Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4889

2026-07-29 Civiel recht C/08/349080 / HA ZA 26-222
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/08/349080 / HA ZA 26-222
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Nakoming zakelijke overeenkomst van geldlening en veroordeling tot betaling van zowel de B.V. als de bestuurders die zich borg hadden gesteld. Verstek.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.141 tekens)
RECHTBANK Overijssel


Civiel recht



Zittingsplaats Almelo



Zaaknummer: C/08/349080 / HA ZA 26-222




Vonnis van 29 juli 2026




in de zaak van




STICHTING QREDITS,
gevestigd te Almelo,
eisende partij, hierna te noemen: Qredits,
advocaat: mr. A.A. Bart,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,,2. [gedaagde 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,3. [gedaagde 3],
wonende op een geheim adres,
gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en gezamenlijk [gedaagde 1] ,
allen niet verschenen.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (herstelde) dagvaarding(en) met producties,
- het tegen [gedaagde 1] verleende verstek.



1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De beoordeling



Vordering tegen [gedaagde 1]



2.1
Qredits vordert van [gedaagde 1] een bedrag van € 57.444,29. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 55.830,98 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.613,31. Daarnaast vordert Qredits de contractuele rente over het bedrag van € 55.830,98. Tot slot vordert Qredits dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld in de (na)kosten van deze procedure.



2.2
Het gevorderde door Qredits tegenover [gedaagde 1] komt de rechtbank niet ongegrond en/of onrechtmatig voor zodat dat wordt toegewezen zoals vermeld onder het kopje ‘De beslissing’.


2.3
Nu [gedaagde 1] in het ongelijk wordt gesteld moet zij de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van Qredits worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


157,49







- griffierecht


€


3.083,00







- salaris advocaat


€


1.290,00


(1 punt × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.719,49











Vordering tegenover [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ter hoogte van de geldlening




2.4
Qredits vordert dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (als borgen), na eisvermeerdering, ieder tegen kwijting aan Qredits moeten betalen het bedrag dat [gedaagde 1] in totaal verschuldigd is, tot een maximum van € 65.000,- plus de bijkomende kosten.



2.5
Omdat [gedaagde 1] in het kader van de overeenkomsten van geldlening tekort is geschoten in haar betalingsverplichtingen oordeelt de rechtbank dat Qredits ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kan aanspreken tot betaling.



Wettelijke rente of contractuele rente




2.6
Daarnaast is de vraag aan de orde welke rente de borgen verschuldigd zijn en vanaf welk moment. Op grond van artikel 7:856 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de borgen wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf het moment dat zij zelf in verzuim zijn. De vraag is of de borgen de wettelijke rente dan wel de contractuele rente (waartoe [gedaagde 1] wordt veroordeeld), zoals gevorderd verschuldigd zijn.



2.7

Op grond van artikel 7:862 BW is artikel 7:856 voor een particuliere borg van dwingend recht. De rechtbank merkt [gedaagde 3] aan als particuliere borg. In de dagvaarding wordt weliswaar het standpunt ingenomen dat het om zakelijke borgstellingen gaat, maar waarom er ten aanzien van [gedaagde 3] sprake is van een zakelijke en niet een particuliere borgstelling is in de dagvaarding op geen enkele wijze toegelicht.
In dit verband wordt ook gewezen op de als productie 5 overgelegde borgtochtovereenkomst met [gedaagde 3] . De kop van deze overeenkomst luidt “Borgtochtovereenkomst Natuurlijk Persoon”. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dus voor haar dat artikel 7:856 BW van dwingend recht is.




2.8
Voor zakelijke borgstellingen geldt dat artikel 7:856 BW van regelend recht is. De vraag is of partijen voor wat betreft [gedaagde 2] van deze wettelijke bepaling zijn afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken voldoende dat [gedaagde 2] DGA is van [gedaagde 1] en dat borgtochtovereenkomsten met hem een zakelijk karakter hebben, maar door Qredits is niet (voldoende) gesteld of gebleken dat zij tegenover [gedaagde 2] heeft willen afwijken van artikel 7:856 BW en zo ja wat de afwijking(en) dan is (zijn). Integendeel: Qredits vermeldt in de dagvaarding en in de borgtochtovereenkomsten juist dat zij zich baseert op artikel 7:856 BW.



