Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5033

2026-07-08 Civiel recht; Ondernemingsrecht C/08/342265 / JE RK 25-2037
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/342265 / JE RK 25-2037
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Behandeling van het aangehouden gedeelte van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat het aangehouden gedeelte van het verzoek tot verlenging inhoudelijk moet worden beoordeeld. De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. De GI heeft vrijwel geen zicht kunnen krijgen op de situatie van de kinderen en heeft geen verdere stappen kunnen zetten om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Tegelijkertijd zijn er geen signalen dat de huidige opvoedsituatie bij de moeder onaanvaardbaar is. Iedere poging tot hulpverlening of het verkrijgen van meer zicht leidt tot verdere verharding en belasting van de kinderen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer proportioneel en doelmatig is en het verzoek wordt daarom afgewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.522 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Almelo



Zaaknummer: C/08/342265 / JE RK 25-2037



Datum uitspraak: 8 juli 2026




Beschikking afwijzing verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Hengelo (O),



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,


[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,


[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,



en





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.J.M.H. Orgel.



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:




Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad,
gevestigd te Almelo.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
Op 3 februari 2026 is een beschikking gegeven in deze zaak. De inhoud van voormelde beschikking geldt hier als herhaald en ingelast.



1.2.
De kinderrechter heeft nadien kennisgenomen van de volgende stukken:


een schriftelijke update van de GI met bijlagen, binnengekomen op 3 juni 2026;


de aanvullende stukken van mr. Orgel, binnengekomen op 12 juni 2026.





1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitgenodigd voor een jongerengesprek. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.



1.4.
De kinderrechter heeft op 16 juni 2026 een regiebrief aan betrokkenen verzonden.



1.5.
Op 24 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak, gelijktijdig met de zaken met zaaknummers: C/08/304357 / FA RK 23-2739, C/08/347351 / FA RK 26-1011, C/08/348169 / JE RK 26-835, C/08/348355 / JE RK 26-865 en C/08/348549 / JE RK 26-920, waarop bij afzonderlijke beschikkingen is beslist, met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;



[naam 1] en [naam 2] namens de GI;



[medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de raad.





1.6.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Orgel, mr. Avontuur en de moeder het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de dossier zijn toegevoegd.





2De (aanvullende) feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.



2.2.
De kinderen wonen bij hun moeder.



2.3.

Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI
om de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen afgewezen.




2.4.

Bij beschikking van 3 juli 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 februari 2026.




2.5.
Bij tussenbeschikking van 3 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 5 februari 2026 tot 5 augustus 2026. Iedere verdere beslissing is aangehouden.



2.6.
In het cassatieberoep dat de moeder heeft ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof van 3 juli 2025, strekt de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 13 maart 2026 tot vernietiging van die beschikking.



2.7.
Door of namens de moeder is op 30 april 2026 hoger beroep ingesteld tegen de tussenbeschikking van 3 februari 2026.





3Het verzoek


3.1.
Thans dient nog beslist te worden op het resterende deel van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 5 februari 2027. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
Na intern overleg met andere jeugdbeschermers, gedragswetenschappers en juristen is de GI tot de conclusie gekomen dat de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd. De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er is sprake van een voortdurende en heftige strijd tussen de ouders, de kinderen ervaren loyaliteitsdruk en raken betrokken bij het conflict. De spanningen kunnen een voortdurende negatieve invloed hebben op hun sociale en emotionele ontwikkeling. Ondanks dat er geen zicht is op de situatie, heeft de GI zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Dat in het verleden hulpverlening van Curess betrokken is geweest en Curess destijds geen zorgen heeft geuit over de situatie bij de moeder, doet daar volgens de GI niet aan af. De inzet van Curess was een behoorlijke tijd terug. Daarnaast maakt de GI zich zorgen over het feit dat er geen contact is tussen de kinderen en de vader.



