Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:3070

2026-06-03 Civiel recht 12188162 \ CV EXPL 26-1336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12188162 \ CV EXPL 26-1336
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | VAAN-AR-Updates.nl 2026-0899 | AR-Updates.nl 2026-0899

Inhoudsindicatie

Vordering betaling achterstallig loon. Vordering wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.800 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zwolle



Zaaknummer: 12188162 \ CV EXPL 26-1336




Vonnis in kort geding van 3 juni 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A. Lansons,



tegen





[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] heeft op de zitting zijn vordering onder I sub b van het petitum van zijn dagvaarding (die ziet op betaling van een bedrag van € 21,23 bruto per maand) ingetrokken;- de verstekverlening tegen [gedaagde].






2De beoordeling


2.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is nu het gaat om een vordering tot (gedeeltelijke) betaling van achterstallig loon.



2.2.
De vordering wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De buitengerechtelijke kosten, ten aanzien waarvan [eiser] zich ter zitting voor wat betreft de omvang heeft gerefeerd aan het oordeel van de kantonrechter, worden overeenkomstig de aanbevelingen van het “Rapport BGK-integraal” en de daarin opgenomen staffel toegewezen tot het bedrag van € 601,20



2.3.


[gedaagde] moet de proceskosten betalen omdat zij ongelijk heeft. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 156,75 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde. Het gevorderde bedrag van € 132,- aan nakosten zal ook worden toegewezen. Dat is in totaal
€ 1.130,75. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.




2.4.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).





3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 4.761,99 bruto ter zake van het achterstallige loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 17 oktober 2025;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 over het onder 3.1 toegewezen bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der volledige betaling;



3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de onder 3.1 en 3.2 toegewezen bedragen vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;



3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten van € 601,20;



3.5.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken de deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties over de maanden maart 2025 tot en met oktober 2025 en de toekomstige salarisspecificaties conform artikel 7:626 BW, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat [gedaagde] ter zake van de verstrekking van die specificaties in gebreke zal blijven, met een maximum van € 4.761,99;



3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.130,75, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;


3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.




Artikel 254 lid 1 Rv.


Artikel 139 Rv.


Artikel 237 Rv.


Artikel 233 Rv.