Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5150
2026-08-11
Civiel recht
12041583 \ CV EXPL 26-7
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot betaling voor werkzaamheden deels toegewezen. Falende verweren over wie partij is bij overeenkomst, en of overeenkomst bestaat. Beroep op opschorting slaagt deels.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.720 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12041583 \ CV EXPL 26-7
Vonnis van 11 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de pleitnota met producties 7 tot en met 18 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 24 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] is eigenaar en verhuurder van een aantal beleggingspanden, waaronder een pand in [plaats 1] en drie panden in [plaats 2] aan de [adres 1] en de [adres 2] en [adres 3] . De zoon van [gedaagde] , dhr. [gemachtigde] (hierna te noemen: [gemachtigde] ) heeft deze panden in beheer.
2.2.
In 2023 heeft [eiser] werkzaamheden verricht in de privé woning van [gemachtigde] , waarna hij [eiser] heeft verzocht om klussen uit te voeren in de panden van [gedaagde] , die hij in beheer heeft. Omstreeks 2023 heeft [eiser] werkzaamheden verricht ten behoeve van [gedaagde] aan het pand aan de [adres 1] . De facturen met factuurnummers [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] zijn verstuurd aan [gemachtigde] , maar op naam gesteld van [gedaagde] De rekeningen zijn betaald van een rekening die op naam is gesteld van [gedaagde]
2.3.
Op 7 juli 2024 heeft [gemachtigde] [eiser] de volgende e-mail (met foto’s) gestuurd:“(…). De schilder heeft twee panden aan de [adres 4] geschilderd, hierbij kwamen de onderstaande aandachtspunten naar boven. Zou jij deze willen verhelpen?[adres 2] :Dakgoot nakijken op lekkages.Houtrot dakrand voor links en rechts verhelpen.Keukenuitbouw houtenplaten en glaslatten vervangen. Eventueel door trespa (hpl) platen.[adres 3] :Dakgoot nakijken op lekkagesHoutrot dakrand aan de onderkant verhelpen. Eventueel door trespa (hpl) platen. (…).”
2.4.
Naar aanleiding van de e-mail van 7 juli 2024 heeft [eiser] telefonisch contact gehad met [gemachtigde] , waarin is besproken dat [eiser] aangaf dat hij de opdracht accepteerde, maar dat hij de omvang van de werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten niet vooraf kon inschatten, omdat daarvoor eerst het werk dienden te worden geopend om de onderliggende situatie te kunnen beoordelen.
2.5.
Omstreeks augustus of september 2024 heeft [eiser] [gemachtigde] monsters van verschillende boeidelen toegestuurd met het verzoek om een keuze te maken. Op 22 september 2024 heeft [gemachtigde] een Whatsapp-bericht gestuurd aan [eiser] met een foto van het door hem gekozen kunststof boeideel met de tekst: “De meest vierkante moet het worden. Kleur crème wit passend bij de rest.”
2.6.
Op 13 december 2024 heeft [gemachtigde] een Whatsapp-bericht aan [eiser] verstuurd met de vraag wanneer hij het voorstel voor de [adres 4] kon verwachten.
2.7.
Op 18 december 2024 heeft [eiser] een factuur (factuurnummer [factuurnummer 3] ) ter hoogte van € 2804,78 gestuurd voor de volgende werkzaamheden:
2.8.
Op 20 december 2024 heeft [gemachtigde] het volgende Whatsapp bericht aan [eiser] gestuurd:
“(…). Zou je mij nog de specificatie van de factuur [factuurnummer 3] kunnen sturen waarop staat op welke dag voor hoeveel uur welke werkzaamheden zijn verricht, zie app van 20 december 2024. Zijn alle werkzaamheden aan de [adres 2] afgerond? Huurder gaf aan dat de volgende zaken nog openstaan:
Afwerken intercom
Afwerken afzuigkap
Oude lekkage verhelpen (…).”
2.9.
Omstreeks januari 2025 heeft [eiser] [gemachtigde] een bericht gestuurd via Whatsapp waarin hij de samenwerking beëindigd.
2.10.
