Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4722
2026-07-30
Civiel recht
12270305 \ CV EXPL 26-1939
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering ontruiming van woning tegen niet verschenen huurder afgewezen, tegen verschenen zoon van huurder toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.425 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12270305 \ CV EXPL 26-1939
Vonnis in kort geding van 30 juli 2026
in de zaak van
1STICHTING IJSSELLANDSCHAP,
te Olst,
eiser,
hierna te noemen: Stichting IJssellandschap, 2. STICHTING MONUMENTEN IJSSELLANDSCHAP,
te Hardenberg,
eiser,
hierna te noemen: Stichting Monumenten IJssellandschap,
eisers hierna samen te noemen: IJssellandschap,
gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 1] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
Deze zaak gaat over de ontruiming van een huurwoning. De verhuurder stelt dat de huurovereenkomst met de huurder is beëindigd of zal worden ontbonden en dat haar zoon zonder recht of titel in de woning verblijft. De huurder verblijft sinds het overlijden van haar partner in een zorginstelling. Volgens haar zoon en andere familieleden wil zij naar de woning terugkeren om daar, met 24-uurszorg, haar laatste levensfase door te brengen.
1.2.
De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering tegen de zoon toe, omdat voldoende aannemelijk is dat hij de woning zonder recht of titel gebruikt. De vordering tegen de huurder wordt afgewezen. Onvoldoende aannemelijk is op dit moment dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd of dat de bodemrechter deze wegens een tekortkoming van de huurder zal ontbinden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12 van IJssellandschap;
- de aanvullende producties 13 en 14 van IJssellandschap;- de e-mail van [gedaagde 2] waarin hij heeft verzocht de mondelinge behandeling uit te stellen;
- de reactie van de advocaat van IJssellandschap op het uitstelverzoek;
- het bericht van de rechtbank dat geen uitstel wordt verleend;
- de e-mail van [gedaagde 2] waarin opnieuw om uitstel wordt verzocht;
- het bericht van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat om terug te komen op de eerdere beslissing en dat de mondelinge behandeling doorgang zal vinden, tenzij de advocaat van de wederpartij vóór de zitting aan de rechtbank bericht met het uitstel in te stemmen;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waar door IJssellandschap spreekaantekeningen zijn overgelegd;
- de verstekverlening tegen [gedaagde 1] .
2.2.
Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3De feiten
3.1.
Op landgoed de [locatie] staat een koetshuis dat op dit moment fungeert als woonruimte. Met ingang van 1 januari 1969 verhuurde de gemeente Deventer deze woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [naam 1] . [naam 1] is de ex-partner van [gedaagde 1] . Na beëindiging van hun relatie heeft [gedaagde 1] de huur, in ieder geval vanaf 1988, als opvolgend huurder voortgezet.
3.2.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben meerdere kinderen, waaronder [gedaagde 2] en [naam 2] ( [naam 2] ).
3.3.
In 1995 is het landgoed overgedragen van de gemeente Deventer aan Stichting IJssellandschap.
3.4.
Vanaf 1 oktober 1997 is [gedaagde 1] in het gehuurde gaan samenwonen met [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
3.5.
In 1998 is het landgoed door Stichting IJssellandschap bij akte ingebracht in Stichting Monumenten IJssellandschap.
3.6.
[naam 3] is in [maand] 2025 overleden.
3.7.
[gedaagde 1] is hierna verhuisd naar een zorginstelling en verblijft op dit moment niet meer in het gehuurde.
3.8.
IJssellandschap heeft met [naam 2] en [naam 4] , een dochter van [naam 3] , afspraken gemaakt over beëindiging van de huur oplevering van het gehuurde op 1 april 2026.
3.9.
Op 27 maart 2026 heeft [gedaagde 2] een e-mail naar IJssellandschap gestuurd waarin hij schrijft:
“Mijn moeder woont op het koetshuis van de [locatie] . Helaas is zij na het overlijden van haar man tijdelijk niet meer in staat om hier te wonnen. Wij gaan ervan uit dat ze dat binnenkort weer kan met de begeleiding van een inwonende verpleegkundige. Wij hebben gemerkt dat er nogal wat chaos en eventueel achterstand is ontstaan in de administratie en willen graag weten of alles nog in orde is. Vriendelijke groet, [gedaagde 2] (ook namens [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] [naam 8] en [naam 9] ).”
3.10.
Naar aanleiding van deze e-mail heeft IJssellandschap contact opgenomen met [naam 2] . Door [naam 2] is toen aangegeven dat ontruiming van de woning eerst niet kon doorgaan, waarna IJssellandschap uitstel heeft gegeven tot 8 april 2026 14:00 uur.
3.11.
Op 8 april 2026 is IJssellandschap naar het gehuurde gegaan. Over wat daar toen is gebeurd en gezegd en het telefonisch contact dat daarna met [naam 2] heeft plaatsgevonden heeft zij diezelfde dag naar [naam 2] gemaild:
“(…) Wij hebben op 31 maart afgesproken dat de geplande oplevering van de woning op 2 april niet kon plaats vinden en deze hebben wij toen verplaatst naar vandaag (…). Wij (…) troffen daar je zoon die de deur open deed en nergens van af wist. Toen ik je om 14.05 uur belde gaf je aan dat je in de veronderstelling was dat de oplevering morgen (donderdag) was gepland.
We constateren (nogmaals) dat de er al langere tijd andere mensen in de woning verblijven dan mevr. [naam 10] . Dit vinden wij niet acceptabel.
Je gaf in dat telefoongesprek aan dat er morgen een overleg is gepland op het [plaats] , waar je moeder verblijft, om samen met je moeder en de zorgverleners de zorg voor haar verder te bespreken.
Hierbij zouden meerdere mensen (familie) bij aanwezig zijn. Samen hebben we afgesproken dat jij uiterlijk morgen eind van de middag/begin van de avond, verslag doet van hetgeen is afgesproken met je moeder en wie haar vertegenwoordigt in de gemaakte afspraken tot nu toe en in die voor de toekomst als het gaat om de eerder afgesproken beëindigde huursituatie.
