Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4709
2026-07-21
Civiel recht
12003451 \ CV EXPL 25-3577
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gebreken huurwoning, huurprijsvermindering tot 40%. Veroordeling tot vervanging cv-ketels.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.758 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12003451 \ CV EXPL 25-3577
Vonnis van 21 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F. Hoff,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarbij van de zijde van [eiseres] pleitaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] heeft de mondelinge behandeling digitaal bijgewoond,- het proces-verbaal van de descente die na afloop van de mondelinge behandeling, met instemming van [gedaagde] , heeft plaatsgevonden. Ook mr. Hoff was hierbij niet aanwezig.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[eiseres] huurt sinds 1 januari 2014 van [gedaagde] een woning aan het [adres] . De maandelijkse huurprijs bedroeg ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding € 1.130,00.
2.2
Gedurende de looptijd van de huurovereenkomst hebben partijen regelmatig gecorrespondeerd over de staat van de woning en het herstel van diverse gebreken.
2.3
Per e-mail van 16 september 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] op de hoogte gesteld van vochtproblemen in de kelder.
2.4
Op 17 januari 2023 heeft [gedaagde] aan [eiseres] via WhatsApp laten weten dat onder andere de cv-installatie zal worden verbeterd en dat er algeheel onderhoudswerkzaamheden, waaronder schilderwerk, moet worden uitgevoerd.
2.5
Op 17 februari 2023 heeft [gedaagde] via WhatsApp aan [eiseres] laten weten dat de woning verbeterd moet worden.
2.6
Op 11 juli 2023 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde huurverhoging van € 380,00 per maand, omdat er volgens [eiseres] sprake is van ernstige onderhoudsgebreken.
2.7
Op 28 november 2023 heeft [eiseres] bij [gedaagde] gemeld dat de kelder vol met water staat.
2.8
Op 30 november 2023 heeft [eiseres] via WhatsApp geklaagd bij [gedaagde] over vochtproblemen in de achterste ruimte van de woning.
2.9
Op 1 december 2023 heeft [eiseres] aan [gedaagde] via WhatsApp laten weten dat ze niet akkoord gaat met een huurverhoging per 1 januari 2024, gezien de staat van de woning en wijst ze [gedaagde] op het achterstallige onderhoud.
2.10
Op 4 december 2023 heeft [eiseres] via WhatsApp aan [gedaagde] later weten dat er sprake is van vochtproblemen in de ruimte van de cv-ketel.
2.11
Op 5 januari 2024 heeft [eiseres] via Whatsapp aan [gedaagde] laten weten dat de cv-ketel gerepareerd moet worden.
2.12
Op 15 januari 2024 heeft [eiseres] via WhatsApp aan [gedaagde] gemeld dat er sprake is van schimmel op de muur van de woonkamer.
2.13
Op 10 juli 2024 heeft [eiseres] nogmaals melding gedaan bij [gedaagde] van het vele achterstallige onderhoud.
2.14
Op 5 december 2024 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde huurverhoging, omdat er sprake is van achterstallig onderhoud en schimmelvorming in de woning.
2.15
Op 18 december 2024 heeft [eiseres] bij [gedaagde] gemeld dat de cv-ketel lekt, dat er sprake is van vochtproblemen in de badkamer en heeft zij [gedaagde] verzocht om het achterstallige onderhoud van de woning op te pakken.
2.16
Op enig moment heeft [eiseres] juridische bijstand ingeschakeld. De gemachtigde van [eiseres] heeft per brief van 25 maart 2025 bij [gedaagde] aanspraak gemaakt op vermindering van de huurprijs onder vermelding van de diverse gebreken.
2.17
Door partijen is onderhandeld over het beëindigen van de huurovereenkomst, maar dat heeft niet tot een resultaat geleid.
3Het geschil
3.1
[eiseres] vordert:
[gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de in randnummers 47 en 48 van het lichaam van de dagvaarding opgesomde en nog niet verholpen gebreken deugdelijk te (laten) herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
te bepalen dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde maandelijkse huurprijs vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 oktober 2022 met 60%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum en percentage wordt verminderd wegens de in randnummer 47 van het lichaam van de dagvaarding opgesomde en nog niet verholpen gebreken, met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van hetgeen reeds teveel is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;
te bepalen dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde maandelijkse huurprijs vanaf 1 november 2022 met 80%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum en percentage, wordt verminderd, totdat alle in randnummers 47 en 48 van het lichaam van de dagvaarding opgesomde nog niet verholpen gebreken zullen zijn hersteld en [eiseres] het normale woongenot van het gehuurde heeft, met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van hetgeen reeds teveel is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] de schade aan haar eigendommen te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet;
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen het bedrag van € 10.000,-- bij wijze van voorschot op de door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen schadevergoeding ter zake de aangetaste eigendommen van [eiseres] , de door [eiseres] gemaakte herstelkosten en hoge stookkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorschot op de schadevergoeding;
[gedaagde] primair te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de twee Cv-ketels te (laten) vervangen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
subsidiair te bepalen dat [gedaagde] uiterlijk 14 dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten zal overgaan tot het in het gehuurde vervangen van de twee Cv-ketels door twee verwarmingsketels ten behoeve van de verwarmingsinstallatie met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, een en ander te begroten volgens het gebruikelijke tarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling.