Op 23 februari 2025 heeft [gemachtigde] de volgende e-mail aan [eiser] gestuurd:“Naar aanleiding van je berichten over de nog uit te voeren werkzaamheden aan de [adres 1] heb ik de opleverpunten opnieuw beoordeeld. De meeste punten zijn naar tevredenheid opgelost. De punten die nu nog openstaan inzake de [adres 1] zijn de brandwerende plafonds in de meterkasten van de appartementen en de deuren van de WC en CV-kast. Deze punten heb ik nu bij de werkzaamheden van de [adres 4] geplaatst.
Zoals ik je in mijn mail van 17 januari 2025 heb laten weten zou ik graag de samenwerking willen continueren. (…). Daarom stel ik voor dat ik het restant van de factuur [factuurnummer 1] en factuur [factuurnummer 2] betaal. Factuur [factuurnummer 3] wordt na afwerken van de nog openstaande punten in de bijlage voldaan.”
2.11.
Op 24 februari 2025 heeft [eiser] [gemachtigde] per e-mail kort gezegd bericht dat hij weer werkzaamheden zal verrichten nadat zijn facturen betaald zijn. Bij e-mail van 1 maart 2025 heeft [gemachtigde] daar als volgt op gereageerd:“(…). De werkzaamheden m.b.t. factuur [factuurnummer 3] zijn onvolledig afgerond, uren worden onterecht aangerekend of de werkzaamheden zijn niet overeengekomen. Om tot een oplossing te komen geef ik je de mogelijkheid de openstaande werkzaamheden af te ronden. Na afronding van de werkzaamheden zal factuur [factuurnummer 3] direct voldaan worden. (…).”
2.12.
Op 11 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld onder aanzegging van de buitengerechtelijke incassokosten. Op 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] (opnieuw) gesommeerd tot betaling van de factuur [factuurnummer 3] .
2.13.
[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.804,78, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 405,48. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij via [gemachtigde] een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde] en hij op basis van zijn uurtarief op nacalculatie werkzaamheden heeft verricht.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] geen contractspartij is, er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, er geen werkzaamheden zijn uitgevoerd door [eiser] en voor zover er wel werkzaamheden zijn uitgevoerd, [gedaagde] de betaling van de factuur heeft opgeschort wegens gebreken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Contractspartij
4.1.
Het meest vergaande verweer van [gedaagde] houdt in dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet hij, maar [gemachtigde] contractspartij is. Namens [gedaagde] wordt gesteld dat hij niet inhoudelijk betrokken is geweest bij de het overeenkomen en de uitvoering van de werkzaamheden. [eiser] heeft daarom de verkeerde partij gedagvaard. Volgens [eiser] heeft hij wel een overeenkomst gesloten met [gedaagde] en is hij daarom ontvankelijk in zijn vorderingen.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – of namens de achterman is opgetreden hangt af van hetgeen hij en die ander daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977,521).
4.3.
Tussen partijen staat vast dat de panden in eigendom aan [gedaagde] toebehoren, de facturen aan [gedaagde] gericht dienden te worden en facturen voor voltooide projecten waarbij op een vergelijkbare wijze werd gehandeld door [gedaagde] zijn betaald. Ook staat tussen partijen vast dat [gedaagde] [eiser] verschillende keren heeft bezocht tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden in de panden. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] uit deze omstandigheden heeft afgeleid en mocht afleiden dat [gemachtigde] niet in eigen naam, maar namens zijn ‘achterman’ [gedaagde] heeft opgetreden. Dat (verdere) communicatie tussen [gemachtigde] en [eiser] plaatsvond, maakt dat niet anders. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij ‘de verkeerde partij’ heeft gedagvaard, wordt daarom gepasseerd.
Wel of geen overeenkomst
4.4.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen geen overeenkomst hebben gesloten voor het verrichten van werkzaamheden in de panden aan de [adres 2] en [adres 3] .
4.5.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt. Naar vaste rechtspraak moet de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Dit houdt in dat onderzocht moet worden wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden (art. 3:37 lid 1 BW). De wilsovereenstemming (afspraak) hoeft niet uitdrukkelijk te hebben plaatsgevonden maar kan in elke vorm worden gemaakt en kan ook besloten liggen in een of meer gedragingen. Dat kunnen ook latere gedragingen zijn.