3.3.
Dat er geen informatie is waaruit blijkt dat er zorgen zijn over de kinderen, kan de GI moeilijk wegen, omdat zij geen informatie ontvangt. De paardencoach van [minderjarige 2] heeft tot op heden geen informatie gedeeld. De GI heeft geen contactgegevens van de speltherapeut van [minderjarige 3] , waardoor de GI geen contact heeft kunnen leggen. De GI heeft telefonisch contact gezocht met de school van [minderjarige 3] , en de school heeft aangegeven werd dat het op school goed met hem gaat. De GI heeft aan het eind van 2025 de scholen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benaderd en met hen de afspraak gemaakt contact op te nemen met de GI wanneer er relevante bijzonderheden zijn. De GI heeft in de afgelopen periode geen bericht van hen ontvangen. De GI vindt het opmerkelijk dat uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat de school van [minderjarige 1] aangeeft dat het beter met haar gaat wanneer er rust is. De onrust die volgens de school bestaat, zou volgens de jeugdbeschermer ontstaan in de thuissituatie. Die onrust kan niet zijn veroorzaakt door de jeugdbeschermers, want zij hebben geen contact met [minderjarige 1] (gehad). De GI vraagt zich af wat moeder aan de kinderen meegeeft.



3.4.
De GI heeft getracht zicht te krijgen op de ontwikkeling van de kinderen en om met de kinderen in gesprek te gaan. Door de voortdurende weigering, althans door de voortdurende opgeworpen vertraging van de zijde van moeder, heeft de GI de kinderen niet kunnen spreken. De GI heeft overwogen om de kinderen te spreken in hun schoolomgeving, zonder de aanwezigheid van bijvoorbeeld moeder. Aangezien de GI de inschatting maakt (in ieder geval over [minderjarige 3] ) dat school een plek is waar de kinderen zich goed en veilig voelen, leek het de GI niet in het belang van de kinderen om hen daar een eerste keer te ontmoeten. Volgens de GI dient zicht te komen op de situatie van de kinderen, om te kunnen beoordelen of er sprake is van problematiek en/of hulpverlening nodig is. De GI acht het daarom in het belang van de kinderen dat er een kindbehartiger wordt ingezet. Op deze wijze hoeven de kinderen niet direct met de GI in gesprek, maar krijgen zij wel de kans om met een neutraal persoon in gesprek te gaan zodat er geluisterd kan worden naar de wensen en behoeften van de kinderen en er op die manier zicht komt op dat wat de kinderen verder nodig hebben. Voor volgende week staat een intakegesprek met de kindbehartiger gepland. De moeder heeft hier vooralsnog geen toestemming voor verleend.





4De standpunten



Moeder



4.1.
Moeder verzet zich tegen de toewijzing van het aangehouden deel van de ondertoezichtstelling. De conclusie van de procureur-generaal heeft ertoe geleid dat moeder zich op het standpunt stelt dat zij van mening is dat de ondertoezichtstelling niet verder ten uitvoer gelegd kan worden. De kans is groot dat de Hoge Raad de beschikking van het hof vernietigt. Dan ontvalt ook de grond aan de verlengingsbeslissing van 3 februari 2026. Dat betekent dat er vanaf 3 juli 2025 met de ondertoezichtstelling onafgebroken onrechtmatig inbreuk wordt gemaakt op het privé- en familieleven van moeder en de kinderen. Dit levert een schending van art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), namelijk een schending van het gezinsleven, het privéleven van alle gezinsleden en een inbreuk op de persoonlijke integriteit. In dit kader is de Gl overigens al aansprakelijk gesteld voor reeds geleden en nog te lijden schade. Tevens leidt toewijzing van het verzoek tot een voortdurende schending van art. 3 EVRM (onmenselijke behandeling). De Gl is immers van mening dat de kinderen liegen en zij wil dit tot iedere prijs bewijzen. Hierdoor is er sprake van re-victimisatie en her-traumatisering van de kinderen.



