de vader van [partij A] (hierna te noemen: [partij A] ).
3.3
[partij A] en zijn broer [naam] hebben de woning gekocht. De koopovereenkomst is getekend op 27 maart 2025 en de levering aan hen heeft op 11 juni 2025 plaatsgevonden.
3.4
De curator heeft [partij A] in een aangetekend verzonden brief van 16 juli 2025 aangesproken tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de woning ter grootte van een bedrag van € 15.500,00 en gerekend over een periode van 31 maanden. In de brief zijn vergoeding van incassokosten (€ 930,00) en wettelijke rente aangezegd voor het geval betaling binnen een termijn van 14 dagen na ontvangst van de brief zou uitblijven.
3.5
Op 27 februari 2026 is er e-mail contact tussen de advocaat van de curator (mr. ter Braack) en mr. R. Dufour. De advocaat van de curator vraagt: “(…) Zou u echter wel kunnen aangeven of u de heer ( [partij A] ) [partij A] zult gaan bijstaan, zodat ik aan uw verzoek inzake het vooraf ontvangen van de concept dagvaarding kan voldoen. (…)”
Daarop antwoordt mr. Dufour: “Geachte confrère, Bij deze de bevestiging.”
3.6
Op 2 maart 2026 verstuurt de advocaat van de curator per e-mail de concept dagvaarding naar mr. Dufour. Op 9 maart 2026 bevestigt mr. Dufour de ontvangst daarvan.
3.7
Op 16 maart 2026 heeft de curator [partij A] gedagvaard en heeft hij gevorderd [partij A] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.500,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 en tot betaling van € 934,00 voor buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure.
3.8
Bij verstekvonnis van 24 maart 2026 (met zaaknummer 12153870 CV EXPL 26-915) is [partij A] veroordeeld tot betaling van € 16.434,00 vermeerderd met wettelijke rente over € 15.500,00 vanaf 16 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Daarnaast is [partij A] veroordeeld in de kosten en de nakosten van de procedure.
3.9
Op 31 maart 2026 stuurt mr. Dufour aan de advocaat van de curator een e-mailbericht, waarin hij schrijft: “Van de griffie begreep ik dat er een verstekvonnis is gewezen in bovengenoemde procedure tegen cliënt, het verstekvonnis zou gisteren aan u zijn toegezonden. Mag ik van u een afschrift van dit vonnis ontvangen? Indien het verstekvonnis een veroordeling van cliënt bevat, dan zal ik verzet instellen tegen dit vonnis en de procedure met voortvarendheid oppakken. Aan u verzoek ik om de executie op te schorten en als u daar niet toe bereid bent, uw verhinderdata door te geven voor een executie kort geding”
3.10
Op 1 april 2026 stuurt mr. Dufour een e-mailbericht aan de griffie van de rechtbank en dit bericht zendt hij door aan de advocaat van de curator. Mr. Dufour schrijft daarin aan de rechtbank:
“Bij uw rechtbank en afdeling zijn op dit moment drie procedures bekend:
Loef q.q.M /(…)
Loef q.q.M./(…)
Loef q.q.M. / [partij A] – verstekvonnis gewezen, na ontvangst vonnis wordt verzet ingesteld.
De drie procedures zien op hetzelfde feitencomplex en de vorderingen zijn vergelijkbaar. In de laatstgenoemde zaak begreep ik dat een verstekvonnis is gewezen, maar er zal verzet worden ingesteld. (…) Een gezamenlijke behandeling is om proceseconomische redenen wel gewenst. Indien u die mening deelt, dan verzoek ik u om een zitting te agenderen voor de drie procedures gezamenlijk. Ik zal dan zorgdragen voor tijdige indiening van de conclusie van antwoord resp. verzetdagvaarding/verweer.”
3.11
Op 9 april 2026 stuurt de griffie van de rechtbank in een pdf bestand een kopie van het verstekvonnis aan de advocaat van de curator en aan mr. Dufour.
3.12
Op 27 april 2026 mailt mr. Dufour aan de curator dat hij verwacht dat “deze week de verzetdagvaarding zal worden betekend”.
