Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2023:1506
2023-04-19
Civiel recht
C/08/279795 / HA ZA 22-122
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Trade ID verwijt partij B2 en partij B1 dat zij hun verplichtingen uit de franchiseovereenkomst niet zijn nagekomen. Volgens Trade ID heeft zij daardoor schade geleden. In de hoofdzaak vordert Trade ID verklaringen voor recht, een verbod op (dreigende) inbreuk op haar handelsnaamrecht en overdracht van domeinnamen. Teneinde de omvang van haar schade te kunnen vaststellen vordert Trade ID in het incident diverse bescheiden van partij B2, partij B1 en partij B4, op straffe van een dwangsom. De vorderingen van Trade ID in de hoofdzaak zijn (grotendeels) toewijsbaar. De incidentele vordering zal (grotendeels) worden afgewezen. De rechtbank zal dat hierna toelichten. Voor het oordeel zijn de volgende feiten relevant.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2018:2221 Hoge Raad 30-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2015:1879 Parket bij de Hoge Raad 11-09-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (59.484 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/279795 / HA ZA 22-122
Vonnis in incident en in hoofdzaak van 19 april 2023
in de zaak van
TRADE ID B.V.,
te Hengelo,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. S.I.P. Schouten te Amsterdam,
tegen
1 [partij B2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,2. [partij B4] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,3. [partij B1],
te [woonplaats 1] ,4. [partij B5] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,5. [partij B3] B.V.,
te [vestigingsplaats 1]
gedaagden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaten: mrs. M.W. Renzen en M. Kooiman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Trade ID en [partij B] (dan wel afzonderlijk [partij B2] , [partij B4] , [partij B1] , [partij B5] en [partij B3] ) worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (tussen)vonnis in incident en in hoofdzaak van 6 juli 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties (45 t/m 47) van Trade ID ;
- de e-mails van [partij B] van 22 november 2022 met de proceskostenopgave;
- de spreekaantekeningen van Trade ID ;
- de spreekaantekeningen van [partij B]; - de mondelinge behandeling van 23 november 2022 waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Trade ID verwijt [partij B2] en [partij B1] dat zij hun verplichtingen uit de franchiseovereenkomst niet zijn nagekomen. Volgens Trade ID heeft zij daardoor schade geleden. In de hoofdzaak vordert Trade ID verklaringen voor recht, een verbod op (dreigende) inbreuk op haar handelsnaamrecht en overdracht van domeinnamen. Teneinde de omvang van haar schade te kunnen vaststellen vordert Trade ID in het incident diverse bescheiden van [partij B2] , [partij B1] en [partij B4] , op straffe van een dwangsom. De vorderingen van Trade ID in de hoofdzaak zijn (grotendeels) toewijsbaar. De incidentele vordering zal (grotendeels) worden afgewezen. De rechtbank zal dat hierna toelichten. Voor het oordeel zijn de volgende feiten relevant.
3De feiten
3.1.
Trade ID heeft onder de handelsnaam “ [naam 3] ” een franchiseformule ontwikkeld ter onderscheiding en exploitatie van winkels gespecialiseerd in fitnessapparatuur, fitnessartikelen, voedingssupplementen, (preventieve) gezondheidshulpmiddelen, wellness, artikelen met betrekking tot vechtsport en yoga, sport & spelartikelen, trampolines, kleding en accessoires in al deze categorieën.
3.2.
Op 18 mei 2016 hebben Trade ID en [partij B1] h.o.d.n. [bedrijf 1] een franchiseovereenkomst (hierna: de franchiseovereenkomst) gesloten. Deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 7. Financiële afspraken
7.1
Franchisenemer betaalt Franchisegever 4,84% van de omzet van de onderneming per maand. Onder omzet wordt verstaan: de som van de voor levering van artikelen en het verrichten van diensten in het kader van de onderneming aan derden in rekening gebrachte bedragen, exclusief BTW met uitzondering van de bedragen uit artikel 6.2 d en 8.2 b.
(…).
Artikel 10. Industriële en Intellectuele Eigendom (IE)
10.1
Franchisenemer erkent het uitsluitend recht van Franchisegever op de IE Rechten.
10.2
Franchisenemer zal de IE Rechten uitsluitend gebruiken ten behoeve van de exploitatie van [bedrijf 1] , daaronder begrepen reclames en marketing ter bevordering van de verkoop van de franchise goederen. Daarbuiten zal Franchisenemer zich onthouden van elk gebruik van IE Rechten, noch derden toestaan deze te gebruiken.
(…).
Artikel 11. Zelfstandig ondernemerschap
(…).
11.2
Franchisenemer is verplicht zich gedurende de looptijd van deze franchiseovereenkomst ingeschreven te houden als zelfstandig ondernemer in het handelsregister van de kamer van Koophandel, onder geen andere naam dan handelend onder de naam “ [bedrijf 1] ”. De eenmanszaak kan worden omgezet in een B.V. waarbij alle rechten en plichten van rechtspersoon overgaan in de B.V. waarvan Franchisenemer enig aandeelhouder is.
(…).
Artikel 15. Inspectie
15.1
Franchisenemer stemt er mee in dat door of vanwege Franchisegever controle periodiek en/of incidenteel zal worden uitgeoefend op de juiste nakoming door Franchisenemer van de bepalingen van deze franchiseovereenkomst en de daarvan deel uitmakende voorschriften en aanwijzingen. Wanneer onverwijld bepaalde zaken niet zijn nagekomen zullen Franchisenemer en Franchisegever in onderling overleg schriftelijk vastleggen wanneer zaken afgerond zullen zijn.
15.2
Franchisenemer verschaft daartoe op verzoek van Franchisegever aan hen die gegevens welke voor een dergelijke controle noodzakelijk zijn.
Artikel 19. Aanbiedingsplicht
19.1
Indien de Franchisenemer gedurende de looptijd van deze overeenkomst (de directe of indirecte zeggenschap van) het verkooppunt geheel of gedeeltelijk wenst over te dragen aan een derde of de exploitatie wenst te staken, is de Franchisenemer verplicht het verkooppunt door middel van een aangetekende brief met bericht van ontvangst aan te bieden aan Franchisegever. In alle gevallen is de Franchisenemer verplicht, voor de duur van deze overeenkomst, ernaar te streven dat het verkooppunt voor de Franchisegever in de toekomst behouden blijft. De Franchisenemer zal bij aanbieding gedetailleerd en (schriftelijk door onderliggende stukken) gemotiveerd de door hem vastgestelde koopsom, alsmede de overige verkoopvoorwaarden meedelen aan Franchisegever.
19.2
Direct na ontvangst van de informatie zal de Franchisegever bekijken of zij het verkooppunt wil overnemen. De Franchisegever zal binnen 30 dagen na de aanbieding van de Franchisenemer uitspreken of de intentie bestaat het verkooppunt over te nemen. De Franchisegever heeft drie (3) maanden na deze aanbieding de tijd om met de Franchisenemer tot overeenstemming te komen over de overdracht van het verkooppunt.
19.3
Indien de Franchisegever niet tot aankoop overgaat zullen overige [naam 3] Franchisenemers twee (2) maanden de tijd hebben om het verkooppunt over te nemen.
19.4
Indien binnen de genoemde periode geen overeenstemming is bereikt over de verkoop van het verkooppunt kan de Franchisenemer het verkooppunt vrijelijk verkopen aan derden tegen minimaal dezelfde voorwaarden als de voorwaarden waartegen Franchisegever het verkooppunt kon kopen. Franchisenemer is gehouden, voordat de koop met deze derde wordt geëffectueerd, een getekende verklaring van een accountant aan Franchisegever te verstrekken, waaruit de correcte naleving van dit artikel blijkt.
Artikel 21. Overname goederenvoorraad en/of inventaris
21.1
Indien deze franchiseovereenkomst eindigt zullen Franchisegever en Franchisenemer in overleg treden of Franchisegever de alsdan aanwezige goederenvoorraad zal overnemen, en zo ja, tegen welke voorwaarden. In geen geval zal Franchisegever verplicht zijn de goederenvoorraad over te nemen.
21.2
Indien deze franchiseovereenkomst eindigt om wat voor reden ook anders dan ingeval van verzuim als bedoeld in artikel 17 lid 3 zullen Franchisegever en Franchisenemer in overleg treden of Franchisegever het interieur wenst over te nemen van Franchisenemer. In geen geval zal Franchisegever verplicht zijn het interieur over te nemen.