3.2
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Bevoegdheid rechter en toepasselijk recht
4.1
Het betreft hier een rechtszaak met een internationaal karakter, omdat [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in Abu Dhabi woont. De kantonrechter is daarom verplicht om te onderzoeken of zij bevoegd is, en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2
Partijen zijn het volgende overeengekomen in de huurovereenkomst:
‘Eventuele uit deze overeenkomst en daaraan gerelateerde overeenkomst en voortvloeiende geschillen zullen bij uitsluiting worden voorgelegd aan de bevoegde Nederlandse rechter en zijn onderworpen aan het Nederlands recht.’
4.3
In deze procedure vordert [eiseres] onder meer huurprijsvermindering, omdat de door haar gehuurde woning gebreken heeft. Artikel 24 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215/2012) bepaalt dat de Nederlandse rechter bij uitsluiting bevoegd is in zaken van huur en verhuur van onroerende goederen die gelegen zijn in Nederland. Nu het forumkeuzebeding van partijen niet in strijd is met artikel 25 lid 4 Brussel I bis, behoudt deze zijn geldigheid en is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil. Nu de woning gelegen is in [woonplaats 1], is de kantonrechter in Enschede bevoegd.
4.4
Partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst onderworpen is aan het Nederlandse recht. Het maken van een rechtskeuze is ook het uitgangspunt van de Rome I-Verordening. Nu deze rechtskeuze niet in strijd is met die verordening, is Nederlands recht van toepassing.
Er is sprake van gebreken die het huurgenot verminderen
4.5
In deze procedure is in geschil of sprake is van gebreken en zo ja of die gebreken aanleiding geven tot huurprijsvermindering.
4.6
De kantonrechter stelt voorop dat voor vermindering van de huurprijs alleen aanleiding bestaat als sprake is van een gebrek dat van zodanige ernst en omvang is dat sprake is van een substantiële aantasting van het huurgenot. Wanneer sprake is van een vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek kan de huurder op grond van artikel 7:207 BW een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen vanaf de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek in voldoende mate bekend was bij de verhuurder om tot maatregelen over ten gaan, tot de dag waarop het gebrek is verholpen. Alleen een substantiële aantasting van het huurgenot kan leiden tot huurprijsvermindering, waarbij geldt dat de huurprijsvermindering in verhouding dient te staan tot de genotsvermindering.
4.7
Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiseres] om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen op welke wijze en door welk gebrek haar huurgenot concreet en substantieel is verminderd.
4.8
Door [eiseres] is gesteld dat er sprake is van diverse gebreken aan de woning. Ook [gedaagde] heeft erkend dat er sprake is van achterstallig onderhoud en dat de cv-ketels vervangen moeten worden. Bovendien heeft de kantonrechter na afloop van de mondelinge behandeling de woning bezocht en geconstateerd dat er diverse gebreken zijn. Het gaat in ieder geval om de volgende gebreken:
Schimmelvorming in de hal bij de voordeur;
Schimmelvorming op de muren aan de voorkant van de woning;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de eetkamer van de woning;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de keuken;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de berging aan de achterkant van de woning;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de hal naar de kelder;
Vochtproblemen in de kelder;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de voorste slaapkamer;
Achterstallig schilderwerk aan de kozijnen van de voorste slaapkamer;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de badkamer;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de slaapkamer van [eiseres] en achterstallig schilderwerk aan de kozijnen van die slaapkamer;
Twee cv-ketels die ouder zijn dan vijftien jaar;
De houten steunpilaar van de overkapping in de tuin is verrot aan de onderkant;
4.9
Door [gedaagde] is gesteld dat hij diverse voorstellen heeft gedaan om de woning te verbeteren, maar dat deze door [eiseres] niet zijn geaccepteerd, omdat zij niet akkoord ging met een huurprijsverhoging en dat daarom de gebreken niet zijn hersteld. Deze voorstellen van [gedaagde] nemen echter niet weg dat hij als verhuurder sowieso verplicht is om noodzakelijk onderhoud te verrichten aan de woning. Niet is gebleken dat [gedaagde] enig onderhoud heeft verricht, afgezien van het wegpompen van water uit de kelder. Bovendien is voor een vordering tot huurprijsvermindering niet vereist dat het gebrek is toe te rekenen aan de verhuurder. Als er sprake is van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek dan heeft een huurder (in beginsel) recht op evenredige vermindering van de huurprijs. De kantonrechter oordeelt gezien het voorgaande dat er sprake is van diverse gebreken die een substantiële vermindering van het huurgenot veroorzaken. Met name de schimmelvorming in bijna elke verblijfsruimte van de woning veroorzaakt een ernstige vermindering van het woongenot.