4.6.
De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de stelling dat uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] en/of [gemachtigde]. redelijkerwijze kon worden afgeleid dat er sprake was van wilsovereenstemming rust op [eiser] . Partijen hebben ter zitting verklaard dat in eerdere samenwerking zowel naar aanleiding van schriftelijk door [eiser] opgestelde en door [gemachtigde] namens [gedaagde] geaccepteerde offertes als naar aanleiding van mondeling gemaakte afspraken werkzaamheden zijn uitgevoerd. Uit de enkele omstandigheid dat voor de gefactureerde werkzaamheden geen schriftelijke offerte door [eiser] is verstuurd volgt dus niet, anders dan [gedaagde] ingang wil doen vinden, dat er geen opdracht is gegeven om deze werkzaamheden uit te voeren. Vaststaat immers dat
i) [gemachtigde] op 7 juli 2024 hele concrete aandachtspunten aan [eiser] heeft gemaild met het verzoek om deze te verhelpen,
ii) [eiser] en [gemachtigde] via Whatsapp hebben gesproken over de verrichte werkzaamheden zonder dat [gemachtigde] daartegen heeft geprotesteerd en
iii) [gemachtigde] op 20 december 2024 heeft gevraagd of de werkzaamheden aan de [adres 4] inmiddels zijn afgerond.
Ook staat vast dat [eiser] en [gemachtigde] naar aanleiding van deze e-mail telefonisch contact hebben gehad, dat [eiser] toen heeft aangegeven dat hij niet kon overzien hoeveel werk met deze klus is gemoeid en hij daarom op uurbasis wilde werken. [gemachtigde] heeft ter zitting aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat er tijdens dit telefoongesprek over de prijs is gesproken, maar wel dat er kunststof boeidelen geplaatst zouden worden, en dat hij uit een eerdere klus bekend was met het door [eiser] gehanteerde uurtarief van € 40,00 per uur.
4.7.
De kantonrechter is gelet op bovengenoemde omstandigheden van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] uit de verklaringen en gedragingen van [gemachtigde] redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat [eiser] werkzaamheden zou verrichten in opdracht van [gedaagde] Dat [eiser] meermaals heeft bericht dat [gemachtigde] met een andere partij in zee kon gaan, dient te worden gelezen in de context van een eventuele beëindiging van de samenwerking en maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Hetzelfde geldt voor het bericht van [gemachtigde] met de tekst “wanneer kan ik het voorstel voor de [adres 4] verwachten”, aangezien hieruit zonder uitleg (en die ontbreekt) niet kan worden afgeleid dat hiermee een offerte wordt bedoeld. Dit kan immers evengoed betrekking hebben over de boeidelen of de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, aangezien de werkzaamheden door [eiser] op dat moment al waren aangevangen. Daarom moet als vaststaand worden aangenomen dat [eiser] de verklaringen en gedragingen van [gemachtigde] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen begrijpen als gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst. Het verweer van [gedaagde] dat er geen sprake was van wilsovereenstemming voor het uitvoeren van de werkzaamheden, slaagt daarom niet.
De inhoud van de factuur
4.8.
[gedaagde] voert verder nog aan dat [eiser] (ook) werkzaamheden heeft verricht waarvoor geen opdracht is gegeven. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen staat vast dat [gemachtigde] in zijn e-mail van 7 juli 2024 heeft verzocht om de dakgoten na te kijken op lekkages, houtrot op de dakranden te verhelpen (door middel van trespa platen) en houten platen en glaslatten te vervangen. [eiser] heeft een factuur gestuurd voor het inspecteren en monteren van een intercom, het schaven en schilderen van een deur, het monteren van de afzuigkap, het opbouwen en demonteren van een steiger, werkzaamheden op de werkplaats en montagewerkzaamheden. Ter zitting is gebleken dat [gemachtigde] opdracht heeft gegeven om de afzuigkap en de intercom te monteren. De overige door [eiser] gefactureerde werkzaamheden hebben betrekking op de door [gemachtigde] op 7 juli 2024 verstrekte opdracht. In het licht van de concrete gespecificeerde factuur van [eiser] is de blote betwisting dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd onvoldoende om tot afwijzing van de vordering van [eiser] te komen.