Artikel 23. Non-concurrentiebeding
23.1
Het is de Franchisenemer, diens eventuele (in)directe bestuurders, (in)direct aandeelhouders en op welke wijze dan ook bij het verkooppunt betrokken natuurlijke personen niet toegestaan gedurende de looptijd van de overeenkomst direct of indirect betrokken te zijn, belang te hebben in, al dan niet werkzaam te zijn voor een onderneming in welke vorm dan ook die gelijk of gelijksoortig is aan of concurrerend met Franchisegever of [naam 3] Franchisenemers. De Franchisenemer zal gedurende een periode van één jaar na beëindiging van de overeenkomst binnen de vestigingsplaats of een straal van 40 km (te weten: in de huidige locatie of in de nabije omgeving van een andere Franchisenemer van [naam 3] ) niet direct of indirect, zelfstandig of in dienstverband of in de vorm van een vennootschap werkzaam zijn of financiële dan wel andere zakelijke belangen hebben bij activiteiten die soortgelijk zijn aan de door de Franchisenemer in het kader van deze overeenkomst uitgeoefende activiteiten.
23.3
Goederen die bij Franchisegever ingekocht worden zijn uitsluitend bestemd voor de verkoop in de winkel van de Franchisenemer. Het is de Franchisenemer niet toegestaan om goederen aan andere professionele partijen (concurrenten) door te leveren, incidentele collegiale ondersteuning c.q. uitwisseling uitgezonderd. Met concurrenten bedoelen we bedrijven gelijkwaardig aan de activiteiten van [naam 3] . Dus verkoop van fitnessapparatuur, sportvoeding, fitnessartikelen en fitnesskleding aan particulieren, instellingen, sportscholen, bedrijven en fysiotherapeuten.
3.3.
Op 19 mei 2016 heeft [partij B1] zijn eenmanszaak [bedrijf 1] in het handelsregister laten registreren.
3.4.
Op 14 oktober 2019 zijn Trade ID en [partij B1] een aanpassing van de franchise fee overeengekomen, waartoe zij een addendum hebben opgemaakt.
3.5.
Op 25 juni 2020 heeft [partij B1] zijn eenmanszaak in [bedrijf 1] B.V. ingebracht. [partij B1] is enig bestuurder en aandeelhouder van deze besloten vennootschap.
3.6.
Bij brief van 28 december 2020 heeft [partij B1] de franchiseovereenkomst per 1 november 2021 opgezegd.
3.7.
Bij e-mail van 21 januari 2021, aangevuld op 2 februari 2021, heeft [partij B1] de goodwill van [bedrijf 1] B.V. aan Trade ID aangeboden voor een bedrag van
€ 3.000.000,00.
3.8.
Bij brief van 18 februari 2021 heeft Trade ID in reactie op dit aanbod van [partij B1] meegedeeld dat zij niet zelf de winkel in [vestigingsplaats 2] zal exploiteren en dat [partij B1] zijn winkel zo spoedig mogelijk aan de andere franchisenemers van Trade ID tracht te verkopen.
3.9.
Bij brief van 25 februari 2021 heeft [partij B1] de goodwill van [bedrijf 1] B.V. aan de andere franchisenemers van Trade ID aangeboden voor een bedrag van € 3.000.000,00. Daarop is geen reactie gekomen.
3.10.
Op 15 april 2021 heeft [partij B1] onder meer de domeinnamen [internetsite 1] en [internetsite 2] laten registreren (hierna: de Domeinnamen).
3.11.
Op 16 juni 2021 heeft [partij B1] de domeinnaam [internetsite 3] op zijn naam laten registreren. Op 26 augustus 2021 is [e-mailadres] de administratieve contactpersoon van deze domeinnaam geworden.
3.12.
Nadat Trade ID bij e-mail van 15 juli 2021 had geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot de verkoop van de (fit)winkel in [vestigingsplaats 2] , heeft [partij B1] bij brief van 6 augustus 2021 onder meer meegedeeld dat hij geen bedrijfsmakelaar heeft ingeschakeld ten behoeve van de verkoop van deze winkel en dat hij aan zijn aanbiedingsplicht als bedoeld in artikel 19 van de franchiseovereenkomst heeft voldaan.
3.13.
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft Trade ID [bedrijf 1] B.V. gesommeerd tot nakoming van haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst.
3.14.
Bij brief van 4 oktober 2021 heeft [partij B1] onder meer meegedeeld dat hij zich niet gebonden acht aan het concurrentiebeding.
3.15.
Bij e-mail van 5 oktober 2021 heeft [partij B1] zijn voorraad en aankleding pand/inventaris/automatisering aan Trade ID te koop aangeboden voor een bedrag van
€ 2.125.175,38 exclusief btw respectievelijk € 136.000,00. Daarbij heeft [partij B1] de voorraadlijst per 5 oktober 2021 gevoegd.
3.16.
Bij e-mail van 7 oktober 2021 heeft Trade ID voor de overname van de vestiging in [vestigingsplaats 2] aan [partij B1] een (tegen)bod gedaan van € 125.000,00. [partij B1] is daarop niet ingegaan.
3.17.
Op 8 oktober 2021 is [partij B4] opgericht, waarvan mevrouw [partner verdachte] enig (middellijk) bestuurder is. Zij is de partner van [partij B1] .
3.18.
Op 1 november 2021 is de naam van [bedrijf 1] B.V. gewijzigd in [partij B2] . Op dezelfde dag hebben [partij B2] en [partij B4] een koopovereenkomst ondertekend uit hoofde waarvan [partij B2] aan [partij B4] heeft verkocht de goodwill, daaronder begrepen de rechten uit de huurovereenkomst, en de volledige inventaris zoals aanwezig in de winkel tegen een koopprijs van € 268.130,00 vrij van btw. Voorts zijn [partij B2] en [partij B4] overeengekomen dat de koopprijs voor de voorraden daags voor de levering door partijen zal worden bepaald aan de hand van de op dat moment aanwezige courante voorraad tegen de inkoopprijs welke laatstelijk voor de betreffende voorraad gold (artikel 2.2 van de koopovereenkomst).
3.19.
Bij vonnis in kort geding van 2 november 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag de vorderingen van Trade ID tegen [bedrijf 1] B.V. en [partij B1] afgewezen.
3.20.
Op 1 februari 2022 is [partij B5] opgericht, waarvan [partij B1] enig (middellijk) bestuurder en aandeelhouder is.
3.21.
Bij brief van 18 februari 2022 heeft Trade ID [partij B1] gesommeerd om met onmiddellijke ingang de (dreigende) inbreuk op haar IE-rechten te beëindigen.
3.22.
In april 2022 heeft Trade ID een vestiging in [vestigingsplaats 3] geopend.
4Het geschil in het incident en in de hoofdzaak
4.1.
Trade ID vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(1) [partij B2] , [partij B1] en [partij B4] zal bevelen om binnen tien werkdagen na het vonnis afschrift beschikbaar te stellen (door middel van overlegging in rechte, dan wel door daarvan kopieën te verschaffen, althans op een andere wijze die de rechtbank passend acht) van:
( a) alle documenten waaruit de overdracht van de goodwill, voorraden en inventaris door [partij B2] aan enige derde (waaronder begrepen [partij B4] ) blijkt, waaronder begrepen (maar niet uitsluitend) alle overeenkomsten, brieven, e-mails en WhatsApp- of andere (chat-)berichten waarmee kan worden vastgesteld welke activa door [partij B2] aan [partij B4] of een andere derde zijn overgedragen, wanneer dit heeft plaatsgevonden en onder welke voorwaarden;
(indien [partij B2] haar activa geheel of gedeeltelijk aan [partij B4] heeft overgedragen, waar het alle schijn van heeft, zullen de in de vorige alinea bedoelde overeenkomsten aldus in ieder geval overeenkomsten betreffen tussen [partij B2] en [partij B4] en gaat het wat betreft de brieven, e-mails en WhatsApp-berichten in ieder geval om de met deze communicatiemiddelen gevoerde correspondentie tussen [partij B1] (als bestuurder van [partij B2] ) en zijn echtgenote mevrouw [partner verdachte] (als bestuurder van [partij B4] );
( b) een lijst van de voorraden en inventaris (daaronder mede, maar niet uitsluitend begrepen afschrift van het relevante deel van de (voorraad)administratie van [partij B2] ) waarover [partij B2] op 31 oktober 2021 beschikte, althans waarover zij beschikte tot de overdracht van die voorraden en inventaris aan enige derde;
( c) alle correspondentie (e-mail en andere digitale (chat-)berichten daaronder begrepen) tussen [partij B2] / [partij B1] en de verhuurder van de bedrijfsruimte aan het [adres] te [vestigingsplaats 2] met betrekking tot de huursituatie vanaf 1 november 2021, waaronder begrepen eventuele (nieuwe) huurcontracten, enige akte van contractovername of anderszins, en alle gecirculeerde concepten daarvan;
( d) alle correspondentie (e-mail en andere digitale (chat-)berichten daaronder begrepen) met (oud)werknemers van [partij B2] alsmede de gesloten arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht waaruit blijkt per wanneer zij voor [partij B4] werkzaam zijn geworden en wanneer de afspraken hierover zijn gemaakt;
(2) [partij B] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 25.000,00 indien [partij B] in gebreke blijven aan het onder (1) gevorderde bevel te voldoen, en € 1.000,00 per dag dat (een onderdeel van) deze overtreding voortduurt, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, en € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat een overtreding voortduurt.