Een huurprijsvermindering van 60% is evenredig
4.10
Het is vervolgens de vraag welke huurprijsvermindering evenredig is. Het staat in ieder geval vast dat het gehuurde is verhuurd met een kelder. [eiseres] mag verwachten dat zij de kelder ook kan gebruiken. Weliswaar betreft het een oudere woning en is de kelder geen verblijfsruimte, maar dat neemt niet weg dat de kelder op dit moment niet zonder beperkingen kan worden gebruikt als kelder. Dat er sprake is van vochtoverlast in de kelder staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast. De kantonrechter heeft dat ook geconstateerd tijdens de descente. Ook de overige gebreken die hiervoor zijn opgesomd zijn voldoende vast komen te staan. Deze gebreken moeten door de verhuurder hersteld worden en tasten het huurgenot van [eiseres] aan zolang ze niet hersteld zijn. Gezien de vele gebreken in meerdere verblijfruimtes van de woning acht de kantonrechter een huurprijsvermindering van 60% evenredig.
[eiseres] heeft recht op een huurprijsvermindering vanaf 1 januari 2023
4.11
Dan resteert de vraag vanaf welk moment [eiseres] recht heeft op de huurprijsvermindering. [eiseres] vordert een huurprijsvermindering van 60% over de periode van 1 januari 2014 t/m 31 oktober 2022 en ze vordert een huurprijsvermindering van 80% vanaf 1 november 2022 tot het moment dat de gebreken zijn verholpen.
4.12
Alhoewel door [gedaagde] is erkend dat er sprake is van diverse gebreken, is het de vraag wanneer [gedaagde] daarvan in kennis is gesteld of daarmee voldoende bekend was. In deze zaak gaat het om meerdere gebreken. Het is aan [eiseres] om te stellen wanneer zij [gedaagde] geïnformeerd heeft over de diverse gebreken of op welk moment [gedaagde] daarmee voldoende bekend was.
4.13
[eiseres] stelt dat de wateroverlast in de kelder en berging al vanaf het begin van de huurovereenkomst aanwezig was. Dat is de kantonrechter niet gebleken. De vroegst gedateerde brief waarin [eiseres] [gedaagde] in kennis stelt van de problemen in de kelder is van 16 september 2015. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van partijen dat er sindsdien wel periodes zijn geweest dat de kelder droog was, maar ook dat er opnieuw water in de kelder heeft gestaan. Om welke periodes het precies gaat, is echter niet duidelijk geworden.
4.14
Verder is aan [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling gevraagd waarom gekozen is voor 1 november 2022 als ingangsdatum. Door de gemachtigde van [eiseres] is daarop geantwoord dat er niet op 1 november 2022 door [eiseres] aan [gedaagde] is gemeld, maar dat voor 1 november 2022 is gekozen, omdat rond die periode de diverse gebreken zich voordeden. Niet kan dus worden vastgesteld dat [eiseres] [gedaagde] op 1 november 2022 in kennis heeft gesteld van de diverse gebreken.
4.15
Door [eiseres] is WhatsApp-correspondentie tussen partijen overgelegd gedurende een periode van enkele jaren, waaruit is op te maken dat partijen regelmatig communiceren over de staat van de woning en het achterstallige onderhoud. Uit die correspondentie volgt naar het oordeel van kantonrechter in ieder geval dat [gedaagde] op 1 januari 2023 in voldoende mate bekend was met de diverse gebreken. Op dat moment hebben partijen uitvoerig gecorrespondeerd over het onderhoud en de gebreken van de woning en laat [eiseres] aan [gedaagde] weten dat ze aanspraak maakt op compensatie. Vervolgens laat [gedaagde] aan [eiseres] weten dat hij contact heeft met een aannemer voor diverse werkzaamheden, maar desondanks wordt er geen onderhoud aan de woning uitgevoerd door [gedaagde] . Gezien de uitvoerige correspondentie tussen partijen over de staat van de woning, is het voldoende aannemelijk dat [gedaagde] op 1 januari 2023 in voldoende mate bekend was met de gebreken. Vast staat ook dat deze gebreken niet zijn verholpen. Dit betekent dat [eiseres] aanspraak kan maken op een huurprijsvermindering van 60% vanaf 1 januari 2023. In zoverre is de vordering van [eiseres] dus toewijsbaar.
