Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5043
2026-07-15
Civiel recht
C/08/319898 / HA ZA 24-339
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In geschil is de eigendom van een strook grond. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van verjaring.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:309 Hoge Raad 24-02-2017
- ECLI:NL:HR:2023:62 Hoge Raad 20-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (42.070 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/319898 / HA ZA 24-339
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[partij A]
,
te [woonplaats 1] (Duitsland),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. B.J. van den Berg,
tegen
[partij B]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. S.R. Oxener.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn buren van elkaar. Zij zijn beiden eigenaar van een vakantiewoning aan het water in [plaats] . De kadastrale erfgrens tussen hun percelen komt niet overeen met de feitelijke situatie. Een deel van de steiger van [partij B] bevindt zich op een strook grond die kadastraal tot het perceel van [partij A] behoort. [partij A] wil dat de kadastrale erfgrens gerespecteerd wordt en heeft daarmee samenhangende vorderingen ingesteld. [partij B] stelt zich op het standpunt dat hij door verjaring eigenaar van de strook is geworden en heeft daarop gebaseerde vorderingen in reconventie ingesteld.
1.2
De rechtbank oordeelt dat het beroep op verjaring slaagt. [partij B] en zijn rechtsvoorganger hebben de betreffende strook grond gedurende meer dan twintig jaar ondubbelzinnig in bezit gehad. Daardoor is [partij B] eigenaar geworden van de strook. [partij B] heeft niet onrechtmatig gehandeld bij het in bezit nemen en houden van de strook. Hij hoeft het gebruik daarvan niet te staken en de steiger niet te verwijderen. De vorderingen van [partij A] worden afgewezen. De reconventionele vorderingen van [partij B] worden grotendeels toegewezen. [partij A] wordt veroordeeld mee te werken aan de notariële vastlegging en inschrijving van de verjaring in de openbare registers, zulks op straffe van een dwangsom. Daarnaast wordt [partij A] veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13 van [partij A] , - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 8 van [partij B] ,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 21 van [partij A] ,
- de aanvullende producties 9 tot en met 12 van [partij B] ,
- de aanvullende producties 22 en 23 van [partij A] ,
- de akte houdende schorsing ex artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van [partij B] , waaraan productie 13 van [partij B] gehecht is,
- het verzoek van [partij A] om de zaak op de rol te plaatsen voor het opgeven van verhinderdata,
- de akte hervatting geding met producties 14 en 15 van [partij B] ,
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar door mrs. [partij A] en Oxener spreekaantekeningen zijn overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1
[partij A] is sinds 1982 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: [locatie 1] ). [locatie 1] wordt kadastraal aangeduid als [locatie 1] .
3.2
[naam 1] is de vader van [partij B] . [naam 1] is vanaf 1977 eigenaar geweest van het perceel aan de [adres 2] in [plaats] (hierna: [locatie 2] ). [locatie 2] wordt kadastraal aangeduid als [locatie 2] .
3.3
Beide percelen zijn gelegen aan het water, de [locatie 3] . Elk perceel omvat de grond, de daarop aanwezige bebouwing en een klein gedeelte van het aangrenzende water. De bebouwing op de percelen wordt gebruikt als vakantiewoning. Op onderstaande kaart wordt de situatie ter plaatse weergegeven. Het perceel met de letter A is [locatie 1] van [partij A] en het perceel met de letter B is [locatie 2] van [partij B] .
[Afbeelding]
3.4
In 1996 heeft [naam 1] aannemer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) ingeschakeld om een steiger aan te leggen. [naam 2] heeft hiervoor een tekening gemaakt. [naam 2] omschrijft zijn werk als “vernieuwen jachthaven”. [naam 2] heeft over de aanleg van de steiger in zijn schriftelijke verklaring van 4 september 2024 het volgende opgenomen:
“In 1996 (…) heb ik (…) de steigers en walbeschoeiing vernieuwd.
Hierbij zijn wij uitgegaan van de oude situatie, de oude palen en planken eruit gehaald en op deze plaats nieuwe neergezet.
Bij deze werkzaamheden heb ik niet het kadaster geraadpleegd maar ben ik uitgegaan van hoe de bestaande steigers toen waren.”
In zijn schriftelijke verklaring van 16 december 2024 vult hij zijn eerdere verklaring als volgt aan: :
“Mijn tekening van de nieuwe steiger is een schets waarin wordt aangegeven hoe de steiger in verband met de golfslag op een aantal plaatsen kan worden versterkt. Het is geen bouwtekening. Er is bij vernieuwing van de steiger uitgegaan van de bestaande situatie.”
3.5
Op 13 september 2023 heeft [naam 1] een brief naar [partij A] gestuurd. Hierin staat:
“(…) Ik schrijf u omdat ik graag overleg zou willen voeren over het verwijderen van een drietal dode bomen, één daarvan staat naar onze waarneming op de erfgrens, twee staan daar dichtbij en op uw terrein. De bomen moeten binnen afzienbare tijd worden verwijderd ter voorkoming van eventuele schade aan onze woning. Hoe dit aan te pakken, verdeling van kosten?”
3.6
Partijen hebben vervolgens telefonisch contact gehad.
3.7
Op 9 oktober 2023 heeft [naam 1] een brief naar [partij A] gestuurd waarin staat:
“(….) We hebben ontdekt dat een paar bomen (boompjes) op ons terrein weggehaald zijn bij het maaien van het gras op uw terrein. Uw uitzicht is daardoor verbeterd, maar ons aanzien niet. Wat is daarvan de reden? (…)”
3.8
Vervolgens is op 17 oktober 2023 op het perceel van [partij B] afgesproken. Tussen partijen ontstond toen discussie over de vraag op welk perceel de betreffende bomen staan en of daardoor al dan niet toestemming nodig was van de andere partij om deze bomen te snoeien.
3.9
Op 19 december 2023 heeft het kadaster in opdracht van [partij A] een grensreconstructie uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de betreffende bomen op het perceel van [partij A] staan en dat een deel van de steiger van [partij B] zich op het perceel van [partij A] bevindt.
3.10
Op de afbeelding hieronder zijn de meetresultaten van het kadaster opgenomen. Het gedeelte van de steiger dat zich op het perceel van [partij A] bevindt is de driehoek die met de letter C is aangeduid en wordt hierna ook wel omschreven als “de strook”.
[Afbeelding]
3.11
Op 8 januari 2024 heeft [partij A] het rapport van het kadaster met [naam 1] gedeeld en [naam 1] verzocht en gesommeerd om binnen 14 dagen na dagtekening van de brief de erfgrenzen zoals deze volgen uit de kadastrale meting te herstellen.
3.12
Op 14 januari 2024 heeft [naam 1] per brief gereageerd. Hij gaf daarbij onder andere aan dat hij verrast was door de brief en de uitkomst van de kadastrale meting en dat hij graag de situatie ter plaatse wilde bekijken.
3.13
[partij A] en [naam 1] hebben vervolgens allebei een advocaat ingeschakeld. De advocaten hebben schriftelijk gecorrespondeerd over de situatie. Dat heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid. [partij A] is vervolgens onderhavige procedure gestart.
3.14
In 2025 is [naam 1] overleden. [partij B] is toen eigenaar geworden van [locatie 2] .
4Het geschil
in conventie
4.1
[partij A] vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. voor recht zal verklaren dat een deel van de steiger zoals gemarkeerd op de bij dagvaarding onder randnummer 2.11 weergegeven situatietekening, eigendom is van [partij A] ;
II. [partij B] zal veroordelen om binnen twee weken na het vonnis het gebruik van de steiger op het perceel van [partij A] te staken en dat deel van de steiger binnen diezelfde termijn te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over zijn volledige perceel;
III. [partij B] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij zich niet houdt aan het onder II gevorderde, met een maximum van € 50.000,00;
subsidiair:
I. voor recht zal verklaren dat [partij B] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door het stuk grond van het perceel van [partij A] in bezit te nemen en te houden door de aanleg van een steiger, en dat [partij B] gehouden is de schade die [partij A] lijdt en/of heeft geleden te vergoeden;
II. [partij B] zal veroordelen om ten titel van schadevergoeding in natura de schade zoals genoemd onder I van de subsidiaire vordering, het gebruik van de steiger op het perceel van [partij A] te staken en dat deel van de steiger te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over zijn volledige perceel;
zowel primair als subsidiair:
[partij B] zal veroordelen in de proceskosten inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.