4.2.
Trade ID vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(3) voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank het in het incident gevorderde geheel of gedeeltelijk niet toewijsbaar acht: deze in het incident ingestelde vorderingen zal behandelen en toewijzen;
(4) voor recht zal verklaren dat [partij B2] en/of [partij B1] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst en dat zij daardoor hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die Trade ID als gevolg van deze tekortkomingen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(5) voor recht zal verklaren dat [partij B] (althans een of meer van [partij B]) onrechtmatig hebben gehandeld jegens Trade ID en dat zij daardoor hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die Trade ID als gevolg van deze tekortkomingen lijdt en zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(6) [partij B1] en [partij B5] zal bevelen om met onmiddellijke ingang de inbreuk op de handelsnaam “ [naam 3] ” te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00, te vermeerderen met € 500,00 per dag dat niet is voldaan aan dit bevel;
(7) [partij B1] en [partij B3] ieder voor zich zal bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de Domeinnamen over te dragen (althans te laten overdragen) aan Trade ID , althans zal bevelen iedere medewerking te verlenen om de tenaamstelling van de Domeinnamen te (doen) zetten op naam van Trade ID als de domeinnaamhouder, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00, te vermeerderen met
€ 500,00 per dag dat niet is voldaan aan dit bevel;
(8) zal bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking bedoeld in het gevorderde onder (7), indien niet tijdig wordt voldaan aan dat bevel;
(9) [partij B] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, voor zover mogelijk op de voet van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Trade ID , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Trade ID , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Trade ID in de kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover nodig voor de beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak.
5De beoordeling in de hoofdzaak
De rechtbank is relatief bevoegd
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtbank ingevolge artikel 28.3 van de franchiseovereenkomst bevoegd is om van de vorderingen van Trade ID kennis te nemen. Bij vonnis van 13 april 2022 heeft de rechtbank, locatie Almelo, de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de kamer voor handelszaken te Zwolle. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge het Zaaksverdelingsreglement rechtbank Overijssel en het daarop gebaseerde Besluit interne relatieve bevoegdheid rechtbank Overijssel voor de behandeling van deze zaak de kamer voor handelszaken te Zwolle de aangewezen rechter is, omdat sprake is van intellectueel eigendom.
Grondslagen vorderingen Trade ID
5.2.
Aan haar vorderingen legt Trade ID , samengevat, ten grondslag dat [partij B2] en [partij B1] tegenover haar toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen voortvloeiende uit de franchiseovereenkomst, althans dat zij tegenover haar onrechtmatig hebben gehandeld. Daartoe voert Trade ID aan dat [partij B2] en [partij B1] het bepaalde in de artikelen 19, 20, 21, 22 en 23 lid 1 en lid 3 van de franchiseovereenkomst hebben geschonden. Daarnaast stelt Trade ID dat [partij B1] en [partij B5] inbreuk hebben gemaakt op haar handelsnaamrecht door zonder toestemming de naam “ [naam 3] ” als handelsnaam en in domeinnamen te gebruiken. [partij B] betwist dit alles. De rechtbank zal de vorderingen van Trade ID hierna afzonderlijk bespreken.
Contractspartij
5.3.
In 2020 heeft [partij B1] zijn eenmanszaak omgezet naar de besloten vennootschap [bedrijf 1] . Op grond van artikel 11 lid 2 van de franchiseovereenkomst zijn daardoor de contractuele rechten en plichten van de eenmanszaak overgegaan op [bedrijf 1] , thans [partij B2] . [partij B2] heeft vanaf dat moment te gelden als franchisenemer. De eerste vraag die voorligt is of [partij B1] na de omzetting nog aan het non-concurrentiebeding gebonden is.
De uitleg van het non-concurrentiebeding
5.4.
De rechtbank stelt vast dat partijen ieder een eigen uitleg geven aan de tekst van het non-concurrentiebeding als bedoeld in artikel 23.1 van de franchiseovereenkomst. Bij de vraag welke afspraken partijen hebben gemaakt is niet alleen de tekst van dit artikel van belang, maar vooral ook wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Daarbij zijn de feiten en de omstandigheden waaronder de afspraken tot stand zijn gekomen van belang (Haviltex-maatstaf).
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van het non-concurrentiebeding met zich brengt dat behalve [partij B2] als opvolgend franchisenemer ook [partij B1] daaraan gebonden is. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.6.
In 2016 hebben partijen onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst. Daarbij is ook gesproken over het non-concurrentiebeding. Trade ID heeft verwezen naar het verloop van de onderhandelingen met [partij B1] over de inhoud en tekst van de franchiseovereenkomst, zoals dit blijkt uit de (door Trade ID als productie 36 overgelegde) uitvoerige e-mailcorrespondentie tussen [partij B1] en Roijé. In deze e-mails wordt de tekst van de franchiseovereenkomst op detailniveau besproken. Daaruit volgt dat [partij B1] aanvankelijk bezwaar maakte tegen het non-concurrentiebeding maar dat Trade ID het non-concurrentiebeding wilde handhaven. Vervolgens hebben partijen gesproken over de mogelijkheid om inspanningsverplichtingen voor Trade ID op te nemen en dat [partij B1] bij niet-nakoming van deze verplichtingen door Trade ID de franchiseovereenkomst kon ontbinden. [partij B1] heeft daartoe ontbindende voorwaarden voorgesteld (zie productie 37 van Trade ID ). Op 18 mei 2016 hebben partijen de franchiseovereenkomst met daarin het non-concurrentiebeding ondertekend.
5.7.
Daargelaten of partijen over de genoemde ontbindende voorwaarden overeenstemming hebben bereikt, moet uit deze gang van zaken worden afgeleid dat Trade ID en [partij B1] uitdrukkelijk zijn overeengekomen om het non-concurrentiebeding wel in de franchiseovereenkomst op te nemen. Niet gesteld of gebleken is verder dat partijen bij de redactie van artikel 11.2 hebben gesproken over de gevolgen van een omzetting voor de binding van [partij B1] aan artikel 23. Daaruit blijkt dat het in 2016 de bedoeling van partijen is geweest dat het non-concurrentiebeding gold voor de eenmanszaak van [partij B1] , en daarmee voor [partij B1] als natuurlijk persoon. Partijen verschillen op dit punt ook niet van mening.
De gevolgen van het wijzigen van de rechtsvorm
5.8.
[partij B] betoogt dat de verplichtingen uit het non-concurrentiebeding bij het wijzigen van de rechtsvorm in 2020 ingevolge artikel 11.2 van de franchiseovereenkomst zijn overgegaan op [bedrijf 1] B.V. Zij verwijst daarbij naar de tekst van de franchiseovereenkomst. Nu de tweede zin van artikel 23.1 niet ziet op bestuurders of aandeelhouders, maar enkel op de vennootschap zelf is [partij B1] volgens [partij B] niet langer gebonden aan het non-concurrentiebeding.
5.9.
[partij B] wordt daarin niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank miskent [partij B] dat niet alleen de tekst van belang is, maar vooral ook wat partijen van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Uit hetgeen [partij B] heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de oorspronkelijke intentie van partijen (dat [partij B1] aan het beding is gebonden) is gewijzigd bij het omzetten van de rechtsvorm in 2020. Zo is niet gesteld of gebleken dat partijen in 2016 dan wel in 2020 hebben gepraat over de gevolgen van de rechtsvormwijziging voor (de binding aan) het non-concurrentiebeding. Daar komt bij dat [partij B1] ter zitting juist heeft verklaard dat hij pas later, na de wijziging van de rechtsvorm, tot de ontdekking is gekomen dat uit de tekst van het non-concurrentiebeding kan worden afgeleid dat deze verplichtingen zijn overgegaan op de vennootschap en niet langer golden voor hemzelf. Daaruit blijkt dat [partij B1] bij het wijzigen van de rechtsvorm in 2020 niet de verwachting had dat het non-concurrentiebeding voor hem niet langer gold. Dat Trade ID deze verwachting destijds wel had, kan evenmin uit de feitelijke omstandigheden worden afgeleid. Dat leidt ertoe dat partijen in 2020 van elkaar mochten verwachten en begrijpen dat het concurrentiebeding gold en zou blijven gelden voor [partij B1] , ook na wijziging van de rechtsvorm. In dat verband heeft Trade ID terecht aangevoerd dat het niet de bedoeling van partijen kan zijn geweest dat [partij B1] , theoretisch gezien, een dag na het sluiten van de franchiseovereenkomst een besloten vennootschap had kunnen oprichten waarmee hij zich zou kunnen onttrekken aan de werking van het uitdrukkelijk uitonderhandelde non-concurrentiebeding.