Consumentenbescherming
4.9.
De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen of [eiser] zijn informatieplichten heeft geschonden, waardoor [gedaagde] consumentenbescherming geniet en de overeenkomst op grond van de Richtlijn consumentenrechten (die in het Nederlandse recht is geïmplementeerd in artikel 6:230m lid 1 BW) kan worden vernietigd. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Zelf als al zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] een beroep toekomt op consumentenbescherming, dan is een bepaling slechts vernietigbaar indien deze niet duidelijk en transparant is en de handelaar niet zoveel als mogelijk inzicht heeft gegeven in de uiteindelijke prijs. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, aangezien [gedaagde] bekend was met het gehanteerde uurtarief van [eiser] en [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij niet meer duidelijkheid over de prijs kon verschaffen dan hij heeft gedaan op basis van de foto’s.
Opschorting
4.10.
[gedaagde] doet nog een beroep op opschorting in die zin dat, zo begrijpt de kantonrechter, hij de betaling van de factuur heeft opgeschort omdat er gebreken zijn geconstateerd bij het project aan de [adres 1] en de werkzaamheden aan de [adres 2] en [adres 3] niet of gebrekkig zijn afgerond. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
4.11.
Voor zover [gedaagde] een beroep doet op opschorting ten aanzien van het project aan de [adres 1] , hebben partijen ter zitting erkend dat alle facturen voor dat project betaald zijn en heeft [eiser] onweersproken gesteld dat partijen niet zijn overeengekomen dat [eiser] de (niet uitgevoerde) werkzaamheden op grond van de overeenkomst moest verrichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat hij bepaalde werkzaamheden aan de [adres 1] niet of gebrekkig heeft verricht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat aan [gedaagde] geen beroep op opschorting van zijn verplichting tot betaling van factuur [factuurnummer 3] toekomt wegens een tekortkoming in de nakoming door [eiser] in zijn verbintenissen die betrekking hebben op het project [adres 1] .
4.12.
[gedaagde] heeft verder gesteld dat hem een beroep op opschorting toekomt omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij werkzaamheden aan de [adres 2] en [adres 3] niet of gebrekkig heeft verricht. [eiser] sr. heeft ter onderbouwing van zijn stelling tijdens zitting een document overgelegd met foto’s van het project. De kantonrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op deze producties. Uit de door [gemachtigde] verzonden e-mail van 7 juli 2024, die [eiser] niet heeft weersproken, blijkt dat [eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [eiser] de dakgoten zou nakijken op lekkages, de houten dakranden zou verhelpen en onderdelen bij de keukenuitbouw van nummer [adres 2] en bij de dakrand van nummer [adres 3] houten platen zou vervangen door trespa platen. Hoewel [eiser] betwist dat hij de werkzaamheden gebrekkig heeft verricht, blijkt uit de daaropvolgende correspondentie (van 20 december 2024, 23 februari 2025 en 24 februari 2024) dat [eiser] de werkzaamheden aan de goot niet naar tevredenheid van [gedaagde] heeft afgerond, terwijl deze werkzaamheden wel door [eiser] zijn gefactureerd en worden gevorderd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] zich ten aanzien van die werkzaamheden terecht op opschorting beroept. Daarom zal de vordering van [eiser] ten aanzien tot betaling van die werkzaamheden worden afgewezen. [eiser] vordert verder betaling van werkzaamheden aan de intercom, afzuigkap, deur en materiaal. Tussen partijen is niet in geschil dat deze werkzaamheden door [eiser] zijn verricht en vervolgens (stilzwijgend) zijn opgeleverd. Het gaat in totaal om 10 uur á € 48,40 incl. btw, zijnde € 484,00. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [eiser] heeft € 405,48 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, maar omdat de kantonrechter een lager bedrag als hoofdsom heeft toegewezen zal het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot € € 72,60.
