Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4885
2026-07-28
Civiel recht
11976140 \ CV EXPL 25-2065
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toewijzen verzoek voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst. De huurder is gedurende de procedure onder bewind gesteld. Betalingsregeling huurachterstand: bij niet-nakoming daarvan is aan de voorwaarde voldaan.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2014:525 Hoge Raad 07-03-2014
- ECLI:NL:HR:2018:1810 Hoge Raad 28-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.967 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11976140 \ CV EXPL 25-2065
Vonnis van 28 juli 2026
in de zaak van
STICHTING VIVERION,
te Lochem,
eisende partij,
hierna te noemen: de Woningstichting,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde 1] , handelend onder de naam [bedrijf] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde 2] (hierna te noemen [gedaagde 2] ), wonende te [woonplaats] ,
zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen de bewindvoerder q.q.,
verschenen in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025;
- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 25 november 2025 van [gedaagde 2] ;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
1.2
De Woningstichting heeft een akte specificatie vordering ten behoeve van de mondelinge behandeling van 23 december 2025 overgelegd.
1.3
De mondelinge behandeling is gehouden op 23 december 2025. Namens de Woningstichting is verschenen [naam] , vergezeld van [gemachtigde] , werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis. [gedaagde 2] is eveneens verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.4
De procedure is aangehouden tot de rolzitting van 20 januari 2026. Op deze rolzitting heeft de Woningstichting een akte uitlating genomen. [gedaagde 2] heeft hierop bij brief, ontvangen op 11 februari 2026, gereageerd.
1.5
De procedure is wederom, onder voorwaarden, aangehouden tot 16 juni 2026. Op deze rolzitting heeft de Woningstichting een akte uitlating genomen, waarbij zij naar voren heeft gebracht dat [gedaagde 2] bij beschikking van 8 juni 2026 met ingang van 9 juni 2026 onder bewind is gesteld. Gelet op de onderbewindstelling van [gedaagde 2] , heeft de Woningstichting haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gewijzigd in een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming met een aantal voorwaarden.
1.6
Daarna heeft de kantonrechter de bewindvoerder q.q. in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze akte. De bewindvoerder q.q. heeft bij e-mail van 16 juni 2026 laten weten dat er inmiddels een betalingsregeling met de Woningstichting is overeengekomen, hetgeen per e-mail door De Woningstichting is bevestigd. Bij e-mail van 10 juli 2026 heeft de Woningstichting de betalingsregeling gespecificeerd.
1.7
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[gedaagde 2] huurt van de Woningstichting de woning gelegen aan [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 626,64 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.
2.3
[gedaagde 2] is bij beschikking van de kantonrechter van 8 juni 2026 per 9 juni 2026 onder bewind gesteld met als bewindvoerder [gedaagde 1] , handelend onder de naam [bedrijf] te [vestigingsplaats] .
3Het geschil
3.1
De Woningstichting vordert na eiswijziging: betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen en een voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met een aantal voorwaarden. Daarnaast vordert de Woningstichting betaling van de proceskosten.
3.2
De bewindvoerder q.q. heeft geen bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde vordering.
4De beoordeling
Onderbewindstelling
4.1
Als sprake is van een procedure over een onder bewind gesteld goed – zoals de rechten voortvloeiend uit een huurovereenkomst – moet de bewindvoerder q.q. en niet de rechthebbende zelf in rechte worden betrokken. Dit volgt uit de beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525). De goederen van [gedaagde 2] zijn in dit geval pas na het uitbrengen van de dagvaarding (bij beschikking van 8 juni 2026 van de kantonrechter te Enschede) onder bewind gesteld. Daarbij is [gedaagde 1] , handelend onder de naam [bedrijf] tot bewindvoerder benoemd. Uit het hiervoor genoemde arrest volgt ook dat de bewindvoerder die vervolgens in rechte verschijnt als formele procespartij te gelden heeft en het geding kan overnemen. Er is gebleken dat de bewindvoerder q.q. op
16 juni 2026 een reactie aan de kantonrechter heef toegestuurd. Hiermee is de bewindvoerder in rechte verschenen en zal hij als formele procespartij gelden. Dit is in de kop van dit vonnis verwerkt.
Ambtshalve toetsing
4.2
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom en de gevorderde vergoeding van rente. Met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter als na te melden (rechtsoverweging 4.6).
De huurachterstand
4.3
De bewindvoerder q.q. heeft niet weersproken dat de huurachterstand moet worden betaald. De Woningstichting heeft gesteld dat de huur van december 2025 inmiddels volledig is voldaan en dat er zich verder ook geen nieuwe huurachterstanden sinds de dagvaarding hebben voorgedaan. De huurachterstand van € 4.863,92, tot en met juni 2026 zal dan ook worden toegewezen.