[gedaagde] moet de gebreken van de woning herstellen
4.16
Hiervoor is al geoordeeld dat [gedaagde] verplicht is om als goed verhuurder de vastgestelde gebreken aan de woning te herstellen en onderhoudswerkzaamheden aan de woning te verrichten. [gedaagde] heeft ook erkend dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Dat betekent dat de vordering tot herstel van de gebreken toegewezen zal worden. Omdat de huurprijsvermindering een voldoende prikkel voor [gedaagde] is om de gebreken te herstellen zal de kantonrechter aan deze veroordeling geen dwangsom verbinden. Nu sprake is van vele gebreken zal de kantonrechter aan deze veroordeling geen termijn verbinden. Naar verwachting zullen de herstelwerkzaamheden de nodige tijd in beslag zullen nemen. Bovendien kan [eiseres] aanspraak maken op de huurprijsvermindering zolang de gebreken niet volledig zijn hersteld.
[gedaagde] moet nieuwe cv-ketels installeren in de woning
4.17
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat hij verplicht is om nieuwe cv-ketels te installeren. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter acht het redelijk dat [gedaagde] voor 15 oktober 2026 de cv-ketels heeft (laten) vervangen, aangezien het dan weer kouder wordt. Daarna zal [eiseres] aanspraak kunnen maken op een dwangsom zoals in het dictum bepaald.
De gevorderde schadevergoeding
4.18
[eiseres] vordert een voorschot van € 10.000,00 op de door haar gestelde schade als gevolg van de gebreken. Volgens [eiseres] heeft de hoge luchtvochtigheid en de schimmel eigendommen van [eiseres] aangetast. Daarnaast stelt zij als gevolg van de vochtproblemen en de oude cv-ketels hogere stookkosten te hebben gemaakt gedurende de jaren 2018 tot en met 2024.
4.19
Voor schadevergoeding op grond van artikel 7:208 BW is vereist dat er sprake is van een gebrek dat na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan de verhuurder is toe te rekenen, of als het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de woning het gebrek niet had.
4.20
[gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de gebreken niet aan hem zijn toe te rekenen, maar hiervoor is al geoordeeld dat er sprake is van diverse gebreken, hetgeen ook door [gedaagde] is erkend, en dat het aan [gedaagde] is om deze gebreken als goed verhuurder te verhelpen. Dat betekent dat [eiseres] recht heeft op schadevergoeding op grond van artikel 7:208 BW.
De gestelde schade is onvoldoende vast komen te staan
4.21
De kantonrechter oordeelt echter dat in deze procedure onvoldoende is komen vast te staan dat [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van de gebreken. [eiseres] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar eigendommen zijn beschadigd. Tijdens de descente is het de kantonrechter ook niet gebleken dat eigendommen van [eiseres] beschadigd waren ten gevolge van de vocht- en schimmelproblematiek.
4.22
Ook is niet komen vast te staan dat [eiseres] als gevolg van de gebreken hogere stookkosten heeft gehad. [eiseres] vordert namelijk ook te veel gemaakte stookkosten over een periode dat de cv-ketels nog normaal zouden moeten functioneren. De cv-ketels in de woning zijn van 2007 en hebben een gemiddelde levensduur van vijftien jaar. Dat betekent dat te verwachten valt dat de cv-ketels tot en met 2022 normaal zouden functioneren. Verder heeft [eiseres] energienota’s overgelegd over de jaren 2018 tot en met 2024. Van de jaren daarvoor stelt [eiseres] geen energienota’s meer te hebben. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van hogere stookkosten. Nu de nota’s van voorgaande jaren ontbreken is niet na te gaan hoeveel hoger de stookkosten zijn geweest als gevolg van de gebreken. Daarom wordt het gevorderde voorschot afgewezen en deze procedure wat dat punt betreft verwezen naar de schadestaatprocedure.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.23
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
954,00
4.24
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] om alle hiervoor onder 4.8 genoemde gebreken te herstellen,
5.2
bepaalt dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde maandelijkse huurprijs vanaf 1januari 2023 met 60% wordt verminderd totdat alle hiervoor onder 4.8 genoemde gebreken zijn hersteld en [eiseres] het normale woongenot van het gehuurde heeft,
5.3
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van de vanaf 1 januari 2023 te veel betaalde huur, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als dit niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis is betaald,
5.4
veroordeelt [gedaagde] om voor 15 oktober 2026 de twee cv-ketels te (laten) vervangen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere week dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.5
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de schade te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en verwijst de procedure op dit punt naar de schadestaatprocedure,
5.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8
verklaart dit vonnis tot zover, met uitzondering van 5.2, uitvoerbaar bij voorraad,
5.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12003451 \ CV EXPL 25-3577
Vonnis van 21 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F. Hoff,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarbij van de zijde van [eiseres] pleitaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] heeft de mondelinge behandeling digitaal bijgewoond,- het proces-verbaal van de descente die na afloop van de mondelinge behandeling, met instemming van [gedaagde] , heeft plaatsgevonden. Ook mr. Hoff was hierbij niet aanwezig.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[eiseres] huurt sinds 1 januari 2014 van [gedaagde] een woning aan het [adres] . De maandelijkse huurprijs bedroeg ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding € 1.130,00.
