Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5219
2026-08-27
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ak_26_996
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PW. Afwijzing van het verzoek van eiseres om kwijtschelding van een terugvordering. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBOVE:2023:530 Rechtbank Overijssel 13-02-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:2207 Centrale Raad van Beroep 11-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2024:1696 Centrale Raad van Beroep 31-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.927 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/996
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres]),
gemachtigde: [gemachtigde 1],
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college),
gemachtigde: [gemachtigde 2].
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van [eiseres] om kwijtschelding van een terugvordering van € 2.550,-. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
1.1.
Het college heeft in augustus 2023 van [eiseres] een bedrag van € 10.076,36 aan gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd, omdat zij beschikte over een aandeel in een woning in Suriname en daardoor over een vermogen dat hoger was dan de voor haar geldende vermogensgrens.
1.2.
Het door [eiseres] ingestelde beroep met zaaknummer 23/1578 heeft de rechtbank met de uitspraak van 22 december 2023 ongegrond verklaard. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De toenmalig gemachtigde van [eiseres] heeft op 27 januari 2025 namens [eiseres] met het college de schikking getroffen dat het terugvorderingsbedrag wordt gematigd tot € 2.550,-, dat het hoger beroep wordt ingetrokken, en dat daarmee het geschil is beslecht. Bij de totstandkoming van deze schikking is uitgegaan van een waarde van de woning van € 50.000,-. De makelaarskosten van € 5.000,- zijn daarop in mindering gebracht en het resterende bedrag van € 45.000,- is gedeeld door drie, rekening houdend met het op de woning rustende vruchtgebruik van moeder en twee dochters die eigenaar zijn. [eiseres] kan daarmee beschikken over een aandeel in de woning van € 15.000,-.
1.3.
Bij brief van 13 augustus 2025 heeft (de huidige gemachtigde van) [eiseres] het college verzocht om kwijtschelding van de vordering van € 2.550,-. Daarbij heeft [eiseres] vermeld dat duidelijk is geworden dat er geen overschrijding is van de vermogensgrens.
1.4.
Bij besluit van 28 augustus 2025, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2026 (bestreden besluit) heeft het college het verzoek van [eiseres] om kwijtschelding van de vordering afgewezen. Ter invulling van de bevoegdheid van het college tot kwijtschelding van vorderingen heeft het college beleidsregels vastgelegd in het Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2018 (hierna: Debiteurenplan). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat [eiseres] niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 5.1.3., onder 2, van het Debiteurenplan dat zij gedurende vijf jaren volledig en zonder onderbreking aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Het college ziet geen aanleiding om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het Debiteurenplan.
Er is namelijk niet gebleken van gevolgen voor [eiseres] die wegens bijzondere omstandigheden onredelijk uitpakken en die aanleiding moeten zijn om van de beleidsregel af te wijken. Het is niet zo dat [eiseres] niet over enige betalingscapaciteit beschikt om af te lossen. Volgens het college is er geen aanleiding om de vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, nu er geen sprake is van nadelige gevolgen van de invordering die onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te bereiden doelen (artikel 4:94a van de Awb). Het besluit is volgens het college geschikt noodzakelijk en evenwichtig (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). Het geldbedrag dat nog moet worden afgelost is beperkt gebleven, op te brengen en in alle redelijkheid in onderling overleg tot stand gekomen. Een kwijtscheldingsverzoek heeft niet tot doel de tijdens en na de finale geschilbeslechting gevoerde discussie nog eens over te doen. Dat het college geen oog zou hebben gehad voor de menselijke maat, armoede, recht en onrecht en dergelijke wordt niet ingezien.