De wettelijke rente
4.4
De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, eveneens worden toegewezen zoals hierna vermeld, omdat [gedaagde 2] niet op tijd heeft betaald.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.5
De Woningstichting heeft een bedrag van € 663,96 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. In artikel 15 van de “Algemene huurvoorwaarden voor woonruimte Viverion” van 1 januari 2009, is het volgende opgenomen:
“Indien één der partijen een verplichting uit de wet/en of de huurovereenkomst niet nakomt en daardoor de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voorvloeiende kosten voor rekening van die ene partij. De daarbij door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft. Deze buitengerechtelijke incassokosten bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldend BTW-percentage.”
4.6
De kantonrechter overweegt over de oneerlijkheid van het beding het volgende. Het beding suggereert dat vanaf het moment dat de vordering uit handen is gegeven direct incassokosten verschuldigd zijn. Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij na het intreden van het verzuim een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW genoemde eisen voldoet. Daarnaast moet in het beding de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden genoemd. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 15 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld. Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. Als gevolg van bovenstaande wordt de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Wat betekent dit voor de bewindvoerder q.q.?
4.7
De bewindvoerder q.q. moet aan de Woningstichting betalen een bedrag van
€ 4.947,24 (bestaande uit € 4.863,92 aan huurachterstand tot en met juni 2026 plus € 183,32 aan wettelijke rente berekend tot en met 16 juni 2026 minus een betaling van € 100,00), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.863,92 vanaf 17 juni 2026 tot de dag van volledige betaling.
4.8
De kantonrechter constateert dat de bedragen in de betalingsregeling afwijken van hetgeen in het vonnis wordt opgenomen. Gelet op het feit dat de Woningstichting om vonnis heeft gevraagd, dient de kantonrechter de vordering te toetsen aan de wettelijke maatstaven, waaronder ook de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten.
De ontbinding en ontruiming.
4.9
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de Woningstichting heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.10
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.11
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand van [gedaagde 2] zodanig groot is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt.
4.12
De Woningstichting heeft haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde inmiddels gewijzigd in een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming. Daarbij moet [gedaagde 2] volgens De Woningstichting zich aan de volgende voorwaarden houden:
- de lopende huur moet steeds op tijd en volledig worden betaald en
- de overeengekomen betalingsregeling moet worden nagekomen.
De bewindvoerder q.q. heeft zich hiertegen niet verzet.
4.13
Gelet op het woonbelang van [gedaagde 2] en de door partijen overeengekomen (betalings)regeling zal de kantonrechter een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming toewijzen. De kantonrechter zal de gestelde voorwaarden hierna opnemen in het dictum. De kantonrechter wijst de bewindvoerder q.q. en [gedaagde 2] erop dat overtreding van de genoemde voorwaarden automatisch met zich mee brengt dat de huurovereenkomst alsnog is ontbonden en [gedaagde 2] de woning alsnog zal moeten ontruimen als de Woningstichting dat verlangt (en het vonnis ten uitvoer legt). De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld.
De proceskosten.
4.14
De bewindvoerder q.q. zal als de (grotendeels) verliezende partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.
De kosten aan de zijde van de verhuurder worden conform de betalingsregeling begroot op:
- dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 514,00
- salaris gemachtigde € 339,00
- nakosten € 135,00
Totaal € 1.133,45.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting een bedrag van € 4.947.24 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.863,92 vanaf 17 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.2
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten tot op heden aan de kant van de Woningstichting begroot op € 1.133,45;
5.3
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan [adres] (gemeente [gemeente] ) en veroordeelt de bewindvoerder q.q. om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde 2] bevindt en geheel ter vrije beschikking van de Woningstichting te stellen, met aanzegging dat, indien de bewindvoerder q.q. daarmee in gebreke mochten blijven, de ontruiming door de deurwaarder zal worden bewerkstelligd en [gedaagde 2] met alle zich daarop en daarin bevindende personen en niet aan de Woningstichting toebehorende roerende zaken uit genoemde gehuurde te doen brengen naar de openbare straat, indien en zodra binnen één jaar na heden aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de bewindvoerder q.q. betaalt niet of niet tijdig de overeengekomen betalingsregeling van € 100,00 per maand totdat de hiervoor (onder 5.1 genoemde) betalingsachterstand en de (onder 5.2 genoemde) proceskosten volledig zijn betaald;
- de bewindvoerder q.q. betaalt niet of niet tijdig (uiterlijk de 1e van iedere maand) de (volledige) maandelijkse huur aan de Woningstichting.