4.2
[partij A] legt aan zijn primaire vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. De kadastrale grenzen tussen beide percelen vallen niet samen met de feitelijke erfgrens. Een deel van de steiger van [partij B] is aangelegd op [locatie 1] , dat in eigendom toebehoort aan [partij A] . Volgens [partij A] heeft de rechtsvoorganger van [partij B] de strook in bezit genomen terwijl hij wist, althans had behoren te weten, dat deze aan [partij A] toebehoorde. [partij A] heeft geen toestemming gegeven voor het plaatsen van de steiger op zijn grond. [partij A] wil dat de inbreuk op zijn eigendomsrecht wordt opgeheven. Hij wil dat de kadastrale erfgrens weer als erfgrens gaat gelden.
4.3
Subsidiair stelt [partij A] dat, als [partij B] door verjaring eigenaar van de strook is geworden, er sprake is van onrechtmatig handelen bij het in bezit nemen en houden daarvan. Volgens [partij A] is daarom aan de zijde van [partij B] sprake van kwade trouw. [partij A] stelt dat hij als gevolg van het handelen van [partij B] schade lijdt. Hij vordert schadevergoeding in natura door teruglevering van de strook.
4.4
[partij B] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten.
4.5
[partij B] voert als belangrijkste argument aan dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Volgens [partij B] hebben hij en zijn rechtsvoorganger, zijn vader, de strook al vanaf 1977 en in ieder geval vanaf 1996 onafgebroken en met eigendomspretentie in bezit gehad. [partij A] kan dan ook geen verwijdering meer vorderen. Verder betwist [partij B] dat hij en zijn rechtsvoorganger onrechtmatig hebben gehandeld. Volgens [partij B] is er geen sprake van kwade trouw. Schadevergoeding is daarom niet aan de orde. Bovendien is de vordering tot schadevergoeding verjaard, aldus [partij B] . Tot slot voert [partij B] verweer tegen de termijn voor afbraak, de gevorderde dwangsom en de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.
4.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.7
[partij B] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat [partij B] door verjaring de eigendom heeft gekregen van de strook zoals weergegeven onder randnummer 3.2 van de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, althans van het gedeelte waar de steiger op staat, en dat de strook, althans het gedeelte waar de steiger op staat, onderdeel is (geworden) van het perceel van [partij B] ;
II. [partij A] zal veroordelen om binnen drie maanden na betekening van het vonnis mee te werken aan het notarieel vastleggen en in de openbare registers inschrijven van de onder I. bedoelde verjaring en veroordeling van [partij A] tot het meewerken aan de aanpassing van de kadastrale gegevens zodat daaruit blijkt dat de strook toebehoort aan [partij B] ;
III. [partij A] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij zich niet houdt aan het onder II gevorderde, met een maximum van € 30.000,00;
IV. [partij A] zal veroordelen in de proceskosten inclusief nakosten.
4.8
De vorderingen in reconventie liggen in het verlengde van het verweer in conventie. [partij B] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook, die in het kadaster nog ingeschreven staat als onderdeel van [locatie 1] van [partij A] . [partij B] wil dat het ook voor eventuele derden duidelijk is dat hij eigenaar is geworden van de strook.
4.9
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure. [partij A] betwist dat [partij B] eigenaar van de strook is geworden. Volgens [partij A] is er aan de zijde van [partij B] geen sprake van het voor eigendomsverkrijging vereiste bezit en is [partij B] niet te goeder trouw.
4.10
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat [partij B] in Nederland woont en [partij A] in Duitsland , heeft onderhavige procedure een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
5.2
Vooropgesteld wordt dat sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis-Vo). Omdat het gaat om in Nederland gelegen onroerend goed is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 24 van de Brussel I bis-Vo.
5.3
In conventie vordert [partij A] primair dat de rechtbank voor recht verklaart dat de steiger zijn eigendom is en in samenhang daarmee [partij B] veroordeelt om het gebruik van de steiger te staken en deze te verwijderen, zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over het volledige hem toebehorende perceel. [partij A] betwist dat [partij B] door verjaring de eigendom verkregen heeft van de grond en het water, waarop de steiger gebouwd is.
5.4
De rechtbank dient deze vordering van [partij A] , gezien haar inhoud, aan de hand van het goederenrecht te beoordelen. Artikel 10:127, eerste lid, BW bepaalt dat het goederenrechtelijk regime met betrekking tot een zaak beheerst wordt door het recht van de staat op welks grondgebied deze zich bevindt. Aangezien de grond en het water over de eigendom waarvan partijen twisten in Nederland liggen dient de rechtbank de primaire vordering van [partij A] te beoordelen aan de hand van Nederlands recht.
5.5
[partij A] vordert in conventie subsidiair dat de rechtbank voor recht verklaart dat [partij B] onrechtmatig gehandeld heeft door bovengenoemde grond en water in bezit te nemen door daarop een steiger aan te leggen en daarnaast [partij B] veroordeelt om schade die [partij A] daardoor geleden heeft te vergoeden door het gebruik van de steiger te staken en de steiger te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over het volledige hem toebehorende perceel.
5.6
[partij A] wijst daarmee een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad aan als (juridische) grondslag van deze vordering. Op grond van artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen is, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Uit de wens van [partij A] de door hem geleden schade door [partij B] te laten vergoeden door het gebruik van de steiger te staken en de steiger te verwijderen leidt de rechtbank af dat de door [partij A] gestelde schade zich voordoet daar waar de steiger zich bevindt. Op grond van het voorgaande dient de rechtbank de subsidiaire vordering van [partij A] te beoordelen naar Nederlands recht.
5.7
De vorderingen tot het opleggen van een dwangsom en tot het veroordelen tot betaling van de proceskosten dient de rechtbank, als vorderingen van procesrechtelijke aard op grond van artikel 10:3 BW te beoordelen aan de hand van het Nederlands recht.
5.8
In reconventie vordert [partij B] dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij door verjaring eigenaar is geworden van – kort gezegd – het in 1996 aan [partij A] toebehorend onroerend goed, waarop de steiger aangelegd is en [partij A] veroordeelt tot medewerking aan de vastlegging en inschrijving van die verjaring en aan de aanpassing van de kadastrale gegevens.
5.9
Ook hier gaat het om een goederenrechtelijke kwestie, die de rechtbank op grond van artikel 10:127, eerste lid, BW naar Nederlands recht dient te beoordelen.
5.10
Ook [partij B] heeft gevorderd dat de rechtbank een dwangsom oplegt aan de wederpartij en deze in de proceskosten veroordeelt. Onder verwijzing naar wat de rechtbank hiervoor overwogen heeft beoordeelt de rechtbank deze vorderingen aan de hand van het Nederlands recht.
Schorsing en hervatting geding
5.11
De oorspronkelijke gedaagde in conventie en verweerder in reconventie is [naam 1] , de vader van [partij B] . Hij is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. De procedure was toen al aanhangig.
5.12
De advocaat van ( [naam 1] ) [partij B] heeft op grond van artikel 225 lid 1 onder a Rv een akte tot schorsing van het geding genomen. De rechtbank heeft de schorsing toegestaan. De zaak is op de parkeerrol geplaatst.
5.13
In november 2025 heeft de advocaat van [partij B] ex artikel 227 Rv hervatting van het geding verzocht en voortzetting van de procedure op naam van de zoon van [naam 1] , [partij B] ( [partij B] ). Deze verzoeken zijn toegestaan. Uit de eigendomsinformatie bij het kadaster blijkt dat [partij B] eigenaar is geworden van de woning die in deze procedure centraal staat. [naam 1] heeft [locatie 2] aan [partij B] gelegateerd. Het legaat is afgegeven. Het geding is daarom op naam van [partij B] hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond.
Inhoudelijke beoordeling
In conventie en in reconventie
5.14
Omdat de vorderingen in reconventie nauw samenhangen met de vorderingen in conventie, zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk behandelen.
[partij A] kan vanwege verjaring geen verwijdering van de steiger meer vorderen
5.15
[partij A] wil dat de kadastrale grenzen worden gerespecteerd. Hij vordert in conventie primair een verklaring voor recht dat de steiger zijn eigendom is, met veroordeling van [partij B] tot staking van het gebruik en verwijdering van de steiger, zodat [partij A] weer vrij over zijn perceel kan beschikken. De rechtbank overweegt als volgt.