5.10.
De tekst van artikel 11.2 in samenhang bezien met de tekst van artikel 23.1 van de franchiseovereenkomst leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 11.2 voorziet in de mogelijkheid de eenmanszaak om te zetten in een vennootschap waarbij alle rechten en plichten overgaan op de vennootschap waarvan franchisenemer enig aandeelhouder is. Artikel 23.1 bestaat uit twee delen. De eerste volzin heeft betrekking op concurrentie gedurende de looptijd van de overeenkomst. Daarin is opgenomen dat het verbod betrekking heeft op : (…) “de Franchisenemer, diens eventuele (in) directe bestuurders, (in) direct aandeelhouders en op welke wijze dan ook bij het verkooppunt betrokken natuurlijke personen” (…). De tweede, in dezelfde alinea en dus daarop aansluitende, volzin ziet op een concurrentieverbod gedurende de periode van één jaar na beëindiging van de overeenkomst. In deze tweede zin is enkel “de Franchisenemer” genoemd, zonder de hierboven vermelde toevoeging. [partij B] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat uit deze tekst blijkt dat het non-concurrentiebeding na beëindiging van de overeenkomst enkel betrekking heeft op de vennootschap zelf en niet op de daarbij betrokken natuurlijke personen. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt het weglaten van de toevoeging een verschrijving te zijn en kan dit, onder de gegeven omstandigheden, in redelijkheid niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk overeengekomen beperking van de werkingssfeer van het beding. Dat geldt temeer nu niet is gebleken van gewijzigde intenties bij partijen, zoals hiervoor is overwogen. Het voorgaande betekent dat het concurrentieverbod ook geldt ten aanzien van bestuurders, aandeelhouders en andere betrokkenen en dat [partij B1] , nadat hij zijn eenmanszaak in [bedrijf 1] B.V. (later: [partij B2] ) had ingebracht, nog steeds aan het non-concurrentiebeding was gebonden. Dit oordeel wijkt af van het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter van 2 november 2021, hetgeen zich onder meer laat verklaren door het uitgebreidere feitenonderzoek dat in de bodemprocedure heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft te gelden dat de bodemrechter niet gebonden is aan een voorlopige voorziening getroffen in een kort geding.
Hebben [partij B2] en [partij B1] het non-concurrentiebeding overtreden?
5.11.
Op grond van het non-concurrentiebeding is het [partij B2] en [partij B1] gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst verboden, kort gezegd, betrokken te zijn bij een onderneming die gelijk of gelijksoortig is aan of concurrerend is met [naam 3] . Na beëindiging van de overeenkomst is het [partij B2] en [partij B1] gedurende één jaar verboden werkzaam te zijn of financiële belangen te hebben bij activiteiten die soortgelijk zijn aan de activiteiten die zij in het kader van deze overeenkomst hebben uitgevoerd.
5.12.
Trade ID heeft gesteld dat [partij B2] en [partij B1] , zowel gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst als binnen één jaar na beëindiging hiervan, het non-concurrentiebeding hebben overtreden. Trade ID heeft daarvoor de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Op 15 april 2021 heeft [partij B1] eerst de Domeinnamen laten registreren en daarna – op 16 juni 2021 – de domeinnaam [internetsite 3] . Voorts heeft de heer [naam 1] , directeur van [bedrijf 2] B.V. te [vestigingsplaats 4] , op 26 juli 2022 schriftelijk verklaard dat [partij B1] tijdens een gesprek op 6 september 2021 heeft aangegeven “dat hij op dezelfde locatie een nieuwe winkel zou beginnen en dat wij ons zoals eerder al aangegeven, geen zorgen zouden hoeven maken over omzetverlies in die regio. Naam van zijn nieuwe onderneming kon en wilde hij nog niet zeggen en ook op onze vraag hoe de afwikkeling met de franchise zou zijn, werd enkel gezegd dat dat allemaal goed zou komen. Afgesproken is toen dat wij hem wel voorlopig wilde leveren aangezien er momenteel geen nieuwe (andere) winkel van de [naam 3] organisatie zat in die regio. Mocht dat wel op een gegeven moment het geval zijn, [naam 3] dan geleverd zou worden. Na 1 november 2021 is de naam van de nieuwe onderneming bij ons bekend geworden, [partij B4] .” (zie productie 47 van Trade ID ). Deze verklaring van [naam 1] strookt met de rechtsoverwegingen 2.4 en 4.2 van het tussen [partij B4] en [bedrijf 2] B.V. gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 15 juli 2022 (zie productie 45 van Trade ID ). Verder heeft [partij B4] blijkens de in r.o. 3.18 bedoelde koopovereenkomst op of omstreeks 1 november 2021 de activa van [partij B2] overgenomen. [partij B4] is in dezelfde branche actief als [partij B2] . [partij B1] heeft erkend dat hij “na een paar maanden te hebben nagedacht wat hij wilde doen, maar niets kon bedenken” voor [partij B4] is gaan werken (zie randnummer 3.25 van de conclusie van antwoord). Dat [partij B1] vanaf december 2021 (in)direct bij de activiteiten van Fitforce is betrokken, blijkt ook uit zijn sociale media (zie randnummers 57 t/m 61 van de dagvaarding). Volgens Trade ID volgt uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat [partij B1] het non-concurrentiebeding heeft overtreden.
5.13.
[partij B] heeft dit alles onvoldoende weersproken. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval worden afgeleid dat [partij B1] binnen een jaar na beëindiging van de franchiseovereenkomst werkzaam was bij een concurrent. Daarmee heeft [partij B1] het non-concurrentiebeding overtreden. Ten aanzien van [partij B2] kan een overtreding van dit beding niet worden vastgesteld. Niet gebleken is immers dat de vennootschap betrokken is (geweest) bij of financiële belangen heeft of had in concurrerende activiteiten.
5.14.
Aangezien uit het voorgaande volgt dat [partij B1] nog gebonden is aan het concurrentiebeding en geoordeeld wordt dat [partij B1] het concurrentiebeding heeft geschonden, behoeft het voorwaardelijk of subsidiair ingenomen standpunt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie (randnummer 96 dagvaarding) geen bespreking.
Heeft [partij B2] de aanbiedingsplicht geschonden?
5.15.
Trade ID stelt daarnaast dat [partij B2] haar aanbiedingsplicht als bedoeld in artikel 19 van de franchiseovereenkomst niet is nagekomen. Zij betoogt dat [partij B2] niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om voor de duur van de overeenkomst ernaar te streven het verkooppunt voor Trade ID voor de toekomst te behouden. [partij B] betwist dit en wijst er onder meer op dat zij eerst op 1 november 2021, dus na de looptijd van de overeenkomst, de goodwill en inventaris heeft verkocht aan [partij B4] .
5.16.
De rechtbank stelt voorop dat partijen tot uitgangspunt nemen dat de aanbiedingsplicht geldt voor de duur van de franchiseovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank moeten partijen daarin worden gevolgd, met dien verstande dat uit artikel 19 van de franchiseovereenkomst voortvloeit dat [partij B2] zich tijdens de looptijd van de overeenkomst ervoor moet inspannen dat het verkooppunt voor Trade ID behouden blijft. Beoordeeld moet worden of [partij B2] heeft voldaan aan deze strekking van artikel 19.
5.17.
De rechtbank stelt vast dat [partij B2] op 21 januari 2021 en 25 februari 2021 haar goodwill aan Trade ID respectievelijk de andere franchisenemers van Trade ID voor een bedrag van € 3.000.000,- te koop heeft aangeboden en dat dit bod in beide gevallen niet is geaccepteerd.
5.18.