Proceskosten
4.14.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 484,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 72,60 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft,
5.5.
verklaart de beslissingen onder 6.1. en 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12041583 \ CV EXPL 26-7
Vonnis van 11 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de pleitnota met producties 7 tot en met 18 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 24 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] is eigenaar en verhuurder van een aantal beleggingspanden, waaronder een pand in [plaats 1] en drie panden in [plaats 2] aan de [adres 1] en de [adres 2] en [adres 3] . De zoon van [gedaagde] , dhr. [gemachtigde] (hierna te noemen: [gemachtigde] ) heeft deze panden in beheer.
2.2.
In 2023 heeft [eiser] werkzaamheden verricht in de privé woning van [gemachtigde] , waarna hij [eiser] heeft verzocht om klussen uit te voeren in de panden van [gedaagde] , die hij in beheer heeft. Omstreeks 2023 heeft [eiser] werkzaamheden verricht ten behoeve van [gedaagde] aan het pand aan de [adres 1] . De facturen met factuurnummers [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] zijn verstuurd aan [gemachtigde] , maar op naam gesteld van [gedaagde] De rekeningen zijn betaald van een rekening die op naam is gesteld van [gedaagde]
2.3.
Op 7 juli 2024 heeft [gemachtigde] [eiser] de volgende e-mail (met foto’s) gestuurd:“(…). De schilder heeft twee panden aan de [adres 4] geschilderd, hierbij kwamen de onderstaande aandachtspunten naar boven. Zou jij deze willen verhelpen?[adres 2] :Dakgoot nakijken op lekkages.Houtrot dakrand voor links en rechts verhelpen.Keukenuitbouw houtenplaten en glaslatten vervangen. Eventueel door trespa (hpl) platen.[adres 3] :Dakgoot nakijken op lekkagesHoutrot dakrand aan de onderkant verhelpen. Eventueel door trespa (hpl) platen. (…).”
2.4.
Naar aanleiding van de e-mail van 7 juli 2024 heeft [eiser] telefonisch contact gehad met [gemachtigde] , waarin is besproken dat [eiser] aangaf dat hij de opdracht accepteerde, maar dat hij de omvang van de werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten niet vooraf kon inschatten, omdat daarvoor eerst het werk dienden te worden geopend om de onderliggende situatie te kunnen beoordelen.
2.5.
Omstreeks augustus of september 2024 heeft [eiser] [gemachtigde] monsters van verschillende boeidelen toegestuurd met het verzoek om een keuze te maken. Op 22 september 2024 heeft [gemachtigde] een Whatsapp-bericht gestuurd aan [eiser] met een foto van het door hem gekozen kunststof boeideel met de tekst: “De meest vierkante moet het worden. Kleur crème wit passend bij de rest.”
2.6.
Op 13 december 2024 heeft [gemachtigde] een Whatsapp-bericht aan [eiser] verstuurd met de vraag wanneer hij het voorstel voor de [adres 4] kon verwachten.
2.7.
Op 18 december 2024 heeft [eiser] een factuur (factuurnummer [factuurnummer 3] ) ter hoogte van € 2804,78 gestuurd voor de volgende werkzaamheden:
2.8.
Op 20 december 2024 heeft [gemachtigde] het volgende Whatsapp bericht aan [eiser] gestuurd:
“(…). Zou je mij nog de specificatie van de factuur [factuurnummer 3] kunnen sturen waarop staat op welke dag voor hoeveel uur welke werkzaamheden zijn verricht, zie app van 20 december 2024. Zijn alle werkzaamheden aan de [adres 2] afgerond? Huurder gaf aan dat de volgende zaken nog openstaan:
Afwerken intercom
Afwerken afzuigkap
Oude lekkage verhelpen (…).”
2.9.
Omstreeks januari 2025 heeft [eiser] [gemachtigde] een bericht gestuurd via Whatsapp waarin hij de samenwerking beëindigd.
2.10.