1.5.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft - samengevat weergegeven - aangevoerd dat de terugvordering onrechtmatig is, omdat het vermogen van [eiseres] substantieel onder de voor haar geldende vermogensgrens ligt. De schikking is gesloten zonder rekening te houden met alle ingebrachte feiten. De woning is inmiddels mondeling verkocht voor € 32.000,-, dus de waarde waar in de schikking vanuit werd gegaan, was te hoog. Overigens heeft de koper dit bedrag nog niet betaald en is de woning nog niet overgedragen. Er zijn ook bijzondere omstandigheden. Zo heeft [eiseres] schulden, is zij ten onrechte beschuldigd van fraude, heeft zij het gevoel gediscrimineerd te worden, leeft zij al jaren op het bestaansminimum en maakt zij al jaren gebruik van de voedselbank. Het college heeft geen evenredige belangenafweging gemaakt en het ontbreekt aan de menselijke maat. Ook heeft het college ten onrechte afgezien van een hoorzitting.
1.6.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
2.1.
De rechtbank stelt vast dat aan het geschil tussen partijen over de (hoogte van) de terugvordering van bijstand een einde is gekomen omdat partijen een schikking hebben bereikt. Die schikking is een vaststellingsovereenkomst. Met die overeenkomst hebben [eiseres] en het college een bindende afspraak gemaakt over hoe zij hun geschil over het besluit tot terugvordering van de bijstand definitief willen oplossen. Met de schikking is een einde gekomen aan de procedure over het besluit tot terugvordering van de bijstand, zonder dat is komen vast te staan of dat besluit onrechtmatig is. Als [eiseres] de vaststellingsovereenkomst wil aantasten, zal zij zich tot de civiele rechter moeten wenden. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de rechtmatigheid van de terugvordering van € 2.550,- en over de vraag of het vermogen van [eiseres] wel of niet hoger was dan de voor haar geldende vermogensgrens.
2.2.
Het college heeft het verzoek van 13 augustus 2025 terecht opgevat als een verzoek om kwijtschelding van de vaststaande terugvordering. Ter invulling van de bevoegdheid om vorderingen kwijt te schelden heeft het college het Debiteurenplan vastgesteld. Niet in geschil is dat [eiseres] niet voldoet aan de in het Debiteurenplan vastgestelde voorwaarden.
2.3.1.
Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor [eiseres] nadelige gevolgen van de weigering van de kwijtschelding niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die weigering te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 4:84, artikel 4:94a, en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De Centrale Raad van Beroep heeft dit in rechtspraak overwogen.
2.3.2.
Zoals de gemachtigde van het college tijdens de zitting heeft toegelicht, heeft het college een zwaarwegend belang om gemeenschapsgeld goed te besteden. Daarom is het belangrijk dat vorderingen zoveel mogelijk worden afgelost. De rechtbank acht de weigering van de kwijtschelding hiervoor een noodzakelijk en geschikt middel. De rechtbank ziet geen aanleiding het besluit onevenwichtig te achten. Het is voor [eiseres] niet onredelijk bezwarend om het afgesproken bedrag van € 2.550,- terug te betalen. Daarbij is van belang dat [eiseres] een inkomen hoger dan de bijstandsnorm heeft, en dat zij met het college een betalingsregeling heeft afgesproken van € 50,- per maand. Zij heeft ook de bescherming van de beslagvrije voet. [eiseres] heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat zij door de weigering van de kwijtschelding in de financiële problemen is geraakt of gebleven. Dat het college aanvankelijk ten onrechte is uitgegaan van een schending van de inlichtingenverplichting, maakt ook niet dat het onredelijk bezwarend is dat [eiseres] de € 2.550,- moet terugbetalen.
2.4.
De beroepsgrond van [eiseres] dat het college ten onrechte en zonder motivering heeft afgezien van een hoorzitting slaagt niet. In het bestreden besluit staat dat het college op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb heeft afgezien van het horen. Het college heeft er dus van afgezien om [eiseres] te horen, omdat zij niet binnen een door het college gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Het college heeft [eiseres] in een brief van 9 december 2025 gevraagd of zij een hoorzitting wil. Daarbij is aangegeven dat het college, als [eiseres] niet binnen twee weken reageert, er vanuit gaat dat zij geen hoorzitting wil. [eiseres] heeft in het schrijven van 12 december 2025 aangegeven dat, mocht het college nadere informatie willen hebben, en als het college het wenselijk en zinvol vindt om een mondelinge toelichting te krijgen, dat mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] hiermee niet ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat zij gehoord wenste te worden. Het college mocht daarom afzien van het horen van [eiseres].