5.16
Tussen partijen staat vast dat de feitelijke erfgrens afwijkt van de kadastrale erfgrens. In beginsel geldt de grens zoals die uit de kadastrale gegevens blijkt als de juridische erfgrens. Dit is anders als een bezitter van grond door verjaring eigenaar is geworden.
5.17
[partij B] stelt zich op het standpunt dat hij op grond van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook. Hij stelt dat hij en zijn rechtsvoorganger (zijn vader) de strook sinds in ieder geval 1996 in bezit hebben. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op verjaring slaagt en overweegt hiertoe als volgt.
5.18
Voor het verkrijgen van eigendom van een registergoed door verkrijgende verjaring is op grond van artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaar vereist. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Voor eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring is goede trouw niet vereist. Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW wordt de bezitter bij bevrijdende verjaring eigenaar op het tijdstip waarop de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit verjaart. De verjaringstermijn is hiervoor twintig jaar (artikel 3:306 BW).
5.19
Zowel voor verkrijgende verjaring als voor bevrijdende verjaring is vereist dat sprake is van bezit. Op grond van artikel 3:107 lid 1 BW is bezit het houden van een goed voor zichzelf. Bezit van een registergoed wordt verkregen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen, waarbij de oorspronkelijke bezitter naar verkeersopvattingen zijn bezit verliest (artikel 3:113 BW). Van inbezitneming is slechts sprake indien de feitelijke machtsuitoefening naar haar uiterlijke kenmerken ondubbelzinnig wijst op het houden van het goed voor zichzelf. De bezitter moet zich zodanig gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
5.20
[partij B] heeft ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring aangevoerd dat hij en zijn rechtsvoorganger de strook gedurende meer dan 20 jaar onafgebroken in bezit hebben gehad, met de pretentie daarvan eigenaar te zijn. Vast staat dat [naam 1] de steiger in 1996 heeft laten aanleggen. Volgens [partij B] is de steiger sindsdien uitsluitend ten behoeve van zijn perceel gebruikt. De steiger is zo aangelegd, dat deze met een boot alleen via een ingang vanaf het perceel van [partij B] kan worden bereikt. De enige reden om ter plaatse te varen, is om aan te meren bij het perceel van [partij B] . Tussen de verschillende steigerdelen bevindt zich water dat uitsluitend functioneel is voor het bereiken en gebruiken van de steiger. Volgens [partij B] is de strook nagenoeg geheel afgesloten voor derden. Verder heeft [partij B] aangevoerd dat tussen beide percelen een waterloop aanwezig is en dat partijen deze waterloop en het verlengde daarvan steeds als feitelijke erfgrens hebben gehanteerd. In het verlengde van deze waterloop bevinden zich beplantingen en de steiger van [partij B] , waardoor visueel een erfgrens zichtbaar is. De beplantingen zijn volgens [partij B] in 1996 door zijn vader aangebracht aan de zijde van de steiger die grenst aan het perceel van [partij A] en sindsdien steeds door [partij B] onderhouden.
5.21
[partij A] heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hij heeft wel betwist dat sprake is van een sloot en aangevoerd dat het gaat om zogenoemd kraggenland, dat wordt gekenmerkt door grillig gevormde en wisselende waterlopen. Dat doet echter niet af aan de uiterlijke situatie ter plaatse. Ook indien geen sprake is van een sloot, is voor derden een feitelijke grens tussen beide percelen waarneembaar. Vanaf het water is zichtbaar waar die grens loopt vanwege het verschil in materiaal van de walbeschoeiing van partijen en de door [naam 1] langs de steiger aangebrachte beplantingen.
5.22
De rechtbank is van oordeel dat uit de door [partij B] aangevoerde feiten en omstandigheden, die door [partij A] onvoldoende zijn weersproken en dus als vaststaand worden aangenomen, volgt dat [partij B] en zijn rechtsvoorganger gedurende meer dan twintig jaar de feitelijke macht over de strook hebben uitgeoefend op een wijze die naar verkeersopvattingen ondubbelzinnig kenbaar maakte dat zij pretendeerden eigenaar van de strook te zijn. Daarbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat de steiger uitsluitend ten dienste stond van het perceel van [partij B] , dat de strook naar buiten toe kenbaar was afgebakend en dat niet gesteld of gebleken is dat anderen van de strook gebruik maakten. Daarmee is sprake van bezit in de zin van artikel 3:107 BW.
5.23
Dat het, zoals [partij A] heeft aangevoerd, gezien de feitelijke situatie mogelijk is om vanaf het perceel van [partij A] het perceel van [partij B] te betreden en andersom, leidt niet tot een ander oordeel. Voor bezit is niet vereist dat de strook voor anderen in het geheel niet toegankelijk is . Doorslaggevend is of [partij B] en zijn rechtsvoorganger de feitelijke macht over de strook hebben uitgeoefend op een wijze die naar buiten toe kenbaar maakte dat zij zich als eigenaar beschouwden. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is daarvan sprake.
5.24
Tussen partijen is niet in geschil dat het bezit langer dan twintig jaar heeft voortgeduurd. De steiger is in 1996 aangelegd en de situatie is sindsdien onveranderd gebleven. Uit de verklaringen van [partij A] volgt dat hij niet aan de zijde van het perceel van [partij B] kwam en zich hier ook nooit mee heeft bemoeid. Hij heeft nooit eerder dan in 2024 aangegeven dat de strook niet van [partij B] , maar van hem zou zijn.
5.25
De verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit is in 2016 voltooid. Op grond van artikel 3:105 BW is de rechtsvoorganger van [partij B] op dat moment eigenaar geworden van de strook. [partij A] kan daarom geen teruggave van de strook en verwijdering van de steiger meer vorderen. De primaire vordering van [partij A] zal worden afgewezen.
[partij B] hoeft de strook niet terug te leveren, er is geen sprake van onrechtmatig handelen
5.26
Subsidiair vordert [partij A] dat [partij B] wordt veroordeeld tot teruglevering van de strook bij wijze van schadevergoeding in natura als bedoeld in artikel 6:103 BW. Hij verwijst daarbij naar arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 en 20 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2017:309 en ECLI:NL:HR:2023:62).
5.27
Uit de uitspraken van de Hoge Raad volgt dat een partij die door bevrijdende verjaring eigenaar wordt van een stuk grond bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren. De Hoge Raad heeft overwogen dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Dat brengt mee dat deze laatste, indien ook aan de overige vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan, kan vorderen dat de bezitter de schade vergoedt die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden. Met het criterium “wetende dat” wordt gedoeld op daadwerkelijke wetenschap dat de zaak aan een ander toebehoort (daadwerkelijke kwade trouw). Dat is een andere en zwaardere maatstaf dan het ontbreken van goede trouw. Niet voldoende is dat de bezitter wist of behoorde te weten dat de zaak mogelijk aan een ander toebehoorde; vereist is dat vast komt te staan dat hij ten tijde van de inbezitneming daadwerkelijk wist dat hij een zaak in bezit nam die aan een ander toebehoorde.
5.28
Partijen zijn het erover eens dat het in dit geval aankomt op de vraag of [naam 1] ten tijde van de aanleg van de steiger in 1996 daadwerkelijk wist dat de strook eigendom was van een ander. [partij A] stelt dat dit het geval is. Hij voert hiertoe een aantal redenen aan. De rechtbank volgt hem hier niet in en overweegt als volgt.
5.29
[partij A] heeft allereerst aangevoerd dat [naam 1] door raadpleging van de openbare registers wist, dan wel had kunnen weten, hoe de kadastrale grenzen tussen de percelen liepen. De rechtbank stelt voorop dat “had kunnen weten” in dit geval onvoldoende is voor daadwerkelijke wetenschap. Verder overweegt de rechtbank dat [partij B] heeft verklaard dat de openbare registers ten tijde van de aanleg van de steiger niet zijn geraadpleegd. Dit vindt steun in de verklaring van [naam 2] (r.o. 3.4). Daarnaast heeft [partij B] aangevoerd dat bij de koopovereenkomst en leveringsakte geen kadastrale tekeningen van het perceel waren gevoegd. [partij A] heeft dat niet weerlegd. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [naam 1] ten tijde van de aanleg van de steiger daadwerkelijk bekend was met de inhoud van de openbare registers en de daarin opgenomen kadastrale informatie.