3.13
Op 8 mei 2026 is het verstekvonnis aan [partij A] in persoon betekend.
3.14
Op 19 mei 2026 is de verzetdagvaarding van [partij A] aan de curator betekend.
3.15
[partij A] heeft in een kortgedingdagvaarding van 19 juni 2026 bij de kantonrechter primair gevorderd dat de curator de executie van het verstekvonnis zal staken, dan wel subsidiair zal schorsen totdat bij eindvonnis op het geschil is beslist of meer subsidiair zal bepalen dat executie slechts tegen zekerheidstelling door de boedel mag plaatsvinden en daarnaast heeft hij gevorderd dat het gelegde executoriale beslag zal worden opgeheven. Bij vonnis in kort geding van 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:4161) heeft de kantonrechter [partij A] voor een deel niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en voor het andere deel heeft hij de vorderingen afgewezen.
4Het geschil
4.1
[partij A] vordert in zijn verzetdagvaarding dat het verstekvonnis van 24 maart 2026 wordt vernietigd en dat de vorderingen van de curator alsnog worden afgewezen.
4.2
De curator heeft bij incidentele conclusie verzocht om [partij A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzet en hem te veroordelen in de kosten van het incident, primair op grond van het feit dat op 31 maart 2026 door [partij A] een daad van bekendheid is verricht, zodat de verzettermijn na 28 april 2026 is verstreken,subsidiair op grond van het feit dat op 1 april 2026 door [partij A] een daad van bekendheid is verricht, zodat de verzettermijn na 29 april 2026 is verstreken,meer subsidiair op grond van het feit dat de verzettermijn van vier weken pas op 9 april 2026 is aangevangen bij ontvangst van het afschrift van het verstekvonnis via de griffie en die termijn na 7 mei 2026 is verstreken.
4.3
[partij A] heeft in het incident verweer gevoerd.
5De beoordeling in het incident
5.1
De rechtbank dient in dit incident de vraag te beantwoorden of [partij A] tijdig verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 24 maart 2026. De curator heeft bij conclusie in het incident aangevoerd dat dit niet het geval is en dat [partij A] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5.2
Artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat verzet moet worden ingesteld binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde (1) in persoon, of (2) na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Buiten deze gevallen vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan op grond van artikel 143 lid 3 Rv aan (3) op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
5.3
Het verstekvonnis is in persoon betekend aan [partij A] op 8 mei 2026. De curator heeft toegelicht dat het vonnis volgens hem toen in kracht van gewijsde was gegaan en hij daarom de executie niet langer wilde schorsen. Niet in geschil is dat [partij A] tijdig na die betekening in persoon in verzet is gegaan. In dit incident is er discussie over de vraag of de verzettermijn al daarvoor is gaan lopen als gevolg van een daad van bekendheid van [partij A] en zo ja, wanneer die termijn is gestart.
5.4
Uit jurisprudentie volgt dat er sprake moet zijn van een naar buiten gerichte daad van de veroordeelde waaruit bekendheid met het vonnis blijkt. Bekendheid met het vonnis betekent dat iemand weet dat er een veroordeling is. Voldoende is dat hij bekend is met de strekking en hoofdinhoud van het vonnis. De veroordeelde moet weten op vordering van wie, waartoe, wanneer en door welk gerecht hij veroordeeld is, zodat hij aan de hand van die gegevens de nodige maatregelen kan nemen om tijdig in verzet te komen. (Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071).
5.5
In de periode voor de betekening in persoon, heeft de advocaat van [partij A] contact gehad met de griffie van de rechtbank en met de curator over de verstekprocedure. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of daar een daad van bekendheid van [partij A] aan is voorafgegaan. Volgens vaste rechtspraak is een daad van een advocaat namelijk niet op één lijn te stellen met een daad van de veroordeelde zelf. Beoordeeld moet worden of een vermoeden van een daad van bekendheid van [partij A] kan worden aangenomen.
