Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5336
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. De rechtbank draagt het UWV op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de arbeidsongeschiktheid van eiser per 1 augustus 2022 moet worden vastgesteld op basis van het rapport van 12 februari 2025 van de door eiser ingeschakelde deskundige en de door die deskundige opgestelde FML. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van 12 februari 2025 van de door eiser ingeschakelde deskundige consistent, goed gemotiveerd en concludent is, in tegenstelling tot de rapporten van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van het UWV. Aangezien tussen partijen verder niet in geschil is dat de beperkingen die eiser ervaart uit dezelfde ziekteoorzaak afkomstig zijn als die op basis waarvan de eerdere WIA-beoordelingen hebben plaatsgevonden, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat voor de beoordeling van de onderhavige WIA-aanvraag van eiser bij het rapport van de door eiser ingeschakelde deskundige en de daarin vastgestelde beperkingen moet worden aangesloten.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RBOVE:2023:712 Rechtbank Overijssel 27-02-2023
- ECLI:NL:CRVB:2011:BP6162 Centrale Raad van Beroep 25-02-2011
- ECLI:NL:CRVB:2022:2814 Centrale Raad van Beroep 22-12-2022
- ECLI:NL:CRVB:2018:1683 Centrale Raad van Beroep 31-05-2018
- ECLI:NL:CRVB:2025:132 Centrale Raad van Beroep 22-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2012:BY8136 Centrale Raad van Beroep 28-12-2012
- ECLI:NL:CRVB:2018:1683 Centrale Raad van Beroep 31-05-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.054 tekens)
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/778
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. P.S. Fluit,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
gemachtigde: [gemachtigde].
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Bilanx Adviseurs B.V., uit Almelo (hierna: ex-werkgever)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het niet toekennen van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), die was aangevraagd na een eerdere beëindigde uitkering. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV aan eiser terecht vanaf 1 augustus 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. Het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen, waarbij de arbeidsongeschiktheid van eiser per 1 augustus 2022 moet worden vastgesteld op basis van de FML, zoals vastgesteld door de door eiser ingeschakelde deskundige. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 6 augustus 2024 heeft het UWV aan eiser vanaf 1 augustus 2022 geen WIA-uitkering toegekend. Met het bestreden besluit van 27 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.4.
Tijdens de zitting is geconstateerd dat ex-werkgever belanghebbende is bij deze beroepsprocedure. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om ex-werkgever te kunnen vragen of hij wil deelnemen.
1.5.
Met een bericht van 10 juli 2026 heeft ex-werkgever laten weten deel te willen nemen aan de beroepsprocedure.
1.6.
Vervolgens heeft eiser met een bericht van 14 juli 2026 gemeld dat hij geen toestemming geeft voor het delen van zijn medische gegevens met ex-werkgever.
1.7.
Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een beslissing van 23 juli 2026 bepaald dat de kennisneming van een aantal aangeduide stukken niet wordt toegestaan aan ex-werkgever, maar uitsluitend aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.
1.8.
De rechtbank heeft partijen bericht dat zij een extra zitting niet nodig vindt en partijen in de gelegenheid gesteld een nadere zitting te vragen. Partijen hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
1.9.
Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank geconstateerd dat ten aanzien van een tweetal stukken ten onrechte geen 8:32-beslissing was afgegeven en dat deze stukken mogelijk naar de ex-werkgever zijn gestuurd, terwijl hier medische gegevens in staan vermeld. De rechtbank heeft daarop een aanvullende 8:32-beslissing laten uitgaan en de ex-werkgever verzocht om, voor zover deze stukken door haar zijn ontvangen, aan de rechtbank te retourneren. De rechtbank heeft het onderzoek naar aanleiding hiervan niet heropend. Er is immers geen sprake van een onvolledig onderzoek in de zin van artikel 8:68 van de Awb. Het gaat hier namelijk niet om toevoeging van nieuwe op de inhoud van de zaak betrekking hebbende stukken waarover partijen zich nog niet hebben kunnen uitlaten. De rechtbank zal daarom thans einduitspraak doen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
2.1.
