Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:3103

2026-06-04 Civiel recht 12175277 \ CV EXPL 26-1142
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-06-04
Publicatiedatum
2026-06-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12175277 \ CV EXPL 26-1142
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | VAAN-AR-Updates.nl 2026-0878 | AR-Updates.nl 2026-0878

Inhoudsindicatie

Vordering betaling achterstallig loon. Vordering wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.936 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 12175277 \ CV EXPL 26-1142




Vonnis in kort geding van 4 juni 2026




in de zaak van





[eiser 1], h.o.d.n. [bedrijf],
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van


[eiser 2],

te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser 1] respectievelijk [eiser 2],
gemachtigde: mr. W. van der Kolk,
toevoegingsnummer: [nummer],



tegen





1de vennootschap onder firma [gedaagde 1],

te Zwolle,2. [gedaagde 2],
te Uelsen (Duitsland),3. [gedaagde 3],
te Zwolle,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
vertegenwoordigd door [gedaagde 2] (gedaagde sub 2).






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 mei 2026 met producties 1 tot en met 7, - de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn [eiser 1], [eiser 2] en mr. W. van der Kolk verschenen. Aan de zijde van [gedaagden] is [gedaagde 2] verschenen (gedaagde sub 2).




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.








2De feiten


2.1.
Sinds 1 oktober 2013 is [eiser 2] voor onbepaalde tijd in dienst als zeefdrukker bij [gedaagden].



2.2.
In het voorjaar van 2025 (februari) is [eiser 2] arbeidsongeschikt geraakt.



2.3.
In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst staat dat gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid 100% van het laatst genoten bruto dagloon wordt doorbetaald en dat gedurende de tweede 52 weken van “ziekte” 70% van het laatst genoten bruto dagloon wordt betaald.





3Het geschil


3.1.

[eiser 1] vordert dat [gedaagden] (hoofdelijk) wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon (maart 2026 en april 2026), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het te laat betaalde loon (december 2025 tot en met april 2026) en de buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert [eiser 1] dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot het verstrekken van de loonstroken (december 2024 tot en met april 2026). Verder vordert [eiser 1] dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot stipte betaling van het toekomstige loon zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Tot slot vordert [eiser 1] dat [gedaagden] wordt veroordeeld in de proces- en nakosten.



3.2.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] erkent dat het loon niet op tijd is betaald, maar voert aan dat sprake is van betalingsonmacht.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser 1] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



Spoedeisendheid




4.2.
Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde.



Achterstallig loon




4.3.

[eiser 1] vordert doorbetaling van het loon tijdens arbeidsongeschiktheid.


 Maart 2026



4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] inmiddels 100% van het loon over de maand maart 2026 heeft betaald. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.


 April 2026



4.5.


[gedaagden] voert aan dat zij een gedeelte hiervan, te weten een bedrag van
€ 500,00, heeft betaald. Dit is echter, als door [eiser 1] betwist en door [gedaagden] niet voldoende onderbouwd, niet komen vast te staan, hetgeen aanleiding geeft tot een toewijzing als na te volgen. Daarbij komt dat het toe te wijzen bedrag zal worden beperkt tot 70% van het verschuldigde loon, nu [eiser 2], naar niet in geschil was, in april 2026 al meer dan een jaar arbeidsongeschikt was. Dat de term “de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid” in de arbeidsovereenkomst op de door [eiser 1] voorgestane wijze zou moeten worden uitgelegd, wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat AZ-Design (kennelijk) aanleiding heeft gezien [eiser 2] arbeidsongeschiktheid pas per juni 2025, ondanks eerdere daadwerkelijke uitval, administratief te verwerken, is daarvoor onvoldoende.



 Vanaf mei 2026



4.6.
De loonvordering ter zake zal, anders dan gevorderd, worden toegewezen “zolang [gedaagden] verplicht is het loon door te betalen”. In deze procedure is niet voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden], gelet op de periode van arbeidsongeschiktheid (en de in verband daarmee na verloop van tijd eindigende loondoorbetalingsverplichting), gehouden is het loon te betalen “zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt” (tot uiterlijk, naar niet in geschil is, de datum dat [eiser 2] AOW-gerechtigd is).



Wettelijke rente en wettelijke verhoging




4.7.
Nu vaststaat dat [gedaagden] het loon vanaf december 2025 structureel te laat heeft betaald, is er aanleiding de gevorderde wettelijke rente toe te wijzen als na te volgen. Ook de wettelijke verhoging is toewijsbaar, met dien verstande dat deze voor de periode december 2025 tot en met februari 2026, gelet op de (onbetwist gebleven) financiële moeilijkheden van [gedaagden], zal worden gematigd tot 10% en dat deze over de daarop volgende periode zal worden afgewezen, nu, gelet op het voorgaande, de uitkomst met betrekking tot de toewijsbaarheid van deze component in de bodemprocedure niet afdoende vaststaat.



Het verstrekken van de loonstroken




4.8.
Ook zal [gedaagden] worden veroordeeld tot het verstrekken van de loonstroken. Een werkgever is namelijk gehouden op grond van artikel 7:626 BW aan een werknemer een loonstrook te verstrekken bij iedere loonbetaling. De stelling van [gedaagden] dat [eiser 2] zelf een toegangscode kan vragen aan de administrateur doet aan haar verantwoordelijkheid niet af.



Buitengerechtelijke incassokosten




4.9.

[eiser 1] vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 346,10 worden toegewezen.



Proceskosten




4.10.

[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:









- griffierecht


€


93,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


108,50







Totaal


€


778,50











4.11.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, om aan [eiser 1] te betalen:
70% van het achterstallig loon over april 2026 van het bruto-equivalent van
€ 2.307,30 per maand, voor zover nog niet betaald, binnen vijf dagen na dit vonnis,

de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, gematigd tot 10%, over het te laat betaalde loon van de maanden december 2025 tot en met februari 2026,
de wettelijke rente over het te laat betaalde loon van de maanden december 2025 tot en met april 2026, (telkens) vanaf de respectieve vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening,




5.2.
veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, tot het verstrekken van de loonstroken van december 2024 tot en met april 2026 aan [eiser 1],



5.3.
veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, tot stipte betaling van het aan [eiser 2] toekomende loon, zolang [gedaagden] verplicht is het loon door te betalen,



5.4.
veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, tot betaling van een bedrag van € 346,10 aan buitengerechtelijke kosten,



5.5.
veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, in de proceskosten van € 778,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door mr. R.F. van Aalst op 4 juni 2026.