Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4781

2026-08-04 Civiel recht 12328430 CV EXPL 26-2526
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12328430 CV EXPL 26-2526
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huurgeschil.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.204 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Enschede



Zaaknummer: 12328430 CV EXPL 26-2526




Vonnis in verzet van 4 augustus 2026




in de zaak van





[partij A] ,

wonende te [woonplaats 1] (Duitsland),
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. I.E. Hofhuis,



tegen



[partij B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. E.J.M. Maatman,






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding op verkorte termijn van 20 april 2026 met producties 1-16,
- het verstekvonnis in kort geding van 29 juni 2026 (12184884 CV EXPL 26-1040),
- de verzet dagvaarding in kort geding, tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorziening, met producties 1- 9,
- de producties 17 – 34 van de zijde van [partij B] ,- de mondelinge behandeling van 3 augustus 2026, die heeft plaatsgevonden op de locatie Almelo.






2De feiten


2.1.

[partij A] is eigenaar van twee bungalows op het vakantiepark [locatie] in [plaats]. Eén bungalow gebruikt hij zelf en de andere bungalow verhuurt hij.



2.2.

[partij B] is in Nederland niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het laatste door [partij B] opgegeven adres is een adres in Duitsland.



2.3.

[partij A] en [partij B] hebben een huurovereenkomst gesloten, op basis waarvan [partij A] bungalow [nummer], gelegen op het vakantiepark [locatie], aan de [adres] te [plaats], met ingang van 1 september 2024 verhuurt aan [partij B] .



2.4.
Tussen partijen is in geschil of de huurovereenkomst voor bepaalde tijd van twaalf maanden of voor onbepaalde tijd is gesloten. Partijen beroepen zich ieder op hun eigen exemplaar van het met de hand ingevulde en door [partij A] en [partij B] ondertekende formulier Mietvertrag für Wohnungen. [partij A] heeft zijn exemplaar overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding. [partij B] heeft zijn exemplaar in het geding gebracht als productie 3 bij de verzet dagvaarding.






3Het geschil


3.1.

In de dagvaarding van 20 april 2026 vordert [partij A] dat [partij B] wordt veroordeeld om de bungalow binnen veertien dagen na vonnis te ontruimen, onder verbeurte van een dwangsom, en € 7.600,- te betalen als schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:225 BW. Daartoe stelt hij dat een huurovereenkomst was gesloten voor de duur van één jaar en wijst op de overeenkomst waarin staat 01-09-2024 tot 01-09-2025. [partij A] heeft steeds duidelijk gemaakt dat van permanente bewoning geen sprake kon zijn. Op de laatste pagina van de overeenkomst is daarom ook genoteerd “Dauerwohnen niecht erlaubt” en [partij A] heeft daar een paraaf bij gezet. [partij A] heeft in juli 2025 aangekondigd dat de huur na
1 september 2025 zou eindigen, maar dat werd niet geaccepteerd door [partij B] . [partij A] hoefde de huur niet op te zeggen bij exploot of aangetekende brief, zoals vermeld in artikel 7:271 lid 4 BW, omdat het gaat om een huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur (7:232 lid 2 BW).
Na 1 september 2025 is [partij B] gestopt met het betalen van huur, maar hij weigerde tegelijkertijd om de bungalow te ontruimen. Al vanaf het begin van de huurovereenkomst heeft [partij B] de tuin van de bungalow gebruikt voor reparatie van auto’s en andere voertuigen. Dit is in strijd met de voorschriften van [locatie], want er mogen geen werkgerelateerde activiteiten worden uitgevoerd. Sinds het einde van de huurovereenkomst veroorzaakte [partij B] ook andere (ernstige) overlast op het vakantiepark. Er was sprake van agressief gedrag tegen [partij A] en andere aanwezigen op het vakantiepark, waarvan ook aangifte is gedaan bij de politie. [partij B] heeft [partij A] ook meerdere malen bedreigd.
Omdat [partij B] de bungalow na 1 september 2025 zonder recht of titel gebruikte, heeft [partij A] hem verzocht om te ontruimen. Een laatste sommatie is verstuurd op 17 maart 2026; als reactie ontving [partij A] nieuwe bedreigingen.