Trade ID betoogt dat dit bod aan haar en aan de andere franchisenemers geen realistisch bod is geweest en verwijst daarbij naar de koopovereenkomst tussen [partij B2] en [partij B4] van 1 november 2021 waarbij [partij B2] haar goodwill en inventaris tegen een koopprijs van € 268.130,00 aan [partij B4] heeft overgedragen. Trade ID voert verder aan dat [partij B2] na februari 2021 heeft geweigerd zich in te spannen om het verkooppunt aan derden aan te bieden om zo een nieuwe franchisenemer voor Trade ID te vinden. [partij B1] heeft overleg afgehouden, vragen niet beantwoord en aan Trade ID bevestigd in de e-mail van 6 augustus 2021 dat hij het verkooppunt niet te koop heeft gezet. Verder stelt Trade ID dat de koopovereenkomst al eerder dan op 1 november 2021 tot stand moet zijn gekomen, ter onderbouwing waarvan Trade ID onder meer heeft gewezen op de tekst van de koopovereenkomst en de omstandigheid dat [partner verdachte] op 1 november 2021 om 04:09 uur een e-mail aan de leveranciers van [partij B2] heeft gestuurd waarin zij aangeeft dat [partij B4] vanaf 1 november 2021 alle rechten en plichten van [bedrijf 1] B.V. heeft overgenomen en dat alle backorders en lopende orders op [partij B4] kunnen worden overgezet.
5.19.
[partij B] heeft dat alles niet gemotiveerd weersproken. Zij heeft enkel betoogd dat zij niet gerechtigd was de franchiseformule te verkopen, maar dat neemt niet weg dat zij zich had kunnen en moeten inspannen om een koper te vinden en die in contact had kunnen brengen met Trade ID . [partij B] heeft geen concrete onderbouwing gegeven voor het verschil in het bod van € 3.000.000,- en de uiteindelijke verkoopprijs van € 268.130,-. Dit leidt ertoe dat de rechtbank Trade ID volgt in haar standpunt dat het bod aan Trade ID en de overige franchisenemers geen realistisch bod is geweest. Daarnaast kan worden vastgesteld dat [partij B2] , na dit niet realistische bod, geen serieuze inspanningen heeft verricht om het verkooppunt aan derden te verkopen en een nieuwe franchisenemer voor Trade ID te vinden. Zo bevestigt [partij B1] in zijn e-mail van 6 augustus 2021 dat hij de onderneming niet te koop heeft aangeboden. Dit leidt tot het oordeel dat [partij B2] niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om ernaar te streven dat het verkooppunt voor Trade ID in de toekomst behouden blijft. Dit betekent dat [partij B2] in zoverre tegenover Trade ID is tekortgeschoten.
5.20.
Verder stelt Trade ID dat zij niet door [partij B2] conform artikel 21 van de franchiseovereenkomst in staat is gesteld om de voorraden en inventaris van [partij B2] te kopen. Geoordeeld wordt dat op [partij B2] enkel de verplichting rustte om in overleg te treden over de bij Trade ID / [bedrijf 3] ingekochte voorraden en inventaris. Volgens [partij B2] heeft zij dit gedaan. Trade ID heeft haar standpunt vervolgens onvoldoende nader onderbouwd. Daar komt bij dat [partij B] onweersproken heeft aangevoerd dat dit slechts 3% van het geheel bedroeg. Van een toerekenbare tekortkoming op dit punt is onvoldoende gebleken.
5.21.
Het beroep op de artikelen 20 (bescherming franchise bij beëindiging) en 22 (geheimhouding) van de franchiseovereenkomst heeft Trade ID onvoldoende concreet onderbouwd. Evenmin heeft zij daaraan een duidelijke conclusie verbonden. Dat leidt ertoe dat hieraan voorbij zal worden gegaan.
Schade?
5.22.
Door de hiervoor bedoelde tekortkomingen van [partij B2] en [partij B1] acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat Trade ID mogelijk schade heeft geleden. Om de omvang van de schade te bepalen zal de rechtbank – conform het verzoek van Trade ID – de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het niet voldoen aan de inspanningsverplichting door [partij B2] nog niet betekent dat Trade ID daardoor een verkooppunt mist. Ook indien [partij B2] zich wel had ingespannen is immers mogelijk dat het verkooppunt niet behouden was gebleven voor Trade ID . Trade ID zal in de schadestaatprocedure haar schade nader dienen te onderbouwen.
Tussenconclusie hoofdzaak (vorderingen sub 4 en sub 5)
5.23.
Uit het voorgaande volgt dat de sub (4) gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de gestelde tekortkomingen van [partij B2] en [partij B1] toewijsbaar is. De sub (5) gevorderde verklaring voor recht die ziet op onrechtmatige daad zal worden afgewezen. Gelet op het voorgaande heeft Trade ID daarbij geen zelfstandig belang voor zover deze verklaring ziet op [partij B2] en [partij B1] . Ten aanzien van [partij B4] , [partij B5] en [partij B3] heeft Trade ID onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat deze gedaagden tegenover Trade ID onrechtmatig hebben gehandeld.
Hebben [partij B1] en [partij B5] inbreuk gemaakt op IE-rechten, zoals het handelsnaamrecht van Trade ID ? (vordering sub 6)
5.24.
Trade ID stelt dat [partij B1] en [partij B5] (dreigende) inbreuk maken op haar handelsnaamrecht door gebruik te maken van haar oudere handelsnaam “ [naam 3] ” waardoor verwarringsgevaar is te duchten bij het in aanmerking te nemen publiek, waaronder consumenten en zakelijke partijen. Volgens Trade ID kan [partij B1] persoonlijk worden aangesproken, omdat hij als oprichter, (middellijk) bestuurder en enig aandeelhouder van [partij B5] de feitelijk beleidsbepaler is.
5.25.
[partij B] voert als primair verweer dat niet Trade ID maar [bedrijf 3] rechthebbende is van het beeldmerk [naam 3] . Volgens [partij B] is Trade ID slechts gerechtigd tot het gebruik hiervan. Subsidiair stelt [partij B] dat [partij B5] niet aan het handelsverkeer deelneemt, zodat geen verbod op grond van de Handelsnaamwet kan worden gevorderd. [partij B] betwist verder dat de activiteiten van [partij B5] inbreuk maken op het (beeld)merkrecht van Trade ID . Voorts wijst [partij B] erop dat [naam 3] een beschrijvende handelsnaam is die onderscheidend vermogen mist en daarom geen bescherming geniet. Tot slot betwist [partij B] dat sprake is van verwarringsgevaar.
5.26.
De rechtbank overweegt dat Trade ID voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij de handelsnaamrechthebbende is, dat de [naam 3] -franchiseformule door haar wordt geëxploiteerd en dat zij de handelsnaam aan, onder andere, [bedrijf 3] in licentie heeft gegeven. Ter zitting heeft de heer B.G. [naam 2] , (middellijk) bestuurder van [bedrijf 3] , voor zover dat nodig is, bevestigd dat Trade ID de last en toestemming van [bedrijf 3] heeft om de handelsnaam- en merkrechten ten aanzien van [naam 3] in eigen naam te handhaven in rechte. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat Trade ID bevoegd is om in deze procedure te vorderen dat [partij B1] en [partij B5] per direct de inbreuk op de handelsnaam “ [naam 3] ” te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, op straffe van een dwangsom. Daarbij betrekt de rechtbank dat [bedrijf 4] B.V., waarvan [naam 2] zelfstandig bevoegd bestuurder is, op haar beurt (enig) bestuurder is van Trade ID .
5.27.
Nu [partij B] evenwel onweersproken heeft gesteld dat [partij B5] (nog) niet aan het handelsverkeer deelneemt (en dat reeds daarom van een inbreuk op het handelsnaamrecht van Trade ID door [partij B5] geen sprake kan zijn) en Trade ID geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat [partij B5] inbreuk op het handelsnaamrecht van Trade ID heeft gemaakt of dreigt te maken, zal de rechtbank het sub (6) gevorderde bevel afwijzen.
5.28.
Ten aanzien van [partij B1] heeft Trade ID ook een bevel gevorderd om de (dreigende) inbreuk op de handelsnaam “ [naam 3] ” te staken. Deze vordering moet eveneens worden afgewezen, nu niet is gebleken van een handelen in strijd met deze handelsnaam door [partij B1] als natuurlijk persoon. Indien Trade ID [partij B1] als bestuurder heeft willen aanspreken kan zij daarin - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet worden gevolgd. Daarvoor heeft zij te weinig feiten gesteld.
Moeten [partij B1] en [partij B3] de domeinnaam < [internetsite 4] > aan Trade ID overdragen? (vorderingen sub 7 en sub 8)
5.29.
Het recht op een domeinnaam is niet wettelijk geregeld. Als uitgangspunt geldt dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registeren, alleen gedwongen kan worden de domeinnaam aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of kan voortvloeien uit de omstandigheid dat de registratie of het gebruik van de domeinnaam jegens die ander onrechtmatig is (HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2221).
5.30.
In dit geval moet worden beoordeeld of [partij B1] en [partij B3] met het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > inbreuk maken op enig recht dat Trade ID heeft uit hoofde van de Handelsnaamwet dan wel anderszins onrechtmatig handelen jegens Trade ID .
5.31.