5.30
[partij A] heeft er nog wel op gewezen dat de bouw van de schuur van [partij B] gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de vernieuwing van de steiger en dat de architect van de schuur het kadaster heeft geraadpleegd, waarna [partij B] de betreffende tekeningen heeft goedgekeurd, maar ook indien ervan wordt uitgegaan dat [naam 1] op die manier kennis heeft genomen van de kadastrale informatie, volgt daaruit nog niet dat hij daadwerkelijk wist dat de steiger gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. Daarbij is van belang dat uit kadastrale tekeningen niet zonder meer kan worden afgeleid waar de kadastrale erfgrens zich feitelijk in het terrein bevindt. En als [naam 1] uit die tekeningen had kunnen afleiden dat de erfgrens anders liep, betekent dit nog niet dat hij zich daarvan ook daadwerkelijk bewust was. Artikel 3:23 BW brengt weliswaar mee dat de inhoud van de openbare registers aan een beroep op goede trouw in de weg kan staan, maar uit die bepaling volgt niet zonder meer dat sprake is van de voor aansprakelijkheid vereiste daadwerkelijke wetenschap dat de grond aan een ander toebehoort.
5.31
In de tweede plaats heeft [partij A] gewezen op verschillende markeringspunten die de kadastrale erfgrenzen weergeven. Aan de voorzijde van de woning bevindt zich een bout in het asfalt en een ijzeren buis. Verder zou onder de steiger een steen hebben gelegen en staat bij een boom een markeringspaaltje. Volgens [partij A] had [naam 1] aan de hand van deze markeringspunten kunnen zien hoe de erfgrens liep. Volgens [partij A] blijkt uit de brief van [partij B] van 13 september 2023, waarin wordt verwezen naar een boom op de erfgrens, dat [partij B] met de kadastrale erfgrens bekend was. De boom staat namelijk naast het markeringspaaltje.
5.32
De rechtbank volgt [partij A] niet in zijn stelling. [partij B] heeft aangevoerd dat hij niet bekend was met de markeringen aan de straatzijde. Daarnaast is niet duidelijk of de steen ten tijde van de aanleg van de steiger in 1996 aanwezig en waarneembaar was. Evenmin is komen vast te staan dat de overige markeringen destijds zodanig duidelijk en herkenbaar waren dat [naam 1] daaruit daadwerkelijk heeft begrepen dat de steiger gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. De bout en de ijzeren buis zijn niet gemakkelijk zichtbaar. Het houten markeringspaaltje bevindt zich bovendien in de begroeiing en is niet zonder meer als erfgrensmarkering herkenbaar. Ook staat niet vast dat dit paaltje er in 1996 al stond.
De omstandigheid dat [partij B] in zijn brief van 13 september 2023 heeft vermeld dat de erfgrens zich naar zijn mening in de nabijheid van de boom bevindt, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat deze brief van aanzienlijk latere datum is, kan daaruit niet worden afgeleid dat [naam 1] reeds in 1996 daadwerkelijk wist dat de steiger gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. Hooguit volgt daaruit dat [partij B] zich op enig moment een beeld heeft gevormd van het verloop van de erfgrens.
5.33
Tot slot wijst [partij A] erop dat [naam 1] in afwijking van de tekening van [naam 2] de steiger gedeeltelijk op [locatie 1] heeft aangelegd. Volgens [partij A] is [naam 2] bij het opstellen van die tekening uitgegaan van de kadastrale erfgrens. [partij A] wijst er daarbij op dat [naam 2] op de tekening heeft vermeld: “hier eventueel beschoeiing aansluiten op buren”. Volgens [partij A] volgt daaruit dat [naam 1] , door vervolgens van die tekening af te wijken, wist dat hij op grond van een ander bouwde.
5.34
De rechtbank volgt [partij A] ook hier niet in. [partij B] heeft gemotiveerd betwist dat [naam 2] bij het opstellen van de tekening is uitgegaan van de kadastrale erfgrens. Volgens [partij B] betreft de tekening slechts een schets, waaraan geen exacte maatvoering kan worden ontleend. De kadastrale grenzen zijn niet onderzocht door [naam 2] en evenmin op de tekening aangeduid. [naam 2] is bij het opstellen van de tekening uitgegaan van de destijds aanwezige situatie, aldus [partij B] . [partij B] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de verklaring van [naam 2] (r.o. 3.4). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] hiertegenover onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de tekening wel op de kadastrale erfgrens is gebaseerd. De enkele vermelding dat de beschoeiing eventueel op die van de buren moest worden aangesloten, is daarvoor onvoldoende. Reeds daarom kan uit de tekening niet worden afgeleid dat [naam 1] ten tijde van de aanleg van de steiger daadwerkelijk wist dat deze gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. De rechtbank laat in het midden hoe de feitelijke situatie ter plaatse destijds in 1996 precies was en of de gerealiseerde steiger op onderdelen van de schets afwijkt, omdat ook indien op die punten van de door [partij A] gestelde feiten wordt uitgegaan, dit niet tot een ander oordeel leidt.
5.35
De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] daadwerkelijk wist dat de strook aan een ander toebehoorde. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Er bestaat dan ook geen grond voor schadevergoeding in natura als bedoeld in artikel 6:103 BW. Het subsidiair in conventie gevorderde zal worden afgewezen.
De rechtbank zal voor recht verklaren dat [partij B] door verjaring eigenaar is geworden van de strook
5.36
[partij B] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook en dat de strook onderdeel is geworden van [locatie 2] . Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [partij B] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook. De gevorderde verklaring voor recht is daarom in zoverre toewijsbaar. Voor zover de vordering mede strekt tot een verklaring voor recht dat de strook onderdeel is geworden van [locatie 2] , is zij niet toewijsbaar. Eigendomsverkrijging door verjaring ziet op de eigendom van de strook en niet op de wijze waarop deze kadastraal wordt geregistreerd of ingedeeld. De verklaring voor recht zal daarom worden beperkt tot de vaststelling dat [partij B] door verjaring eigenaar is geworden van de strook.
5.37
Daarnaast vordert [partij B] dat [partij A] wordt veroordeeld om binnen drie maanden na betekening van het vonnis mee te werken aan het notarieel vastleggen van de verjaring en de inschrijving daarvan in de openbare registers. Tegen deze vordering is geen verweer gevoerd. [partij B] heeft bovendien voldoende belang bij toewijzing hiervan, omdat daarmee ook voor derden kenbaar wordt dat de eigendomssituatie door verjaring is gewijzigd. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen.
5.38
De vordering om [partij A] te veroordelen tot medewerking aan aanpassing van de kadastrale gegevens zal worden afgewezen. [partij B] heeft onvoldoende toegelicht welk zelfstandig belang hij bij deze vordering heeft naast de hiervoor toe te wijzen veroordeling. De inschrijving van de notariële verklaring van verjaring in de openbare registers biedt immers reeds de grondslag voor bijwerking van de kadastrale registratie, zodat een afzonderlijke veroordeling niet noodzakelijk is.
5.39
De over de in reconventie toe te wijzen vordering gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, als prikkel tot nakoming van de onder 5.39 uitgesproken veroordeling.
De proceskosten komen voor rekening van [partij A]
5.40
[partij A] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden in conventie begroot op € 1.626,00, bestaande uit € 320,00 aan griffierecht en € 1.306,00 (2 punten x € 653,00) aan salaris advocaat.
5.41
[partij A] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. Omdat de vorderingen van [partij B] in reconventie voortvloeien uit zijn beroep op verjaring in conventie, wordt bij de begroting van het salaris van de advocaat van [partij B] van de helft van het aantal punten uitgegaan. De proceskosten komen daarmee in reconventie op € 653,00 (2 punten x 0.5 x € 653,00).
5.42
De nakosten zullen worden toegewezen zoals wordt vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1
wijst de vorderingen van [partij A] af,
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.626,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
6.3
verklaart voor recht dat [partij B] door verjaring de eigendom heeft gekregen van de strook zoals weergegeven in r.o. 3.10.,
6.4
veroordeelt [partij A] om binnen drie maanden na betekening van het vonnis mee te werken aan het notarieel vastleggen en in de openbare registers laten inschrijven van de hiervoor onder r.o. 6.3. bedoelde verjaring,
6.5
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder r.o. 6.4. voldoet, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt,
6.6
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.7
veroordeelt [partij A] tot betaling van de nakosten, te weten een bedrag van € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. en 6.4. tot en met 6.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op15 juli 2026 .