Hierna wil ik (zoals ook is afgesproken) een nieuwe afspraak maken voor de oplevering van de woning aan ons.”
3.12.
Op 10 april 2026 heeft [naam 2] naar IJssellandschap gemaild:
“(...) Gisteren is de stap gezet om een bewindvoerder voor mijn moeder aan te stellen. Mijn beide broertjes zijn daar mee akkoord. Vandaag hoop ik in contact te komen met de beoogde bewindvoerder. Dit betekend dat de verantwoordelijkheid voor de afhandeling straks niet meer bij mij ligt. Zodra de bewindvoerder bekend is breng ik je ervan op de hoogte. (…)”
3.13.
De huurprijs van het gehuurde bedraagt op dit moment € 1.029,03 per kwartaal.
3.14.
[naam 5] , een zus van [gedaagde 1] , heeft op 25 maart 2026 een bedrag naar IJssellandschap overgemaakt dat gelijk is aan de over het tweede kwartaal van 2026 verschuldigde huur. IJssellandschap heeft dit bedrag op 10 april 2026 teruggeboekt.
3.15.
Op 17 april 2026 heeft de advocaat van IJssellandschap een brief naar [gedaagde 1] gestuurd. Daarin wordt beschreven wat er in de afgelopen periode is gebeurd. Verder staat in de brief dat IJssellandschap niet akkoord gaat met voortzetting van de huur. [gedaagde 1] is gesommeerd en in gebreke gesteld om het gehuurde binnen acht dagen na dagtekening van de brief te ontruimen en op te leveren. Tot slot is kenbaar gemaakt dat er een kort geding zal worden gestart als hier niet aan wordt voldaan. Een kopie van de brief is per e-mail naar [gedaagde 2] en [naam 2] gestuurd.
3.16.
[naam 5] heeft op 25 april 2026 gereageerd op voornoemde brief. Zij heeft daarbij onder andere aangegeven dat en waarom zij de huur had overgemaakt, dat zij dit opnieuw heeft gedaan en dat zij ervan uitgaat dat de aangekondigde ontruiming wordt herroepen. Verder merkt zij op dat [gedaagde 2] in [woonplaats 2] woont.
3.17.
[gedaagde 1] staat sinds 20 april 2026 ingeschreven op het adres van de zorginstelling.
3.18.
De advocaat van IJssellandschap heeft op 12 mei 2026 een e-mail naar [naam 5] gestuurd waarin onder meer staat dat uit de inschrijving op het adres van de zorginstelling blijkt dat [gedaagde 1] het gehuurde permanent heeft verlaten en dat de aanzegging tot ontruiming niet wordt herroepen. [gedaagde 1] is opnieuw gesommeerd en in gebreke gesteld het gehuurde te ontruimen.
3.19.
Vervolgens is IJssellandschap onderhavige procedure gestart.
4Het geschil
4.1.
IJssellandschap vordert dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding zal veroordelen om de woning aan de [adres] binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen, in goede staat op te leveren en vervolgens ontruimd te houden, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, inclusief nakosten.
4.2.
[gedaagde 1] is niet verschenen. [gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van IJssellandschap.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is allereerst vereist dat IJssellandschap daarbij voldoende spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan sprake is. IJssellandschap stelt dat [gedaagde 2] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft en dat [gedaagde 1] , die volgens IJssellandschap het gehuurde definitief heeft verlaten, niet langer feitelijk de verantwoordelijkheid voor het gebruik en behoud daarvan draagt. IJssellandschap wil voorkomen dat schade ontstaat aan het gehuurde, dat een monumentaal pand betreft. Daarnaast wil IJssellandschap het gehuurde renoveren en daar weer zelf over beschikken.
Toetsingskader kort geding
5.2.
Verder moet in een kort geding worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter vormt zich daarbij een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. In een kort geding is geen plaats voor bewijslevering.
De vordering tegen [gedaagde 2]
5.3.
IJssellandschap stelt dat [gedaagde 2] in het gehuurde verblijft en dat hij dat zonder recht of titel doet. Volgens IJssellandschap kan [gedaagde 2] niet als huurder worden aangemerkt en is het ook niet aannemelijk dat hij als medehuurder zal worden aangemerkt.
5.4.
[gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de ontruiming in het belang van zijn moeder wil voorkomen. Volgens [gedaagde 2] lijdt [gedaagde 1] aan de ziekte van Alzheimer en verblijft zij daarom momenteel in een zorginstelling. [gedaagde 1] zou tegenover [gedaagde 2] , een ander familielid en haar kleinzoon de wens hebben geuit om haar laatste levensfase in het gehuurde door te brengen. [gedaagde 2] en de betrokken familieleden willen onderzoeken of die wens kan worden verwezenlijkt door in het gehuurde een hospice situatie met 24-uurszorg te organiseren. Volgens [gedaagde 2] zijn de voorbereidingen daarvoor al in een vergevorderd stadium en is dit voornemen ook besproken met de beoogde bewindvoerder. [gedaagde 2] heeft verder verklaard dat hij en een kleinzoon van [gedaagde 1] nu regelmatig in het gehuurde verblijven om het te kunnen beheren. [gedaagde 2] betwist dat hij in het gehuurde woont. Hij heeft een eigen woning in [woonplaats 2] .
5.5.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 2] zo, dat hij niet in het gehuurde woont en daarom niet tot ontruiming daarvan hoeft te worden veroordeeld, omdat IJssellandschap daar dan geen belang bij heeft. Dat verweer slaagt niet. IJssellandschap heeft toegelicht dat vanuit zijn kantoor op het landgoed is waargenomen dat [gedaagde 2] gedurende langere tijd en met grote regelmaat in en rond het gehuurde aanwezig is en aangenomen moet worden dat hij de woning bewoont. [gedaagde 2] heeft daartegenover volstaan met de verklaring dat hij de woning uitsluitend beheert. Hij heeft niet concreet toegelicht hoe vaak en op welke momenten hij in het gehuurde aanwezig is en waaruit het door hem gestelde beheer bestaat. Daarmee heeft hij onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij feitelijk gebruikmaakt van het gehuurde. De kantonrechter zal er dan ook van uit gaan dat hij wel gebruikmaakt van het gehuurde in een zin die verder gaat dan (enkel) beheer.