5.6
De kantonrechter is van oordeel dat ten aanzien van het verstekvonnis van 24 maart 2026 met daarin een veroordeling van [partij A] , de verzettermijn is aangevangen op 9 april 2026 en is geëindigd op 7 mei 2026. Aangezien de verzetdagvaarding is uitgebracht op 19 mei 2026 is [partij A] niet tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis. Dat betekent dat hij niet ontvankelijk is in zijn verzet. Dat oordeel wordt hierna nader toegelicht.
5.7
In dit geval staat tussen partijen vast dat de raadsman van [partij A] , mr. Dufour, al vóór het uitbrengen van de dagvaarding aan [partij A] door de curator op de hoogte is gesteld van de inhoud van die dagvaarding. Mr. Dufour heeft namelijk op 27 februari 2026 aan de advocaat van de curator bevestigd dat hij zou optreden als gemachtigde van [partij A] en de conceptdagvaarding is op 2 maart 2026 aan mr. Dufour toegezonden per e-mail (zie hiervoor onder 3.5 en 3.6). De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de advocaat van [partij A] bij aanvang van de procedure bekend was met de inhoud van de dagvaarding. De dagvaarding is op 16 maart 2026 betekend aan [partij A] in persoon. Vaststaat dat er op 24 maart 2026 een verstekvonnis is gewezen.
5.8
Uit het e-mailbericht van 31 maart 2026 van mr. Dufour aan de advocaat van de curator (zie hiervoor onder 3.9) blijkt dat mr. Dufour er op die datum van op de hoogte is dat er een verstekvonnis is gewezen, ook al is hij dan nog niet exact bekend met de bewoordingen van het verstekvonnis. Datzelfde geldt voor het e-mailbericht van mr. Dufour van 1 april 2026 (zie 3.10). De kantonrechter is van oordeel dat het in dit geval gerechtvaardigd is een vermoeden van een daad van bekendheid van [partij A] aan te nemen (vergelijk ECLI:NL:HR:2021:529), die voorafging aan de e-mailberichten van 31 maart 2026 en 1 april 2026. De in deze berichten opgenomen aankondiging van het instellen van verzet, pleegt immers niet zonder opdracht van de cliënt te worden verstuurd aan de advocaat van de wederpartij en aan de rechtbank. Deze e-mailberichten wijzen erop dat aan de aankondiging van het verzet een voorafgaande daad van bekendheid van [partij A] ten grondslag ligt. Die bestaat uit het bespreken van de (hoofd)inhoud van de dagvaarding en het daarna gewezen verstekvonnis en het maken van de afweging om daartegen verzet in te stellen. Voor bekendheid met het verstekvonnis wordt niet vereist dat het vonnis zelf de veroordeelde bekend is doordat hij het heeft gelezen dan wel dat langs andere weg hem de gehele inhoud daarvan bekend is. Voldoende is dat hij bekend is met de strekking en hoofdinhoud van het vonnis. De kantonrechter gaat er van uit dat dit het geval is geweest en bij die beoordeling weegt mee dat de advocaat van [partij A] al voor het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte is gebracht van de inhoud daarvan. De uitkomst van de afweging die [partij A] samen met zijn advocaat heeft gemaakt, heeft zich geuit in de berichten aan de advocaat van de curator en aan de rechtbank. In het e-mailbericht van 31 maart 2026 wordt nog een voorbehoud gemaakt voor het instellen van verzet. Daarin staat namelijk: Indien het verstekvonnis een veroordeling van cliënt bevat, dan zal ik verzet instellen tegen dit vonnis. In het e-mailbericht van 1 april 2026 staat dit voorbehoud niet. In dat bericht wordt ondubbelzinnig aangekondigd dat er verzet wordt ingesteld. Bovendien wordt in die e-mail verzocht om een gezamenlijke behandeling met de twee vergelijkbare lopende zaken tegen de broer van [partij A] en de partner van failliet. Dit verzoek om informele voeging duidt ook op een daad van bekendheid van [partij A] . Hij en zijn advocaat willen graag dat de samenhangende zaken gezamenlijk worden behandeld en de advocaat zal daartoe ‘tijdig verzet instellen’. Mede hieruit volgt dat [partij A] bekend was met de strekking en hoofdinhoud van het vonnis. Het enige wat er op dat moment nog ontbrak was een kopie van het vonnis. Vaststaat dat mr. Dufour dat stuk heeft ontvangen op 9 april 2026. Daarmee was naar het oordeel van de kantonrechter de bekendheid met het verstekvonnis compleet. De omstandigheid dat [partij A] in de periode van 7 april 2026 tot en met 22 april 2026 in China verbleef, maakt dit oordeel niet anders. De afweging en de keus om verzet in te stellen was immers voor zijn vertrek al gemaakt. Vanaf 9 april 2026 is daarom de verzettermijn gaan lopen en de laatste dag daarvan is 7 mei 2026. Na 7 mei 2026 is de verzettermijn verstreken.