2.2
Gedurende de looptijd van de huurovereenkomst hebben partijen regelmatig gecorrespondeerd over de staat van de woning en het herstel van diverse gebreken.
2.3
Per e-mail van 16 september 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] op de hoogte gesteld van vochtproblemen in de kelder.
2.4
Op 17 januari 2023 heeft [gedaagde] aan [eiseres] via WhatsApp laten weten dat onder andere de cv-installatie zal worden verbeterd en dat er algeheel onderhoudswerkzaamheden, waaronder schilderwerk, moet worden uitgevoerd.
2.5
Op 17 februari 2023 heeft [gedaagde] via WhatsApp aan [eiseres] laten weten dat de woning verbeterd moet worden.
2.6
Op 11 juli 2023 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde huurverhoging van € 380,00 per maand, omdat er volgens [eiseres] sprake is van ernstige onderhoudsgebreken.
2.7
Op 28 november 2023 heeft [eiseres] bij [gedaagde] gemeld dat de kelder vol met water staat.
2.8
Op 30 november 2023 heeft [eiseres] via WhatsApp geklaagd bij [gedaagde] over vochtproblemen in de achterste ruimte van de woning.
2.9
Op 1 december 2023 heeft [eiseres] aan [gedaagde] via WhatsApp laten weten dat ze niet akkoord gaat met een huurverhoging per 1 januari 2024, gezien de staat van de woning en wijst ze [gedaagde] op het achterstallige onderhoud.
2.10
Op 4 december 2023 heeft [eiseres] via WhatsApp aan [gedaagde] later weten dat er sprake is van vochtproblemen in de ruimte van de cv-ketel.
2.11
Op 5 januari 2024 heeft [eiseres] via Whatsapp aan [gedaagde] laten weten dat de cv-ketel gerepareerd moet worden.
2.12
Op 15 januari 2024 heeft [eiseres] via WhatsApp aan [gedaagde] gemeld dat er sprake is van schimmel op de muur van de woonkamer.
2.13
Op 10 juli 2024 heeft [eiseres] nogmaals melding gedaan bij [gedaagde] van het vele achterstallige onderhoud.
2.14
Op 5 december 2024 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde huurverhoging, omdat er sprake is van achterstallig onderhoud en schimmelvorming in de woning.
2.15
Op 18 december 2024 heeft [eiseres] bij [gedaagde] gemeld dat de cv-ketel lekt, dat er sprake is van vochtproblemen in de badkamer en heeft zij [gedaagde] verzocht om het achterstallige onderhoud van de woning op te pakken.
2.16
Op enig moment heeft [eiseres] juridische bijstand ingeschakeld. De gemachtigde van [eiseres] heeft per brief van 25 maart 2025 bij [gedaagde] aanspraak gemaakt op vermindering van de huurprijs onder vermelding van de diverse gebreken.
2.17
Door partijen is onderhandeld over het beëindigen van de huurovereenkomst, maar dat heeft niet tot een resultaat geleid.
3Het geschil
3.1
[eiseres] vordert:
[gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de in randnummers 47 en 48 van het lichaam van de dagvaarding opgesomde en nog niet verholpen gebreken deugdelijk te (laten) herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
te bepalen dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde maandelijkse huurprijs vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 oktober 2022 met 60%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum en percentage wordt verminderd wegens de in randnummer 47 van het lichaam van de dagvaarding opgesomde en nog niet verholpen gebreken, met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van hetgeen reeds teveel is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;
te bepalen dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde maandelijkse huurprijs vanaf 1 november 2022 met 80%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum en percentage, wordt verminderd, totdat alle in randnummers 47 en 48 van het lichaam van de dagvaarding opgesomde nog niet verholpen gebreken zullen zijn hersteld en [eiseres] het normale woongenot van het gehuurde heeft, met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van hetgeen reeds teveel is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] de schade aan haar eigendommen te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet;
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen het bedrag van € 10.000,-- bij wijze van voorschot op de door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen schadevergoeding ter zake de aangetaste eigendommen van [eiseres] , de door [eiseres] gemaakte herstelkosten en hoge stookkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorschot op de schadevergoeding;
[gedaagde] primair te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de twee Cv-ketels te (laten) vervangen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
subsidiair te bepalen dat [gedaagde] uiterlijk 14 dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten zal overgaan tot het in het gehuurde vervangen van de twee Cv-ketels door twee verwarmingsketels ten behoeve van de verwarmingsinstallatie met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, een en ander te begroten volgens het gebruikelijke tarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling.
