Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4617
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/08/349359
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding op grond van artikel 10:12 lid 3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Schriftelijke afdoening verzoekschrift, nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schadevergoeding. De rechtbank acht het overeengekomen bedrag aan schadevergoeding in deze situatie billijk en heeft de Staat veroordeeld tot vergoeding van de schade die is vastgesteld op een bedrag € 70,00.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2023:504 Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:HR:2011:BT7590 Hoge Raad 14-10-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.593 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familierecht en Jeugdrecht
Locatie: Zwolle
Zaak-/rekestnr.: C/08/349359 / FA RK 26-1607
Schadevergoeding op grond van artikel 10:12 lid 3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 16 juli 2026 op het ingediende verzoekschrift van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. L.V.S. Cassese te Almelo,
tegen
de Officier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland,
hierna te noemen: de officier van justitie.
1Procesverloop
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van 30 juni 206, ingekomen bij de griffie per gelijke datum;
het verweerschrift van 2 juli 2026, ingekomen bij de griffie op 3 juli 2026;
het e-mailbericht van de advocaat, ingekomen bij de griffie op 3 juli 2026, waaruit blijkt dat verzoeker zich kan vinden in het door de officier van justitie voorgestelde subsidiaire schadevergoedingsbedrag, en tevens wordt verzocht om het verzoek af te doen zonder mondelinge behandeling;
het e-mailbericht namens de officier van justitie van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat de officier van justitie instemt met het voorstel van de advocaat om de het verzoek schriftelijke af te doen overeenkomstig het subsidiair voorgestelde schadevergoedingsbedrag.
1.2
Verzoeker en de officier van justitie hebben laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling van het verzoek, nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de (hoogte van de) schadevergoeding.
2Feiten
2.1
De geneesheer-directeur heeft betrokkene op 7 mei 2026 schriftelijk geïnformeerd dat een verzoek voor een zorgmachtiging door de officier van justitie werd voorbereid.
2.2
De officier van justitie heeft op 11 juni 2026 aan verzoeker bericht dat hij een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging bij de rechtbank zal indienen, omdat hij van oordeel is dat aan de criteria voor de verplichte zorg is voldaan.
3Verzoek en verweer
3.1
Verzoeker stelt dat de termijn van artikel 5:16 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is overschreden en verzoekt de rechtbank daarom hem een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz. Verzoeker stelt dat hij door de termijnoverschrijding van zeven dagen in onzekerheid heeft verkeerd of de officier van justitie een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging bij de rechtbank zou indienen en zo ja, welke vormen van verplichte zorg er zouden worden verzocht. Verzoeker stelt hier veel last van te hebben gehad. De verzoeker verwijst in dit verband onder meer naar de recente uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:504), rechtsoverweging 3.4: ‘Indien door de rechter of de officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn is overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, is uitgangspunt, behoudens bijzondere omstandigheden, dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. De betrokkene heeft in een zodanig geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW.’
Verzoeker vordert daarom voor iedere dag dat de officier van justitie de termijn van artikel 5:16 lid 1 Wvggz heeft overschreden, te weten (zeven dagen à € 20,-) € 140,-, althans aan hem een zodanige vergoeding toe te kennen als de rechtbank billijk acht.
Termijnoverschrijding
3.2
De officier van justitie betwist niet dat er sprake is van een termijnoverschrijding van zeven dagen. De brief van de geneesheer-directeur aan verzoeker is gedateerd op 7 mei 2026. Uit artikel 5:16 lid 1 Wvggz volgt dat de officier van justitie uiterlijk op 4 juni 2026 aan verzoeker had moeten mededelen of was voldaan aan de criteria van verplichte zorg. Omdat verzoeker pas op 11 juni 2026 is geïnformeerd over het indienen van het verzoekschrift zorgmachtiging, is sprake van een termijnoverschrijding van zeven dagen.
Verzoek schadevergoeding
3.3
Naar aanleiding van het standpunt van de verzoeker ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding (€ 20,- per dag) heeft de officier van justitie bij verweerschrift van 2 juli 2026 gesteld dat het bedrag naar billijkheid dient te worden vastgesteld en dat rekening moet worden gehouden met de ernst van de normschending en de gevolgen voor verzoeker. Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het verzoek tot schadevergoeding voor een termijnoverschrijding van zeven dagen toegewezen dient te worden voor een bedrag van in totaal € 35,- (€ 5,- per dag), dan wel subsidiair voor een bedrag van € 70,- (€ 10,- per dag).
Naar aanleiding van het verweerschrift van de officier van justitie heeft de advocaat op 3 juli 2026 aan de griffie van deze rechtbank bericht dat verzoeker instemt met een schriftelijke afdoening van het verzoek. Daarbij heeft de advocaat tevens voorgesteld, dan wel verzocht indien de officier van justitie daarmee niet instemt, om overeenkomstig het subsidiaire voorstel van de officier van justitie een schadevergoeding van € 70,- aan verzoeker toe te wijzen.
Naar aanleiding van het voorstel van de advocaat van verzoeker van 3 juli 2026, is namens de officier van justitie bij e-mailbericht van 7 juli 2026 aan griffie van deze rechtbank medegedeeld dat de officier van justitie akkoord is met de afdoening van € 10,- per dag.
4Beoordeling
4.1
Artikel 10:12 lid 3 Wvggz luidt: “Indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.”
4.2
Vaststaat dat de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie en dat sprake is van een termijnoverschrijding van zeven dagen.
4.3
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schadevergoeding en de rechtbank het overeengekomen bedrag aan schadevergoeding in deze situatie billijk acht, zal de rechtbank de Staat veroordelen tot vergoeding van de schade die wordt vastgesteld op een bedrag van € 70,-.
5Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt de Staat tot een betaling van € 70,- (zegge zeventig euro) aan verzoeker,
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. W.B. Bruins, rechter, in tegenwoordigheid van E.K. Veld, griffier.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.
[zie HR: HR 14-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590]
Team Familierecht en Jeugdrecht
Locatie: Zwolle
Zaak-/rekestnr.: C/08/349359 / FA RK 26-1607
Schadevergoeding op grond van artikel 10:12 lid 3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 16 juli 2026 op het ingediende verzoekschrift van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. L.V.S. Cassese te Almelo,
tegen
de Officier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland,
hierna te noemen: de officier van justitie.
1Procesverloop
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van 30 juni 206, ingekomen bij de griffie per gelijke datum;
het verweerschrift van 2 juli 2026, ingekomen bij de griffie op 3 juli 2026;
het e-mailbericht van de advocaat, ingekomen bij de griffie op 3 juli 2026, waaruit blijkt dat verzoeker zich kan vinden in het door de officier van justitie voorgestelde subsidiaire schadevergoedingsbedrag, en tevens wordt verzocht om het verzoek af te doen zonder mondelinge behandeling;
het e-mailbericht namens de officier van justitie van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat de officier van justitie instemt met het voorstel van de advocaat om de het verzoek schriftelijke af te doen overeenkomstig het subsidiair voorgestelde schadevergoedingsbedrag.
1.2
Verzoeker en de officier van justitie hebben laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling van het verzoek, nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de (hoogte van de) schadevergoeding.
2Feiten
2.1
De geneesheer-directeur heeft betrokkene op 7 mei 2026 schriftelijk geïnformeerd dat een verzoek voor een zorgmachtiging door de officier van justitie werd voorbereid.
2.2
De officier van justitie heeft op 11 juni 2026 aan verzoeker bericht dat hij een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging bij de rechtbank zal indienen, omdat hij van oordeel is dat aan de criteria voor de verplichte zorg is voldaan.
3Verzoek en verweer
3.1
Verzoeker stelt dat de termijn van artikel 5:16 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is overschreden en verzoekt de rechtbank daarom hem een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz. Verzoeker stelt dat hij door de termijnoverschrijding van zeven dagen in onzekerheid heeft verkeerd of de officier van justitie een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging bij de rechtbank zou indienen en zo ja, welke vormen van verplichte zorg er zouden worden verzocht. Verzoeker stelt hier veel last van te hebben gehad. De verzoeker verwijst in dit verband onder meer naar de recente uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:504), rechtsoverweging 3.4: ‘Indien door de rechter of de officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn is overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, is uitgangspunt, behoudens bijzondere omstandigheden, dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. De betrokkene heeft in een zodanig geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW.’
Verzoeker vordert daarom voor iedere dag dat de officier van justitie de termijn van artikel 5:16 lid 1 Wvggz heeft overschreden, te weten (zeven dagen à € 20,-) € 140,-, althans aan hem een zodanige vergoeding toe te kennen als de rechtbank billijk acht.
Termijnoverschrijding
3.2
De officier van justitie betwist niet dat er sprake is van een termijnoverschrijding van zeven dagen. De brief van de geneesheer-directeur aan verzoeker is gedateerd op 7 mei 2026. Uit artikel 5:16 lid 1 Wvggz volgt dat de officier van justitie uiterlijk op 4 juni 2026 aan verzoeker had moeten mededelen of was voldaan aan de criteria van verplichte zorg. Omdat verzoeker pas op 11 juni 2026 is geïnformeerd over het indienen van het verzoekschrift zorgmachtiging, is sprake van een termijnoverschrijding van zeven dagen.
Verzoek schadevergoeding
3.3
Naar aanleiding van het standpunt van de verzoeker ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding (€ 20,- per dag) heeft de officier van justitie bij verweerschrift van 2 juli 2026 gesteld dat het bedrag naar billijkheid dient te worden vastgesteld en dat rekening moet worden gehouden met de ernst van de normschending en de gevolgen voor verzoeker. Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het verzoek tot schadevergoeding voor een termijnoverschrijding van zeven dagen toegewezen dient te worden voor een bedrag van in totaal € 35,- (€ 5,- per dag), dan wel subsidiair voor een bedrag van € 70,- (€ 10,- per dag).
Naar aanleiding van het verweerschrift van de officier van justitie heeft de advocaat op 3 juli 2026 aan de griffie van deze rechtbank bericht dat verzoeker instemt met een schriftelijke afdoening van het verzoek. Daarbij heeft de advocaat tevens voorgesteld, dan wel verzocht indien de officier van justitie daarmee niet instemt, om overeenkomstig het subsidiaire voorstel van de officier van justitie een schadevergoeding van € 70,- aan verzoeker toe te wijzen.
Naar aanleiding van het voorstel van de advocaat van verzoeker van 3 juli 2026, is namens de officier van justitie bij e-mailbericht van 7 juli 2026 aan griffie van deze rechtbank medegedeeld dat de officier van justitie akkoord is met de afdoening van € 10,- per dag.
4Beoordeling
4.1
Artikel 10:12 lid 3 Wvggz luidt: “Indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.”
4.2
Vaststaat dat de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie en dat sprake is van een termijnoverschrijding van zeven dagen.
4.3
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schadevergoeding en de rechtbank het overeengekomen bedrag aan schadevergoeding in deze situatie billijk acht, zal de rechtbank de Staat veroordelen tot vergoeding van de schade die wordt vastgesteld op een bedrag van € 70,-.
5Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt de Staat tot een betaling van € 70,- (zegge zeventig euro) aan verzoeker,
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. W.B. Bruins, rechter, in tegenwoordigheid van E.K. Veld, griffier.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.
[zie HR: HR 14-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590]