5.9
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van de curator toewijsbaar is. Nu de verzetdagvaarding is uitgebracht op 19 mei 2026, is het verzet te laat ingesteld. [partij A] is daarom niet ontvankelijk in zijn verzet. De toewijzing in incident maakt daarom gelijktijdig een einde aan de behandeling van de hoofdzaak, dat wil zeggen aan de verzetprocedure. Het eerder gewezen verstekvonnis blijft in stand.
Proceskosten in het incident
5.10
[partij A] is in het incident in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
576,00
5.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter,
in het incident,
6.1
verklaart [partij A] niet ontvankelijk in zijn verzet tegen het verstekvonnis van 24 maart 2026 met zaaknummer 12153870 CV EXPL 26-915;
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
6.5
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026. (ap)
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12274888 \ CV EXPL 26-2051
Vonnis in het incident in een verzetprocedure van 8 september 2026
in de zaak van
mr. MARK LOEF Q.Q.,
te Deventer,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: mr. Loef q.q. of de curator,
gemachtigde: mr. C. ter Braack,
tegen
[partij A]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. R. Dufour.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding van mr. Loef q.q. van 16 maart 2026- het verstekvonnis van 24 maart 2026 met zaaknummer 12153870 CV EXPL 26-915- de verzetdagvaarding van [partij A] van 19 mei 2026- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator
- de antwoordconclusie in het incident van [partij A] .
1.2
Ten slotte is vonnis in incident bepaald.
2Waar de zaak over gaat
Het gaat in dit vonnis in incident om de vraag of er tijdig verzet is ingesteld van een eerder gewezen verstekvonnis. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid in het verzet. In dit vonnis wordt uitgelegd waarom dat zo is.
3De feiten
3.1
Mr. Loef is curator in het faillissement van [faillliet] (hierna te noemen: failliet). Het faillissement is uitgesproken op 20 augustus 2024. Onderdeel van de boedel was de woning aan de [adres] (hierna: de woning)
3.2
Failliet is de vader van [partij A] (hierna te noemen: [partij A] ).
3.3
[partij A] en zijn broer [naam] hebben de woning gekocht. De koopovereenkomst is getekend op 27 maart 2025 en de levering aan hen heeft op 11 juni 2025 plaatsgevonden.
3.4
De curator heeft [partij A] in een aangetekend verzonden brief van 16 juli 2025 aangesproken tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de woning ter grootte van een bedrag van € 15.500,00 en gerekend over een periode van 31 maanden. In de brief zijn vergoeding van incassokosten (€ 930,00) en wettelijke rente aangezegd voor het geval betaling binnen een termijn van 14 dagen na ontvangst van de brief zou uitblijven.
3.5
Op 27 februari 2026 is er e-mail contact tussen de advocaat van de curator (mr. ter Braack) en mr. R. Dufour. De advocaat van de curator vraagt: “(…) Zou u echter wel kunnen aangeven of u de heer ( [partij A] ) [partij A] zult gaan bijstaan, zodat ik aan uw verzoek inzake het vooraf ontvangen van de concept dagvaarding kan voldoen. (…)”
Daarop antwoordt mr. Dufour: “Geachte confrère, Bij deze de bevestiging.”
3.6
Op 2 maart 2026 verstuurt de advocaat van de curator per e-mail de concept dagvaarding naar mr. Dufour. Op 9 maart 2026 bevestigt mr. Dufour de ontvangst daarvan.