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/319898 / HA ZA 24-339
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[partij A]
,
te [woonplaats 1] (Duitsland),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. B.J. van den Berg,
tegen
[partij B]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. S.R. Oxener.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn buren van elkaar. Zij zijn beiden eigenaar van een vakantiewoning aan het water in [plaats] . De kadastrale erfgrens tussen hun percelen komt niet overeen met de feitelijke situatie. Een deel van de steiger van [partij B] bevindt zich op een strook grond die kadastraal tot het perceel van [partij A] behoort. [partij A] wil dat de kadastrale erfgrens gerespecteerd wordt en heeft daarmee samenhangende vorderingen ingesteld. [partij B] stelt zich op het standpunt dat hij door verjaring eigenaar van de strook is geworden en heeft daarop gebaseerde vorderingen in reconventie ingesteld.
1.2
De rechtbank oordeelt dat het beroep op verjaring slaagt. [partij B] en zijn rechtsvoorganger hebben de betreffende strook grond gedurende meer dan twintig jaar ondubbelzinnig in bezit gehad. Daardoor is [partij B] eigenaar geworden van de strook. [partij B] heeft niet onrechtmatig gehandeld bij het in bezit nemen en houden van de strook. Hij hoeft het gebruik daarvan niet te staken en de steiger niet te verwijderen. De vorderingen van [partij A] worden afgewezen. De reconventionele vorderingen van [partij B] worden grotendeels toegewezen. [partij A] wordt veroordeeld mee te werken aan de notariële vastlegging en inschrijving van de verjaring in de openbare registers, zulks op straffe van een dwangsom. Daarnaast wordt [partij A] veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13 van [partij A] , - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 8 van [partij B] ,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 21 van [partij A] ,
- de aanvullende producties 9 tot en met 12 van [partij B] ,
- de aanvullende producties 22 en 23 van [partij A] ,
- de akte houdende schorsing ex artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van [partij B] , waaraan productie 13 van [partij B] gehecht is,
- het verzoek van [partij A] om de zaak op de rol te plaatsen voor het opgeven van verhinderdata,
- de akte hervatting geding met producties 14 en 15 van [partij B] ,
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar door mrs. [partij A] en Oxener spreekaantekeningen zijn overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1
[partij A] is sinds 1982 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: [locatie 1] ). [locatie 1] wordt kadastraal aangeduid als [locatie 1] .
3.2
[naam 1] is de vader van [partij B] . [naam 1] is vanaf 1977 eigenaar geweest van het perceel aan de [adres 2] in [plaats] (hierna: [locatie 2] ). [locatie 2] wordt kadastraal aangeduid als [locatie 2] .
3.3
Beide percelen zijn gelegen aan het water, de [locatie 3] . Elk perceel omvat de grond, de daarop aanwezige bebouwing en een klein gedeelte van het aangrenzende water. De bebouwing op de percelen wordt gebruikt als vakantiewoning. Op onderstaande kaart wordt de situatie ter plaatse weergegeven. Het perceel met de letter A is [locatie 1] van [partij A] en het perceel met de letter B is [locatie 2] van [partij B] .
[Afbeelding]
3.4
In 1996 heeft [naam 1] aannemer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) ingeschakeld om een steiger aan te leggen. [naam 2] heeft hiervoor een tekening gemaakt. [naam 2] omschrijft zijn werk als “vernieuwen jachthaven”. [naam 2] heeft over de aanleg van de steiger in zijn schriftelijke verklaring van 4 september 2024 het volgende opgenomen:
“In 1996 (…) heb ik (…) de steigers en walbeschoeiing vernieuwd.
Hierbij zijn wij uitgegaan van de oude situatie, de oude palen en planken eruit gehaald en op deze plaats nieuwe neergezet.
Bij deze werkzaamheden heb ik niet het kadaster geraadpleegd maar ben ik uitgegaan van hoe de bestaande steigers toen waren.”
In zijn schriftelijke verklaring van 16 december 2024 vult hij zijn eerdere verklaring als volgt aan: :
“Mijn tekening van de nieuwe steiger is een schets waarin wordt aangegeven hoe de steiger in verband met de golfslag op een aantal plaatsen kan worden versterkt. Het is geen bouwtekening. Er is bij vernieuwing van de steiger uitgegaan van de bestaande situatie.”
3.5
Op 13 september 2023 heeft [naam 1] een brief naar [partij A] gestuurd. Hierin staat:
“(…) Ik schrijf u omdat ik graag overleg zou willen voeren over het verwijderen van een drietal dode bomen, één daarvan staat naar onze waarneming op de erfgrens, twee staan daar dichtbij en op uw terrein. De bomen moeten binnen afzienbare tijd worden verwijderd ter voorkoming van eventuele schade aan onze woning. Hoe dit aan te pakken, verdeling van kosten?”
3.6
Partijen hebben vervolgens telefonisch contact gehad.
3.7
Op 9 oktober 2023 heeft [naam 1] een brief naar [partij A] gestuurd waarin staat:
“(….) We hebben ontdekt dat een paar bomen (boompjes) op ons terrein weggehaald zijn bij het maaien van het gras op uw terrein. Uw uitzicht is daardoor verbeterd, maar ons aanzien niet. Wat is daarvan de reden? (…)”
3.8
Vervolgens is op 17 oktober 2023 op het perceel van [partij B] afgesproken. Tussen partijen ontstond toen discussie over de vraag op welk perceel de betreffende bomen staan en of daardoor al dan niet toestemming nodig was van de andere partij om deze bomen te snoeien.
3.9
Op 19 december 2023 heeft het kadaster in opdracht van [partij A] een grensreconstructie uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de betreffende bomen op het perceel van [partij A] staan en dat een deel van de steiger van [partij B] zich op het perceel van [partij A] bevindt.
3.10
Op de afbeelding hieronder zijn de meetresultaten van het kadaster opgenomen. Het gedeelte van de steiger dat zich op het perceel van [partij A] bevindt is de driehoek die met de letter C is aangeduid en wordt hierna ook wel omschreven als “de strook”.
[Afbeelding]
3.11
Op 8 januari 2024 heeft [partij A] het rapport van het kadaster met [naam 1] gedeeld en [naam 1] verzocht en gesommeerd om binnen 14 dagen na dagtekening van de brief de erfgrenzen zoals deze volgen uit de kadastrale meting te herstellen.
3.12
Op 14 januari 2024 heeft [naam 1] per brief gereageerd. Hij gaf daarbij onder andere aan dat hij verrast was door de brief en de uitkomst van de kadastrale meting en dat hij graag de situatie ter plaatse wilde bekijken.
3.13
[partij A] en [naam 1] hebben vervolgens allebei een advocaat ingeschakeld. De advocaten hebben schriftelijk gecorrespondeerd over de situatie. Dat heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid. [partij A] is vervolgens onderhavige procedure gestart.
3.14
In 2025 is [naam 1] overleden. [partij B] is toen eigenaar geworden van [locatie 2] .
4Het geschil
in conventie
4.1
[partij A] vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. voor recht zal verklaren dat een deel van de steiger zoals gemarkeerd op de bij dagvaarding onder randnummer 2.11 weergegeven situatietekening, eigendom is van [partij A] ;
II. [partij B] zal veroordelen om binnen twee weken na het vonnis het gebruik van de steiger op het perceel van [partij A] te staken en dat deel van de steiger binnen diezelfde termijn te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over zijn volledige perceel;
III. [partij B] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij zich niet houdt aan het onder II gevorderde, met een maximum van € 50.000,00;
subsidiair:
I. voor recht zal verklaren dat [partij B] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door het stuk grond van het perceel van [partij A] in bezit te nemen en te houden door de aanleg van een steiger, en dat [partij B] gehouden is de schade die [partij A] lijdt en/of heeft geleden te vergoeden;
II. [partij B] zal veroordelen om ten titel van schadevergoeding in natura de schade zoals genoemd onder I van de subsidiaire vordering, het gebruik van de steiger op het perceel van [partij A] te staken en dat deel van de steiger te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over zijn volledige perceel;
zowel primair als subsidiair:
[partij B] zal veroordelen in de proceskosten inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.