Nu eiser geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan ex-werkgever, zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.
2.2.
Eiser werkte vanaf 1 juli 2010 als belastingadviseur bij ex-werkgever voor gemiddeld 31,88 uur per week. Op 18 oktober 2012 heeft hij zich ziek gemeld. Na een wachttijd van 104 weken en een loondoorbetalingsverplichting van 52 weken heeft het UWV met een besluit van 16 oktober 2015 geweigerd om aan eiser per 16 oktober 2015 een WIA-uitkering toe te kennen. Met een besluit van 2 mei 2016 op het bezwaar van eiser heeft het UWV aan eiser vanaf 15 oktober 2015 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% tot 80% (39,3%). Met een besluit van
22 augustus 2017 heeft het UWV aan eiser vanaf 15 november 2017 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%.
2.3.
Met een brief van 3 oktober 2017 heeft ex-werkgever om herbeoordeling verzocht. Dit heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 51,92% per 25 januari 2017. Dit is onder meer gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2018. Eiser werkte naast zijn uitkering nog bij ex-werkgever. Op 31 december 2017 is het dienstverband geëindigd.
2.4.
Met een brief van 21 januari 2020 heeft ex-werkgever opnieuw om herbeoordeling gevraagd. Daarop heeft het UWV met een besluit van 22 juli 2020 de WIA-uitkering van eiser vanaf 23 september 2020 beëindigd, omdat eiser vanaf 21 juli 2020 minder dan 35% (32,84%) arbeidsongeschikt werd geacht. Met een besluit van 22 december 2020 op het bezwaar van eiser is het UWV bij deze beëindiging van de WIA-uitkering gebleven. De beëindiging van de WIA-uitkering is onder meer gebaseerd op een FML van 13 juli 2020, waarin de beperkingen van eiser per 21 juli 2020 zijn vastgelegd. Uit de rapporten van 21 juli 2020 en 17 december 2020 blijkt dat een arbeidsdeskundige respectievelijk een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep 5 functies hebben geselecteerd die eiser met zijn beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 13 juli 2020, nog kon uitvoeren. Met de middelste van de 3 functies met het hoogste uurloon kon eiser 32,84% minder verdienen dan zijn uurloon als belastingadviseur. Met een uitspraak van 27 februari 2023 met zaaknummer ZWO 21/209 heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van
22 december 2020 ongegrond verklaard. Met een brief van 8 mei 2024 heeft eiser het hoger beroep tegen deze uitspraak ingetrokken.
2.5.
Op 8 augustus 2023 heeft eiser zich per 1 augustus 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Daarop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
2.6.
Eiser heeft met een brief van 27 januari 2026 verzocht om herziening van het besluit van 22 juli 2020, waarmee de WIA-uitkering van eiser vanaf 23 september 2020 is beëindigd en het besluit van 22 december 2020 op het bezwaar van eiser, waarmee het UWV bij die beëindiging van de WIA-uitkering is gebleven. Hij heeft dit verzoek onderbouwd met een verzekeringsgeneeskundige expertise van 12 februari 2025 van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort (hierna: Van Amelsfoort). Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat tegen het besluit op dit herzieningsverzoek bezwaar is gemaakt en dat het UWV nog niet op dat bezwaar heeft beslist. De besluitvorming over het verzoek om herziening is geen onderdeel van deze beroepsprocedure.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
3. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser vanaf 1 augustus 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderzocht of de eerdere beoordeling juist was. Zij vindt dat de mogelijkheden om te werken juist zijn vastgesteld. Gezien de medische informatie uit het dossier en wat er tijdens de hoorzitting is besproken, ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. Er is met de al aangegeven beperkingen in voldoende mate rekening gehouden met de aard en de ernst van de bij eiser vastgestelde ziektebeelden. Er is daarom geen reden om de FML van 13 juli 2020 aan te passen.
Standpunt eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij meer arbeidsongeschikt is dan het UWV heeft aangenomen. Eiser is van mening dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de expertise van 12 februari 2025 van Van Amelsfoort zonder redelijke grond terzijde heeft geschoven. Hij wijst erop dat Van Amelsfoort een ervaren verzekeringsarts is.