3.7
Op 16 maart 2026 heeft de curator [partij A] gedagvaard en heeft hij gevorderd [partij A] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.500,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 juli 2025 en tot betaling van € 934,00 voor buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente en veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure.
3.8
Bij verstekvonnis van 24 maart 2026 (met zaaknummer 12153870 CV EXPL 26-915) is [partij A] veroordeeld tot betaling van € 16.434,00 vermeerderd met wettelijke rente over € 15.500,00 vanaf 16 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Daarnaast is [partij A] veroordeeld in de kosten en de nakosten van de procedure.
3.9
Op 31 maart 2026 stuurt mr. Dufour aan de advocaat van de curator een e-mailbericht, waarin hij schrijft: “Van de griffie begreep ik dat er een verstekvonnis is gewezen in bovengenoemde procedure tegen cliënt, het verstekvonnis zou gisteren aan u zijn toegezonden. Mag ik van u een afschrift van dit vonnis ontvangen? Indien het verstekvonnis een veroordeling van cliënt bevat, dan zal ik verzet instellen tegen dit vonnis en de procedure met voortvarendheid oppakken. Aan u verzoek ik om de executie op te schorten en als u daar niet toe bereid bent, uw verhinderdata door te geven voor een executie kort geding”
3.10
Op 1 april 2026 stuurt mr. Dufour een e-mailbericht aan de griffie van de rechtbank en dit bericht zendt hij door aan de advocaat van de curator. Mr. Dufour schrijft daarin aan de rechtbank:
“Bij uw rechtbank en afdeling zijn op dit moment drie procedures bekend:
Loef q.q.M /(…)
Loef q.q.M./(…)
Loef q.q.M. / [partij A] – verstekvonnis gewezen, na ontvangst vonnis wordt verzet ingesteld.
De drie procedures zien op hetzelfde feitencomplex en de vorderingen zijn vergelijkbaar. In de laatstgenoemde zaak begreep ik dat een verstekvonnis is gewezen, maar er zal verzet worden ingesteld. (…) Een gezamenlijke behandeling is om proceseconomische redenen wel gewenst. Indien u die mening deelt, dan verzoek ik u om een zitting te agenderen voor de drie procedures gezamenlijk. Ik zal dan zorgdragen voor tijdige indiening van de conclusie van antwoord resp. verzetdagvaarding/verweer.”
3.11
Op 9 april 2026 stuurt de griffie van de rechtbank in een pdf bestand een kopie van het verstekvonnis aan de advocaat van de curator en aan mr. Dufour.
3.12
Op 27 april 2026 mailt mr. Dufour aan de curator dat hij verwacht dat “deze week de verzetdagvaarding zal worden betekend”.
3.13
Op 8 mei 2026 is het verstekvonnis aan [partij A] in persoon betekend.
3.14
Op 19 mei 2026 is de verzetdagvaarding van [partij A] aan de curator betekend.
3.15
[partij A] heeft in een kortgedingdagvaarding van 19 juni 2026 bij de kantonrechter primair gevorderd dat de curator de executie van het verstekvonnis zal staken, dan wel subsidiair zal schorsen totdat bij eindvonnis op het geschil is beslist of meer subsidiair zal bepalen dat executie slechts tegen zekerheidstelling door de boedel mag plaatsvinden en daarnaast heeft hij gevorderd dat het gelegde executoriale beslag zal worden opgeheven. Bij vonnis in kort geding van 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:4161) heeft de kantonrechter [partij A] voor een deel niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en voor het andere deel heeft hij de vorderingen afgewezen.
4Het geschil
4.1
[partij A] vordert in zijn verzetdagvaarding dat het verstekvonnis van 24 maart 2026 wordt vernietigd en dat de vorderingen van de curator alsnog worden afgewezen.
4.2
De curator heeft bij incidentele conclusie verzocht om [partij A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzet en hem te veroordelen in de kosten van het incident, primair op grond van het feit dat op 31 maart 2026 door [partij A] een daad van bekendheid is verricht, zodat de verzettermijn na 28 april 2026 is verstreken,subsidiair op grond van het feit dat op 1 april 2026 door [partij A] een daad van bekendheid is verricht, zodat de verzettermijn na 29 april 2026 is verstreken,meer subsidiair op grond van het feit dat de verzettermijn van vier weken pas op 9 april 2026 is aangevangen bij ontvangst van het afschrift van het verstekvonnis via de griffie en die termijn na 7 mei 2026 is verstreken.