Ten aanzien van een eventuele inbreuk op het handelsnaamrecht door [partij B3] met betrekking tot het gebruik van de handelsnaam “ [naam 3] ” stelt [partij B] zich op het standpunt dat de domeinnaam < [internetsite 4] > niet gebruikt wordt als handelsnaam, dat wil zeggen als naam waaronder de onderneming wordt gedreven. De domeinnaam wordt enkel gebruikt voor het zogenaamde doorlinken naar de website van [partij B4] . Gelet daarop kan niet worden gezegd dat onder de domeinnaam op commerciële wijze wordt deelgenomen aan het handelsverkeer. Van een handelsnaamrechtinbreuk is derhalve geen sprake.
5.32.
Trade ID betoogt dat [partij B1] en [partij B3] niettemin onrechtmatig handelen jegens haar. Daartoe heeft Trade ID gemotiveerd gesteld dat [partij B1] de domeinnaam < [internetsite 4] > enkel en alleen heeft geregistreerd om op een voor het publiek verwarrende wijze te kunnen aanhaken bij de naamsbekendheid van Trade ID / [naam 3] . Daardoor zijn (potentiële) klanten van Trade ID terechtgekomen bij [partij B4] .
5.33.
Bij de beoordeling van de vraag of [partij B1] en [partij B3] onrechtmatig handelen jegens Trade ID door de registratie en het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > stelt de rechtbank voorop dat de aanduiding “ [naam 3] ” beschrijvend is voor de diensten die Trade ID en [partij B4] leveren.
Nu het in beginsel voor een ieder mogelijk moet zijn zich van een aanduiding te bedienen die beschrijvend is voor zijn diensten of producten, ook in een domeinnaam, is in een geval als het onderhavige het gebruik van een dergelijke aanduiding alleen onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke bijkomende omstandigheden aan de orde indien het gebruik van een dergelijke domeinnaam nodeloos verwarring wekt. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende twee situaties: i) bij het bewust verwarring creëren om zo op misleidende wijze klanten weg te lokken bij de concurrent; of ii) wanneer geen valide reden bestaat voor het gebruik van een verwarringwekkende domeinnaam, maar alleen het dwarszitten van die concurrent wordt beoogd (vgl. conclusie Van Peursem ECLI:NL:PHR:2015:1879).
5.34.
De rechtbank is van oordeel dat de door [partij B3] gehouden domeinnaam verwarringwekkend is. De aanduidingen die zijn verwerkt in de domeinnamen < [internetsite 4] > en < [internetsite 4] > stemmen vanuit auditief, visueel en begripsmatig oogpunt geheel overeen. Alleen de toevoeging van de plaatsnaam wijkt af. Daar komt bij dat Trade ID en [partij B4] actief zijn in dezelfde branche en gevestigd zijn in dezelfde regio. Het is niet ondenkbeeldig dat (potentiële) klanten van Trade ID zich per vergissing tot (de website van) [partij B4] richten.
5.35.
Gelet daarop komt de vraag aan de orde of er bijkomende omstandigheden zijn die maken dat het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > door [partij B1] en [partij B3] nodeloos verwarring wekt, en daarmee onrechtmatig is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank dat [partij B1] in april 2021 de domeinnamen heeft geregistreerd, terwijl hij wist dat [partij B2] gebonden was aan artikel 10 van de franchiseovereenkomst en terwijl hij wist dat hij zou stoppen met [partij B2] . Door het registeren van de domeinnamen onder deze omstandigheden heeft [partij B1] de schijn gewekt dat de domeinnaam < [internetsite 4] > is verworven om doelbewust te kunnen profiteren van de naamsbekendheid van Trade ID . [partij B1] heeft de domeinnaam vervolgens overgedragen aan [partij B3] , waarvan hij bestuurder is, die heeft bewerkstelligd of, in ieder geval, heeft toegestaan dat deze domeinnaam gebruikt wordt door [partij B4] . Zonder nadere verklaring, die ontbreekt, valt voor de rechtbank niet in te zien welk legitiem, in rechte te respecteren belang [partij B1] en [partij B3] hadden bij het registreren en het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] >, anders dan het bewust verwarring creëren om zo klanten weg te lokken bij de Fitwinkelformule van Trade ID , althans Trade ID dwars te zitten.
5.36.
Uit het voorgaande volgt dat het [partij B1] is geweest, ook in zijn hoedanigheid van bestuurder van [partij B3] , die de relevante (onrechtmatige) handelingen met betrekking tot de registratie en het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > heeft verricht, waaronder de registratie van [partij B3] als houder van de gewraakte domeinnaam in maart en mei 2021 en het realiseren van een doorlink naar de website van [partij B4] . Aangezien vaststaat dat [partij B1] volledige zeggenschap heeft over [partij B3] , kan zijn (onrechtmatig) handelen mede aan die rechtspersoon worden toegerekend.
5.37.
Gelet op het voorgaande staat vast dat het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > door [partij B1] en [partij B3] onrechtmatig is. Bij die stand van zaken valt niet in te zien welk (legitiem) belang zij nog hebben bij (het houden van) de registratie van die domeinnaam. Dit betekent dat het door Trade ID sub (7) gevorderde bevel om de door [partij B3] gehouden domeinnamen aan haar over te dragen, toewijsbaar is. Daarbij zal de rechtbank de termijn conform het verzoek van [partij B] vaststellen op twee weken. Voorts zal de rechtbank de gevorderde dwangsom maximeren. Nu [partij B] heeft verklaard dat, als zij ergens toe wordt veroordeeld, zij zich daaraan zal houden, zal het sub (8) gevorderde worden afgewezen.
Proceskosten
5.38.
[partij B] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Trade ID vordert vergoeding van de proceskosten, voor zover mogelijk op de voet van artikel 1019h Rv. [partij B] zullen evenwel op basis van het liquidatietarief worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geschil in de kern geen typische IE-kwestie is maar de afwikkeling van een breuk tussen voormalige zakenpartners betreft. Het deel van het geschil dat op IE-rechten ziet is zeer beperkt ten opzichte van het geheel. Daar komt bij dat Trade ID geen specificatie van de door haar gemaakte kosten in het geding heeft gebracht, zodat de redelijkheid daarvan niet kan worden beoordeeld. Dat Trade ID aanspraak heeft gemaakt op het indicatietarief doet daaraan niet af. De kosten aan de zijde van Trade ID worden daarom tot op heden begroot op:
- dagvaarding € 103,33
- griffierecht € 676,00
- salaris advocaat € 1.196,00 (2 punten x tarief € 598,00)
Totaal € 1.975,33
5.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal, op de hierna te melden wijze, worden toegewezen.
6De beoordeling in het incident (vorderingen sub 1 tot en met 3)
6.1.
Trade ID stelt dat [partij B4] reeds vóór 1 november 2021 een onderneming heeft opgebouwd aan de hand van de goodwill, het personeel, de bedrijfsruimte, voorraden en inventaris van [partij B2] . Volgens Trade ID heeft zij rechtmatig belang bij afschrift van de gevorderde bescheiden (zie 4.1) die nodig is om (a) definitief te kunnen vaststellen dat [partij B2] / [partij B1] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst en dat [partij B] onrechtmatig hebben gehandeld en (b) haar schadevorderingen deugdelijk te kunnen onderbouwen. Daarbij beroept Trade ID zich op artikel 15 van de franchiseovereenkomst en de artikelen 22 en 843a Rv.
6.2.
[partij B] voert als verweer dat [partij B4] nooit in een contractuele relatie tot Trade ID heeft gestaan en dat dit ook geldt voor [partij B1] vanaf het moment dat hij zijn eenmanszaak in [bedrijf 1] B.V. (later [partij B2] ) heeft ingebracht. Volgens [partij B] kan daarom alleen [partij B2] door Trade ID worden aangesproken tot nakoming van de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. Voorts stelt [partij B] dat de artikelen 15 en 23.3 van de franchiseovereenkomst geen postcontractuele werking hebben.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat [partij B2] op grond van artikel 15.2 van de franchiseovereenkomst gehouden is om gegevens aan Trade ID te verschaffen die zij nodig heeft om de in dat artikel bedoelde inspectie te kunnen uitoefenen. Voor zover de inzagevordering niet op deze contractuele verplichting kan worden gebaseerd geldt voor toewijzing van deze vordering ingevolge artikel 843a Rv drie cumulatieve voorwaarden:
(i) de eiser of verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift; (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden; en (iii) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat Trade ID geen (rechtmatig) belang heeft bij een afschrift van de sub (a) gevorderde documenten, omdat uit de tussen [partij B2] en [partij B4] gesloten koopovereenkomst in voldoende mate blijkt welke activa aan [partij B4] is overgedragen, wanneer dit heeft plaatsgevonden en onder welke voorwaarden. Daarbij betrekt de rechtbank dat [partij B] onweersproken heeft gesteld dat de gesprekken hierover tussen [partij B1] en zijn partner als bestuurder van [partij B4] mondeling zijn gevoerd en niet schriftelijk via brieven, e-mails of WhatsApp-berichten.