5.6.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 2] onvoldoende onderbouwd dat voor dit gebruik een rechtsgrond bestaat. Hij heeft niet gesteld dat [gedaagde 1] hem toestemming heeft gegeven om het gehuurde te gebruiken, terwijl evenmin is gebleken dat [gedaagde 2] aan een andere rechtsverhouding een gebruiksrecht kan ontlenen. De kantonrechter acht daarom voldoende aannemelijk dat [gedaagde 2] het gehuurde zonder recht of titel gebruikt. De vordering tot ontruiming zal tegen [gedaagde 2] dan ook worden toegewezen.
De vordering tegen [gedaagde 1]
5.7.
[gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen. Tegen haar is daarom verstek verleend. De tegen haar ingestelde vordering zal daarom worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Omdat [gedaagde 2] wel is verschenen, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv).
5.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Deze zaak kenmerkt zich door de bijzonderheid dat uit de stellingen en producties van IJssellandschap volgt dat:
[gedaagde 1] in verband met haar psychische gesteldheid mantelzorg genoot van haar inmiddels overleden partner;
[gedaagde 1] na het overlijden van haar partner in een zorginstelling is opgenomen; en
een verzoek tot onderbewindstelling is ingediend, maar daarop nog niet is beslist.
5.9.
Het voorgaande wordt bevestigd door verschenen mede-gedaagde [gedaagde 2] . Hij heeft verklaard dat [gedaagde 1] aan Alzheimer lijdt en in verband daarmee 24-uurszorg nodig heeft. Ook andere ter zitting aanwezige familieleden hebben dit bevestigd. Geen van hen was schriftelijk gevolmachtigd om namens [gedaagde 1] verweer te voeren. De kantonrechter betrekt hun verklaringen daarom uitsluitend als feitelijke informatie voor zover deze een bevestiging vormen van hetgeen door IJssellandschap naar voren is gebracht.
5.10.
Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat [gedaagde 1] als gevolg van haar gezondheidstoestand feitelijk niet in staat is geweest zelf in deze procedure te verschijnen of iemand te machtigen om namens haar op te treden. Evenmin is een bewindvoerder verschenen, omdat op de aanvraag tot benoeming van een bewindvoerder nog niet is beslist.
5.11.
Deze omstandigheden nopen tot een strenge toepassing van de maatstaf van artikel 139 Rv, in die zin dat indien in dat wat IJssellandschap naar voren heeft gebracht aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de veronderstelling dat toewijzing van de vorderingen niet opportuun is, eerder een afwijzing in de rede ligt dan in de situatie dat gedaagde niet verschijnt maar feitelijk wel de mogelijkheid had om te verschijnen. Daarbij betrekt de kantonrechter tevens dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling van een dergelijke vordering grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. De kantonrechter zal de vordering van IJssellandschap hierna beoordelen aan de hand van het voorgaande.
5.12.
IJssellandschap heeft aan zijn vordering in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Volgens IJssellandschap moet de huurovereenkomst geacht te zijn beëindigd omdat IJssellandschap van de kinderen van [gedaagde 1] heeft begrepen dat het hen was toegestaan om de huurovereenkomst te beëindigen. IJssellandschap wijst erop dat hij met [naam 2] en de dochter van [naam 3] afspraken heeft gemaakt over beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning nadat [naam 2] had aangegeven contactpersoon van [gedaagde 1] te zijn en hij had aangegeven dat [gedaagde 1] niet meer zou terugkeren naar de woning. IJssellandschap meent dat [naam 2] daarbij als gemachtigde van [gedaagde 1] met beëindiging van de huurovereenkomst en oplevering van het gehuurde ingestemd. De afspraken over oplevering zijn vervolgens niet nagekomen. Nadat de advocaat van IJssellandschap [gedaagde 1] tot ontruiming en oplevering had gesommeerd en in gebreke had gesteld, is het gehuurde ook niet opgeleverd. [gedaagde 1] is daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de gemaakte afspraak en verkeert in verzuim, aldus IJssellandschap.
5.13.
De kantonrechter volgt IJssellandschap hier niet in. Uit de door IJssellandschap gestelde feiten kan niet eenduidig worden afgeleid dat er tussen [gedaagde 1] en IJssellandschap overeenstemming is bereikt over de beëindiging van de huurovereenkomst. Uit de feitelijke stellingen kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [gedaagde 1] [naam 2] heeft gemachtigd om namens haar met beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde in te stemmen. De omstandigheden dat:
i) [naam 2] heeft aangegeven contactpersoon te zijn,
ii) [naam 2] heeft aangegeven dat [gedaagde 1] niet meer zal terugkeren naar de woning, en
iii) [naam 2] en de dochter van [naam 3] afspraken hebben gemaakt over de beëindiging en de ontruiming,
zijn daarvoor niet voldoende. Dat [naam 2] mogelijk niet door [gedaagde 1] was gemachtigd had IJssellandschap in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ook kunnen begrijpen, te meer omdat een expliciete, van [gedaagde 1] afkomstige (al dan niet schriftelijke) machtiging ontbreekt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is van een op [gedaagde 1] rustende verplichting tot ontruiming uit hoofde van de beëindigingsbijeenkomst niet gebleken, zodat [gedaagde 1] een dergelijke verplichting ook niet kan hebben geschonden.
5.14.
Als tweede grondslag voor zijn vordering heeft IJssellandschap gesteld dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. IJssellandschap heeft in dat verband twee tekortkomingen genoemd.
5.15.
De eerste door IJssellandschap gestelde tekortkoming is dat [gedaagde 1] het gehuurde zonder toestemming aan een derde ( [gedaagde 2] ) in gebruik heeft gegeven. De kantonrechter volgt IJssellandschap hier niet in. Zoals hiervoor is overwogen, staat voldoende vast dat [gedaagde 2] feitelijk gebruikmaakt van het gehuurde. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat [gedaagde 1] het gehuurde aan hem in gebruik heeft gegeven. Daarvoor is vereist dat [gedaagde 1] met dit gebruik heeft ingestemd of dit (bewust) heeft toegestaan. IJssellandschap heeft echter geen feiten gesteld waaruit dat kan worden afgeleid. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dan ook onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] het gehuurde aan [gedaagde 2] in gebruik heeft gegeven en op dit punt is tekortgeschoten.