3.2
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Bevoegdheid rechter en toepasselijk recht
4.1
Het betreft hier een rechtszaak met een internationaal karakter, omdat [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in Abu Dhabi woont. De kantonrechter is daarom verplicht om te onderzoeken of zij bevoegd is, en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2
Partijen zijn het volgende overeengekomen in de huurovereenkomst:
‘Eventuele uit deze overeenkomst en daaraan gerelateerde overeenkomst en voortvloeiende geschillen zullen bij uitsluiting worden voorgelegd aan de bevoegde Nederlandse rechter en zijn onderworpen aan het Nederlands recht.’
4.3
In deze procedure vordert [eiseres] onder meer huurprijsvermindering, omdat de door haar gehuurde woning gebreken heeft. Artikel 24 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215/2012) bepaalt dat de Nederlandse rechter bij uitsluiting bevoegd is in zaken van huur en verhuur van onroerende goederen die gelegen zijn in Nederland. Nu het forumkeuzebeding van partijen niet in strijd is met artikel 25 lid 4 Brussel I bis, behoudt deze zijn geldigheid en is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil. Nu de woning gelegen is in [woonplaats 1], is de kantonrechter in Enschede bevoegd.
4.4
Partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst onderworpen is aan het Nederlandse recht. Het maken van een rechtskeuze is ook het uitgangspunt van de Rome I-Verordening. Nu deze rechtskeuze niet in strijd is met die verordening, is Nederlands recht van toepassing.
Er is sprake van gebreken die het huurgenot verminderen
4.5
In deze procedure is in geschil of sprake is van gebreken en zo ja of die gebreken aanleiding geven tot huurprijsvermindering.
4.6
De kantonrechter stelt voorop dat voor vermindering van de huurprijs alleen aanleiding bestaat als sprake is van een gebrek dat van zodanige ernst en omvang is dat sprake is van een substantiële aantasting van het huurgenot. Wanneer sprake is van een vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek kan de huurder op grond van artikel 7:207 BW een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen vanaf de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek in voldoende mate bekend was bij de verhuurder om tot maatregelen over ten gaan, tot de dag waarop het gebrek is verholpen. Alleen een substantiële aantasting van het huurgenot kan leiden tot huurprijsvermindering, waarbij geldt dat de huurprijsvermindering in verhouding dient te staan tot de genotsvermindering.
4.7
Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiseres] om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen op welke wijze en door welk gebrek haar huurgenot concreet en substantieel is verminderd.
4.8
Door [eiseres] is gesteld dat er sprake is van diverse gebreken aan de woning. Ook [gedaagde] heeft erkend dat er sprake is van achterstallig onderhoud en dat de cv-ketels vervangen moeten worden. Bovendien heeft de kantonrechter na afloop van de mondelinge behandeling de woning bezocht en geconstateerd dat er diverse gebreken zijn. Het gaat in ieder geval om de volgende gebreken:
Schimmelvorming in de hal bij de voordeur;
Schimmelvorming op de muren aan de voorkant van de woning;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de eetkamer van de woning;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de keuken;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de berging aan de achterkant van de woning;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de hal naar de kelder;
Vochtproblemen in de kelder;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de voorste slaapkamer;
Achterstallig schilderwerk aan de kozijnen van de voorste slaapkamer;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de badkamer;
Schimmelvorming en vochtproblemen in de slaapkamer van [eiseres] en achterstallig schilderwerk aan de kozijnen van die slaapkamer;
Twee cv-ketels die ouder zijn dan vijftien jaar;
De houten steunpilaar van de overkapping in de tuin is verrot aan de onderkant;
4.9
Door [gedaagde] is gesteld dat hij diverse voorstellen heeft gedaan om de woning te verbeteren, maar dat deze door [eiseres] niet zijn geaccepteerd, omdat zij niet akkoord ging met een huurprijsverhoging en dat daarom de gebreken niet zijn hersteld. Deze voorstellen van [gedaagde] nemen echter niet weg dat hij als verhuurder sowieso verplicht is om noodzakelijk onderhoud te verrichten aan de woning. Niet is gebleken dat [gedaagde] enig onderhoud heeft verricht, afgezien van het wegpompen van water uit de kelder. Bovendien is voor een vordering tot huurprijsvermindering niet vereist dat het gebrek is toe te rekenen aan de verhuurder. Als er sprake is van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek dan heeft een huurder (in beginsel) recht op evenredige vermindering van de huurprijs. De kantonrechter oordeelt gezien het voorgaande dat er sprake is van diverse gebreken die een substantiële vermindering van het huurgenot veroorzaken. Met name de schimmelvorming in bijna elke verblijfsruimte van de woning veroorzaakt een ernstige vermindering van het woongenot.