Ten aanzien van de sub (b) gevorderde afschrift van de lijst van de voorraden en inventaris waarover [partij B2] op 31 oktober 2021 beschikte, althans waarover zij beschikte tot de overdracht aan [partij B4] , is de rechtbank van oordeel dat [partij B2] ingevolge artikel 15.2 van de franchiseovereenkomst daartoe contractueel gehouden is. Trade ID heeft nog recht op een franchise fee over deze voorraden. [partij B] heeft tegen dit onderdeel ook geen verweer gevoerd.
Tegen de sub (c) gevorderde afschrift van de huurovereenkomst tussen de verhuurder van het perceel [adres] te [vestigingsplaats 2] en [partij B4] heeft [partij B] aangevoerd dat Trade ID daarbij geen belang heeft, omdat uit de koopovereenkomst tussen [partij B2] en [partij B4] reeds volgt dat [partij B4] deze huurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden van [partij B2] heeft overgenomen. Trade ID heeft hierop niet meer gereageerd, zodat dit onderdeel moet worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet is gebleken welk belang Trade ID bij het verkrijgen van deze stukken heeft als het gaat om de schadevaststelling.
Ditzelfde geldt voor de sub (d) gevorderde afschrift van alle correspondentie met (oud)werknemers van [partij B2] alsmede de met hen gesloten arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht.
De rechtbank zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren.
Proceskosten
6.5.
Nu de vorderingen in incident slechts voor een beperkt deel zijn toegewezen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
in de hoofdzaak
7.1.
verklaart voor recht dat [partij B1] tegenover Trade ID toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit artikel 23.1 van de franchiseovereenkomst en dat [partij B2] tegenover Trade ID toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit artikel 19 van de franchiseovereenkomst en dat zij daardoor aansprakelijk zijn voor de schade die Trade ID als gevolg van deze tekortkomingen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
7.2.
beveelt [partij B1] en [partij B3] ieder voor zich om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de door laatstgenoemde gehouden domeinnaam < [internetsite 4] > over te (laten) dragen aan Trade ID , althans iedere medewerking te verlenen om de tenaamstelling van deze domeinnaam te (doen) zetten op naam van Trade ID als de domeinnaamhouder, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 ineens te vermeerderen met € 500,00 per dag dat niet is voldaan aan dit bevel, tot het maximum van
€ 50.000,00 is bereikt;
7.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van Trade ID tot op heden begroot op € 1.975,33, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;
7.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in het incident
7.5.
beveelt [partij B2] , [partij B1] en [partij B4] om binnen tien dagen na het vonnis afschrift beschikbaar te stellen van een lijst van de voorraden en inventaris (daaronder mede, maar niet uitsluitend begrepen afschrift van het relevante deel van de (voorraad)administratie van [partij B2] ) waarover [partij B2] op 31 oktober 2021 beschikte, althans waarover zij beschikte tot de overdracht van die voorraden en inventaris aan [partij B4] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 ineens als zij hiermee in gebreke blijven, en
€ 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat deze overtreding voortduurt, tot het maximum van € 50.000,00 is bereikt;
7.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.7.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de hoofdzaak en in het incident
7.8.
verklaart 7.2, 7.3 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2023. (PS)
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/279795 / HA ZA 22-122
Vonnis in incident en in hoofdzaak van 19 april 2023
in de zaak van
TRADE ID B.V.,
te Hengelo,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. S.I.P. Schouten te Amsterdam,
tegen
1 [partij B2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,2. [partij B4] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,3. [partij B1],
te [woonplaats 1] ,4. [partij B5] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,5. [partij B3] B.V.,
te [vestigingsplaats 1]
gedaagden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaten: mrs. M.W. Renzen en M. Kooiman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Trade ID en [partij B] (dan wel afzonderlijk [partij B2] , [partij B4] , [partij B1] , [partij B5] en [partij B3] ) worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (tussen)vonnis in incident en in hoofdzaak van 6 juli 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties (45 t/m 47) van Trade ID ;
- de e-mails van [partij B] van 22 november 2022 met de proceskostenopgave;
- de spreekaantekeningen van Trade ID ;
- de spreekaantekeningen van [partij B]; - de mondelinge behandeling van 23 november 2022 waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Trade ID verwijt [partij B2] en [partij B1] dat zij hun verplichtingen uit de franchiseovereenkomst niet zijn nagekomen. Volgens Trade ID heeft zij daardoor schade geleden. In de hoofdzaak vordert Trade ID verklaringen voor recht, een verbod op (dreigende) inbreuk op haar handelsnaamrecht en overdracht van domeinnamen. Teneinde de omvang van haar schade te kunnen vaststellen vordert Trade ID in het incident diverse bescheiden van [partij B2] , [partij B1] en [partij B4] , op straffe van een dwangsom. De vorderingen van Trade ID in de hoofdzaak zijn (grotendeels) toewijsbaar. De incidentele vordering zal (grotendeels) worden afgewezen. De rechtbank zal dat hierna toelichten. Voor het oordeel zijn de volgende feiten relevant.
3De feiten
3.1.
Trade ID heeft onder de handelsnaam “ [naam 3] ” een franchiseformule ontwikkeld ter onderscheiding en exploitatie van winkels gespecialiseerd in fitnessapparatuur, fitnessartikelen, voedingssupplementen, (preventieve) gezondheidshulpmiddelen, wellness, artikelen met betrekking tot vechtsport en yoga, sport & spelartikelen, trampolines, kleding en accessoires in al deze categorieën.
3.2.
Op 18 mei 2016 hebben Trade ID en [partij B1] h.o.d.n. [bedrijf 1] een franchiseovereenkomst (hierna: de franchiseovereenkomst) gesloten. Deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 7. Financiële afspraken
7.1
Franchisenemer betaalt Franchisegever 4,84% van de omzet van de onderneming per maand. Onder omzet wordt verstaan: de som van de voor levering van artikelen en het verrichten van diensten in het kader van de onderneming aan derden in rekening gebrachte bedragen, exclusief BTW met uitzondering van de bedragen uit artikel 6.2 d en 8.2 b.
(…).
Artikel 10. Industriële en Intellectuele Eigendom (IE)
10.1
Franchisenemer erkent het uitsluitend recht van Franchisegever op de IE Rechten.
10.2
Franchisenemer zal de IE Rechten uitsluitend gebruiken ten behoeve van de exploitatie van [bedrijf 1] , daaronder begrepen reclames en marketing ter bevordering van de verkoop van de franchise goederen. Daarbuiten zal Franchisenemer zich onthouden van elk gebruik van IE Rechten, noch derden toestaan deze te gebruiken.
(…).
Artikel 11. Zelfstandig ondernemerschap
(…).
11.2
Franchisenemer is verplicht zich gedurende de looptijd van deze franchiseovereenkomst ingeschreven te houden als zelfstandig ondernemer in het handelsregister van de kamer van Koophandel, onder geen andere naam dan handelend onder de naam “ [bedrijf 1] ”. De eenmanszaak kan worden omgezet in een B.V. waarbij alle rechten en plichten van rechtspersoon overgaan in de B.V. waarvan Franchisenemer enig aandeelhouder is.
(…).
Artikel 15. Inspectie
15.1
Franchisenemer stemt er mee in dat door of vanwege Franchisegever controle periodiek en/of incidenteel zal worden uitgeoefend op de juiste nakoming door Franchisenemer van de bepalingen van deze franchiseovereenkomst en de daarvan deel uitmakende voorschriften en aanwijzingen. Wanneer onverwijld bepaalde zaken niet zijn nagekomen zullen Franchisenemer en Franchisegever in onderling overleg schriftelijk vastleggen wanneer zaken afgerond zullen zijn.
15.2
Franchisenemer verschaft daartoe op verzoek van Franchisegever aan hen die gegevens welke voor een dergelijke controle noodzakelijk zijn.
Artikel 19. Aanbiedingsplicht
19.1
Indien de Franchisenemer gedurende de looptijd van deze overeenkomst (de directe of indirecte zeggenschap van) het verkooppunt geheel of gedeeltelijk wenst over te dragen aan een derde of de exploitatie wenst te staken, is de Franchisenemer verplicht het verkooppunt door middel van een aangetekende brief met bericht van ontvangst aan te bieden aan Franchisegever. In alle gevallen is de Franchisenemer verplicht, voor de duur van deze overeenkomst, ernaar te streven dat het verkooppunt voor de Franchisegever in de toekomst behouden blijft. De Franchisenemer zal bij aanbieding gedetailleerd en (schriftelijk door onderliggende stukken) gemotiveerd de door hem vastgestelde koopsom, alsmede de overige verkoopvoorwaarden meedelen aan Franchisegever.