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiseres] het griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBOVE:2023:530
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207 en 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1696.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/996
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres]),
gemachtigde: [gemachtigde 1],
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college),
gemachtigde: [gemachtigde 2].
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van [eiseres] om kwijtschelding van een terugvordering van € 2.550,-. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
1.1.
Het college heeft in augustus 2023 van [eiseres] een bedrag van € 10.076,36 aan gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd, omdat zij beschikte over een aandeel in een woning in Suriname en daardoor over een vermogen dat hoger was dan de voor haar geldende vermogensgrens.
1.2.
Het door [eiseres] ingestelde beroep met zaaknummer 23/1578 heeft de rechtbank met de uitspraak van 22 december 2023 ongegrond verklaard. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De toenmalig gemachtigde van [eiseres] heeft op 27 januari 2025 namens [eiseres] met het college de schikking getroffen dat het terugvorderingsbedrag wordt gematigd tot € 2.550,-, dat het hoger beroep wordt ingetrokken, en dat daarmee het geschil is beslecht. Bij de totstandkoming van deze schikking is uitgegaan van een waarde van de woning van € 50.000,-. De makelaarskosten van € 5.000,- zijn daarop in mindering gebracht en het resterende bedrag van € 45.000,- is gedeeld door drie, rekening houdend met het op de woning rustende vruchtgebruik van moeder en twee dochters die eigenaar zijn. [eiseres] kan daarmee beschikken over een aandeel in de woning van € 15.000,-.
1.3.
Bij brief van 13 augustus 2025 heeft (de huidige gemachtigde van) [eiseres] het college verzocht om kwijtschelding van de vordering van € 2.550,-. Daarbij heeft [eiseres] vermeld dat duidelijk is geworden dat er geen overschrijding is van de vermogensgrens.
1.4.
Bij besluit van 28 augustus 2025, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2026 (bestreden besluit) heeft het college het verzoek van [eiseres] om kwijtschelding van de vordering afgewezen. Ter invulling van de bevoegdheid van het college tot kwijtschelding van vorderingen heeft het college beleidsregels vastgelegd in het Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2018 (hierna: Debiteurenplan). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat [eiseres] niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 5.1.3., onder 2, van het Debiteurenplan dat zij gedurende vijf jaren volledig en zonder onderbreking aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Het college ziet geen aanleiding om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het Debiteurenplan.
Er is namelijk niet gebleken van gevolgen voor [eiseres] die wegens bijzondere omstandigheden onredelijk uitpakken en die aanleiding moeten zijn om van de beleidsregel af te wijken. Het is niet zo dat [eiseres] niet over enige betalingscapaciteit beschikt om af te lossen. Volgens het college is er geen aanleiding om de vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, nu er geen sprake is van nadelige gevolgen van de invordering die onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te bereiden doelen (artikel 4:94a van de Awb). Het besluit is volgens het college geschikt noodzakelijk en evenwichtig (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). Het geldbedrag dat nog moet worden afgelost is beperkt gebleven, op te brengen en in alle redelijkheid in onderling overleg tot stand gekomen. Een kwijtscheldingsverzoek heeft niet tot doel de tijdens en na de finale geschilbeslechting gevoerde discussie nog eens over te doen. Dat het college geen oog zou hebben gehad voor de menselijke maat, armoede, recht en onrecht en dergelijke wordt niet ingezien.
1.5.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft - samengevat weergegeven - aangevoerd dat de terugvordering onrechtmatig is, omdat het vermogen van [eiseres] substantieel onder de voor haar geldende vermogensgrens ligt. De schikking is gesloten zonder rekening te houden met alle ingebrachte feiten. De woning is inmiddels mondeling verkocht voor € 32.000,-, dus de waarde waar in de schikking vanuit werd gegaan, was te hoog. Overigens heeft de koper dit bedrag nog niet betaald en is de woning nog niet overgedragen. Er zijn ook bijzondere omstandigheden. Zo heeft [eiseres] schulden, is zij ten onrechte beschuldigd van fraude, heeft zij het gevoel gediscrimineerd te worden, leeft zij al jaren op het bestaansminimum en maakt zij al jaren gebruik van de voedselbank. Het college heeft geen evenredige belangenafweging gemaakt en het ontbreekt aan de menselijke maat. Ook heeft het college ten onrechte afgezien van een hoorzitting.