Een huurprijsvermindering van 60% is evenredig
4.10
Het is vervolgens de vraag welke huurprijsvermindering evenredig is. Het staat in ieder geval vast dat het gehuurde is verhuurd met een kelder. [eiseres] mag verwachten dat zij de kelder ook kan gebruiken. Weliswaar betreft het een oudere woning en is de kelder geen verblijfsruimte, maar dat neemt niet weg dat de kelder op dit moment niet zonder beperkingen kan worden gebruikt als kelder. Dat er sprake is van vochtoverlast in de kelder staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast. De kantonrechter heeft dat ook geconstateerd tijdens de descente. Ook de overige gebreken die hiervoor zijn opgesomd zijn voldoende vast komen te staan. Deze gebreken moeten door de verhuurder hersteld worden en tasten het huurgenot van [eiseres] aan zolang ze niet hersteld zijn. Gezien de vele gebreken in meerdere verblijfruimtes van de woning acht de kantonrechter een huurprijsvermindering van 60% evenredig.
[eiseres] heeft recht op een huurprijsvermindering vanaf 1 januari 2023
4.11
Dan resteert de vraag vanaf welk moment [eiseres] recht heeft op de huurprijsvermindering. [eiseres] vordert een huurprijsvermindering van 60% over de periode van 1 januari 2014 t/m 31 oktober 2022 en ze vordert een huurprijsvermindering van 80% vanaf 1 november 2022 tot het moment dat de gebreken zijn verholpen.
4.12
Alhoewel door [gedaagde] is erkend dat er sprake is van diverse gebreken, is het de vraag wanneer [gedaagde] daarvan in kennis is gesteld of daarmee voldoende bekend was. In deze zaak gaat het om meerdere gebreken. Het is aan [eiseres] om te stellen wanneer zij [gedaagde] geïnformeerd heeft over de diverse gebreken of op welk moment [gedaagde] daarmee voldoende bekend was.
4.13
[eiseres] stelt dat de wateroverlast in de kelder en berging al vanaf het begin van de huurovereenkomst aanwezig was. Dat is de kantonrechter niet gebleken. De vroegst gedateerde brief waarin [eiseres] [gedaagde] in kennis stelt van de problemen in de kelder is van 16 september 2015. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van partijen dat er sindsdien wel periodes zijn geweest dat de kelder droog was, maar ook dat er opnieuw water in de kelder heeft gestaan. Om welke periodes het precies gaat, is echter niet duidelijk geworden.
4.14
Verder is aan [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling gevraagd waarom gekozen is voor 1 november 2022 als ingangsdatum. Door de gemachtigde van [eiseres] is daarop geantwoord dat er niet op 1 november 2022 door [eiseres] aan [gedaagde] is gemeld, maar dat voor 1 november 2022 is gekozen, omdat rond die periode de diverse gebreken zich voordeden. Niet kan dus worden vastgesteld dat [eiseres] [gedaagde] op 1 november 2022 in kennis heeft gesteld van de diverse gebreken.
4.15
Door [eiseres] is WhatsApp-correspondentie tussen partijen overgelegd gedurende een periode van enkele jaren, waaruit is op te maken dat partijen regelmatig communiceren over de staat van de woning en het achterstallige onderhoud. Uit die correspondentie volgt naar het oordeel van kantonrechter in ieder geval dat [gedaagde] op 1 januari 2023 in voldoende mate bekend was met de diverse gebreken. Op dat moment hebben partijen uitvoerig gecorrespondeerd over het onderhoud en de gebreken van de woning en laat [eiseres] aan [gedaagde] weten dat ze aanspraak maakt op compensatie. Vervolgens laat [gedaagde] aan [eiseres] weten dat hij contact heeft met een aannemer voor diverse werkzaamheden, maar desondanks wordt er geen onderhoud aan de woning uitgevoerd door [gedaagde] . Gezien de uitvoerige correspondentie tussen partijen over de staat van de woning, is het voldoende aannemelijk dat [gedaagde] op 1 januari 2023 in voldoende mate bekend was met de gebreken. Vast staat ook dat deze gebreken niet zijn verholpen. Dit betekent dat [eiseres] aanspraak kan maken op een huurprijsvermindering van 60% vanaf 1 januari 2023. In zoverre is de vordering van [eiseres] dus toewijsbaar.