4.2.
Volgens moeder is de Gl er op uit hoe dan ook te bewijzen dat er sprake is van ouderverstoting. De Gl dramt maar door over een systemische aanpak en probeert zij aan zij met vader de kinderen en moeder definitief het zwijgen op te leggen. Vader mag in de verhouding tot de kinderen doen en laten wat hij maar wil, niets is te gek, zoals ook blijkt uit de uitspraak van het hof, en moeder krijgt toch wel de schuld van problemen in de relatie tussen vader en de kinderen. Het hof overweegt in haar uitspraak van 9 juni 2026 dat niet zou zijn gebleken van enige vorm van geweld van vader tegen de kinderen of verwaarlozing. Vast staat dat vader zijn koeien dusdanig heeft verwaarloosd dat zij op grote schaal stierven en geruimd zijn door de NVWA. Volgens het hof is duidelijk dat vader pas aan lager wal is geraakt nadat hij het contact met de kinderen verloor. De verwaarlozing van de dieren staat volgens het hof dus niet in verband met enig afglijden van vader. Het hof impliceert daarmee dat vader een ernstige persoonlijkheidsstoornis moet hebben, waarin sadistische trekken aan de orde zijn. Dit is volgens de moeder belangrijk om te benoemen, omdat dit een beeld schetst over het functioneren van de vader.



4.3.
Gevolg van de uitspraak van het hof is dat de deur naar hulpverlening aan de kinderen in het slot is gegooid, omdat vader door het handhaven van het gezamenlijk gezag informatie kan opvragen over de kinderen. Daarmee is een veilige omgeving voor hulpverlening aan de kinderen definitief buiten bereik geraakt, aangezien de kinderen hem aanwijzen als pleger van mishandeling en misbruik. Volgens de moeder lijden de kinderen, met name [minderjarige 1] , erg onder de procedures. Bij [minderjarige 1] is eerder een GGZ-traject ingezet. [minderjarige 2] is inmiddels naar een andere school gegaan, waar het goed met haar gaat. Daarnaast volgt zij nog steeds paardencoaching. Zij maakt daar gebruik van wanneer zij daar zelf behoefte aan heeft. Soms eenmaal per maand en soms eenmaal per drie maanden. Volgens de moeder heeft [minderjarige 2] hier veel baat bij. Zij ervaart meer rust, kan zich beter concentreren en moeder ziet het ook terug in haar schoolprestaties. [minderjarige 3] heeft zijn speltherapie op eigen initiatief beëindigd. Op dit moment heeft hij geen andere hulpverlening, omdat het goed met hem gaat.



4.4.
Volgens moeder voldoet de inzet van een kindbehartiger, als aangekondigd door de GI, niet aan hetgeen het hof stelt. Daarnaast geldt dat de inzet van de kindbehartiger eerst in een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing aan moeder voorgelegd moet worden. Volgens de moeder heeft de Gl verschillende momenten gehad waarop zij de kinderen kon spreken, maar hier geen gebruik van gemaakt. De Gl doet net of zij op huisbezoek wil komen op 27 mei 2026 en doet alsof zij de kinderen wil spreken, terwijl zij in werkelijkheid nooit van plan is geweest daadwerkelijk binnen te komen en daadwerkelijk de kinderen te spreken. Op 3 oktober 2025 was de Gl zonder bericht niet verschenen op een afspraak met [minderjarige 1] . Dit terwijl de kinderen al zo moeilijk te motiveren zijn voor een gesprek met de Gl. De Gl probeert de kinderen en moeder constant te framen. De Gl heeft geen enkele boodschap aan de kinderen. Dit blijkt uit het feit dat de Gl direct bij aanvang van de ondertoezichtstelling in aanwezigheid van [minderjarige 1] gedreigd heeft met een uithuisplaatsing. Daarmee heeft de Gl van meet af aan zelf de uitvoering van de ondertoezichtstelling onmogelijk gemaakt.



Vader




4.5.
Mr. Orgel heeft namens de vader bepleit dat de conclusie van de procureur-generaal een adviserend karakter heeft en de Hoge Raad niet bindt. Zolang de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, kan niet worden vooruitgelopen op een eventuele vernietiging. Bovendien, ook al zou de Hoge Raad de beslissing van het hof vernietigen, dan doet dat niets af aan de geldigheid van de verlenging van de ondertoezichtstelling. De verlenging van de ondertoezichtstelling dient als afzonderlijk en zelfstandig besluit te worden gekwalificeerd. Het zelfstandige karakter wordt ook bevestigd doordat de verlengingsbeslissing van de ondertoezichtstelling uitsluitend op verzoek kan worden uitgesproken. De achterliggende gedachte hiervan is dat over de verlenging wordt beslist op basis van geactualiseerde informatie, waaruit moet blijken of nog wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden, zoals ook blijkt uit artikel 1:260 BW.