5.4
veroordeelt de bewindvoerder q.q. tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde 2] de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.
Artikel 6:265 BW.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11976140 \ CV EXPL 25-2065
Vonnis van 28 juli 2026
in de zaak van
STICHTING VIVERION,
te Lochem,
eisende partij,
hierna te noemen: de Woningstichting,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
[gedaagde 1] , handelend onder de naam [bedrijf] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde 2] (hierna te noemen [gedaagde 2] ), wonende te [woonplaats] ,
zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen de bewindvoerder q.q.,
verschenen in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025;
- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 25 november 2025 van [gedaagde 2] ;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
1.2
De Woningstichting heeft een akte specificatie vordering ten behoeve van de mondelinge behandeling van 23 december 2025 overgelegd.
1.3
De mondelinge behandeling is gehouden op 23 december 2025. Namens de Woningstichting is verschenen [naam] , vergezeld van [gemachtigde] , werkzaam bij Groothuis Ligtermoet & Nijhuis. [gedaagde 2] is eveneens verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.4
De procedure is aangehouden tot de rolzitting van 20 januari 2026. Op deze rolzitting heeft de Woningstichting een akte uitlating genomen. [gedaagde 2] heeft hierop bij brief, ontvangen op 11 februari 2026, gereageerd.
1.5
De procedure is wederom, onder voorwaarden, aangehouden tot 16 juni 2026. Op deze rolzitting heeft de Woningstichting een akte uitlating genomen, waarbij zij naar voren heeft gebracht dat [gedaagde 2] bij beschikking van 8 juni 2026 met ingang van 9 juni 2026 onder bewind is gesteld. Gelet op de onderbewindstelling van [gedaagde 2] , heeft de Woningstichting haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gewijzigd in een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming met een aantal voorwaarden.
1.6
Daarna heeft de kantonrechter de bewindvoerder q.q. in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze akte. De bewindvoerder q.q. heeft bij e-mail van 16 juni 2026 laten weten dat er inmiddels een betalingsregeling met de Woningstichting is overeengekomen, hetgeen per e-mail door De Woningstichting is bevestigd. Bij e-mail van 10 juli 2026 heeft de Woningstichting de betalingsregeling gespecificeerd.
1.7
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[gedaagde 2] huurt van de Woningstichting de woning gelegen aan [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 626,64 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2
Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.
2.3
[gedaagde 2] is bij beschikking van de kantonrechter van 8 juni 2026 per 9 juni 2026 onder bewind gesteld met als bewindvoerder [gedaagde 1] , handelend onder de naam [bedrijf] te [vestigingsplaats] .
3Het geschil
3.1
De Woningstichting vordert na eiswijziging: betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen en een voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met een aantal voorwaarden. Daarnaast vordert de Woningstichting betaling van de proceskosten.
3.2
De bewindvoerder q.q. heeft geen bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde vordering.
4De beoordeling
Onderbewindstelling
4.1
Als sprake is van een procedure over een onder bewind gesteld goed – zoals de rechten voortvloeiend uit een huurovereenkomst – moet de bewindvoerder q.q. en niet de rechthebbende zelf in rechte worden betrokken. Dit volgt uit de beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525). De goederen van [gedaagde 2] zijn in dit geval pas na het uitbrengen van de dagvaarding (bij beschikking van 8 juni 2026 van de kantonrechter te Enschede) onder bewind gesteld. Daarbij is [gedaagde 1] , handelend onder de naam [bedrijf] tot bewindvoerder benoemd. Uit het hiervoor genoemde arrest volgt ook dat de bewindvoerder die vervolgens in rechte verschijnt als formele procespartij te gelden heeft en het geding kan overnemen. Er is gebleken dat de bewindvoerder q.q. op
16 juni 2026 een reactie aan de kantonrechter heef toegestuurd. Hiermee is de bewindvoerder in rechte verschenen en zal hij als formele procespartij gelden. Dit is in de kop van dit vonnis verwerkt.
Ambtshalve toetsing
4.2
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom en de gevorderde vergoeding van rente. Met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter als na te melden (rechtsoverweging 4.6).
De huurachterstand
4.3
De bewindvoerder q.q. heeft niet weersproken dat de huurachterstand moet worden betaald. De Woningstichting heeft gesteld dat de huur van december 2025 inmiddels volledig is voldaan en dat er zich verder ook geen nieuwe huurachterstanden sinds de dagvaarding hebben voorgedaan. De huurachterstand van € 4.863,92, tot en met juni 2026 zal dan ook worden toegewezen.
