Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5143

2026-08-11 Civiel recht 11860892
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11860892
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Na tweede schriftelijke rondeling wordt nu in dit tussenvonnis een mondelinge behandeling bepaald.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.514 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 11860892 \ CV EXPL 25-2604




Vonnis van 11 augustus 2026




in de zaak van





[partij A] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. M.J. Seijbel,



tegen



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECYCLING CENTRUM STAPHORST B.V.,
gevestigd in Staphorst,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: RCS,
gemachtigde: mr. A.P. Maes.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaarding van 25 augustus 2025;


de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;


de brief van mr. Seijbel met het verzoek om een nieuwe schriftelijke ronde van repliek/dupliek te bepalen, in plaats van een comparitie;


de e-mail van mr. Maes met de mededeling geen bezwaar te hebben tegen een nieuwe schriftelijke ronde, maar wel tegen het laten vervallen van een comparitie;


de beslissing van de kantonrechter om de zaak eerst schriftelijk te behandelen en daarna een mondelinge behandeling te bepalen;


de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie;


de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie;


de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte uitlaten producties;


de akte uitlaten producties van RCS.





1.2
In dit tussenvonnis zal de kantonrechter, zoals aangekondigd, een mondelinge behandeling bevelen.





2De feiten


2.1
Op 19 augustus 2019 heeft [partij A] zijn bedrijven [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., onder andere actief op het gebied van sloopwerken en het inzamelen en recyclen van afval, aan de [bedrijf 3] B.V. verkocht die deze activiteiten op haar beurt heeft ondergebracht in RCS.



2.2
Op dezelfde datum hebben [partij A] en RCS een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan RCS de bedrijfsruimte met bedrijfsterrein aan de [adres] (hierna: het gehuurde) van [partij A] huurt. De huurovereenkomst loopt tot en met 18 augustus 2027.



2.3
In artikel 1.2. van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als op- en overslag en verwerking van puin, grond en groenafval.



2.4
Op het gehuurde is een omgevingsvergunning van 7 juni 2012 van toepassing die middels een omgevingsvergunning van 5 december 2014 gedeeltelijk is gewijzigd (hierna: de vergunning). De vergunning staat toe dat er op het gehuurde 2.000m3 gebroken puin, ook wel puingranulaat genoemd, en 2.500m3 ongebroken puin van eigen sloopwerken wordt opgeslagen. Verder staat de vergunning toe dat het breken van ongebroken puin per jaar maximaal zes keer mag plaatsvinden voor een duur van maximaal acht uur van de dagperiode (tussen 07.00-19.00) in en aaneengesloten periode van een etmaal.



2.5
Op 1 november 2019 hebben [partij A] en RCS in het kader van de bedrijfsoverdracht een managementovereenkomst gesloten waarin onder andere is overeengekomen dat [partij A] tijdelijk het nieuwe management van het door hem aan RCS verkochte bedrijven zal begeleiden. De managementovereenkomst bevat ook een non-concurrentiebeding.



2.6
Op 23 augustus 2023 heeft (de adviseur van) [partij A] aan (de adviseur van) RCS een e-mail gestuurd met daarin de volgende mededeling:


“Momenteel wordt het gehuurde terrein te intensief en in strijd met de

Vergunningsvoorwaarden door [bedrijf 3] gebruikt. [partij A] (verhuurder) geeft [bedrijf 3] tot 1 oktober 2023 de tijd om deze strijdigheid/overtreding op te heffen en vervolgens in de toekomst in overeenstemming met de vergunningsvoorwaarden te handelen. Ingeval [bedrijf 3] zich daar niet aan houdt, kan [partij A] in zijn hoedanigheid van verhuurder niet anders dan [bedrijf 3] nu voor dan in gebreke stellen en houdt hij [bedrijf 3] ten volle aansprakelijk voor de door verhuurder geleden en te lijden schade nu en in de toekomst.”



Hierop heeft RCS niet inhoudelijk gereageerd.




2.7
Op 3 maart 2025 heeft (de adviseur van [partij A] ) aan RCS een e-mail gestuurd met daarin het volgende bericht:



“U houdt zich kortgezegd en aanhoudend niet aan de overeengekomen

huurbestemming en de door de overheid gestelde eisen en voorwaarden van het


terrein. U slaat niet toegestane materialen op en houdt zich niet aan de toegestane


maximale volumes en toegestane hoogte. Ik verwijs in dit verband naar de op het


gehuurde van toepassing zijnde Milieuvergunning (nummer [nummer] / MIL0 1 d.d. 24-10-2018). Voor dit dossier is vanaf de zomer van 2023 tot heden een logboek met


gedateerd fotomateriaal bijgehouden.





Op 23 augustus 2023 heb ik via uw adviseur van TMC, de heer [naam] , u reeds op deze overtreding gewezen en bent u bij het voortduren van de overtreding na 1 oktober 2023 voor dat moment in gebreke gesteld.