2.9
De borgen kunnen gelet hierop niet worden aangesproken op betaling van de door [gedaagde 1] verschuldigde contractuele rente maar alleen op de wettelijke rente.





Verzuim

Qredits heeft [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij e-mailbericht van 14 november 2025 (als borgen) in gebreke gesteld en daarin een termijn van 8 dagen gegeven om over te gaan tot betaling. Door niet te betalen verkeren [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vanaf 23 november 2025 in verzuim. Dat brengt mee dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vanaf 23 november 2025 wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd zijn over het toe te wijzen bedrag.




Hoofdelijk




2.10

Vanaf het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in verzuim zijn, zijn zij voor het bedrag van de borgstelling en de rente hoofdelijk verbonden. Dit blijkt uit artikel 7:850 lid 3 BW.
Dat betekent dat Qredits van de beide borgen kan verlangen om het hele bedrag tot een maximum van de borgstelling te betalen, als blijkt dat [gedaagde 1] niet betaalt waartoe deze gehouden is.




Beslagkosten




2.11

Uit de dagvaarding leidt de rechtbank af dat er ook (conservatoir derden)beslag is gelegd op de onverdeelde helft van zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] in de overwaarde van de voormalige woning van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
Voor zover er ook beslagkosten van € 714,- worden gevorderd door Qredits van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wijst de rechtbank dit af. Qredits heeft alleen gevorderd om [gedaagde 1] in de proceskosten te veroordelen en niet (ook) [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De beslagkosten vormen weliswaar onderdeel van de proceskosten, maar nu het beslag is gelegd ten laste van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en niet ten laste van [gedaagde 1] vormen deze beslagkosten geen onderdeel van de proceskosten die [gedaagde 1] verschuldigd is aan Qredits waarvoor Qredits betaling verlangt.




Bijkomende kosten




2.12

Een borg is op grond van artikel 7:856 lid 2 BW in beginsel gehouden de kosten van rechtsvervolging van de hoofdschuldenaar te vergoeden, indien hij tijdig door mededeling van het voornemen tot rechtsvervolging in de gelegenheid is gesteld deze kosten te voorkomen.
In de dagvaarding wordt onder verwijzing naar deze bepaling gevorderd dat zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] worden veroordeeld voor de bijkomende kosten.
De rechtbank zal dit onderdeel van het gevorderde toewijzen in die zin dat het moet gaan om kosten als bedoeld in artikel 7:856 lid 2 BW. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen voor deze kosten veroordeeld als is opgenomen onder de beslissing.
Verder zal de rechtbank, om te voorkomen dat Qredits meer zal ontvangen dan [gedaagde 1] aan haar verschuldigd is, de veroordeling van zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] verdergaand beperken op de wijze zoals verwoord onder ‘De beslissing’.




Slotsom tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3]




2.13
De slotsom is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met inachtneming van artikel 7:850 lid 3 BW (hoofdelijkheid) worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 55.830,98 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 november 2025 tot aan de dag dat volledig is betaald en vermeerderd met de bijkomende kosten als bedoeld in artikel 7:856 lid 2 BW.







3De beslissing


De rechtbank



3.1
veroordeelt [gedaagde 1] om tegen kwijting aan Qredits te betalen het bedrag van € 57.444,29, te vermeerderen met de contractuele rente over het bedrag van € 55.830,98 vanaf 20 januari 2026 tot aan de dag dat volledig is betaald,



3.2
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 4.719,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (hoofdelijk) tot betaling aan Qredits van het bedrag van € 55.830,98 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het bedrag van € 55.830,98 vanaf 23 november 2025 tot aan de dag dat volledig is betaald, en vermeerderd met de kosten als bedoeld in artikel 7:856 lid 2 BW, met uitzondering van de beslagkosten, met dien verstande dat Qredits in totaliteit niet meer mag ontvangen dan het bedrag dat [gedaagde 1] aan haar verschuldigd is,



3.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



3.5
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.