5.16.
Ten tweede stelt IJssellandschap dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in haar verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Die verplichting houdt volgens IJssellandschap in dat [gedaagde 1] het gehuurde zelf moet bewonen, moet onderhouden en huurpenningen moet betalen. Volgens IJssellandschap heeft [gedaagde 1] deze verplichtingen geschonden.
5.17.
Voor zover IJssellandschap stelt dat [gedaagde 1] de huur niet betaalt, volgt de kantonrechter hem daarin niet. Uit de door IJssellandschap gestelde feiten blijkt dat een familielid van [gedaagde 1] een bedrag heeft overgemaakt dat gelijk is aan de verschuldigde huur. IJssellandschap heeft dat bedrag teruggestort. Een betalingsverplichting kan in beginsel ook door een derde worden nagekomen. IJssellandschap heeft niet toegelicht waarom deze betaling niet kon strekken tot nakoming van de verplichting tot betaling van de huursom of waarom zij deze betaling niet hoefde te aanvaarden. Onder deze omstandigheden is onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de betaling van de huur.
5.18.
De kantonrechter overweegt verder dat de verplichting om zich als een goed huurder te gedragen, zoals neergelegd in artikel 7:213 BW, niet zonder meer een zelfstandige verplichting betreft om steeds persoonlijk in het gehuurde te wonen of daar het hoofdverblijf te hebben. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1984, NJ 1984/766, volgt wel dat van een goed huurder mag worden verwacht dat hij feitelijk in staat blijft de verantwoordelijkheid voor de wijze van gebruik van het gehuurde te dragen. Langdurige afwezigheid of het definitief verlaten van de woning kan daarom, afhankelijk van de concrete omstandigheden, in strijd zijn met het goed huurderschap en een tekortkoming opleveren die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
5.19.
De kantonrechter is van oordeel dat het gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak (r.o. 5.8 tot en met 5.10) op dit moment niet is uit te sluiten dat [gedaagde 1] wil en zal kunnen terugkeren in het gehuurde. Een mededeling die door of namens haar is gedaan met de strekking dat zij definitief het gehuurde heeft verlaten, ontbreekt. Evenmin kan uit haar gedragingen met voldoende zekerheid worden afgeleid dat zij niet zal willen en kunnen terugkeren naar het gehuurde. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dus onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] het gehuurde definitief heeft prijsgegeven. Dat geldt eens te meer nu [gedaagde 2] en andere familieleden hebben aangegeven dat het streven bestaat om [gedaagde 1] met 24-uurs zorg of in een hospice setting weer in haar woning te laten zijn en dat in dat verband ook al voorbereidingen zijn getroffen. De inschrijving op het adres van de zorginstelling is weliswaar een aanwijzing dat [gedaagde 1] het gehuurde heeft verlaten, maar dit is tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende om in dit kort geding tot een andere conclusie te komen. Dat [gedaagde 1] door haar afwezigheid in strijd handelt met haar verplichting om zich als goed huurder te gedragen, kan dan ook niet met voldoende zekerheid worden aangenomen.
5.20.
Ook heeft IJssellandschap onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] door haar afwezigheid de verantwoordelijkheid voor het gehuurde niet meer kan dragen. IJssellandschap heeft wel gesteld dat [gedaagde 1] het gehuurde moet onderhouden, maar zij heeft niet concreet gemaakt welk onderhoud [gedaagde 1] had moeten uitvoeren, in welke staat het gehuurde verkeert en in hoeverre het gestelde onderhoud voor rekening van [gedaagde 1] komt. De enkele vrees dat door haar afwezigheid schade aan het monumentale pand zal ontstaan, is onvoldoende om in dit kort geding een tekortkoming aan te nemen.
5.21.
Gelet op het voorgaande niet met de voor toewijzing van een ontruiming in kort geding vereiste mate van zekerheid worden aangenomen dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Er bestaat daarom onvoldoende grond om, vooruitlopend op een dergelijke beslissing, de gevorderde ontruiming tegen [gedaagde 1] toe te wijzen. De situatie kan anders komen te liggen nadat op het verzoek tot benoeming van een bewindvoerder is beslist en meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden van [gedaagde 1] om naar het gehuurde terug te keren. Op dit moment is echter ontruiming met onomkeerbare gevolgen in verhouding tot de daarmee gediende belangen van IJssellandschap naar het oordeel van de kantonrechter een te ver gaande maatregel. Niet kan worden gezegd dat de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. De kantonrechter zal de tegen [gedaagde 1] gevorderde ontruiming dan ook afwijzen.
De proceskosten
5.22.
[gedaagde 2] wordt ten aanzien van de tegen hem ingestelde vordering in het ongelijk gesteld en moet daarom in de proceskosten van IJssellandschap worden veroordeeld. IJssellandschap heeft zijn vorderingen in één procedure tegen twee gedaagden ingesteld en wordt alleen ten aanzien van [gedaagde 2] in het gelijk gesteld. De kantonrechter zal [gedaagde 2] veroordelen in de helft van de aan de zijde van IJssellandschap begrote proceskosten, voor zover het daarbij gaat om griffierecht en salaris gemachtigde.
5.23.
De totale proceskosten die [gedaagde 2] aan moet betalen aan IJssellandschap worden aldus begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
69,50
- salaris gemachtigde
€
288,50
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
655,02
5.24.
Voor zover de vordering tegen [gedaagde 1] is gericht, wordt IJssellandschap in het ongelijk gesteld. IJssellandschap moet daarom de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] betalen. Omdat [gedaagde 1] niet in deze procedure is verschenen en dus geen proceskosten heeft gemaakt, worden deze kosten begroot op nihil.
