Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5099
2026-08-04
Civiel recht
12077231 \ CV EXPL 26-103
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur, ontbinding en ontruiming. Moedwillige afsluiting elektra.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.323 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12077231 \ CV EXPL 26-103
Vonnis van 4 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: EBL Incasso,
tegen
PR-HOLDING.NET B.V.,
te Almelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PR-Holding,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om onbetaalde huur en elektravoorschotten voor een bedrijfsunit. [eiser] vordert betaling, maar PR-Holding vindt dat hij minder hoeft te betalen, omdat hij geen stroom had in het gehuurde. De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst en oordeelt dat PR-Holding een deel van de achterstallige huur moet betalen.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 31 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3De feiten
3.1
Sinds 1 augustus 2023 huurt PR-Holding een garagebox/bedrijfsunit te [plaats] van [eiser] voor een prijs van € 350,- per maand te vermeerderen met een voorschot voor elektra van € 20,- per maand.
3.2
Vanaf juni 2024 is de huur niet meer betaald. [eiser] heeft sinds februari 2025 de stroom in het gehuurde af laten sluiten.
3.3
Partijen hebben eind 2025 een procedure gevoerd, waarbij PR-Holding bij vonnis van 9 september 2025 is veroordeeld tot (onder meer) betaling van de achterstallige huursom tot oktober 2025. Aan dit vonnis heeft PR-Holding niet voldaan.
3.4
PR-Holding heeft (ondanks sommatie daartoe) opnieuw de huur en het voorschot elektra sinds oktober 2025 tot en met januari 2026 niet betaald. Dat is een bedrag van in totaal (4 x € 370,- =) € 1.480,-.
4Het geschil en de beoordeling daarvan
4.1
[eiser] vordert kort gezegd ontbinding en ontruiming van het gehuurde, betaling van de achterstallige huur en voorschotten verhoogd met rente en betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding voor de periode tot de ontruiming. [eiser] vordert ook dat PR-Holding in de proceskosten wordt veroordeeld. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2
PR-Holding voert verweer. PR-Holding vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en wil dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld. PRHolding wil de mogelijkheid krijgen om deze proceskostenveroordeling meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
5De beoordeling
5.1
[eiser] stelt dat PR-Holding haar betalingsverplichtingen niet nakomt.
5.2
PR-Holding erkent dat zij de huur niet heeft betaald, maar voert aan dat [eiser] de stroom nooit meer heeft aangesloten. PR-Holding heeft daardoor minder huurgenot gehad, en om die reden de huur niet betaald.
Ontbinding en ontruiming
5.3
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter zitting is gebleken dat PR-Holding inmiddels een nieuwe huurlocatie heeft gevonden, zodat zij geen belang meer heeft bij gebruik van het gehuurde. PR-Holding zegt de unit te hebben ontruimd en wenst de sleutel ter zitting in te leveren. [eiser] heeft daarop aangegeven nog belang te hebben bij de gevorderde ontbinding en ontruiming, om er zeker van te zijn dat PR-Holding de unit ontruimt. Partijen spreken af om na de zitting gezamenlijk naar het gehuurde te gaan voor de oplevering en sleuteloverdracht.
5.4
De gevorderde ontbinding en ontruiming wordt – in overleg met partijen – toegewezen per datum van de zitting, 31 juli 2026. Voor zover [eiser] heeft bedoeld een machtiging te vorderen om de woning door een deurwaarder te laten ontruimen, wordt dit afgewezen, want daar is geen machtiging voor nodig. In de wet staat namelijk al dat de deurwaarder dat mag (artikel 556 Rv).
De huur
5.5
Partijen zijn het er over eens dat PR-Holding de huur van oktober 2025 tot en met januari 2026 (vier maanden) niet heeft betaald. PR-Holding maakt aanspraak op vermindering van de huurprijs, omdat de stroom in het gehuurde door [eiser] is afgesloten.
5.6
Tussen partijen staat vast dat [eiser] de stroom in het gehuurde heeft laten afsluiten. PR-Holding heeft gemotiveerd dat zij daardoor minder huurgenot heeft gehad, doordat zij het pand niet kon beveiligen, haar goederen onverzekerd waren, extra kosten moesten worden gemaakt en zij geen werkzaamheden in het pand konden uitvoeren bij gebreke van verlichting. Daar heeft [eiser] slechts tegenin gebracht dat het ontbreken van stroom ‘de eigen schuld is’ van PR-Holding omdat zij de huur niet betaalde.