4.2
[partij A] legt aan zijn primaire vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. De kadastrale grenzen tussen beide percelen vallen niet samen met de feitelijke erfgrens. Een deel van de steiger van [partij B] is aangelegd op [locatie 1] , dat in eigendom toebehoort aan [partij A] . Volgens [partij A] heeft de rechtsvoorganger van [partij B] de strook in bezit genomen terwijl hij wist, althans had behoren te weten, dat deze aan [partij A] toebehoorde. [partij A] heeft geen toestemming gegeven voor het plaatsen van de steiger op zijn grond. [partij A] wil dat de inbreuk op zijn eigendomsrecht wordt opgeheven. Hij wil dat de kadastrale erfgrens weer als erfgrens gaat gelden.
4.3
Subsidiair stelt [partij A] dat, als [partij B] door verjaring eigenaar van de strook is geworden, er sprake is van onrechtmatig handelen bij het in bezit nemen en houden daarvan. Volgens [partij A] is daarom aan de zijde van [partij B] sprake van kwade trouw. [partij A] stelt dat hij als gevolg van het handelen van [partij B] schade lijdt. Hij vordert schadevergoeding in natura door teruglevering van de strook.
4.4
[partij B] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten.
4.5
[partij B] voert als belangrijkste argument aan dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Volgens [partij B] hebben hij en zijn rechtsvoorganger, zijn vader, de strook al vanaf 1977 en in ieder geval vanaf 1996 onafgebroken en met eigendomspretentie in bezit gehad. [partij A] kan dan ook geen verwijdering meer vorderen. Verder betwist [partij B] dat hij en zijn rechtsvoorganger onrechtmatig hebben gehandeld. Volgens [partij B] is er geen sprake van kwade trouw. Schadevergoeding is daarom niet aan de orde. Bovendien is de vordering tot schadevergoeding verjaard, aldus [partij B] . Tot slot voert [partij B] verweer tegen de termijn voor afbraak, de gevorderde dwangsom en de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.
4.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.7
[partij B] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat [partij B] door verjaring de eigendom heeft gekregen van de strook zoals weergegeven onder randnummer 3.2 van de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, althans van het gedeelte waar de steiger op staat, en dat de strook, althans het gedeelte waar de steiger op staat, onderdeel is (geworden) van het perceel van [partij B] ;
II. [partij A] zal veroordelen om binnen drie maanden na betekening van het vonnis mee te werken aan het notarieel vastleggen en in de openbare registers inschrijven van de onder I. bedoelde verjaring en veroordeling van [partij A] tot het meewerken aan de aanpassing van de kadastrale gegevens zodat daaruit blijkt dat de strook toebehoort aan [partij B] ;
III. [partij A] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij zich niet houdt aan het onder II gevorderde, met een maximum van € 30.000,00;
IV. [partij A] zal veroordelen in de proceskosten inclusief nakosten.
4.8
De vorderingen in reconventie liggen in het verlengde van het verweer in conventie. [partij B] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook, die in het kadaster nog ingeschreven staat als onderdeel van [locatie 1] van [partij A] . [partij B] wil dat het ook voor eventuele derden duidelijk is dat hij eigenaar is geworden van de strook.
4.9
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure. [partij A] betwist dat [partij B] eigenaar van de strook is geworden. Volgens [partij A] is er aan de zijde van [partij B] geen sprake van het voor eigendomsverkrijging vereiste bezit en is [partij B] niet te goeder trouw.
4.10
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat [partij B] in Nederland woont en [partij A] in Duitsland , heeft onderhavige procedure een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
5.2
Vooropgesteld wordt dat sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis-Vo). Omdat het gaat om in Nederland gelegen onroerend goed is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 24 van de Brussel I bis-Vo.
5.3
In conventie vordert [partij A] primair dat de rechtbank voor recht verklaart dat de steiger zijn eigendom is en in samenhang daarmee [partij B] veroordeelt om het gebruik van de steiger te staken en deze te verwijderen, zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over het volledige hem toebehorende perceel. [partij A] betwist dat [partij B] door verjaring de eigendom verkregen heeft van de grond en het water, waarop de steiger gebouwd is.
5.4
De rechtbank dient deze vordering van [partij A] , gezien haar inhoud, aan de hand van het goederenrecht te beoordelen. Artikel 10:127, eerste lid, BW bepaalt dat het goederenrechtelijk regime met betrekking tot een zaak beheerst wordt door het recht van de staat op welks grondgebied deze zich bevindt. Aangezien de grond en het water over de eigendom waarvan partijen twisten in Nederland liggen dient de rechtbank de primaire vordering van [partij A] te beoordelen aan de hand van Nederlands recht.
5.5
[partij A] vordert in conventie subsidiair dat de rechtbank voor recht verklaart dat [partij B] onrechtmatig gehandeld heeft door bovengenoemde grond en water in bezit te nemen door daarop een steiger aan te leggen en daarnaast [partij B] veroordeelt om schade die [partij A] daardoor geleden heeft te vergoeden door het gebruik van de steiger te staken en de steiger te verwijderen zodat [partij A] weer de vrije beschikking heeft over het volledige hem toebehorende perceel.
5.6
[partij A] wijst daarmee een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad aan als (juridische) grondslag van deze vordering. Op grond van artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen is, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Uit de wens van [partij A] de door hem geleden schade door [partij B] te laten vergoeden door het gebruik van de steiger te staken en de steiger te verwijderen leidt de rechtbank af dat de door [partij A] gestelde schade zich voordoet daar waar de steiger zich bevindt. Op grond van het voorgaande dient de rechtbank de subsidiaire vordering van [partij A] te beoordelen naar Nederlands recht.
5.7
De vorderingen tot het opleggen van een dwangsom en tot het veroordelen tot betaling van de proceskosten dient de rechtbank, als vorderingen van procesrechtelijke aard op grond van artikel 10:3 BW te beoordelen aan de hand van het Nederlands recht.
5.8
In reconventie vordert [partij B] dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij door verjaring eigenaar is geworden van – kort gezegd – het in 1996 aan [partij A] toebehorend onroerend goed, waarop de steiger aangelegd is en [partij A] veroordeelt tot medewerking aan de vastlegging en inschrijving van die verjaring en aan de aanpassing van de kadastrale gegevens.
5.9
Ook hier gaat het om een goederenrechtelijke kwestie, die de rechtbank op grond van artikel 10:127, eerste lid, BW naar Nederlands recht dient te beoordelen.
5.10
Ook [partij B] heeft gevorderd dat de rechtbank een dwangsom oplegt aan de wederpartij en deze in de proceskosten veroordeelt. Onder verwijzing naar wat de rechtbank hiervoor overwogen heeft beoordeelt de rechtbank deze vorderingen aan de hand van het Nederlands recht.
Schorsing en hervatting geding
5.11
De oorspronkelijke gedaagde in conventie en verweerder in reconventie is [naam 1] , de vader van [partij B] . Hij is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. De procedure was toen al aanhangig.
5.12
De advocaat van ( [naam 1] ) [partij B] heeft op grond van artikel 225 lid 1 onder a Rv een akte tot schorsing van het geding genomen. De rechtbank heeft de schorsing toegestaan. De zaak is op de parkeerrol geplaatst.
5.13
In november 2025 heeft de advocaat van [partij B] ex artikel 227 Rv hervatting van het geding verzocht en voortzetting van de procedure op naam van de zoon van [naam 1] , [partij B] ( [partij B] ). Deze verzoeken zijn toegestaan. Uit de eigendomsinformatie bij het kadaster blijkt dat [partij B] eigenaar is geworden van de woning die in deze procedure centraal staat. [naam 1] heeft [locatie 2] aan [partij B] gelegateerd. Het legaat is afgegeven. Het geding is daarom op naam van [partij B] hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond.
Inhoudelijke beoordeling
In conventie en in reconventie
5.14
Omdat de vorderingen in reconventie nauw samenhangen met de vorderingen in conventie, zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk behandelen.
[partij A] kan vanwege verjaring geen verwijdering van de steiger meer vorderen
5.15
[partij A] wil dat de kadastrale grenzen worden gerespecteerd. Hij vordert in conventie primair een verklaring voor recht dat de steiger zijn eigendom is, met veroordeling van [partij B] tot staking van het gebruik en verwijdering van de steiger, zodat [partij A] weer vrij over zijn perceel kan beschikken. De rechtbank overweegt als volgt.