6De beslissing
De kantonrechter
ten aanzien van [gedaagde 2] :
6.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te verlaten en te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden, en bepaalt dat hij het gehuurde daarna niet opnieuw zonder recht of titel in gebruik mag nemen,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 655,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
ten aanzien van [gedaagde 1] :
6.5.
wijst het gevorderde af,
6.6.
veroordeelt IJssellandschap in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12270305 \ CV EXPL 26-1939
Vonnis in kort geding van 30 juli 2026
in de zaak van
1STICHTING IJSSELLANDSCHAP,
te Olst,
eiser,
hierna te noemen: Stichting IJssellandschap, 2. STICHTING MONUMENTEN IJSSELLANDSCHAP,
te Hardenberg,
eiser,
hierna te noemen: Stichting Monumenten IJssellandschap,
eisers hierna samen te noemen: IJssellandschap,
gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 1] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
Deze zaak gaat over de ontruiming van een huurwoning. De verhuurder stelt dat de huurovereenkomst met de huurder is beëindigd of zal worden ontbonden en dat haar zoon zonder recht of titel in de woning verblijft. De huurder verblijft sinds het overlijden van haar partner in een zorginstelling. Volgens haar zoon en andere familieleden wil zij naar de woning terugkeren om daar, met 24-uurszorg, haar laatste levensfase door te brengen.
1.2.
De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering tegen de zoon toe, omdat voldoende aannemelijk is dat hij de woning zonder recht of titel gebruikt. De vordering tegen de huurder wordt afgewezen. Onvoldoende aannemelijk is op dit moment dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd of dat de bodemrechter deze wegens een tekortkoming van de huurder zal ontbinden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12 van IJssellandschap;
- de aanvullende producties 13 en 14 van IJssellandschap;- de e-mail van [gedaagde 2] waarin hij heeft verzocht de mondelinge behandeling uit te stellen;
- de reactie van de advocaat van IJssellandschap op het uitstelverzoek;
- het bericht van de rechtbank dat geen uitstel wordt verleend;
- de e-mail van [gedaagde 2] waarin opnieuw om uitstel wordt verzocht;
- het bericht van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat om terug te komen op de eerdere beslissing en dat de mondelinge behandeling doorgang zal vinden, tenzij de advocaat van de wederpartij vóór de zitting aan de rechtbank bericht met het uitstel in te stemmen;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waar door IJssellandschap spreekaantekeningen zijn overgelegd;
- de verstekverlening tegen [gedaagde 1] .
2.2.
Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3De feiten
3.1.
Op landgoed de [locatie] staat een koetshuis dat op dit moment fungeert als woonruimte. Met ingang van 1 januari 1969 verhuurde de gemeente Deventer deze woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [naam 1] . [naam 1] is de ex-partner van [gedaagde 1] . Na beëindiging van hun relatie heeft [gedaagde 1] de huur, in ieder geval vanaf 1988, als opvolgend huurder voortgezet.
3.2.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben meerdere kinderen, waaronder [gedaagde 2] en [naam 2] ( [naam 2] ).
3.3.
In 1995 is het landgoed overgedragen van de gemeente Deventer aan Stichting IJssellandschap.
3.4.
Vanaf 1 oktober 1997 is [gedaagde 1] in het gehuurde gaan samenwonen met [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
3.5.
In 1998 is het landgoed door Stichting IJssellandschap bij akte ingebracht in Stichting Monumenten IJssellandschap.
3.6.
[naam 3] is in [maand] 2025 overleden.
3.7.
[gedaagde 1] is hierna verhuisd naar een zorginstelling en verblijft op dit moment niet meer in het gehuurde.
3.8.
IJssellandschap heeft met [naam 2] en [naam 4] , een dochter van [naam 3] , afspraken gemaakt over beëindiging van de huur oplevering van het gehuurde op 1 april 2026.
3.9.
Op 27 maart 2026 heeft [gedaagde 2] een e-mail naar IJssellandschap gestuurd waarin hij schrijft:
“Mijn moeder woont op het koetshuis van de [locatie] . Helaas is zij na het overlijden van haar man tijdelijk niet meer in staat om hier te wonnen. Wij gaan ervan uit dat ze dat binnenkort weer kan met de begeleiding van een inwonende verpleegkundige. Wij hebben gemerkt dat er nogal wat chaos en eventueel achterstand is ontstaan in de administratie en willen graag weten of alles nog in orde is. Vriendelijke groet, [gedaagde 2] (ook namens [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] [naam 8] en [naam 9] ).”
3.10.
Naar aanleiding van deze e-mail heeft IJssellandschap contact opgenomen met [naam 2] . Door [naam 2] is toen aangegeven dat ontruiming van de woning eerst niet kon doorgaan, waarna IJssellandschap uitstel heeft gegeven tot 8 april 2026 14:00 uur.
3.11.
Op 8 april 2026 is IJssellandschap naar het gehuurde gegaan. Over wat daar toen is gebeurd en gezegd en het telefonisch contact dat daarna met [naam 2] heeft plaatsgevonden heeft zij diezelfde dag naar [naam 2] gemaild:
“(…) Wij hebben op 31 maart afgesproken dat de geplande oplevering van de woning op 2 april niet kon plaats vinden en deze hebben wij toen verplaatst naar vandaag (…). Wij (…) troffen daar je zoon die de deur open deed en nergens van af wist. Toen ik je om 14.05 uur belde gaf je aan dat je in de veronderstelling was dat de oplevering morgen (donderdag) was gepland.
We constateren (nogmaals) dat de er al langere tijd andere mensen in de woning verblijven dan mevr. [naam 10] . Dit vinden wij niet acceptabel.
Je gaf in dat telefoongesprek aan dat er morgen een overleg is gepland op het [plaats] , waar je moeder verblijft, om samen met je moeder en de zorgverleners de zorg voor haar verder te bespreken.
Hierbij zouden meerdere mensen (familie) bij aanwezig zijn. Samen hebben we afgesproken dat jij uiterlijk morgen eind van de middag/begin van de avond, verslag doet van hetgeen is afgesproken met je moeder en wie haar vertegenwoordigt in de gemaakte afspraken tot nu toe en in die voor de toekomst als het gaat om de eerder afgesproken beëindigde huursituatie.
Hierna wil ik (zoals ook is afgesproken) een nieuwe afspraak maken voor de oplevering van de woning aan ons.”
3.12.