Op 23 februari 2025 heeft [gemachtigde] de volgende e-mail aan [eiser] gestuurd:“Naar aanleiding van je berichten over de nog uit te voeren werkzaamheden aan de [adres 1] heb ik de opleverpunten opnieuw beoordeeld. De meeste punten zijn naar tevredenheid opgelost. De punten die nu nog openstaan inzake de [adres 1] zijn de brandwerende plafonds in de meterkasten van de appartementen en de deuren van de WC en CV-kast. Deze punten heb ik nu bij de werkzaamheden van de [adres 4] geplaatst.
Zoals ik je in mijn mail van 17 januari 2025 heb laten weten zou ik graag de samenwerking willen continueren. (…). Daarom stel ik voor dat ik het restant van de factuur [factuurnummer 1] en factuur [factuurnummer 2] betaal. Factuur [factuurnummer 3] wordt na afwerken van de nog openstaande punten in de bijlage voldaan.”
2.11.
Op 24 februari 2025 heeft [eiser] [gemachtigde] per e-mail kort gezegd bericht dat hij weer werkzaamheden zal verrichten nadat zijn facturen betaald zijn. Bij e-mail van 1 maart 2025 heeft [gemachtigde] daar als volgt op gereageerd:“(…). De werkzaamheden m.b.t. factuur [factuurnummer 3] zijn onvolledig afgerond, uren worden onterecht aangerekend of de werkzaamheden zijn niet overeengekomen. Om tot een oplossing te komen geef ik je de mogelijkheid de openstaande werkzaamheden af te ronden. Na afronding van de werkzaamheden zal factuur [factuurnummer 3] direct voldaan worden. (…).”
2.12.
Op 11 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld onder aanzegging van de buitengerechtelijke incassokosten. Op 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] (opnieuw) gesommeerd tot betaling van de factuur [factuurnummer 3] .
2.13.
[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.804,78, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 405,48. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij via [gemachtigde] een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde] en hij op basis van zijn uurtarief op nacalculatie werkzaamheden heeft verricht.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] geen contractspartij is, er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, er geen werkzaamheden zijn uitgevoerd door [eiser] en voor zover er wel werkzaamheden zijn uitgevoerd, [gedaagde] de betaling van de factuur heeft opgeschort wegens gebreken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Contractspartij
4.1.
Het meest vergaande verweer van [gedaagde] houdt in dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet hij, maar [gemachtigde] contractspartij is. Namens [gedaagde] wordt gesteld dat hij niet inhoudelijk betrokken is geweest bij de het overeenkomen en de uitvoering van de werkzaamheden. [eiser] heeft daarom de verkeerde partij gedagvaard. Volgens [eiser] heeft hij wel een overeenkomst gesloten met [gedaagde] en is hij daarom ontvankelijk in zijn vorderingen.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – of namens de achterman is opgetreden hangt af van hetgeen hij en die ander daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977,521).
4.3.
Tussen partijen staat vast dat de panden in eigendom aan [gedaagde] toebehoren, de facturen aan [gedaagde] gericht dienden te worden en facturen voor voltooide projecten waarbij op een vergelijkbare wijze werd gehandeld door [gedaagde] zijn betaald. Ook staat tussen partijen vast dat [gedaagde] [eiser] verschillende keren heeft bezocht tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden in de panden. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] uit deze omstandigheden heeft afgeleid en mocht afleiden dat [gemachtigde] niet in eigen naam, maar namens zijn ‘achterman’ [gedaagde] heeft opgetreden. Dat (verdere) communicatie tussen [gemachtigde] en [eiser] plaatsvond, maakt dat niet anders. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij ‘de verkeerde partij’ heeft gedagvaard, wordt daarom gepasseerd.
Wel of geen overeenkomst
4.4.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen geen overeenkomst hebben gesloten voor het verrichten van werkzaamheden in de panden aan de [adres 2] en [adres 3] .
4.5.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt. Naar vaste rechtspraak moet de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Dit houdt in dat onderzocht moet worden wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden (art. 3:37 lid 1 BW). De wilsovereenstemming (afspraak) hoeft niet uitdrukkelijk te hebben plaatsgevonden maar kan in elke vorm worden gemaakt en kan ook besloten liggen in een of meer gedragingen. Dat kunnen ook latere gedragingen zijn.