5.7
Zoals de kantonrechter in het vonnis van 9 september 2025 al heeft overwogen, handelen beide partijen fout: PR-Holding omdat zij de huur niet betaalt en [eiser] omdat hij het recht in eigen handen neemt door de stroom af te (laten) sluiten. Helaas hebben partijen die handelswijze niet veranderd en houden zij elkaar in deze impasse. Hoewel PR-Holding inderdaad de huur niet betaalde, heeft zij voldoende onderbouwd dat er verminderd huurgenot was door het ontbreken van elektra. De kantonrechter zal op grond van artikel 7:207 BW bepalen dat de huurprijs van € 350,- verminderd moet worden met 20% naar € 280,- vanwege de (moedwillige) afsluiting van de elektra in het gehuurde. Verder wordt afgewezen de elektriciteitsvergoedingen waaronder het bedrag aan elektravoorschot van € 20,- per maand. Ten slotte is ter zitting gebleken dat op de achterstallige huur de borg van € 700,- in mindering moet worden gebracht.
De kantonrechter zal PR-Holding daarom veroordelen om te betalen een bedrag van: ((4 x € 280,-) -/- € 700,- ) € 420,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de verschillende huurtermijnen tot het moment van volledige betaling.
Vergoeding
5.8
Verder vordert [eiser] een bedrag van € 370,- per maand vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van volledige ontruiming. De kantonrechter oordeelt, in lijn met de achterstallige huur, dat bij gebrek aan genoten elektra, slechts een vergoeding van € 280,- per maand toewijsbaar is. Daarbij dient een deel van een maand naar rato te worden afgerekend per dag.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9
De buitengerechtelijke kosten worden in lijn met de beperkt toegewezen vordering, verminderd toegewezen tot een bedrag van € 76,23 inclusief btw.
Proceskosten
5.10
In hun standpunten zijn partijen beide deels in het (on)gelijk gesteld. Mede gelet op het eigen aandeel van partijen in het ontstaan van dit geschil, worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen van 1 augustus 2023 betreffende het gehuurde aan de [adres] per 31 juli 2026,
6.2
veroordeelt PR-Holding om het gehuurde per 31 juli 2026 te ontruimen en verlaten onder afgifte van de sleutels en bezemvrij ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
6.3
veroordeelt PR-Holding om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 420,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de verschillende huurtermijnen tot het moment van volledige betaling,
6.4
veroordeelt PR-Holding om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 280,00 per maand vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van volledige ontruiming van het gehuurde,
6.5
veroordeelt PR-Holding om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 76,23 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw,
6.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7
compenseert de proceskosten tussen partijen,
6.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12077231 \ CV EXPL 26-103
Vonnis van 4 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: EBL Incasso,
tegen
PR-HOLDING.NET B.V.,
te Almelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PR-Holding,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om onbetaalde huur en elektravoorschotten voor een bedrijfsunit. [eiser] vordert betaling, maar PR-Holding vindt dat hij minder hoeft te betalen, omdat hij geen stroom had in het gehuurde. De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst en oordeelt dat PR-Holding een deel van de achterstallige huur moet betalen.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 31 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3De feiten
3.1
Sinds 1 augustus 2023 huurt PR-Holding een garagebox/bedrijfsunit te [plaats] van [eiser] voor een prijs van € 350,- per maand te vermeerderen met een voorschot voor elektra van € 20,- per maand.
3.2
Vanaf juni 2024 is de huur niet meer betaald. [eiser] heeft sinds februari 2025 de stroom in het gehuurde af laten sluiten.
3.3
Partijen hebben eind 2025 een procedure gevoerd, waarbij PR-Holding bij vonnis van 9 september 2025 is veroordeeld tot (onder meer) betaling van de achterstallige huursom tot oktober 2025. Aan dit vonnis heeft PR-Holding niet voldaan.
3.4
PR-Holding heeft (ondanks sommatie daartoe) opnieuw de huur en het voorschot elektra sinds oktober 2025 tot en met januari 2026 niet betaald. Dat is een bedrag van in totaal (4 x € 370,- =) € 1.480,-.
4Het geschil en de beoordeling daarvan
4.1
[eiser] vordert kort gezegd ontbinding en ontruiming van het gehuurde, betaling van de achterstallige huur en voorschotten verhoogd met rente en betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding voor de periode tot de ontruiming. [eiser] vordert ook dat PR-Holding in de proceskosten wordt veroordeeld. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2
PR-Holding voert verweer. PR-Holding vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en wil dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld. PRHolding wil de mogelijkheid krijgen om deze proceskostenveroordeling meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
5De beoordeling
5.1
[eiser] stelt dat PR-Holding haar betalingsverplichtingen niet nakomt.
5.2
PR-Holding erkent dat zij de huur niet heeft betaald, maar voert aan dat [eiser] de stroom nooit meer heeft aangesloten. PR-Holding heeft daardoor minder huurgenot gehad, en om die reden de huur niet betaald.