4.1.
Eiser stelt dat zijn klachten zijn toegenomen en dat deze toename geobjectiveerd kan worden. De toegenomen klachten leiden tot toegenomen en meer beperkingen dan het UWV heeft aangenomen.
4.2.
Eiser stelt ook dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgaat van onjuiste feiten. Zo gaat zij uit van een onjuiste aandoening.
4.3.
Eiser vindt dat beperkingen moeten worden aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren en voor de geluidsbelasting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd waarom die beperkingen niet zijn aangenomen. Volgens eiser motiveert het UWV ten onrechte ook niet waarom beperkingen die destijds steeds zijn aangenomen nu niet meer aan de orde zijn. Eiser verwijst naar de verzekeringsgeneeskundige expertise van 12 februari 2025 van verzekeringsarts Van Amelsfoort. Verder is eiser van mening dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beoordeling niet conform een uitvoeringsbericht SMZ heeft uitgevoerd.
4.4.
Verder stelt eiser dat de zorg voor zijn echtgenote ten onrechte buiten beschouwing wordt gelaten. Eiser is mede daardoor niet in staat om adequaat te blijven functioneren, zodat dit wel in de beoordeling had moeten worden betrokken.
4.5.
Daarnaast voert eiser aan dat het dagverhaal blijk geeft van behoefte aan rustmomenten en dat daarmee onvoldoende rekening is gehouden. Er is een noodzaak tot het nemen van rustmomenten overdag met zeker 1 uur aan het einde van de dag. Een verdergaande urenbeperking is plausibel.
4.6.
Daarnaast zijn volgens eiser functies geduid die niet passend zijn. Ten onrechte is niet onderbouwd dat aanpassingen waarmee blootstelling aan huisstofmijt of stof of nikkel kan worden voorkomen daadwerkelijk worden gerealiseerd in de functies die zijn geduid. Ook is volgens eiser onvoldoende gemotiveerd dat in de functie archiefmedewerker geen sprake is van blootstelling aan stof.
4.7.
Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met nadere rapporten van 19 maart 2026,
25 maart 2026 en 17 juni 2026 van Van Amelsfoort.
Reactie UWV
5. Uit het verweerschrift blijkt dat het UWV bij zijn standpunt blijft dat eiser vanaf
1 augustus 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding van het beroep van eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nader ongedateerd rapport en een gewijzigde FML van 1 juni 2026 opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft in een rapport van 3 juni 2026 geconcludeerd dat eiser met de gewijzigde FML nog steeds in staat is de met de arbeidskundige rapporten van 21 juli 2020 en 17 december 2020 geselecteerde functies te verrichten.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
6.1.
Artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA bepaalt dat het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.
Artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van de Wet WIA bepaalt dat indien op grond van artikel 56 het recht op een WGA-uitkering is geëindigd, het recht op die uitkering herleeft op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
6.2.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser is vanaf 23 september 2020 beëindigd, omdat hij vanaf 21 juli 2020 minder dan 35% (32,84%) arbeidsongeschikt werd geacht. Eiser heeft zich op 8 augustus 2023 per 1 augustus 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Voor de vraag of eiser met ingang van deze datum aanspraak kan maken op een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, is allereerst van belang of die datum is gelegen binnen vijf jaar na 23 september 2020. Dat is het geval.
6.3.
Ten aanzien van de vraag per welke datum of over welk tijdvak de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet plaatsvinden, is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), dat (1) het beoordelingstijdvak in een situatie als deze zich uitstrekt over de periode van de gestelde toename van de beperkingen tot de datum waarop een verzekerde zich tot het UWV heeft gewend en (2) dat het feit dat de beoordeling zich in de praktijk pleegt uit te strekken tot de datum van het onderzoek door de verzekeringsarts uit het oogpunt van doelmatigheid geen bezwaren ontmoet. Dit betekent dat in deze procedure de periode vanaf 1 augustus 2022 (gestelde toename van de beperkingen) tot en met 19 januari 2026 (datum van het onderzoeksrapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep) van belang is.