5.16
Tussen partijen staat vast dat de feitelijke erfgrens afwijkt van de kadastrale erfgrens. In beginsel geldt de grens zoals die uit de kadastrale gegevens blijkt als de juridische erfgrens. Dit is anders als een bezitter van grond door verjaring eigenaar is geworden.
5.17
[partij B] stelt zich op het standpunt dat hij op grond van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook. Hij stelt dat hij en zijn rechtsvoorganger (zijn vader) de strook sinds in ieder geval 1996 in bezit hebben. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op verjaring slaagt en overweegt hiertoe als volgt.
5.18
Voor het verkrijgen van eigendom van een registergoed door verkrijgende verjaring is op grond van artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaar vereist. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Voor eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring is goede trouw niet vereist. Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW wordt de bezitter bij bevrijdende verjaring eigenaar op het tijdstip waarop de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit verjaart. De verjaringstermijn is hiervoor twintig jaar (artikel 3:306 BW).
5.19
Zowel voor verkrijgende verjaring als voor bevrijdende verjaring is vereist dat sprake is van bezit. Op grond van artikel 3:107 lid 1 BW is bezit het houden van een goed voor zichzelf. Bezit van een registergoed wordt verkregen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen, waarbij de oorspronkelijke bezitter naar verkeersopvattingen zijn bezit verliest (artikel 3:113 BW). Van inbezitneming is slechts sprake indien de feitelijke machtsuitoefening naar haar uiterlijke kenmerken ondubbelzinnig wijst op het houden van het goed voor zichzelf. De bezitter moet zich zodanig gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
5.20
[partij B] heeft ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring aangevoerd dat hij en zijn rechtsvoorganger de strook gedurende meer dan 20 jaar onafgebroken in bezit hebben gehad, met de pretentie daarvan eigenaar te zijn. Vast staat dat [naam 1] de steiger in 1996 heeft laten aanleggen. Volgens [partij B] is de steiger sindsdien uitsluitend ten behoeve van zijn perceel gebruikt. De steiger is zo aangelegd, dat deze met een boot alleen via een ingang vanaf het perceel van [partij B] kan worden bereikt. De enige reden om ter plaatse te varen, is om aan te meren bij het perceel van [partij B] . Tussen de verschillende steigerdelen bevindt zich water dat uitsluitend functioneel is voor het bereiken en gebruiken van de steiger. Volgens [partij B] is de strook nagenoeg geheel afgesloten voor derden. Verder heeft [partij B] aangevoerd dat tussen beide percelen een waterloop aanwezig is en dat partijen deze waterloop en het verlengde daarvan steeds als feitelijke erfgrens hebben gehanteerd. In het verlengde van deze waterloop bevinden zich beplantingen en de steiger van [partij B] , waardoor visueel een erfgrens zichtbaar is. De beplantingen zijn volgens [partij B] in 1996 door zijn vader aangebracht aan de zijde van de steiger die grenst aan het perceel van [partij A] en sindsdien steeds door [partij B] onderhouden.
5.21
[partij A] heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hij heeft wel betwist dat sprake is van een sloot en aangevoerd dat het gaat om zogenoemd kraggenland, dat wordt gekenmerkt door grillig gevormde en wisselende waterlopen. Dat doet echter niet af aan de uiterlijke situatie ter plaatse. Ook indien geen sprake is van een sloot, is voor derden een feitelijke grens tussen beide percelen waarneembaar. Vanaf het water is zichtbaar waar die grens loopt vanwege het verschil in materiaal van de walbeschoeiing van partijen en de door [naam 1] langs de steiger aangebrachte beplantingen.
5.22
De rechtbank is van oordeel dat uit de door [partij B] aangevoerde feiten en omstandigheden, die door [partij A] onvoldoende zijn weersproken en dus als vaststaand worden aangenomen, volgt dat [partij B] en zijn rechtsvoorganger gedurende meer dan twintig jaar de feitelijke macht over de strook hebben uitgeoefend op een wijze die naar verkeersopvattingen ondubbelzinnig kenbaar maakte dat zij pretendeerden eigenaar van de strook te zijn. Daarbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat de steiger uitsluitend ten dienste stond van het perceel van [partij B] , dat de strook naar buiten toe kenbaar was afgebakend en dat niet gesteld of gebleken is dat anderen van de strook gebruik maakten. Daarmee is sprake van bezit in de zin van artikel 3:107 BW.
5.23
Dat het, zoals [partij A] heeft aangevoerd, gezien de feitelijke situatie mogelijk is om vanaf het perceel van [partij A] het perceel van [partij B] te betreden en andersom, leidt niet tot een ander oordeel. Voor bezit is niet vereist dat de strook voor anderen in het geheel niet toegankelijk is . Doorslaggevend is of [partij B] en zijn rechtsvoorganger de feitelijke macht over de strook hebben uitgeoefend op een wijze die naar buiten toe kenbaar maakte dat zij zich als eigenaar beschouwden. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is daarvan sprake.
5.24
Tussen partijen is niet in geschil dat het bezit langer dan twintig jaar heeft voortgeduurd. De steiger is in 1996 aangelegd en de situatie is sindsdien onveranderd gebleven. Uit de verklaringen van [partij A] volgt dat hij niet aan de zijde van het perceel van [partij B] kwam en zich hier ook nooit mee heeft bemoeid. Hij heeft nooit eerder dan in 2024 aangegeven dat de strook niet van [partij B] , maar van hem zou zijn.
5.25
De verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit is in 2016 voltooid. Op grond van artikel 3:105 BW is de rechtsvoorganger van [partij B] op dat moment eigenaar geworden van de strook. [partij A] kan daarom geen teruggave van de strook en verwijdering van de steiger meer vorderen. De primaire vordering van [partij A] zal worden afgewezen.
[partij B] hoeft de strook niet terug te leveren, er is geen sprake van onrechtmatig handelen
5.26
Subsidiair vordert [partij A] dat [partij B] wordt veroordeeld tot teruglevering van de strook bij wijze van schadevergoeding in natura als bedoeld in artikel 6:103 BW. Hij verwijst daarbij naar arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 en 20 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2017:309 en ECLI:NL:HR:2023:62).
5.27
Uit de uitspraken van de Hoge Raad volgt dat een partij die door bevrijdende verjaring eigenaar wordt van een stuk grond bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren. De Hoge Raad heeft overwogen dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Dat brengt mee dat deze laatste, indien ook aan de overige vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan, kan vorderen dat de bezitter de schade vergoedt die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden. Met het criterium “wetende dat” wordt gedoeld op daadwerkelijke wetenschap dat de zaak aan een ander toebehoort (daadwerkelijke kwade trouw). Dat is een andere en zwaardere maatstaf dan het ontbreken van goede trouw. Niet voldoende is dat de bezitter wist of behoorde te weten dat de zaak mogelijk aan een ander toebehoorde; vereist is dat vast komt te staan dat hij ten tijde van de inbezitneming daadwerkelijk wist dat hij een zaak in bezit nam die aan een ander toebehoorde.
5.28
Partijen zijn het erover eens dat het in dit geval aankomt op de vraag of [naam 1] ten tijde van de aanleg van de steiger in 1996 daadwerkelijk wist dat de strook eigendom was van een ander. [partij A] stelt dat dit het geval is. Hij voert hiertoe een aantal redenen aan. De rechtbank volgt hem hier niet in en overweegt als volgt.
5.29
[partij A] heeft allereerst aangevoerd dat [naam 1] door raadpleging van de openbare registers wist, dan wel had kunnen weten, hoe de kadastrale grenzen tussen de percelen liepen. De rechtbank stelt voorop dat “had kunnen weten” in dit geval onvoldoende is voor daadwerkelijke wetenschap. Verder overweegt de rechtbank dat [partij B] heeft verklaard dat de openbare registers ten tijde van de aanleg van de steiger niet zijn geraadpleegd. Dit vindt steun in de verklaring van [naam 2] (r.o. 3.4). Daarnaast heeft [partij B] aangevoerd dat bij de koopovereenkomst en leveringsakte geen kadastrale tekeningen van het perceel waren gevoegd. [partij A] heeft dat niet weerlegd. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [naam 1] ten tijde van de aanleg van de steiger daadwerkelijk bekend was met de inhoud van de openbare registers en de daarin opgenomen kadastrale informatie.