De heer [partij A] heeft zelf voortdurend last van de overtredingen maar krijgt inmiddels ook klachten van omwonenden.




[…]




U bent genoegzaam bekend met de van toepassing zijnde milieuvergunning en de


overeengekomen bestemming. Ik vraag u namens Verhuurder nogmaals en zo nodig sommeer ik u per direct het gehuurde volledig in overeenstemming te brengen en te houden met de bestemming en de van toepassing zijnde milieuvergunning.





Indien u dit niet uiterlijk vóór 1 april a.s. strikt en volledig nakomt zal ik dit dossier gereedmaken voor een gerechtelijk procedure.





Inmiddels bent u vanaf 1 oktober 2023 in overtreding en derhalve in verzuim en is de overeengekomen minimale dag boete (boetebepaling art. 29 van de van toepassing verklaarde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst ABH) van toepassing en door verhuurder opeisbaar. In dit verband verwijs ik u o.a. naar art. 5.1, 5.3, 7.1, 7.2 en 8.1 van de ABH.





U gaat niet met het gehuurde om als goed huurder; in het midden van het gehuurde


zijn de door verhuurder aangebracht klinkers vernield en/ of weggenomen. Hier is


een gat ontstaan van ruim 10 meter doorsnede. Ik verzoek u eveneens het gehele


terrein uiterlijk vóór l april a.s. te repareren en in oorspronkelijke staat te herstellen. De eerder gevoerde sommatie is eveneens op dit herstel van toepassing.





Indien u het zover laat komen dat ik dit dossier gereed moet maken voor een gerechtelijke procedure bent u reeds geïnformeerd over de overeengekomen boeteclausulering voor gemaakte kosten (art. 28.1 ABH). Naast een vordering tot herstel zal subsidiair een vordering tot huurbeëindiging en ontruiming ingesteld worden.”



Hierop heeft RCS niet inhoudelijk gereageerd.




2.8
Op 17 maart 2025 heeft (de adviseur van) [partij A] aan RCS de volgende e-mail gestuurd:


“Verwijzend naar mijn mail van 3 maart j.l. maak ik uit het "dag logboek met foto's" op dat er wel wat beweging op het terrein plaatsvindt maar met als deadline 1 april a.s. vooralsnog zwaar onvoldoende.




Ik wijs u nogmaals op de inhoud van mijn bericht van 3 maart j.l. en merk daarbij op dat er inmiddels ook verboden asfalt op het gehuurde is gestort. Dat is volgens de van toepassing zijnde vergunning absoluut niet toegestaan.





Ik verzoek u met klem meer werk te maken van het op orde krijgen van het gehuurde en per direct het asfalt te verwijderen.





Beschouw deze mail als een tussentijdse waarschuwing.”




2.9
Op 31 maart 2025 heeft (de adviseur van) RCS als volgt gereageerd:


“Onder verwijzing naar uw e-mails van 3 maart en 17 maart jl. berichten wij u namens cliënt, Recycling Centrum Staphorst B.V., als volgt.




Cliënt herkent zich niet in door u geuite beschuldigingen met betrekking tot een vermeende overtreding van de huurovereenkomst dan wel de van toepassing zijnde vergunningen. Cliënt handelt conform de geldende regelgeving en registreert en meldt alle materiaalstromen die over het gehuurde terrein plaatsvinden. In de door u aangeduide periode is cliënt, al dan niet naar aanleiding van meldingen van omwonenden, met regelmaat onderworpen aan inspecties door de bevoegde instanties. Dit heeft nimmer geresulteerd in een schriftelijke waarschuwing noch tot de oplegging van een boete.





Tussen partijen is genoegzaam bekend dat cliënt, na verkrijging van een passende uitbreiding van de vergunning op een alternatieve locatie, voornemens is de materiaalstromen zoveel als mogelijk aldaar te concentreren. De procedure hiervoor vordert gestaag en bevindt zich thans in de eindfase. Niettemin neemt cliënt de door uw cliënt geuite beschuldigingen serieus en staat zij open voor een constructieve dialoog, al dan niet in aanwezigheid van de respectievelijke adviseurs van partijen, teneinde escalatie te voorkomen en te bezien of een wederzijds werkbare oplossing kan worden gevonden.”




2.10
Op 7 april 2025 heeft de toezichthouder van de Omgevingsdienst IJsselland op verzoek van [partij A] een milieucontrole uitgevoerd op het gehuurde.



2.11
Per brief van 2 juni 2025 heeft de Omgevingsdienst RCS bericht dat RCS niet voldoet aan alle milieuregels. In haar brief schrijft de Omgevingsdienst, voor zover relevant:


“Wat stelt onze toezichthouder vast?
1. Binnen de locatie vindt meer opslag van (gebroken) puin plaats dan is toegestaan. Tijdens de controle op 7 april 2025 is geconstateerd dat binnen de locatie ongeveer 7500 m3 ongebroken puin werd opgeslagen. De maximale vergunde hoeveelheid bedraagt echter 2500 m3. Dat is een overschrijding van ongeveer 5000 m3.