4.6.
De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de stelling dat uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] en/of [gemachtigde]. redelijkerwijze kon worden afgeleid dat er sprake was van wilsovereenstemming rust op [eiser] . Partijen hebben ter zitting verklaard dat in eerdere samenwerking zowel naar aanleiding van schriftelijk door [eiser] opgestelde en door [gemachtigde] namens [gedaagde] geaccepteerde offertes als naar aanleiding van mondeling gemaakte afspraken werkzaamheden zijn uitgevoerd. Uit de enkele omstandigheid dat voor de gefactureerde werkzaamheden geen schriftelijke offerte door [eiser] is verstuurd volgt dus niet, anders dan [gedaagde] ingang wil doen vinden, dat er geen opdracht is gegeven om deze werkzaamheden uit te voeren. Vaststaat immers dat
i) [gemachtigde] op 7 juli 2024 hele concrete aandachtspunten aan [eiser] heeft gemaild met het verzoek om deze te verhelpen,
ii) [eiser] en [gemachtigde] via Whatsapp hebben gesproken over de verrichte werkzaamheden zonder dat [gemachtigde] daartegen heeft geprotesteerd en
iii) [gemachtigde] op 20 december 2024 heeft gevraagd of de werkzaamheden aan de [adres 4] inmiddels zijn afgerond.
Ook staat vast dat [eiser] en [gemachtigde] naar aanleiding van deze e-mail telefonisch contact hebben gehad, dat [eiser] toen heeft aangegeven dat hij niet kon overzien hoeveel werk met deze klus is gemoeid en hij daarom op uurbasis wilde werken. [gemachtigde] heeft ter zitting aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat er tijdens dit telefoongesprek over de prijs is gesproken, maar wel dat er kunststof boeidelen geplaatst zouden worden, en dat hij uit een eerdere klus bekend was met het door [eiser] gehanteerde uurtarief van € 40,00 per uur.
4.7.
De kantonrechter is gelet op bovengenoemde omstandigheden van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] uit de verklaringen en gedragingen van [gemachtigde] redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat [eiser] werkzaamheden zou verrichten in opdracht van [gedaagde] Dat [eiser] meermaals heeft bericht dat [gemachtigde] met een andere partij in zee kon gaan, dient te worden gelezen in de context van een eventuele beëindiging van de samenwerking en maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Hetzelfde geldt voor het bericht van [gemachtigde] met de tekst “wanneer kan ik het voorstel voor de [adres 4] verwachten”, aangezien hieruit zonder uitleg (en die ontbreekt) niet kan worden afgeleid dat hiermee een offerte wordt bedoeld. Dit kan immers evengoed betrekking hebben over de boeidelen of de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, aangezien de werkzaamheden door [eiser] op dat moment al waren aangevangen. Daarom moet als vaststaand worden aangenomen dat [eiser] de verklaringen en gedragingen van [gemachtigde] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen begrijpen als gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst. Het verweer van [gedaagde] dat er geen sprake was van wilsovereenstemming voor het uitvoeren van de werkzaamheden, slaagt daarom niet.
De inhoud van de factuur
4.8.
[gedaagde] voert verder nog aan dat [eiser] (ook) werkzaamheden heeft verricht waarvoor geen opdracht is gegeven. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen staat vast dat [gemachtigde] in zijn e-mail van 7 juli 2024 heeft verzocht om de dakgoten na te kijken op lekkages, houtrot op de dakranden te verhelpen (door middel van trespa platen) en houten platen en glaslatten te vervangen. [eiser] heeft een factuur gestuurd voor het inspecteren en monteren van een intercom, het schaven en schilderen van een deur, het monteren van de afzuigkap, het opbouwen en demonteren van een steiger, werkzaamheden op de werkplaats en montagewerkzaamheden. Ter zitting is gebleken dat [gemachtigde] opdracht heeft gegeven om de afzuigkap en de intercom te monteren. De overige door [eiser] gefactureerde werkzaamheden hebben betrekking op de door [gemachtigde] op 7 juli 2024 verstrekte opdracht. In het licht van de concrete gespecificeerde factuur van [eiser] is de blote betwisting dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd onvoldoende om tot afwijzing van de vordering van [eiser] te komen.