5.30
[partij A] heeft er nog wel op gewezen dat de bouw van de schuur van [partij B] gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de vernieuwing van de steiger en dat de architect van de schuur het kadaster heeft geraadpleegd, waarna [partij B] de betreffende tekeningen heeft goedgekeurd, maar ook indien ervan wordt uitgegaan dat [naam 1] op die manier kennis heeft genomen van de kadastrale informatie, volgt daaruit nog niet dat hij daadwerkelijk wist dat de steiger gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. Daarbij is van belang dat uit kadastrale tekeningen niet zonder meer kan worden afgeleid waar de kadastrale erfgrens zich feitelijk in het terrein bevindt. En als [naam 1] uit die tekeningen had kunnen afleiden dat de erfgrens anders liep, betekent dit nog niet dat hij zich daarvan ook daadwerkelijk bewust was. Artikel 3:23 BW brengt weliswaar mee dat de inhoud van de openbare registers aan een beroep op goede trouw in de weg kan staan, maar uit die bepaling volgt niet zonder meer dat sprake is van de voor aansprakelijkheid vereiste daadwerkelijke wetenschap dat de grond aan een ander toebehoort.
5.31
In de tweede plaats heeft [partij A] gewezen op verschillende markeringspunten die de kadastrale erfgrenzen weergeven. Aan de voorzijde van de woning bevindt zich een bout in het asfalt en een ijzeren buis. Verder zou onder de steiger een steen hebben gelegen en staat bij een boom een markeringspaaltje. Volgens [partij A] had [naam 1] aan de hand van deze markeringspunten kunnen zien hoe de erfgrens liep. Volgens [partij A] blijkt uit de brief van [partij B] van 13 september 2023, waarin wordt verwezen naar een boom op de erfgrens, dat [partij B] met de kadastrale erfgrens bekend was. De boom staat namelijk naast het markeringspaaltje.
5.32
De rechtbank volgt [partij A] niet in zijn stelling. [partij B] heeft aangevoerd dat hij niet bekend was met de markeringen aan de straatzijde. Daarnaast is niet duidelijk of de steen ten tijde van de aanleg van de steiger in 1996 aanwezig en waarneembaar was. Evenmin is komen vast te staan dat de overige markeringen destijds zodanig duidelijk en herkenbaar waren dat [naam 1] daaruit daadwerkelijk heeft begrepen dat de steiger gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. De bout en de ijzeren buis zijn niet gemakkelijk zichtbaar. Het houten markeringspaaltje bevindt zich bovendien in de begroeiing en is niet zonder meer als erfgrensmarkering herkenbaar. Ook staat niet vast dat dit paaltje er in 1996 al stond.
De omstandigheid dat [partij B] in zijn brief van 13 september 2023 heeft vermeld dat de erfgrens zich naar zijn mening in de nabijheid van de boom bevindt, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat deze brief van aanzienlijk latere datum is, kan daaruit niet worden afgeleid dat [naam 1] reeds in 1996 daadwerkelijk wist dat de steiger gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. Hooguit volgt daaruit dat [partij B] zich op enig moment een beeld heeft gevormd van het verloop van de erfgrens.
5.33
Tot slot wijst [partij A] erop dat [naam 1] in afwijking van de tekening van [naam 2] de steiger gedeeltelijk op [locatie 1] heeft aangelegd. Volgens [partij A] is [naam 2] bij het opstellen van die tekening uitgegaan van de kadastrale erfgrens. [partij A] wijst er daarbij op dat [naam 2] op de tekening heeft vermeld: “hier eventueel beschoeiing aansluiten op buren”. Volgens [partij A] volgt daaruit dat [naam 1] , door vervolgens van die tekening af te wijken, wist dat hij op grond van een ander bouwde.
5.34
De rechtbank volgt [partij A] ook hier niet in. [partij B] heeft gemotiveerd betwist dat [naam 2] bij het opstellen van de tekening is uitgegaan van de kadastrale erfgrens. Volgens [partij B] betreft de tekening slechts een schets, waaraan geen exacte maatvoering kan worden ontleend. De kadastrale grenzen zijn niet onderzocht door [naam 2] en evenmin op de tekening aangeduid. [naam 2] is bij het opstellen van de tekening uitgegaan van de destijds aanwezige situatie, aldus [partij B] . [partij B] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de verklaring van [naam 2] (r.o. 3.4). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] hiertegenover onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de tekening wel op de kadastrale erfgrens is gebaseerd. De enkele vermelding dat de beschoeiing eventueel op die van de buren moest worden aangesloten, is daarvoor onvoldoende. Reeds daarom kan uit de tekening niet worden afgeleid dat [naam 1] ten tijde van de aanleg van de steiger daadwerkelijk wist dat deze gedeeltelijk op grond van een ander zou worden aangelegd. De rechtbank laat in het midden hoe de feitelijke situatie ter plaatse destijds in 1996 precies was en of de gerealiseerde steiger op onderdelen van de schets afwijkt, omdat ook indien op die punten van de door [partij A] gestelde feiten wordt uitgegaan, dit niet tot een ander oordeel leidt.
5.35
De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] daadwerkelijk wist dat de strook aan een ander toebehoorde. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Er bestaat dan ook geen grond voor schadevergoeding in natura als bedoeld in artikel 6:103 BW. Het subsidiair in conventie gevorderde zal worden afgewezen.
De rechtbank zal voor recht verklaren dat [partij B] door verjaring eigenaar is geworden van de strook
5.36
[partij B] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook en dat de strook onderdeel is geworden van [locatie 2] . Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [partij B] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook. De gevorderde verklaring voor recht is daarom in zoverre toewijsbaar. Voor zover de vordering mede strekt tot een verklaring voor recht dat de strook onderdeel is geworden van [locatie 2] , is zij niet toewijsbaar. Eigendomsverkrijging door verjaring ziet op de eigendom van de strook en niet op de wijze waarop deze kadastraal wordt geregistreerd of ingedeeld. De verklaring voor recht zal daarom worden beperkt tot de vaststelling dat [partij B] door verjaring eigenaar is geworden van de strook.
5.37
Daarnaast vordert [partij B] dat [partij A] wordt veroordeeld om binnen drie maanden na betekening van het vonnis mee te werken aan het notarieel vastleggen van de verjaring en de inschrijving daarvan in de openbare registers. Tegen deze vordering is geen verweer gevoerd. [partij B] heeft bovendien voldoende belang bij toewijzing hiervan, omdat daarmee ook voor derden kenbaar wordt dat de eigendomssituatie door verjaring is gewijzigd. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen.
5.38
De vordering om [partij A] te veroordelen tot medewerking aan aanpassing van de kadastrale gegevens zal worden afgewezen. [partij B] heeft onvoldoende toegelicht welk zelfstandig belang hij bij deze vordering heeft naast de hiervoor toe te wijzen veroordeling. De inschrijving van de notariële verklaring van verjaring in de openbare registers biedt immers reeds de grondslag voor bijwerking van de kadastrale registratie, zodat een afzonderlijke veroordeling niet noodzakelijk is.
5.39
De over de in reconventie toe te wijzen vordering gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, als prikkel tot nakoming van de onder 5.39 uitgesproken veroordeling.
De proceskosten komen voor rekening van [partij A]
5.40
[partij A] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden in conventie begroot op € 1.626,00, bestaande uit € 320,00 aan griffierecht en € 1.306,00 (2 punten x € 653,00) aan salaris advocaat.
5.41
[partij A] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. Omdat de vorderingen van [partij B] in reconventie voortvloeien uit zijn beroep op verjaring in conventie, wordt bij de begroting van het salaris van de advocaat van [partij B] van de helft van het aantal punten uitgegaan. De proceskosten komen daarmee in reconventie op € 653,00 (2 punten x 0.5 x € 653,00).
5.42
De nakosten zullen worden toegewezen zoals wordt vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1
wijst de vorderingen van [partij A] af,
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.626,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
6.3
verklaart voor recht dat [partij B] door verjaring de eigendom heeft gekregen van de strook zoals weergegeven in r.o. 3.10.,
6.4
veroordeelt [partij A] om binnen drie maanden na betekening van het vonnis mee te werken aan het notarieel vastleggen en in de openbare registers laten inschrijven van de hiervoor onder r.o. 6.3. bedoelde verjaring,
6.5
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder r.o. 6.4. voldoet, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt,
6.6
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.7
veroordeelt [partij A] tot betaling van de nakosten, te weten een bedrag van € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. en 6.4. tot en met 6.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op15 juli 2026 .