4.3
[partij A] heeft in het incident verweer gevoerd.
5De beoordeling in het incident
5.1
De rechtbank dient in dit incident de vraag te beantwoorden of [partij A] tijdig verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 24 maart 2026. De curator heeft bij conclusie in het incident aangevoerd dat dit niet het geval is en dat [partij A] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5.2
Artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat verzet moet worden ingesteld binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde (1) in persoon, of (2) na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Buiten deze gevallen vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan op grond van artikel 143 lid 3 Rv aan (3) op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
5.3
Het verstekvonnis is in persoon betekend aan [partij A] op 8 mei 2026. De curator heeft toegelicht dat het vonnis volgens hem toen in kracht van gewijsde was gegaan en hij daarom de executie niet langer wilde schorsen. Niet in geschil is dat [partij A] tijdig na die betekening in persoon in verzet is gegaan. In dit incident is er discussie over de vraag of de verzettermijn al daarvoor is gaan lopen als gevolg van een daad van bekendheid van [partij A] en zo ja, wanneer die termijn is gestart.
5.4
Uit jurisprudentie volgt dat er sprake moet zijn van een naar buiten gerichte daad van de veroordeelde waaruit bekendheid met het vonnis blijkt. Bekendheid met het vonnis betekent dat iemand weet dat er een veroordeling is. Voldoende is dat hij bekend is met de strekking en hoofdinhoud van het vonnis. De veroordeelde moet weten op vordering van wie, waartoe, wanneer en door welk gerecht hij veroordeeld is, zodat hij aan de hand van die gegevens de nodige maatregelen kan nemen om tijdig in verzet te komen. (Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071).
5.5
In de periode voor de betekening in persoon, heeft de advocaat van [partij A] contact gehad met de griffie van de rechtbank en met de curator over de verstekprocedure. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of daar een daad van bekendheid van [partij A] aan is voorafgegaan. Volgens vaste rechtspraak is een daad van een advocaat namelijk niet op één lijn te stellen met een daad van de veroordeelde zelf. Beoordeeld moet worden of een vermoeden van een daad van bekendheid van [partij A] kan worden aangenomen.
5.6
De kantonrechter is van oordeel dat ten aanzien van het verstekvonnis van 24 maart 2026 met daarin een veroordeling van [partij A] , de verzettermijn is aangevangen op 9 april 2026 en is geëindigd op 7 mei 2026. Aangezien de verzetdagvaarding is uitgebracht op 19 mei 2026 is [partij A] niet tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis. Dat betekent dat hij niet ontvankelijk is in zijn verzet. Dat oordeel wordt hierna nader toegelicht.
5.7
In dit geval staat tussen partijen vast dat de raadsman van [partij A] , mr. Dufour, al vóór het uitbrengen van de dagvaarding aan [partij A] door de curator op de hoogte is gesteld van de inhoud van die dagvaarding. Mr. Dufour heeft namelijk op 27 februari 2026 aan de advocaat van de curator bevestigd dat hij zou optreden als gemachtigde van [partij A] en de conceptdagvaarding is op 2 maart 2026 aan mr. Dufour toegezonden per e-mail (zie hiervoor onder 3.5 en 3.6). De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de advocaat van [partij A] bij aanvang van de procedure bekend was met de inhoud van de dagvaarding. De dagvaarding is op 16 maart 2026 betekend aan [partij A] in persoon. Vaststaat dat er op 24 maart 2026 een verstekvonnis is gewezen.