3.2.
In het verstekvonnis van 29 juni 2026 (12184884 CV EXPL 26-1040) zijn de vorderingen van [partij A] toegewezen. De grosse is op 9 juli 2026 openbaar betekend, zodat de verzet termijn vanaf die datum loopt. In het openbaar exploot is aangezegd dat de ontruiming zal plaatsvinden op 6 augustus 2026.



3.3.


[partij B] vordert in het verzet:
In het incident:

[partij A] te verbieden om de woning aan de [adres], bungalow [nummer], te [adres] [plaats] te (laten) ontruimen en te beslissen dat [partij B] de woning niet hoeft te verlaten totdat in het vonnis in de hoofdzaak anders beslist wordt:
In hoofdzaak:

[partij B] te ontheffen van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij vonnis van 29 juni 2026 (12184884 CV EXPL 26-1040) en de vorderingen van [partij A] alsnog af te wijzen, onder veroordeling van [partij A] in de kosten van dit verzet.




3.4.
In deze procedure vordert [partij A] dat de geplande ontruiming op 6 augustus 2026 door kan gaan en ter zitting heeft hij gevorderd dat [partij B] de woning op de kortst mogelijke termijn ontruimt.






4De beoordeling


4.1.
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.



4.2.

[partij B] heeft een vordering ingesteld in incident en in hoofdzaak. De voorzieningenrechter begrijpt dat met in hoofdzaak wordt bedoeld het verzet tegen het kortgeding vonnis en dat daarnaast wordt gevorderd om – hangende de uitspraak in de kortgedingprocedure – de aangezegde ontruiming te verbieden.



4.3.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.



Ontruiming op 6 augustus 2026





4.4.


[partij A] vordert ontruiming van de woning op de kortst mogelijke termijn. Die vordering zal worden toegewezen. Hieronder zal worden toegelicht waarom.
Partijen twisten over de vraag of een huurovereenkomst voor de duur van een jaar of voor onbepaalde tijd is gesloten. [partij A] heeft verklaard dat hij de overeenkomst in tweevoud heeft ingevuld en laten ondertekenen en dat hij een getekend exemplaar heeft meegegeven aan [partij B] . Tijdens een vervolggesprek tussen hen over de betaling van de waarborgsom zouden aanvullende afspraken zijn gemaakt waarvan [partij A] aantekeningen heeft gemaakt op zijn eigen overeenkomst, waarna [partij B] middels een paraaf akkoord op die aanvullingen heeft gegeven, aldus [partij A] . [partij B] heeft ter zitting betwist dat de paraaf op de overeenkomst van hem is, bijvoorbeeld achter de toevoeging “Dauerwohnen niecht erlaubt”.




4.5.

In een kort geding procedure is geen tijd en gelegenheid voor bewijsvoering. Wat partijen precies hebben afgesproken en vastgelegd kan daarom nu niet worden vastgesteld. Maar voor het antwoord op de vraag of er op dit moment nog een huurovereenkomst bestaat, maakt dat niet uit. Als er een overeenkomst voor 12 maanden zou zijn gesloten, zoals [partij A] stelt, had deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten worden opgezegd met inachtneming van artikel 7:271 lid 4 BW. De overeenkomst die partijen hebben gesloten kan immers niet worden aangemerkt als naar zijn aard van korte duur.
Door niet op juiste wijze op te zeggen is inmiddels sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.




4.6.

Het ligt in de lijn der verwachting dat in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen. [partij B] heeft immers in oktober 2025 nog 80% van de huur betaald en daarna niets meer. De betaling van de huur is een van de belangrijkste verplichtingen van de huurder en inmiddels bestaat dus een achterstand van meer dan negen maanden. Een dergelijke ernstige tekortkoming in de nakoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst.

