Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2023:3667

2023-09-13 Strafrecht 22-017207
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2023-09-13
Publicatiedatum
2023-09-14
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
22-017207
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank kent de vergoeding ten laste van de Staat toe aan de verzoeker. De verzoeker strekte toe om een vergoeding aan hem toe te kennen voor schade geleden ten gevolge van ondergane vrijheidsbeneming.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.255 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht


Zittingsplaats Almelo



raadkamernummer: 22-017207




Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 530 en artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:






[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1980,
domicilie kiezende te [woonplaats],
hierna te noemen: de verzoeker,
bijgestaan door mr. M. Cankaya, advocaat te Lent.





1Het verloop van de procedure


Het verzoekschrift, gedateerd 27 juli 2022, is op 5 augustus 2022 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan en medeondertekend door diens raadsman mr. M. Cankaya.



Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 537 lid 3 Sv een vergoeding ten laste van de Staat toe te kennen tot een bedrag van € 900,00 voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane vrijheidsbeneming in het kader van het uitstel van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling heeft geleden.



Het verzoek strekt daarnaast tot het op grond van artikel 530 Sv toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat voor de kosten van een raadsman voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van onderliggend verzoekschrift tot een bedrag van € 680,00.



Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 13 september 2023.Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. G.J. Jansen, verzoeker en de raadsman gehoord.



De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken uit het dossier van de strafzaak tegen verzoeker en een schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 augustus 2022. De raadkamer heeft eveneens kennis genomen van de reactie van de raadsman van 8 september 2022 op voornoemde conclusie.





2De standpunten van verzoeker, de raadsman en de officier van justitie



Het standpunt verzoeker en zijn raadsman




De raadsman en verzoeker hebben ter terechtzitting het verzoekschrift toegelicht. De raadsman en verzoeker stellen zich primair op het standpunt dat de politierechter bij de behandeling van de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op 29 april 2022 ten onrechte oud recht heeft toegepast. Voor de wetswijziging van 1 juli 2021 diende het Openbaar Ministerie een vordering tot uitstel van de voorwaardelijke vrijheidsstelling in bij de rechtbank, waarop de rechtbank een beslissing nam. Na voornoemde wetswijziging is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen over het al dan niet in vrijheid stellen van veroordeelden. Indien het Openbaar Ministerie beslist om geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen, kan een veroordeelde hiertegen bezwaar instellen. Op grond van artikel 537 lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv) kan, in een geval waarin het Openbaar Ministerie heeft besloten geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen en het bezwaar van veroordeelde hiertegen gegrond wordt verklaard, op verzoek van veroordeelde een vergoeding worden toegekend van de schade ten gevolge van de vrijheidsbeneming door het afwijzen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In de hypothetische situatie dat in onderhavig geval wél het geldende recht zou zijn toegepast – er van uitgaande dat het Openbaar Ministerie had beslist tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidsstelling en dat het door verzoeker ingestelde bezwaar hiertegen gegrond was verklaard - had verzoeker recht gehad op schadevergoeding op grond van art. 537 lid 3 Sv. Het feit dat in onderhavig geval ten onrechte oud recht is toegepast waarbij de vordering van het Openbaar Ministerie tot het verlenen van uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling door de rechter is afgewezen waardoor er ook geen reden was voor bezwaar - indien en voor zover dat al wettelijk mogelijk was - mag er niet toe leiden dat veroordeelde nu geen schadevergoeding kan verzoeken op basis van artikel 537 lid 3 Sv waarin die mogelijkheid uitdrukkelijk wordt geopend voor gegrond verklaarde bezwaarschriften tegen een beslissing van het Openbaar Ministerie tegen uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling. De raadsman verzoekt daarom om een extensieve uitleg van artikel 537 Sv. Hij verwijst naar een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:RBMNE:2020:5960).




Het standpunt van de officier van justitie




De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het verzoek toegewezen kan worden.





3De ontvankelijkheid


Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is nu vaststaat dat de rechter op 29 april 2022 ten onrechte het oude recht zoals dat nadien met ingang van 1 juli 2021 is gewijzigd, heeft toegepast. Het zou niet billijk zijn indien dit tot nadeel van verzoeker zou leiden.





4De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
De vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling is op 29 april 2022 afgewezen door de politierechter in deze rechtbank. Daarbij is ook de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker per 29 april 2022 bevolen. Op 3 mei 2022 is verzoeker feitelijk in vrijheid gesteld. Verzoeker heeft in totaal negen dagen doorgebracht in een penitentiaire inrichting in het kader van het uitstel van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling terwijl de rechter de vordering tot uitstel op 29 april 2022 had afgewezen en de invrijheidstelling van veroordeelde had gelast. De VI-datum van veroordeelde was 25 april 2022.
De raadkamer overweegt het volgende. Op 29 april 2022 is door de politierechter in deze rechtbank op grond van oud recht een vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling afgewezen. De raadkamer is van oordeel dat indien er destijds toepassing was gegeven aan het geldende recht - en het Openbaar Ministerie had beslist tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling waartegen verzoeker dan bezwaar zou hebben ingesteld – het alleszins aannemelijk is dat de raadkamer destijds tot een gegrondverklaring van dit bezwaarschrift was gekomen gelet ook op de beslissing van de politierechter van 29 april 2022 op de vordering van het Openbaar Ministerie.
Hiervan uitgaande had verzoeker op dat moment ook recht gehad op een vergoeding als bedoeld in artikel 537 lid 3 Sv. Feit is en blijft dat verzoeker ten onrechte negen dagen (vanaf 25 april 2022 (de VI-datum) tot 3 mei 2022) in een penitentiaire inrichting heeft doorgebracht en een vergoeding voor de ten onrechte ondergane detentie verdient. Derhalve zal de raadkamer, alles in aanmerking genomen, aan verzoeker de gevraagde vergoeding toekennen van € 900,00.
De raadkamer kent daarnaast een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift en het bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift, volgens de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld, zijnde een bedrag van € 680,00.





5De beslissing


De raadkamer:



kent op grond van artikel 530 en 537 Sv aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 1.580,=;


beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking de schadevergoeding door de griffier betaald wordt door overboeking van het bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Cankaya Advocatuur te Lent.




Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van B. Kleinlugtenbeld, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.