[gedaagde] moet de gebreken van de woning herstellen
4.16
Hiervoor is al geoordeeld dat [gedaagde] verplicht is om als goed verhuurder de vastgestelde gebreken aan de woning te herstellen en onderhoudswerkzaamheden aan de woning te verrichten. [gedaagde] heeft ook erkend dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Dat betekent dat de vordering tot herstel van de gebreken toegewezen zal worden. Omdat de huurprijsvermindering een voldoende prikkel voor [gedaagde] is om de gebreken te herstellen zal de kantonrechter aan deze veroordeling geen dwangsom verbinden. Nu sprake is van vele gebreken zal de kantonrechter aan deze veroordeling geen termijn verbinden. Naar verwachting zullen de herstelwerkzaamheden de nodige tijd in beslag zullen nemen. Bovendien kan [eiseres] aanspraak maken op de huurprijsvermindering zolang de gebreken niet volledig zijn hersteld.
[gedaagde] moet nieuwe cv-ketels installeren in de woning
4.17
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat hij verplicht is om nieuwe cv-ketels te installeren. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter acht het redelijk dat [gedaagde] voor 15 oktober 2026 de cv-ketels heeft (laten) vervangen, aangezien het dan weer kouder wordt. Daarna zal [eiseres] aanspraak kunnen maken op een dwangsom zoals in het dictum bepaald.
De gevorderde schadevergoeding
4.18
[eiseres] vordert een voorschot van € 10.000,00 op de door haar gestelde schade als gevolg van de gebreken. Volgens [eiseres] heeft de hoge luchtvochtigheid en de schimmel eigendommen van [eiseres] aangetast. Daarnaast stelt zij als gevolg van de vochtproblemen en de oude cv-ketels hogere stookkosten te hebben gemaakt gedurende de jaren 2018 tot en met 2024.
4.19
Voor schadevergoeding op grond van artikel 7:208 BW is vereist dat er sprake is van een gebrek dat na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan de verhuurder is toe te rekenen, of als het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de woning het gebrek niet had.
4.20
[gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de gebreken niet aan hem zijn toe te rekenen, maar hiervoor is al geoordeeld dat er sprake is van diverse gebreken, hetgeen ook door [gedaagde] is erkend, en dat het aan [gedaagde] is om deze gebreken als goed verhuurder te verhelpen. Dat betekent dat [eiseres] recht heeft op schadevergoeding op grond van artikel 7:208 BW.
De gestelde schade is onvoldoende vast komen te staan
4.21
De kantonrechter oordeelt echter dat in deze procedure onvoldoende is komen vast te staan dat [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van de gebreken. [eiseres] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar eigendommen zijn beschadigd. Tijdens de descente is het de kantonrechter ook niet gebleken dat eigendommen van [eiseres] beschadigd waren ten gevolge van de vocht- en schimmelproblematiek.
4.22
Ook is niet komen vast te staan dat [eiseres] als gevolg van de gebreken hogere stookkosten heeft gehad. [eiseres] vordert namelijk ook te veel gemaakte stookkosten over een periode dat de cv-ketels nog normaal zouden moeten functioneren. De cv-ketels in de woning zijn van 2007 en hebben een gemiddelde levensduur van vijftien jaar. Dat betekent dat te verwachten valt dat de cv-ketels tot en met 2022 normaal zouden functioneren. Verder heeft [eiseres] energienota’s overgelegd over de jaren 2018 tot en met 2024. Van de jaren daarvoor stelt [eiseres] geen energienota’s meer te hebben. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van hogere stookkosten. Nu de nota’s van voorgaande jaren ontbreken is niet na te gaan hoeveel hoger de stookkosten zijn geweest als gevolg van de gebreken. Daarom wordt het gevorderde voorschot afgewezen en deze procedure wat dat punt betreft verwezen naar de schadestaatprocedure.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.23
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
954,00
4.24
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] om alle hiervoor onder 4.8 genoemde gebreken te herstellen,
5.2
bepaalt dat de door [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigde maandelijkse huurprijs vanaf 1januari 2023 met 60% wordt verminderd totdat alle hiervoor onder 4.8 genoemde gebreken zijn hersteld en [eiseres] het normale woongenot van het gehuurde heeft,
5.3
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van de vanaf 1 januari 2023 te veel betaalde huur, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als dit niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis is betaald,
5.4
veroordeelt [gedaagde] om voor 15 oktober 2026 de twee cv-ketels te (laten) vervangen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere week dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.5
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de schade te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en verwijst de procedure op dit punt naar de schadestaatprocedure,
5.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8
verklaart dit vonnis tot zover, met uitzondering van 5.2, uitvoerbaar bij voorraad,
5.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.