1.6.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
2.1.
De rechtbank stelt vast dat aan het geschil tussen partijen over de (hoogte van) de terugvordering van bijstand een einde is gekomen omdat partijen een schikking hebben bereikt. Die schikking is een vaststellingsovereenkomst. Met die overeenkomst hebben [eiseres] en het college een bindende afspraak gemaakt over hoe zij hun geschil over het besluit tot terugvordering van de bijstand definitief willen oplossen. Met de schikking is een einde gekomen aan de procedure over het besluit tot terugvordering van de bijstand, zonder dat is komen vast te staan of dat besluit onrechtmatig is. Als [eiseres] de vaststellingsovereenkomst wil aantasten, zal zij zich tot de civiele rechter moeten wenden. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de rechtmatigheid van de terugvordering van € 2.550,- en over de vraag of het vermogen van [eiseres] wel of niet hoger was dan de voor haar geldende vermogensgrens.
2.2.
Het college heeft het verzoek van 13 augustus 2025 terecht opgevat als een verzoek om kwijtschelding van de vaststaande terugvordering. Ter invulling van de bevoegdheid om vorderingen kwijt te schelden heeft het college het Debiteurenplan vastgesteld. Niet in geschil is dat [eiseres] niet voldoet aan de in het Debiteurenplan vastgestelde voorwaarden.
2.3.1.
Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor [eiseres] nadelige gevolgen van de weigering van de kwijtschelding niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die weigering te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 4:84, artikel 4:94a, en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De Centrale Raad van Beroep heeft dit in rechtspraak overwogen.
2.3.2.
Zoals de gemachtigde van het college tijdens de zitting heeft toegelicht, heeft het college een zwaarwegend belang om gemeenschapsgeld goed te besteden. Daarom is het belangrijk dat vorderingen zoveel mogelijk worden afgelost. De rechtbank acht de weigering van de kwijtschelding hiervoor een noodzakelijk en geschikt middel. De rechtbank ziet geen aanleiding het besluit onevenwichtig te achten. Het is voor [eiseres] niet onredelijk bezwarend om het afgesproken bedrag van € 2.550,- terug te betalen. Daarbij is van belang dat [eiseres] een inkomen hoger dan de bijstandsnorm heeft, en dat zij met het college een betalingsregeling heeft afgesproken van € 50,- per maand. Zij heeft ook de bescherming van de beslagvrije voet. [eiseres] heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat zij door de weigering van de kwijtschelding in de financiële problemen is geraakt of gebleven. Dat het college aanvankelijk ten onrechte is uitgegaan van een schending van de inlichtingenverplichting, maakt ook niet dat het onredelijk bezwarend is dat [eiseres] de € 2.550,- moet terugbetalen.
2.4.
De beroepsgrond van [eiseres] dat het college ten onrechte en zonder motivering heeft afgezien van een hoorzitting slaagt niet. In het bestreden besluit staat dat het college op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb heeft afgezien van het horen. Het college heeft er dus van afgezien om [eiseres] te horen, omdat zij niet binnen een door het college gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Het college heeft [eiseres] in een brief van 9 december 2025 gevraagd of zij een hoorzitting wil. Daarbij is aangegeven dat het college, als [eiseres] niet binnen twee weken reageert, er vanuit gaat dat zij geen hoorzitting wil. [eiseres] heeft in het schrijven van 12 december 2025 aangegeven dat, mocht het college nadere informatie willen hebben, en als het college het wenselijk en zinvol vindt om een mondelinge toelichting te krijgen, dat mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] hiermee niet ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat zij gehoord wenste te worden. Het college mocht daarom afzien van het horen van [eiseres].
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiseres] het griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBOVE:2023:530
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207 en 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1696.