6.4.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van eiser op 1 augustus 2022 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen enerzijds de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 13 juli 2020, die heeft geleid tot de beëindiging van de WIA-uitkering vanaf 23 september 2020 en anderzijds de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 1 augustus 2022.
6.5.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet, als sprake blijkt van toegenomen beperkingen, buiten twijfel staan dat deze toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 57 van de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is. Voor de beantwoording van de vraag of de toegenomen beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak moet de vergelijking worden gemaakt met de medische beperkingen voorafgaand aan de beëindiging. Het gaat dan om de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerder toegekende uitkering. Hierbij zal het veelal gaan om een toename van de destijds in de eerdere FML opgenomen beperkingen. Volgens vaste rechtspraak is het ook mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen, mits deze nieuwe beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerder vastgestelde beperkingen.
6.6.
Eerst moet beoordeeld worden of het UWV er terecht vanuit gaat dat per
1 augustus 2022 geen sprake is van toegenomen beperkingen in vergelijking met de FML van 13 juli 2020. Daartoe zal de rechtbank het verzekeringsgeneeskundig onderzoek beoordelen.
Verzekeringsgeneeskundig onderzoek
6.7.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bestaat uit rapporten van 26 maart 2024 en
5 augustus 2024 van verzekeringsarts M.J.J. Buscher en een rapport van 19 januari 2026 van verzekeringsarts bezwaar en beroep J. Oliveiro (hierna: Oliveiro).
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is. Dit blijkt onder meer uit het volgende.
6.9.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten een onjuiste maatstaf hanteren. In de rapporten is onderzocht of sprake is van nieuwe medische feiten die moeten leiden tot meer en/of zwaardere beperkingen in de FML. Zoals hiervoor is overwogen is echter van belang of per 1 augustus 2022 sprake is van toegenomen beperkingen in vergelijking met de FML van 13 juli 2020.
6.10.
Verder stelt de rechtbank vast dat Oliveiro haar rapport heeft gebaseerd op een onjuiste aanname. Zij gaat ervan uit dat eiser heeft gemeld dat zijn klachten het gevolg zijn van een bepaalde aandoening. Eiser heeft die aandoening echter niet genoemd en uit de medische informatie blijkt ook niet dat van die aandoening sprake is. Uit de informatie komt wel naar voren dat eiser een andere aandoening heeft, zoals ook eiser in diens aanvullende gronden in de e-mail van 8 april 2026 nog eens uiteen heeft gezet. De rechtbank is daarom van oordeel dat het rapport van Oliveiro niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusie dat de klachten van eiser niet geobjectiveerd kunnen worden er niet logisch uit voortvloeit.
6.11.
Bij de vrouw van eiser is in april 2023 een ernstige ziekte geconstateerd. Ze is behandeld en geopereerd. Volgens Oliveiro is het invoelbaar dat dit heeft gezorgd voor wijzigingen in de belastbaarheid van eiser en dat dit mentaal belastend voor hem is. Ze schrijft dat dit een normale reactie is op abnormale gebeurtenissen. Hiermee gaat Oliveiro zonder enige onderbouwing evenwel voorbij aan het feit van algemene bekendheid dat stress grote invloed kan hebben op het ziekteverloop van een persoon en de ernst van de klachten die hij als gevolg daarvan ervaart. Eiser heeft te maken gehad met zware stressvolle problematiek. Zijn partner, die hem dagelijks ondersteunde, was ernstig ziek en kon hem geen ondersteuning meer geven. Eiser heeft hier ook invoelbaar over verklaard ter zitting.
6.12.