4.6.
Vader is van mening dat de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd. Niet alleen de afwijzende houding van moeder ten aanzien van het contact tussen vader en de kinderen en ten aanzien van vader als ouder, maar ook de beschuldigingen die moeder uit over vader, de weigerachtige houding van moeder richting de GI en het niet aanvaarden van hulp door moeder maken dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en hulp nodig hebben in gedwongen kader. Volgens vader is school geen graadmeter of sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. School heeft geen zicht op psychologische problematiek of onderliggende patronen binnen het systeem van het gezin. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan niet worden afgewezen op de grond dat de kinderen last hebben van de procedures, nu moeder er zelf voor kiest om de kinderen hierover te informeren. Verder begrijpt vader niet waarom moeder telkens opnieuw de verwaarlozing van de koeien ter sprake brengt. Daarnaast acht vader het schrikbarend en zorgwekkend dat volgens moeder het hof zou impliceren dat vader een ernstige persoonlijkheidsstoornis met sadistische trekken zou hebben.



De raad




4.7.
De raad is al geruime tijd niet meer betrokken geweest bij het gezin. De raad geeft aan ook niet betrokken te zijn geweest bij de besluiten die zijn genomen door de GI en bij de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen. De raad ziet dat er veel procedures zijn, maar krijgt uit de stukken nauwelijks een beeld van de kinderen zelf. Evenmin is er zicht op de hulpverlening van de kinderen. In dat kader merkt de raad op dat zij goede ervaringen hebben met de inzet van een kindbehartiger. Volgens de raad is er nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging, gelet op alles wat er is gebeurd. Het beëindigen van de ondertoezichtstelling zou als voordeel kunnen hebben dat onder andere de moeder meer beschikbaar is voor de kinderen. Daar tegenover staat dat de problematiek niet wordt opgelost. Alles afwegende vraagt de raad zich af hoe de ontstane situatie kan worden rechtgetrokken. De raad acht het ontzettend moeilijk voor de kinderen om zich in een dergelijke situatie te bevinden. Daarbij heeft de raad de indruk dat de kinderen onvoldoende zijn afgeschermd van alles wat er gebeurt.





5De verdere beoordeling



Het juridisch kader




5.1.
Op grond van art. 1:255 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling. Art. 1:260 lid 1 BW bepaalt dat de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar. Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. Nadat de maatregel van rechtswege is geëindigd, kan deze niet meer worden verlengd.



Mogelijkheid om te verlengen





5.2.
Het is duidelijk dat er discussie is over de vraag of het hof de kinderen onder toezicht had mogen stellen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof niet bevoegd was om (ambtshalve) een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken. Volgens de procureur-generaal kan de beschikking daarom niet in stand blijven. Dit roept de vraag op welke gevolgen dit heeft voor de onderliggende ondertoezichtstelling en voor de mogelijkheid om de ondertoezichtstelling te verlengen.



5.3.
Tot heden heeft de Hoge Raad niet beslist over het voorgaande, en een beslissing zal vermoedelijk - in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch - nog enige tijd op zich laten wachten. Pas daarna kan worden beoordeeld wat de rechtsgeldigheid van de (laatste) ondertoezichtstelling betekent voor de beslissing(en) over de verlenging daarvan. Zolang echter de Hoge Raad geen (definitief) oordeel heeft geveld, gaat de kinderrechter uit van de huidige lijn in de rechtspraak. Die is dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat om aan te nemen dat een beschikking tot verlenging van een ondertoezichtstelling geen effect sorteert en daarom geacht moet worden niet te bestaan. Ook indien achteraf blijkt dat de ondertoezichtstelling ten onrechte is verlengd, behoudt deze rechtskracht zolang zij niet door een hogere rechter is vernietigd.



5.4.
Hoewel hoger beroep is ingesteld tegen de tussenbeschikking van 3 februari 2026, is voor zover bekend daarop nog niet beslist.



5.5.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de beslissingen van
3 juli 2025 en 3 februari 2026 rechtskracht hebben. Dit betekent dat thans het resterende deel inhoudelijk kan worden beoordeeld.




De beoordeling





5.6.