De wettelijke rente
4.4
De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, eveneens worden toegewezen zoals hierna vermeld, omdat [gedaagde 2] niet op tijd heeft betaald.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.5
De Woningstichting heeft een bedrag van € 663,96 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. In artikel 15 van de “Algemene huurvoorwaarden voor woonruimte Viverion” van 1 januari 2009, is het volgende opgenomen:
“Indien één der partijen een verplichting uit de wet/en of de huurovereenkomst niet nakomt en daardoor de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voorvloeiende kosten voor rekening van die ene partij. De daarbij door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft. Deze buitengerechtelijke incassokosten bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldend BTW-percentage.”
4.6
De kantonrechter overweegt over de oneerlijkheid van het beding het volgende. Het beding suggereert dat vanaf het moment dat de vordering uit handen is gegeven direct incassokosten verschuldigd zijn. Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij na het intreden van het verzuim een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW genoemde eisen voldoet. Daarnaast moet in het beding de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden genoemd. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 15 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld. Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. Als gevolg van bovenstaande wordt de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Wat betekent dit voor de bewindvoerder q.q.?
4.7
De bewindvoerder q.q. moet aan de Woningstichting betalen een bedrag van
€ 4.947,24 (bestaande uit € 4.863,92 aan huurachterstand tot en met juni 2026 plus € 183,32 aan wettelijke rente berekend tot en met 16 juni 2026 minus een betaling van € 100,00), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.863,92 vanaf 17 juni 2026 tot de dag van volledige betaling.
4.8
De kantonrechter constateert dat de bedragen in de betalingsregeling afwijken van hetgeen in het vonnis wordt opgenomen. Gelet op het feit dat de Woningstichting om vonnis heeft gevraagd, dient de kantonrechter de vordering te toetsen aan de wettelijke maatstaven, waaronder ook de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten.
De ontbinding en ontruiming.
4.9
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de Woningstichting heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.10
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.11
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand van [gedaagde 2] zodanig groot is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt.
4.12
De Woningstichting heeft haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde inmiddels gewijzigd in een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming. Daarbij moet [gedaagde 2] volgens De Woningstichting zich aan de volgende voorwaarden houden:
- de lopende huur moet steeds op tijd en volledig worden betaald en
- de overeengekomen betalingsregeling moet worden nagekomen.
De bewindvoerder q.q. heeft zich hiertegen niet verzet.
4.13
Gelet op het woonbelang van [gedaagde 2] en de door partijen overeengekomen (betalings)regeling zal de kantonrechter een voorwaardelijke ontbinding en ontruiming toewijzen. De kantonrechter zal de gestelde voorwaarden hierna opnemen in het dictum. De kantonrechter wijst de bewindvoerder q.q. en [gedaagde 2] erop dat overtreding van de genoemde voorwaarden automatisch met zich mee brengt dat de huurovereenkomst alsnog is ontbonden en [gedaagde 2] de woning alsnog zal moeten ontruimen als de Woningstichting dat verlangt (en het vonnis ten uitvoer legt). De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld.
De proceskosten.
4.14
De bewindvoerder q.q. zal als de (grotendeels) verliezende partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.
De kosten aan de zijde van de verhuurder worden conform de betalingsregeling begroot op:
- dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 514,00
- salaris gemachtigde € 339,00
- nakosten € 135,00
Totaal € 1.133,45.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting een bedrag van € 4.947.24 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.863,92 vanaf 17 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.2
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten tot op heden aan de kant van de Woningstichting begroot op € 1.133,45;
5.3
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan [adres] (gemeente [gemeente] ) en veroordeelt de bewindvoerder q.q. om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde 2] bevindt en geheel ter vrije beschikking van de Woningstichting te stellen, met aanzegging dat, indien de bewindvoerder q.q. daarmee in gebreke mochten blijven, de ontruiming door de deurwaarder zal worden bewerkstelligd en [gedaagde 2] met alle zich daarop en daarin bevindende personen en niet aan de Woningstichting toebehorende roerende zaken uit genoemde gehuurde te doen brengen naar de openbare straat, indien en zodra binnen één jaar na heden aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de bewindvoerder q.q. betaalt niet of niet tijdig de overeengekomen betalingsregeling van € 100,00 per maand totdat de hiervoor (onder 5.1 genoemde) betalingsachterstand en de (onder 5.2 genoemde) proceskosten volledig zijn betaald;
- de bewindvoerder q.q. betaalt niet of niet tijdig (uiterlijk de 1e van iedere maand) de (volledige) maandelijkse huur aan de Woningstichting.
5.4
veroordeelt de bewindvoerder q.q. tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde 2] de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.
Artikel 6:265 BW.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.