5.8
Uit het e-mailbericht van 31 maart 2026 van mr. Dufour aan de advocaat van de curator (zie hiervoor onder 3.9) blijkt dat mr. Dufour er op die datum van op de hoogte is dat er een verstekvonnis is gewezen, ook al is hij dan nog niet exact bekend met de bewoordingen van het verstekvonnis. Datzelfde geldt voor het e-mailbericht van mr. Dufour van 1 april 2026 (zie 3.10). De kantonrechter is van oordeel dat het in dit geval gerechtvaardigd is een vermoeden van een daad van bekendheid van [partij A] aan te nemen (vergelijk ECLI:NL:HR:2021:529), die voorafging aan de e-mailberichten van 31 maart 2026 en 1 april 2026. De in deze berichten opgenomen aankondiging van het instellen van verzet, pleegt immers niet zonder opdracht van de cliënt te worden verstuurd aan de advocaat van de wederpartij en aan de rechtbank. Deze e-mailberichten wijzen erop dat aan de aankondiging van het verzet een voorafgaande daad van bekendheid van [partij A] ten grondslag ligt. Die bestaat uit het bespreken van de (hoofd)inhoud van de dagvaarding en het daarna gewezen verstekvonnis en het maken van de afweging om daartegen verzet in te stellen. Voor bekendheid met het verstekvonnis wordt niet vereist dat het vonnis zelf de veroordeelde bekend is doordat hij het heeft gelezen dan wel dat langs andere weg hem de gehele inhoud daarvan bekend is. Voldoende is dat hij bekend is met de strekking en hoofdinhoud van het vonnis. De kantonrechter gaat er van uit dat dit het geval is geweest en bij die beoordeling weegt mee dat de advocaat van [partij A] al voor het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte is gebracht van de inhoud daarvan. De uitkomst van de afweging die [partij A] samen met zijn advocaat heeft gemaakt, heeft zich geuit in de berichten aan de advocaat van de curator en aan de rechtbank. In het e-mailbericht van 31 maart 2026 wordt nog een voorbehoud gemaakt voor het instellen van verzet. Daarin staat namelijk: Indien het verstekvonnis een veroordeling van cliënt bevat, dan zal ik verzet instellen tegen dit vonnis. In het e-mailbericht van 1 april 2026 staat dit voorbehoud niet. In dat bericht wordt ondubbelzinnig aangekondigd dat er verzet wordt ingesteld. Bovendien wordt in die e-mail verzocht om een gezamenlijke behandeling met de twee vergelijkbare lopende zaken tegen de broer van [partij A] en de partner van failliet. Dit verzoek om informele voeging duidt ook op een daad van bekendheid van [partij A] . Hij en zijn advocaat willen graag dat de samenhangende zaken gezamenlijk worden behandeld en de advocaat zal daartoe ‘tijdig verzet instellen’. Mede hieruit volgt dat [partij A] bekend was met de strekking en hoofdinhoud van het vonnis. Het enige wat er op dat moment nog ontbrak was een kopie van het vonnis. Vaststaat dat mr. Dufour dat stuk heeft ontvangen op 9 april 2026. Daarmee was naar het oordeel van de kantonrechter de bekendheid met het verstekvonnis compleet. De omstandigheid dat [partij A] in de periode van 7 april 2026 tot en met 22 april 2026 in China verbleef, maakt dit oordeel niet anders. De afweging en de keus om verzet in te stellen was immers voor zijn vertrek al gemaakt. Vanaf 9 april 2026 is daarom de verzettermijn gaan lopen en de laatste dag daarvan is 7 mei 2026. Na 7 mei 2026 is de verzettermijn verstreken.
5.9
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van de curator toewijsbaar is. Nu de verzetdagvaarding is uitgebracht op 19 mei 2026, is het verzet te laat ingesteld. [partij A] is daarom niet ontvankelijk in zijn verzet. De toewijzing in incident maakt daarom gelijktijdig een einde aan de behandeling van de hoofdzaak, dat wil zeggen aan de verzetprocedure. Het eerder gewezen verstekvonnis blijft in stand.
Proceskosten in het incident
5.10
[partij A] is in het incident in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
576,00
5.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter,
in het incident,
6.1
verklaart [partij A] niet ontvankelijk in zijn verzet tegen het verstekvonnis van 24 maart 2026 met zaaknummer 12153870 CV EXPL 26-915;
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
6.5
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026. (ap)