De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Daarbij stelt de kinderrechter voorop dat de zorgen over de situatie van de kinderen onverminderd bestaan. Deze zorgen betreffen onder meer het ontbreken van contact tussen de vader en de kinderen, de loyaliteitsproblematiek, de aanhoudende strijd tussen de ouders en de voortdurende juridische procedures tussen de betrokkenen. De kinderrechter verwijst in dit verband ook naar de tussenbeschikking van
3 februari 2026 en naar de beschikking van het hof, waarin is overwogen dat de kinderen, ongeacht de vraag of de geuite beschuldigingen aan het adres van de vader juist zijn, in een zorgelijke positie verkeren. Van die situatie is nog steeds sprake.




5.7.
Gebleken is dat de GI vrijwel geen zicht heeft kunnen krijgen op hoe het met de kinderen gaat. De GI ontvangt geen informatie over de hulpverlening van de kinderen. Hoewel de moeder hulpverlening inzet, wordt geen zicht verkregen op welke hulpverlening wordt ingezet en of die inzet voldoende is of helpt, door de GI of anderen dan de moeder. Moeder verzet zich tegen iedere vorm van informatieverstrekking. [minderjarige 1] verzet zich daar eveneens tegen, waar zij gelet op haar leeftijd voor kan kiezen. Ter zitting heeft de moeder verteld dat op dit moment uitsluitend [minderjarige 2] hulpverlening ontvangt, namelijk paardencoaching.



5.8.
Tegelijkertijd zijn er geen signalen dat de huidige opvoedsituatie onaanvaardbaar is. De kinderrechter betrekt daarbij de beoordeling van de opvoedsituatie bij de moeder door Curess in 2024 en de - zij het zeer beperkte - actuele informatie die de moeder over de kinderen vanuit school heeft overgelegd (in de gelijktijdig ter zitting behandelde procedure met kenmerk C/08/348549 / JE RK 26-920). Zowel de vader als de GI hebben uitsluitend informatie van de school van [minderjarige 3] ontvangen.



5.9.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging doch dat er geen signalen zijn dat de huidige opvoedsituatie onaanvaardbaar is.



5.10.
Uitgangspunt is dat die geconstateerde ontwikkelingsbedreiging moet worden weggenomen. Iedere poging om hulpverlening in te zetten, stuit echter op weerstand van de moeder, die gepaard gaat met juridische strijd en de inzet van verschillende belangenbehartigers aan de zijde van moeder. Dat betekent tevens dat iedere poging om verbetering te bewerkstelligen, zelfs op een bescheiden schaal, zoals door de inzet van een kindbehartiger, leidt tot meer in plaats van minder strijd. Ter zitting is onweersproken naar voren gebracht dat de moeder de GI aansprakelijk heeft gesteld voor eventuele schade als kindbehartigers worden ingezet en heeft aangekondigd dat de kinderen niet alleen mogen worden gesproken.



5.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de GI in het afgelopen jaar geen stappen heeft kunnen zetten in het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen. Vader heeft daarbij, hoewel hij het gezag heeft en blijkens de beschikking van het hof van 9 juni 2026 ook behoudt, vrijwel geen positie ingenomen of kunnen innemen.



5.12.
De conclusie is dan ook dat het niet mogelijk is gebleken om binnen zowel een gedwongen als een vrijwillig kader verdere stappen te zetten.



5.13.
De kinderrechter stelt vervolgens vast dat de kinderen worden belast met hetgeen zich tussen de volwassenen afspeelt. Zo is gebleken dat [minderjarige 3] aanwezig is geweest bij een gesprek tussen de moeder en de GI. Uit de door de moeder overgelegde transcripties in zaak met nummer C/08/348549 / JE RK 26-920 volgt bovendien dat bij dat gesprek de partner van de moeder, haar gemachtigde en [minderjarige 1] aanwezig waren. De school van [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij lijdt onder de juridische strijd. De moeder heeft dit ter zitting bevestigd. Daarbij komt dat [minderjarige 1] , als belanghebbende, zelf de processtukken ontvangt. Volgens de school gaat het beter met [minderjarige 1] wanneer op dit punt rust ontstaat. Ook hebben de kinderen tijdens het gesprek met de kinderrechter op 5 januari 2026 aangegeven dat zij last hebben van alles wat zich afspeelt.