Consumentenbescherming
4.9.
De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen of [eiser] zijn informatieplichten heeft geschonden, waardoor [gedaagde] consumentenbescherming geniet en de overeenkomst op grond van de Richtlijn consumentenrechten (die in het Nederlandse recht is geïmplementeerd in artikel 6:230m lid 1 BW) kan worden vernietigd. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Zelf als al zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] een beroep toekomt op consumentenbescherming, dan is een bepaling slechts vernietigbaar indien deze niet duidelijk en transparant is en de handelaar niet zoveel als mogelijk inzicht heeft gegeven in de uiteindelijke prijs. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, aangezien [gedaagde] bekend was met het gehanteerde uurtarief van [eiser] en [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij niet meer duidelijkheid over de prijs kon verschaffen dan hij heeft gedaan op basis van de foto’s.
Opschorting
4.10.
[gedaagde] doet nog een beroep op opschorting in die zin dat, zo begrijpt de kantonrechter, hij de betaling van de factuur heeft opgeschort omdat er gebreken zijn geconstateerd bij het project aan de [adres 1] en de werkzaamheden aan de [adres 2] en [adres 3] niet of gebrekkig zijn afgerond. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
4.11.
Voor zover [gedaagde] een beroep doet op opschorting ten aanzien van het project aan de [adres 1] , hebben partijen ter zitting erkend dat alle facturen voor dat project betaald zijn en heeft [eiser] onweersproken gesteld dat partijen niet zijn overeengekomen dat [eiser] de (niet uitgevoerde) werkzaamheden op grond van de overeenkomst moest verrichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat hij bepaalde werkzaamheden aan de [adres 1] niet of gebrekkig heeft verricht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat aan [gedaagde] geen beroep op opschorting van zijn verplichting tot betaling van factuur [factuurnummer 3] toekomt wegens een tekortkoming in de nakoming door [eiser] in zijn verbintenissen die betrekking hebben op het project [adres 1] .
4.12.
[gedaagde] heeft verder gesteld dat hem een beroep op opschorting toekomt omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij werkzaamheden aan de [adres 2] en [adres 3] niet of gebrekkig heeft verricht. [eiser] sr. heeft ter onderbouwing van zijn stelling tijdens zitting een document overgelegd met foto’s van het project. De kantonrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op deze producties. Uit de door [gemachtigde] verzonden e-mail van 7 juli 2024, die [eiser] niet heeft weersproken, blijkt dat [eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [eiser] de dakgoten zou nakijken op lekkages, de houten dakranden zou verhelpen en onderdelen bij de keukenuitbouw van nummer [adres 2] en bij de dakrand van nummer [adres 3] houten platen zou vervangen door trespa platen. Hoewel [eiser] betwist dat hij de werkzaamheden gebrekkig heeft verricht, blijkt uit de daaropvolgende correspondentie (van 20 december 2024, 23 februari 2025 en 24 februari 2024) dat [eiser] de werkzaamheden aan de goot niet naar tevredenheid van [gedaagde] heeft afgerond, terwijl deze werkzaamheden wel door [eiser] zijn gefactureerd en worden gevorderd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] zich ten aanzien van die werkzaamheden terecht op opschorting beroept. Daarom zal de vordering van [eiser] ten aanzien tot betaling van die werkzaamheden worden afgewezen. [eiser] vordert verder betaling van werkzaamheden aan de intercom, afzuigkap, deur en materiaal. Tussen partijen is niet in geschil dat deze werkzaamheden door [eiser] zijn verricht en vervolgens (stilzwijgend) zijn opgeleverd. Het gaat in totaal om 10 uur á € 48,40 incl. btw, zijnde € 484,00. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [eiser] heeft € 405,48 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, maar omdat de kantonrechter een lager bedrag als hoofdsom heeft toegewezen zal het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot € € 72,60.
Proceskosten
4.14.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 484,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 72,60 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft,
5.5.
verklaart de beslissingen onder 6.1. en 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.