De rechtbank is van oordeel dat Van Amelsfoort in zijn rapport van 12 februari 2025, in tegenstelling tot de verzekeringsarts bezwaar en beroep, uitgebreid en goed gemotiveerd onderbouwt waarom hij tot de door hem geconstateerde beperkingen komt. Van Amelsfoort hanteert de juiste maatstaf, is wel uitgegaan van de juiste aandoening en heeft wel rekening gehouden met de grote invloed van stressfactoren op het leven van eiser. De rechtbank is verder van oordeel dat Van Amelsfoort op gedegen wijze heeft onderbouwd dat in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML-en van 5 augustus 2024 en 8 mei 2025 ten opzichte van de FML van 16 maart 2018 beperkingen zijn komen te vervallen zonder dat daarvoor een motivering is gegeven. Van Amelsfoort heeft dit hersteld door deze beperkingen alsnog vast te stellen. Hoewel de rechtbank in deze beroepsprocedure geen oordeel kan vellen over de door eiser gevraagde herziening van het besluit van 22 juli 2020 en het besluit op bezwaar van 22 december 2020, is de rechtbank van oordeel dat deze beperkingen per 1 augustus 2022 (datum in geding in deze procedure) hoe dan ook weer moeten worden aangenomen. De aanvraag van eiser waarop de besluitvorming in deze procedure ziet, heeft immers op de periode vanaf die datum betrekking en van Amelsfoort heeft gedegen gemotiveerd dat en waarom die beperkingen ook op die datum van toepassing waren. Het UWV, althans de verzekeringsarts bezwaar en beroep, had die beperkingen dan ook, zo nodig met toepassing van artikel 76 Wet WIA, weer moeten opnemen in de FML.
6.13.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het rapport van 12 februari 2025 van Van Amelsfoort consistent, goed gemotiveerd en concludent is, in tegenstelling tot de rapporten van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van het UWV. Aangezien tussen partijen verder niet in geschil is dat de beperkingen die eiser ervaart uit dezelfde ziekteoorzaak afkomstig zijn als die op basis waarvan de eerdere WIA-beoordelingen hebben plaatsgevonden, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat voor de beoordeling van de onderhavige WIA-aanvraag van eiser bij het rapport van Van Amelsfoort en de daarin vastgestelde beperkingen moet worden aangesloten.
6.14.
Aldus zullen de arbeidsbeperkingen zoals Van Amelsfoort deze heeft opgenomen in zijn rapport van 12 februari 2025 en de door hem opgestelde FML, volledig moeten worden overgenomen in het nieuw te nemen besluit van het UWV. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het UWV opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de arbeidsongeschiktheid van eiser per 1 augustus 2022 moet worden vastgesteld op basis van het rapport van 12 februari 2025 van Van Amelsfoort en de door Van Amelsfoort opgestelde FML.
Conclusie en gevolgen
7.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dit leidt tot een bedrag van € 1.868,-. Verder heeft eiser een deskundige ingeschakeld, waarvan de kosten van € 5.158,23 voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 7.026,23.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2026;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 7.026,23 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Rechtbank Overijssel 27 februari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:712.
Om medische terminologie zoveel mogelijk te vermijden, schrijft de rechtbank dit uitvoeringsbericht in deze uitspraak niet volledig uit.
Zie onder meer CRvB 25 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6162 en CRvB 22 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2814.
Zie CRvB 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683 en CRvB 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:132.
Zie CRvB (28 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY8136 en CRvB 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
Zie over de invloed van stress op ziekteverloop bijvoorbeeld: https://www.ggznieuws.nl/lage-weerstand-door-stress-nieuw-inzicht-in-hoe-stress-het-immuunsysteem-beinvloedt/, en https://www.columbiadoctors.org/news/chronic-stress-can-hurt-your-overall-health. Het wetenschappelijke artikel waarnaar in het artikel in de eerste link wordt verwezen is: Hao Chang, Matthew H. Perkins, Leonardo S. Novaes, Feng Qian, Tong Zhang, Peter H. Neckel, Simon Scherer, Ruth E. Ley, Wenfei Han, Ivan E. de Araujo, Stress-sensitive neural circuits change the gut microbiome via duodenal glands, Cell, Volume 187, Issue 19, 2024, Pages 5393-5412.e30, ISSN 0092-8674, https://doi.org/10.1016/j.cell.2024.07.019.