(Voorschrift 4.2.4 van de omgevingsvergunning van 5 december 2014 met kenmerk WABO-2014-0240 in samenhang met artikel 5.1 lid 2 onder b van de Omgevingswet).





Dit is wat u moet doen

1. De opslag van ongebroken puin terugbrengen naar de vergunde hoeveelheid van maximaal 2500 m3. U moet dit doen voor 1 juli 2025.”




2.12
Per brief van 10 juli 2025 heeft (de advocaat van) [partij A] aan RCS voorgesteld de huurovereenkomst in verband met het schenden van diverse bepalingen uit de huurovereenkomst per 30 september 2025 met wederzijds goedvinden te beëindigen.



2.13
Per brief van 14 augustus 2025 heeft de Omgevingsdienst meegedeeld dat de toezichthouder bij een controle op 11 augustus 2025 heeft vastgesteld dat de overtreding is gestopt.



2.14
Op 25 augustus 2025 heeft [partij A] de dagvaarding laten betekenen. Op dezelfde dag heeft (de advocaat van) RCS aan (de advocaat van) [partij A] een brief gestuurd waarin zij kort gezegd betwist dat haar bedrijfsvoering, afgezien van een tijdelijk (administratieve) omissie, niet voldoet aan de (wettelijke) verplichtingen.





3Het geschil


3.1


[partij A] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de huurovereenkomst per datum van het vonnis ontbindt,
II. RCS veroordeelt om het gehuurde binnen veertien dagen te ontruimen, te verlaten en ontruimd te laten en leeg, schoon, zonder schade aan het straatwerk, zonder andere schade aan het gehuurde en weer voorzien van de vakkenindeling/afscheidingswanden zoals ten tijde van de ingangsdatum van het gehuurde aanwezig was en onder afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van [partij A] te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00,
III. RCS veroordeelt tot betaling van een vergoeding gelijk aan de vorige huurprijs, inclusief de contractuele huurprijsverhoging, voor de periode vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot en met de dag van de ontruiming,
IV. RCS veroordeelt om de contractuele boete van € 163.750,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,
V. RCS veroordeelt € 24.562,50 te betalen ex artikel 28.1 van de algemene bepalingen (forfaitair vastgestelde redelijke kosten van rechtsbijstand), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,
VI. RCS veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.




3.2

Aan zijn vorderingen legt [partij A] ten grondslag dat RCS in strijd handelt met
de vergunning en daarmee overlast veroorzaakt, hetgeen in strijd is met de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst (artikel 5.1, 5.2 en 8.1.) en artikel 7:213 BW. Volgens [partij A] is ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen gerechtvaardigd.




3.3
RCS voert verweer tegen de vorderingen en concludeert in conventie tot afwijzing daarvan. Het verweer mondt uit in een (voorwaardelijke) reconventionele vordering waarbij RCS vordert – samengevat – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad en voorzover het in conventie onder I. gevorderde wordt afgewezen:



[partij A] veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het vonnis o.a. de ter afscheiding van het gehuurde van het overige deel van [partij A] ’s perceel op die grens verwijderde betonnen legoblokken te herplaatsen (met een doorgang van 15 meter in het midden van de afscheiding met de rest van de kavel van [partij A] ) en deze blokken tot het einde van de huurovereenkomst geplaatst te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,



[partij A] veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het vonnis de (sier)bestrating te verwijderen en in een onafgebroken verwijder- en legproces te vervangen door voor zeer zwaar materiaal geschikte verharding, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,


Tot slot (3.) vordert RCS de proceskosten met daarover de wettelijke rente.



3.4

[partij A] handhaaft zijn vorderingen in conventie en verzoekt de kantonrechter in reconventie RCS niet ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen te ontzeggen met veroordeling van RCS tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.





4De beoordeling


4.1
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen de gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.



4.2
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.



4.3
Indien een partij nog schriftelijke stukken in het geding wenst te brengen, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.



4.4
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten en zal de rechter vragen stellen over de feiten en de standpunten van partijen voor zover die nog niet duidelijk zijn.



4.5
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.



4.6
Indien partijen zonder dat daaraan voorafgaand een mondelinge behandeling wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat op de hierna te bepalen rolzitting kenbaar te maken.


4.7
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. J.N. Bartels, in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd;



5.2
bepaalt dat [partij A] in persoon aanwezig moet zijn en dat RCS vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en, hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht, bevoegd is haar te vertegenwoordigen;



5.3
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 25 augustus 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden november 2026 tot en met maart 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;



5.4
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgaven de kantonrechter de dag en het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;



5.5
bepaalt dat na de vaststelling van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;



5.6
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken;



5.7
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.