Op 10 april 2026 heeft [naam 2] naar IJssellandschap gemaild:
“(...) Gisteren is de stap gezet om een bewindvoerder voor mijn moeder aan te stellen. Mijn beide broertjes zijn daar mee akkoord. Vandaag hoop ik in contact te komen met de beoogde bewindvoerder. Dit betekend dat de verantwoordelijkheid voor de afhandeling straks niet meer bij mij ligt. Zodra de bewindvoerder bekend is breng ik je ervan op de hoogte. (…)”
3.13.
De huurprijs van het gehuurde bedraagt op dit moment € 1.029,03 per kwartaal.
3.14.
[naam 5] , een zus van [gedaagde 1] , heeft op 25 maart 2026 een bedrag naar IJssellandschap overgemaakt dat gelijk is aan de over het tweede kwartaal van 2026 verschuldigde huur. IJssellandschap heeft dit bedrag op 10 april 2026 teruggeboekt.
3.15.
Op 17 april 2026 heeft de advocaat van IJssellandschap een brief naar [gedaagde 1] gestuurd. Daarin wordt beschreven wat er in de afgelopen periode is gebeurd. Verder staat in de brief dat IJssellandschap niet akkoord gaat met voortzetting van de huur. [gedaagde 1] is gesommeerd en in gebreke gesteld om het gehuurde binnen acht dagen na dagtekening van de brief te ontruimen en op te leveren. Tot slot is kenbaar gemaakt dat er een kort geding zal worden gestart als hier niet aan wordt voldaan. Een kopie van de brief is per e-mail naar [gedaagde 2] en [naam 2] gestuurd.
3.16.
[naam 5] heeft op 25 april 2026 gereageerd op voornoemde brief. Zij heeft daarbij onder andere aangegeven dat en waarom zij de huur had overgemaakt, dat zij dit opnieuw heeft gedaan en dat zij ervan uitgaat dat de aangekondigde ontruiming wordt herroepen. Verder merkt zij op dat [gedaagde 2] in [woonplaats 2] woont.
3.17.
[gedaagde 1] staat sinds 20 april 2026 ingeschreven op het adres van de zorginstelling.
3.18.
De advocaat van IJssellandschap heeft op 12 mei 2026 een e-mail naar [naam 5] gestuurd waarin onder meer staat dat uit de inschrijving op het adres van de zorginstelling blijkt dat [gedaagde 1] het gehuurde permanent heeft verlaten en dat de aanzegging tot ontruiming niet wordt herroepen. [gedaagde 1] is opnieuw gesommeerd en in gebreke gesteld het gehuurde te ontruimen.
3.19.
Vervolgens is IJssellandschap onderhavige procedure gestart.
4Het geschil
4.1.
IJssellandschap vordert dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding zal veroordelen om de woning aan de [adres] binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen, in goede staat op te leveren en vervolgens ontruimd te houden, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, inclusief nakosten.
4.2.
[gedaagde 1] is niet verschenen. [gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van IJssellandschap.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is allereerst vereist dat IJssellandschap daarbij voldoende spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan sprake is. IJssellandschap stelt dat [gedaagde 2] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft en dat [gedaagde 1] , die volgens IJssellandschap het gehuurde definitief heeft verlaten, niet langer feitelijk de verantwoordelijkheid voor het gebruik en behoud daarvan draagt. IJssellandschap wil voorkomen dat schade ontstaat aan het gehuurde, dat een monumentaal pand betreft. Daarnaast wil IJssellandschap het gehuurde renoveren en daar weer zelf over beschikken.
Toetsingskader kort geding
5.2.
Verder moet in een kort geding worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter vormt zich daarbij een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. In een kort geding is geen plaats voor bewijslevering.
De vordering tegen [gedaagde 2]
5.3.
IJssellandschap stelt dat [gedaagde 2] in het gehuurde verblijft en dat hij dat zonder recht of titel doet. Volgens IJssellandschap kan [gedaagde 2] niet als huurder worden aangemerkt en is het ook niet aannemelijk dat hij als medehuurder zal worden aangemerkt.
5.4.
[gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de ontruiming in het belang van zijn moeder wil voorkomen. Volgens [gedaagde 2] lijdt [gedaagde 1] aan de ziekte van Alzheimer en verblijft zij daarom momenteel in een zorginstelling. [gedaagde 1] zou tegenover [gedaagde 2] , een ander familielid en haar kleinzoon de wens hebben geuit om haar laatste levensfase in het gehuurde door te brengen. [gedaagde 2] en de betrokken familieleden willen onderzoeken of die wens kan worden verwezenlijkt door in het gehuurde een hospice situatie met 24-uurszorg te organiseren. Volgens [gedaagde 2] zijn de voorbereidingen daarvoor al in een vergevorderd stadium en is dit voornemen ook besproken met de beoogde bewindvoerder. [gedaagde 2] heeft verder verklaard dat hij en een kleinzoon van [gedaagde 1] nu regelmatig in het gehuurde verblijven om het te kunnen beheren. [gedaagde 2] betwist dat hij in het gehuurde woont. Hij heeft een eigen woning in [woonplaats 2] .
5.5.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 2] zo, dat hij niet in het gehuurde woont en daarom niet tot ontruiming daarvan hoeft te worden veroordeeld, omdat IJssellandschap daar dan geen belang bij heeft. Dat verweer slaagt niet. IJssellandschap heeft toegelicht dat vanuit zijn kantoor op het landgoed is waargenomen dat [gedaagde 2] gedurende langere tijd en met grote regelmaat in en rond het gehuurde aanwezig is en aangenomen moet worden dat hij de woning bewoont. [gedaagde 2] heeft daartegenover volstaan met de verklaring dat hij de woning uitsluitend beheert. Hij heeft niet concreet toegelicht hoe vaak en op welke momenten hij in het gehuurde aanwezig is en waaruit het door hem gestelde beheer bestaat. Daarmee heeft hij onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij feitelijk gebruikmaakt van het gehuurde. De kantonrechter zal er dan ook van uit gaan dat hij wel gebruikmaakt van het gehuurde in een zin die verder gaat dan (enkel) beheer.