5.14.
De kinderrechter dient niet alleen te beoordelen of sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en of die in een vrijwillig kader kan worden weggenomen, maar moet ook beoordelen of verlenging van de ondertoezichtstelling onder de huidige omstandigheden nog het meest passend en doelmatig is.



5.15.
De kinderrechter stelt vast dat de ondertoezichtstelling thans niet bijdraagt aan het wegnemen van de hiervoor genoemde ontwikkelingsbedreigingen. Voorts constateert de kinderrechter dat iedere poging om meer zicht op de situatie te verkrijgen of de bedreiging weg te nemen, leidt tot een verdere verharding van de opstelling van de moeder en de kinderen dientengevolge verder worden belast. Op enig moment wordt het ingezette middel erger dan de kwaal. Naar het oordeel van de kinderrechter is daarvan thans sprake. Voortzetting van de ondertoezichtstelling zal naar het oordeel van de kinderrechter leiden tot voortduring dan wel verdere escalatie van de situatie. Daarmee blijven de kinderen belast met de spanningen en conflicten tussen de betrokken volwassenen. Daar staat tegenover dat het, voor zover thans kan worden vastgesteld, naar omstandigheden goed lijkt te gaan met de kinderen en dat zij gebaat zijn bij rust en stabiliteit.



5.16.
Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat verdere verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer proportioneel en doelmatig is. Het resterende deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.



5.17.
De kinderrechter benadrukt dat deze beslissing naar zijn oordeel in het belang van de kinderen is, welk belang in iedere afweging voorop dient te staan. Deze beslissing doet niet af aan de zorgen die over de situatie van de kinderen bestaan. Het is niet uitgesloten dat op een later moment alsnog behoefte ontstaat aan verdere hulpverlening, wellicht (pas) wanneer de kinderen volwassen zijn. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de kinderen inmiddels de leeftijden van 17, bijna 13 en bijna 10 jaar hebben bereikt. Naarmate zij ouder worden, zal de invloed van volwassenen afnemen en hun eigen wensen en opvattingen kunnen veranderen.


5.18.
Vooralsnog hebben de kinderen zich echter duidelijk uitgesproken. Zij willen geen contact met de vader en willen evenmin dat de ondertoezichtstelling wordt voortgezet. Ook dat heeft de kinderrechter meegewogen.



5.19.
De kinderrechter merkt op dat deze beslissing geen oordeel inhoudt over de beschuldigingen die de moeder jegens de vader heeft geuit, noch over de opvoedvaardigheden van de vader. Zoals de kinderrechter reeds heeft overwogen in rechtsoverweging 7.3 van de beschikking van 3 februari 2026 (zaaknummer C/08/342332 / JE RK 25-2045), zal mogelijk op de ten aanzien van de vader geformuleerde hypothesen nooit een afdoende antwoord komen. Dat is een moeilijk te verteren gegeven maar wel de realiteit: het volledig uitsluiten van enig scenario lijkt niet haalbaar. Een beoordeling in het strafrechtelijk kader, waarin nog een procedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering aanhangig is, maakt de situatie niet anders. Ook hier geldt dat de kinderrechter geen oordeel heeft over de door de moeder en de kinderen geuite beschuldigingen: niet in strafrechtelijke zin (dat is aan de strafrechter), maar ook niet in civielrechtelijke zin. Een dergelijke oordeel is niet noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Die beoordeling heeft zich in het voorgaande gericht op de proportionaliteit en doelmatigheid van de maatregel, en niet op een beoordeling van wat er wel of niet is gebeurd.



5.20.
Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt dus afgewezen. De ondertoezichtstelling eindigt van rechtswege op 4 augustus 2026.





6De beslissing


De kinderrechter



6.1.
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de resterende duur van het verzoek af.








Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door
mr. J.L. Souman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.K. van Haarst als griffier.














































Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.





Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:





degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;




andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.






Concl. P-G F. Ibili, ECLI:NL:PHR:2026:246, bij HR 13 maart 2026, r.o. 3.8.


Hof ‘s Hertogenbosch 8 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:20, r.o. 4.5.11.


HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1113, r.o. 3.4.