[partij B] heeft aangevoerd dat hij door het niet betalen wilde afdwingen dat [partij A] met hem in gesprek ging over het geschil dat tussen hen was ontstaan. In een e-mail van 1 april 2025 verwijt [partij B] [partij A] dat deze had toegezegd dat [partij B] de woning kon kopen, maar dat hij die toezegging niet nakwam. Ook neemt hij hem kwalijk dat [partij A] aan derden zou hebben verteld dat [partij B] de huur niet betaalt en verwijst hij naar een eerder WhatsApp bericht waarin hij aangeeft dat hij de huur zal inhouden omdat er een camera op de woning gericht staat en [partij A] hem dus in de gaten houdt.
Al deze omstandigheden rechtvaardigen echter op geen enkele wijze het niet betalen van de huur, want [partij B] heeft al die tijd gewoon gebruik gemaakt van de woning en moet natuurlijk daarvoor de afgesproken huur betalen.
Bovendien is de stelling dat hij een gesprek wilde afdwingen maar [partij A] niet kon bereiken in tegenspraak met wat hij schreef op 1 april 2025: Ik stuur er bewust op aan dat we elkaar voor de rechtbank weerzien en op 2 april 2025: Als ik nog een keer problemen door jou krijg, krijg jij problemen bij jou, dat beloof ik je. Ik heb jouw adres!!

[partij B] had ook kunnen reageren op de brieven van de gemachtigde van [partij A] , maar liet dat na.




4.7.
Ter zitting heeft [partij B] aangevoerd dat de geplande ontruimingsdatum van 6 augustus 2026 te kort dag is en dat hij nog geen andere woning heeft. Dit is geen reden om de voorgenomen ontruiming niet door te laten gaan. [partij B] weet sinds de inleidende dagvaarding van 20 april 2026 dat [partij A] hem uit de woning wil hebben en heeft dus maanden de tijd gehad om andere woonruimte te zoeken. Sinds de dagvaarding is de huurachterstand alleen maar verder opgelopen en het belang van [partij A] om weer de beschikking te hebben over zijn woning, die [partij B] nu al negen maanden zonder enige betaling in gebruik houdt, weegt zwaarder dan het belang van [partij B] , die voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich voor te bereiden. De ontruimingstermijn wordt gesteld op 48 uur na het vonnis, dus op 6 augustus 2026, niet eerder dan om 15.00 uur.



Geen dwangsommen





4.8.
Ter zitting is besproken dat [partij A] – als het ontruimingsvonnis in stand blijft – geen belang heeft bij dwangsommen omdat hij met het vonnis en de deurwaarder de ontruiming kan afdwingen. Daarom zal het verstekvonnis ten aanzien van de dwangsommen worden vernietigd.



Vordering tot betaling van € 7.600,-




4.9.

[partij A] vordert € 7.600,-, primair als schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:225 BW, subsidiair als achterstallige huur plus kosten. Tegen het gevorderde bedrag is geen verweer gevoerd. Omdat hierboven is aangenomen dat er (inmiddels) sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, is het bedrag toewijsbaar als achterstallige huur. Het verstekvonnis wordt op dit punt vernietigd en het bedrag zal worden toegewezen op de subsidiair aangevoerde grondslag.



Incident





4.10.
Nu vonnis is gewezen voor de geplande datum van ontruiming heeft [partij B] geen belang meer bij beoordeling van het incident.



Proceskosten





4.11.


[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de verstek en verzet procedure (inclusief nakosten) betalen. Voor vergoeding van de daadwerkelijke kosten is geen aanleiding.
De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- explootkosten € 663,35
- griffierecht € 265,00









- salaris gemachtigde


€


865,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.937,35














5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 29 juni 2026 (12184884 CV EXPL 26-1040) en opnieuw rechtdoende:



5.2.

veroordeelt [partij B] om de bungalow (met nummer [nummer] op het vakantiepark [locatie] te [plaats]) binnen 48 uur na toezending van dit vonnis, dus voor
6 augustus 2026 om 15.00 uur, te ontruimen en te verlaten en met al het zijne en de zijnen, alle personen en zaken en onder overgave van de sleutels ter vrije beschikking van [partij A] te stellen;




5.3.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 7.600,- ten titel van huur en bijkomende kosten;



5.4.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.937,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



5.6.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.










Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.





































[partij B] had zijn exemplaar van de eerdere door partijen ondertekende huurovereenkomst niet bij zich, volgens [partij A] .


Artikel 7:232 lid 2 BW wordt in de jurisprudentie restrictief uitgelegd.