5.6.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 2] onvoldoende onderbouwd dat voor dit gebruik een rechtsgrond bestaat. Hij heeft niet gesteld dat [gedaagde 1] hem toestemming heeft gegeven om het gehuurde te gebruiken, terwijl evenmin is gebleken dat [gedaagde 2] aan een andere rechtsverhouding een gebruiksrecht kan ontlenen. De kantonrechter acht daarom voldoende aannemelijk dat [gedaagde 2] het gehuurde zonder recht of titel gebruikt. De vordering tot ontruiming zal tegen [gedaagde 2] dan ook worden toegewezen.
De vordering tegen [gedaagde 1]
5.7.
[gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen. Tegen haar is daarom verstek verleend. De tegen haar ingestelde vordering zal daarom worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Omdat [gedaagde 2] wel is verschenen, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv).
5.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Deze zaak kenmerkt zich door de bijzonderheid dat uit de stellingen en producties van IJssellandschap volgt dat:
[gedaagde 1] in verband met haar psychische gesteldheid mantelzorg genoot van haar inmiddels overleden partner;
[gedaagde 1] na het overlijden van haar partner in een zorginstelling is opgenomen; en
een verzoek tot onderbewindstelling is ingediend, maar daarop nog niet is beslist.
5.9.
Het voorgaande wordt bevestigd door verschenen mede-gedaagde [gedaagde 2] . Hij heeft verklaard dat [gedaagde 1] aan Alzheimer lijdt en in verband daarmee 24-uurszorg nodig heeft. Ook andere ter zitting aanwezige familieleden hebben dit bevestigd. Geen van hen was schriftelijk gevolmachtigd om namens [gedaagde 1] verweer te voeren. De kantonrechter betrekt hun verklaringen daarom uitsluitend als feitelijke informatie voor zover deze een bevestiging vormen van hetgeen door IJssellandschap naar voren is gebracht.
5.10.
Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat [gedaagde 1] als gevolg van haar gezondheidstoestand feitelijk niet in staat is geweest zelf in deze procedure te verschijnen of iemand te machtigen om namens haar op te treden. Evenmin is een bewindvoerder verschenen, omdat op de aanvraag tot benoeming van een bewindvoerder nog niet is beslist.
5.11.
Deze omstandigheden nopen tot een strenge toepassing van de maatstaf van artikel 139 Rv, in die zin dat indien in dat wat IJssellandschap naar voren heeft gebracht aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de veronderstelling dat toewijzing van de vorderingen niet opportuun is, eerder een afwijzing in de rede ligt dan in de situatie dat gedaagde niet verschijnt maar feitelijk wel de mogelijkheid had om te verschijnen. Daarbij betrekt de kantonrechter tevens dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling van een dergelijke vordering grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. De kantonrechter zal de vordering van IJssellandschap hierna beoordelen aan de hand van het voorgaande.
5.12.
IJssellandschap heeft aan zijn vordering in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Volgens IJssellandschap moet de huurovereenkomst geacht te zijn beëindigd omdat IJssellandschap van de kinderen van [gedaagde 1] heeft begrepen dat het hen was toegestaan om de huurovereenkomst te beëindigen. IJssellandschap wijst erop dat hij met [naam 2] en de dochter van [naam 3] afspraken heeft gemaakt over beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning nadat [naam 2] had aangegeven contactpersoon van [gedaagde 1] te zijn en hij had aangegeven dat [gedaagde 1] niet meer zou terugkeren naar de woning. IJssellandschap meent dat [naam 2] daarbij als gemachtigde van [gedaagde 1] met beëindiging van de huurovereenkomst en oplevering van het gehuurde ingestemd. De afspraken over oplevering zijn vervolgens niet nagekomen. Nadat de advocaat van IJssellandschap [gedaagde 1] tot ontruiming en oplevering had gesommeerd en in gebreke had gesteld, is het gehuurde ook niet opgeleverd. [gedaagde 1] is daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de gemaakte afspraak en verkeert in verzuim, aldus IJssellandschap.
5.13.
De kantonrechter volgt IJssellandschap hier niet in. Uit de door IJssellandschap gestelde feiten kan niet eenduidig worden afgeleid dat er tussen [gedaagde 1] en IJssellandschap overeenstemming is bereikt over de beëindiging van de huurovereenkomst. Uit de feitelijke stellingen kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [gedaagde 1] [naam 2] heeft gemachtigd om namens haar met beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde in te stemmen. De omstandigheden dat:
i) [naam 2] heeft aangegeven contactpersoon te zijn,
ii) [naam 2] heeft aangegeven dat [gedaagde 1] niet meer zal terugkeren naar de woning, en
iii) [naam 2] en de dochter van [naam 3] afspraken hebben gemaakt over de beëindiging en de ontruiming,
zijn daarvoor niet voldoende. Dat [naam 2] mogelijk niet door [gedaagde 1] was gemachtigd had IJssellandschap in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ook kunnen begrijpen, te meer omdat een expliciete, van [gedaagde 1] afkomstige (al dan niet schriftelijke) machtiging ontbreekt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is van een op [gedaagde 1] rustende verplichting tot ontruiming uit hoofde van de beëindigingsbijeenkomst niet gebleken, zodat [gedaagde 1] een dergelijke verplichting ook niet kan hebben geschonden.
5.14.
Als tweede grondslag voor zijn vordering heeft IJssellandschap gesteld dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. IJssellandschap heeft in dat verband twee tekortkomingen genoemd.
5.15.
De eerste door IJssellandschap gestelde tekortkoming is dat [gedaagde 1] het gehuurde zonder toestemming aan een derde ( [gedaagde 2] ) in gebruik heeft gegeven. De kantonrechter volgt IJssellandschap hier niet in. Zoals hiervoor is overwogen, staat voldoende vast dat [gedaagde 2] feitelijk gebruikmaakt van het gehuurde. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat [gedaagde 1] het gehuurde aan hem in gebruik heeft gegeven. Daarvoor is vereist dat [gedaagde 1] met dit gebruik heeft ingestemd of dit (bewust) heeft toegestaan. IJssellandschap heeft echter geen feiten gesteld waaruit dat kan worden afgeleid. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dan ook onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] het gehuurde aan [gedaagde 2] in gebruik heeft gegeven en op dit punt is tekortgeschoten.