Ontbinding en ontruiming
5.3
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter zitting is gebleken dat PR-Holding inmiddels een nieuwe huurlocatie heeft gevonden, zodat zij geen belang meer heeft bij gebruik van het gehuurde. PR-Holding zegt de unit te hebben ontruimd en wenst de sleutel ter zitting in te leveren. [eiser] heeft daarop aangegeven nog belang te hebben bij de gevorderde ontbinding en ontruiming, om er zeker van te zijn dat PR-Holding de unit ontruimt. Partijen spreken af om na de zitting gezamenlijk naar het gehuurde te gaan voor de oplevering en sleuteloverdracht.
5.4
De gevorderde ontbinding en ontruiming wordt – in overleg met partijen – toegewezen per datum van de zitting, 31 juli 2026. Voor zover [eiser] heeft bedoeld een machtiging te vorderen om de woning door een deurwaarder te laten ontruimen, wordt dit afgewezen, want daar is geen machtiging voor nodig. In de wet staat namelijk al dat de deurwaarder dat mag (artikel 556 Rv).
De huur
5.5
Partijen zijn het er over eens dat PR-Holding de huur van oktober 2025 tot en met januari 2026 (vier maanden) niet heeft betaald. PR-Holding maakt aanspraak op vermindering van de huurprijs, omdat de stroom in het gehuurde door [eiser] is afgesloten.
5.6
Tussen partijen staat vast dat [eiser] de stroom in het gehuurde heeft laten afsluiten. PR-Holding heeft gemotiveerd dat zij daardoor minder huurgenot heeft gehad, doordat zij het pand niet kon beveiligen, haar goederen onverzekerd waren, extra kosten moesten worden gemaakt en zij geen werkzaamheden in het pand konden uitvoeren bij gebreke van verlichting. Daar heeft [eiser] slechts tegenin gebracht dat het ontbreken van stroom ‘de eigen schuld is’ van PR-Holding omdat zij de huur niet betaalde.
5.7
Zoals de kantonrechter in het vonnis van 9 september 2025 al heeft overwogen, handelen beide partijen fout: PR-Holding omdat zij de huur niet betaalt en [eiser] omdat hij het recht in eigen handen neemt door de stroom af te (laten) sluiten. Helaas hebben partijen die handelswijze niet veranderd en houden zij elkaar in deze impasse. Hoewel PR-Holding inderdaad de huur niet betaalde, heeft zij voldoende onderbouwd dat er verminderd huurgenot was door het ontbreken van elektra. De kantonrechter zal op grond van artikel 7:207 BW bepalen dat de huurprijs van € 350,- verminderd moet worden met 20% naar € 280,- vanwege de (moedwillige) afsluiting van de elektra in het gehuurde. Verder wordt afgewezen de elektriciteitsvergoedingen waaronder het bedrag aan elektravoorschot van € 20,- per maand. Ten slotte is ter zitting gebleken dat op de achterstallige huur de borg van € 700,- in mindering moet worden gebracht.
De kantonrechter zal PR-Holding daarom veroordelen om te betalen een bedrag van: ((4 x € 280,-) -/- € 700,- ) € 420,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de verschillende huurtermijnen tot het moment van volledige betaling.
Vergoeding
5.8
Verder vordert [eiser] een bedrag van € 370,- per maand vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van volledige ontruiming. De kantonrechter oordeelt, in lijn met de achterstallige huur, dat bij gebrek aan genoten elektra, slechts een vergoeding van € 280,- per maand toewijsbaar is. Daarbij dient een deel van een maand naar rato te worden afgerekend per dag.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9
De buitengerechtelijke kosten worden in lijn met de beperkt toegewezen vordering, verminderd toegewezen tot een bedrag van € 76,23 inclusief btw.
Proceskosten
5.10
In hun standpunten zijn partijen beide deels in het (on)gelijk gesteld. Mede gelet op het eigen aandeel van partijen in het ontstaan van dit geschil, worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen van 1 augustus 2023 betreffende het gehuurde aan de [adres] per 31 juli 2026,
6.2
veroordeelt PR-Holding om het gehuurde per 31 juli 2026 te ontruimen en verlaten onder afgifte van de sleutels en bezemvrij ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
6.3
veroordeelt PR-Holding om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 420,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de verschillende huurtermijnen tot het moment van volledige betaling,
6.4
veroordeelt PR-Holding om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 280,00 per maand vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van volledige ontruiming van het gehuurde,
6.5
veroordeelt PR-Holding om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 76,23 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw,
6.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7
compenseert de proceskosten tussen partijen,
6.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.