Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:2923
2026-05-21
Civiel recht
12104905 \ EJ VERZ 26-34
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek werkgever om vergoeding ex art. 7:677 BW afgewezen omdat ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.128 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12104905 \ EJ VERZ 26-34
Beschikking van 21 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
te [vestigingsplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. S. van der Vegt en mr. E. Bruggink,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. G.K. Fraterman.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1
[verweerder], geboren [geboortedatum] 1994, is sinds 1 juli 2022 in dienst bij [verzoekster].
De functie van [verweerder] is IT and Facility Coördinator met een loon van € 3.699,15 bruto per maand.
2.2
Op 19 december 2025 is [verweerder] op staande voet ontslagen.
2.3
Tussen partijen loopt nog een andere procedure, geregistreerd onder nummer 12099265 EJ VERZ 26-32, waarin [verweerder] kort gezegd verzoekt om te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding daarom is vervallen en om aan hem diverse vergoedingen ten laste van [verzoekster] toe te kennen. De mondelinge behandeling heeft in beide zaken plaatsgevonden op 30 april 2026.
3 Het verzoek en het verweer
3.1
[verzoekster] verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding aan [verzoekster] op grond van artikel 7:677 lid 2 BW, ter hoogte van
€ 5.541,18, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 december 2025, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en aan [verzoekster] op grond van artikel 7:677 lid 2 BW een vergoeding toekomt gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
3.3
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft onder meer aangevoerd dat het ontslag op staande voet, anders dan [verzoekster] stelt, ten onrechte is gegeven.
4De beoordeling
4.1
De kantonrechter verwijst naar de beschikking die heden tussen partijen is gewezen in de andere verzoekschriftprocedure tussen [verweerder] en [verzoekster]. Daarin is geoordeeld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven.
4.2
Gelet op dit oordeel is er geen grondslag voor de verzochte vergoeding en zal het verzoek van [verzoekster] worden afgewezen. [verzoekster] dient, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van de procedure te dragen. Gelet op de samenhang met de andere procedure wordt de helft van het gemachtigdesalaris toegekend.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
wijst het verzoek van [verzoekster] af,
5.2
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 407,00 gemachtigdesalaris,
5.3
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12104905 \ EJ VERZ 26-34
Beschikking van 21 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
te [vestigingsplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. S. van der Vegt en mr. E. Bruggink,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. G.K. Fraterman.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1
[verweerder], geboren [geboortedatum] 1994, is sinds 1 juli 2022 in dienst bij [verzoekster].
De functie van [verweerder] is IT and Facility Coördinator met een loon van € 3.699,15 bruto per maand.
2.2
Op 19 december 2025 is [verweerder] op staande voet ontslagen.
2.3
Tussen partijen loopt nog een andere procedure, geregistreerd onder nummer 12099265 EJ VERZ 26-32, waarin [verweerder] kort gezegd verzoekt om te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding daarom is vervallen en om aan hem diverse vergoedingen ten laste van [verzoekster] toe te kennen. De mondelinge behandeling heeft in beide zaken plaatsgevonden op 30 april 2026.
3 Het verzoek en het verweer
3.1
[verzoekster] verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding aan [verzoekster] op grond van artikel 7:677 lid 2 BW, ter hoogte van
€ 5.541,18, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 december 2025, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en aan [verzoekster] op grond van artikel 7:677 lid 2 BW een vergoeding toekomt gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
3.3
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft onder meer aangevoerd dat het ontslag op staande voet, anders dan [verzoekster] stelt, ten onrechte is gegeven.
4De beoordeling
4.1
De kantonrechter verwijst naar de beschikking die heden tussen partijen is gewezen in de andere verzoekschriftprocedure tussen [verweerder] en [verzoekster]. Daarin is geoordeeld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven.
4.2
Gelet op dit oordeel is er geen grondslag voor de verzochte vergoeding en zal het verzoek van [verzoekster] worden afgewezen. [verzoekster] dient, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van de procedure te dragen. Gelet op de samenhang met de andere procedure wordt de helft van het gemachtigdesalaris toegekend.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
wijst het verzoek van [verzoekster] af,
5.2
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 407,00 gemachtigdesalaris,
5.3
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2026.