5.16.
Ten tweede stelt IJssellandschap dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in haar verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Die verplichting houdt volgens IJssellandschap in dat [gedaagde 1] het gehuurde zelf moet bewonen, moet onderhouden en huurpenningen moet betalen. Volgens IJssellandschap heeft [gedaagde 1] deze verplichtingen geschonden.
5.17.
Voor zover IJssellandschap stelt dat [gedaagde 1] de huur niet betaalt, volgt de kantonrechter hem daarin niet. Uit de door IJssellandschap gestelde feiten blijkt dat een familielid van [gedaagde 1] een bedrag heeft overgemaakt dat gelijk is aan de verschuldigde huur. IJssellandschap heeft dat bedrag teruggestort. Een betalingsverplichting kan in beginsel ook door een derde worden nagekomen. IJssellandschap heeft niet toegelicht waarom deze betaling niet kon strekken tot nakoming van de verplichting tot betaling van de huursom of waarom zij deze betaling niet hoefde te aanvaarden. Onder deze omstandigheden is onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de betaling van de huur.
5.18.
De kantonrechter overweegt verder dat de verplichting om zich als een goed huurder te gedragen, zoals neergelegd in artikel 7:213 BW, niet zonder meer een zelfstandige verplichting betreft om steeds persoonlijk in het gehuurde te wonen of daar het hoofdverblijf te hebben. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1984, NJ 1984/766, volgt wel dat van een goed huurder mag worden verwacht dat hij feitelijk in staat blijft de verantwoordelijkheid voor de wijze van gebruik van het gehuurde te dragen. Langdurige afwezigheid of het definitief verlaten van de woning kan daarom, afhankelijk van de concrete omstandigheden, in strijd zijn met het goed huurderschap en een tekortkoming opleveren die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
5.19.
De kantonrechter is van oordeel dat het gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak (r.o. 5.8 tot en met 5.10) op dit moment niet is uit te sluiten dat [gedaagde 1] wil en zal kunnen terugkeren in het gehuurde. Een mededeling die door of namens haar is gedaan met de strekking dat zij definitief het gehuurde heeft verlaten, ontbreekt. Evenmin kan uit haar gedragingen met voldoende zekerheid worden afgeleid dat zij niet zal willen en kunnen terugkeren naar het gehuurde. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dus onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] het gehuurde definitief heeft prijsgegeven. Dat geldt eens te meer nu [gedaagde 2] en andere familieleden hebben aangegeven dat het streven bestaat om [gedaagde 1] met 24-uurs zorg of in een hospice setting weer in haar woning te laten zijn en dat in dat verband ook al voorbereidingen zijn getroffen. De inschrijving op het adres van de zorginstelling is weliswaar een aanwijzing dat [gedaagde 1] het gehuurde heeft verlaten, maar dit is tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende om in dit kort geding tot een andere conclusie te komen. Dat [gedaagde 1] door haar afwezigheid in strijd handelt met haar verplichting om zich als goed huurder te gedragen, kan dan ook niet met voldoende zekerheid worden aangenomen.
5.20.
Ook heeft IJssellandschap onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] door haar afwezigheid de verantwoordelijkheid voor het gehuurde niet meer kan dragen. IJssellandschap heeft wel gesteld dat [gedaagde 1] het gehuurde moet onderhouden, maar zij heeft niet concreet gemaakt welk onderhoud [gedaagde 1] had moeten uitvoeren, in welke staat het gehuurde verkeert en in hoeverre het gestelde onderhoud voor rekening van [gedaagde 1] komt. De enkele vrees dat door haar afwezigheid schade aan het monumentale pand zal ontstaan, is onvoldoende om in dit kort geding een tekortkoming aan te nemen.
5.21.
Gelet op het voorgaande niet met de voor toewijzing van een ontruiming in kort geding vereiste mate van zekerheid worden aangenomen dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Er bestaat daarom onvoldoende grond om, vooruitlopend op een dergelijke beslissing, de gevorderde ontruiming tegen [gedaagde 1] toe te wijzen. De situatie kan anders komen te liggen nadat op het verzoek tot benoeming van een bewindvoerder is beslist en meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden van [gedaagde 1] om naar het gehuurde terug te keren. Op dit moment is echter ontruiming met onomkeerbare gevolgen in verhouding tot de daarmee gediende belangen van IJssellandschap naar het oordeel van de kantonrechter een te ver gaande maatregel. Niet kan worden gezegd dat de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. De kantonrechter zal de tegen [gedaagde 1] gevorderde ontruiming dan ook afwijzen.
De proceskosten
5.22.
[gedaagde 2] wordt ten aanzien van de tegen hem ingestelde vordering in het ongelijk gesteld en moet daarom in de proceskosten van IJssellandschap worden veroordeeld. IJssellandschap heeft zijn vorderingen in één procedure tegen twee gedaagden ingesteld en wordt alleen ten aanzien van [gedaagde 2] in het gelijk gesteld. De kantonrechter zal [gedaagde 2] veroordelen in de helft van de aan de zijde van IJssellandschap begrote proceskosten, voor zover het daarbij gaat om griffierecht en salaris gemachtigde.
5.23.
De totale proceskosten die [gedaagde 2] aan moet betalen aan IJssellandschap worden aldus begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
69,50
- salaris gemachtigde
€
288,50
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
655,02
5.24.
Voor zover de vordering tegen [gedaagde 1] is gericht, wordt IJssellandschap in het ongelijk gesteld. IJssellandschap moet daarom de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] betalen. Omdat [gedaagde 1] niet in deze procedure is verschenen en dus geen proceskosten heeft gemaakt, worden deze kosten begroot op nihil.
6De beslissing
De kantonrechter
ten aanzien van [gedaagde 2] :
6.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te verlaten en te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden, en bepaalt dat hij het gehuurde daarna niet opnieuw zonder recht of titel in gebruik mag nemen,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 655,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
ten aanzien van [gedaagde 1] :
6.5.
wijst het gevorderde af,
6.6.
veroordeelt IJssellandschap in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.