19.2
Direct na ontvangst van de informatie zal de Franchisegever bekijken of zij het verkooppunt wil overnemen. De Franchisegever zal binnen 30 dagen na de aanbieding van de Franchisenemer uitspreken of de intentie bestaat het verkooppunt over te nemen. De Franchisegever heeft drie (3) maanden na deze aanbieding de tijd om met de Franchisenemer tot overeenstemming te komen over de overdracht van het verkooppunt.
19.3
Indien de Franchisegever niet tot aankoop overgaat zullen overige [naam 3] Franchisenemers twee (2) maanden de tijd hebben om het verkooppunt over te nemen.
19.4
Indien binnen de genoemde periode geen overeenstemming is bereikt over de verkoop van het verkooppunt kan de Franchisenemer het verkooppunt vrijelijk verkopen aan derden tegen minimaal dezelfde voorwaarden als de voorwaarden waartegen Franchisegever het verkooppunt kon kopen. Franchisenemer is gehouden, voordat de koop met deze derde wordt geëffectueerd, een getekende verklaring van een accountant aan Franchisegever te verstrekken, waaruit de correcte naleving van dit artikel blijkt.
Artikel 21. Overname goederenvoorraad en/of inventaris
21.1
Indien deze franchiseovereenkomst eindigt zullen Franchisegever en Franchisenemer in overleg treden of Franchisegever de alsdan aanwezige goederenvoorraad zal overnemen, en zo ja, tegen welke voorwaarden. In geen geval zal Franchisegever verplicht zijn de goederenvoorraad over te nemen.
21.2
Indien deze franchiseovereenkomst eindigt om wat voor reden ook anders dan ingeval van verzuim als bedoeld in artikel 17 lid 3 zullen Franchisegever en Franchisenemer in overleg treden of Franchisegever het interieur wenst over te nemen van Franchisenemer. In geen geval zal Franchisegever verplicht zijn het interieur over te nemen.
Artikel 23. Non-concurrentiebeding
23.1
Het is de Franchisenemer, diens eventuele (in)directe bestuurders, (in)direct aandeelhouders en op welke wijze dan ook bij het verkooppunt betrokken natuurlijke personen niet toegestaan gedurende de looptijd van de overeenkomst direct of indirect betrokken te zijn, belang te hebben in, al dan niet werkzaam te zijn voor een onderneming in welke vorm dan ook die gelijk of gelijksoortig is aan of concurrerend met Franchisegever of [naam 3] Franchisenemers. De Franchisenemer zal gedurende een periode van één jaar na beëindiging van de overeenkomst binnen de vestigingsplaats of een straal van 40 km (te weten: in de huidige locatie of in de nabije omgeving van een andere Franchisenemer van [naam 3] ) niet direct of indirect, zelfstandig of in dienstverband of in de vorm van een vennootschap werkzaam zijn of financiële dan wel andere zakelijke belangen hebben bij activiteiten die soortgelijk zijn aan de door de Franchisenemer in het kader van deze overeenkomst uitgeoefende activiteiten.
23.3
Goederen die bij Franchisegever ingekocht worden zijn uitsluitend bestemd voor de verkoop in de winkel van de Franchisenemer. Het is de Franchisenemer niet toegestaan om goederen aan andere professionele partijen (concurrenten) door te leveren, incidentele collegiale ondersteuning c.q. uitwisseling uitgezonderd. Met concurrenten bedoelen we bedrijven gelijkwaardig aan de activiteiten van [naam 3] . Dus verkoop van fitnessapparatuur, sportvoeding, fitnessartikelen en fitnesskleding aan particulieren, instellingen, sportscholen, bedrijven en fysiotherapeuten.
3.3.
Op 19 mei 2016 heeft [partij B1] zijn eenmanszaak [bedrijf 1] in het handelsregister laten registreren.
3.4.
Op 14 oktober 2019 zijn Trade ID en [partij B1] een aanpassing van de franchise fee overeengekomen, waartoe zij een addendum hebben opgemaakt.
3.5.
Op 25 juni 2020 heeft [partij B1] zijn eenmanszaak in [bedrijf 1] B.V. ingebracht. [partij B1] is enig bestuurder en aandeelhouder van deze besloten vennootschap.
3.6.
Bij brief van 28 december 2020 heeft [partij B1] de franchiseovereenkomst per 1 november 2021 opgezegd.
3.7.
Bij e-mail van 21 januari 2021, aangevuld op 2 februari 2021, heeft [partij B1] de goodwill van [bedrijf 1] B.V. aan Trade ID aangeboden voor een bedrag van
€ 3.000.000,00.
3.8.
Bij brief van 18 februari 2021 heeft Trade ID in reactie op dit aanbod van [partij B1] meegedeeld dat zij niet zelf de winkel in [vestigingsplaats 2] zal exploiteren en dat [partij B1] zijn winkel zo spoedig mogelijk aan de andere franchisenemers van Trade ID tracht te verkopen.
3.9.
Bij brief van 25 februari 2021 heeft [partij B1] de goodwill van [bedrijf 1] B.V. aan de andere franchisenemers van Trade ID aangeboden voor een bedrag van € 3.000.000,00. Daarop is geen reactie gekomen.
3.10.
Op 15 april 2021 heeft [partij B1] onder meer de domeinnamen [internetsite 1] en [internetsite 2] laten registreren (hierna: de Domeinnamen).
3.11.
Op 16 juni 2021 heeft [partij B1] de domeinnaam [internetsite 3] op zijn naam laten registreren. Op 26 augustus 2021 is [e-mailadres] de administratieve contactpersoon van deze domeinnaam geworden.
3.12.
Nadat Trade ID bij e-mail van 15 juli 2021 had geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot de verkoop van de (fit)winkel in [vestigingsplaats 2] , heeft [partij B1] bij brief van 6 augustus 2021 onder meer meegedeeld dat hij geen bedrijfsmakelaar heeft ingeschakeld ten behoeve van de verkoop van deze winkel en dat hij aan zijn aanbiedingsplicht als bedoeld in artikel 19 van de franchiseovereenkomst heeft voldaan.
3.13.
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft Trade ID [bedrijf 1] B.V. gesommeerd tot nakoming van haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst.
3.14.
Bij brief van 4 oktober 2021 heeft [partij B1] onder meer meegedeeld dat hij zich niet gebonden acht aan het concurrentiebeding.
3.15.
Bij e-mail van 5 oktober 2021 heeft [partij B1] zijn voorraad en aankleding pand/inventaris/automatisering aan Trade ID te koop aangeboden voor een bedrag van
€ 2.125.175,38 exclusief btw respectievelijk € 136.000,00. Daarbij heeft [partij B1] de voorraadlijst per 5 oktober 2021 gevoegd.
3.16.
Bij e-mail van 7 oktober 2021 heeft Trade ID voor de overname van de vestiging in [vestigingsplaats 2] aan [partij B1] een (tegen)bod gedaan van € 125.000,00. [partij B1] is daarop niet ingegaan.
3.17.
Op 8 oktober 2021 is [partij B4] opgericht, waarvan mevrouw [partner verdachte] enig (middellijk) bestuurder is. Zij is de partner van [partij B1] .
3.18.
Op 1 november 2021 is de naam van [bedrijf 1] B.V. gewijzigd in [partij B2] . Op dezelfde dag hebben [partij B2] en [partij B4] een koopovereenkomst ondertekend uit hoofde waarvan [partij B2] aan [partij B4] heeft verkocht de goodwill, daaronder begrepen de rechten uit de huurovereenkomst, en de volledige inventaris zoals aanwezig in de winkel tegen een koopprijs van € 268.130,00 vrij van btw. Voorts zijn [partij B2] en [partij B4] overeengekomen dat de koopprijs voor de voorraden daags voor de levering door partijen zal worden bepaald aan de hand van de op dat moment aanwezige courante voorraad tegen de inkoopprijs welke laatstelijk voor de betreffende voorraad gold (artikel 2.2 van de koopovereenkomst).
3.19.
Bij vonnis in kort geding van 2 november 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag de vorderingen van Trade ID tegen [bedrijf 1] B.V. en [partij B1] afgewezen.
3.20.
Op 1 februari 2022 is [partij B5] opgericht, waarvan [partij B1] enig (middellijk) bestuurder en aandeelhouder is.
3.21.
Bij brief van 18 februari 2022 heeft Trade ID [partij B1] gesommeerd om met onmiddellijke ingang de (dreigende) inbreuk op haar IE-rechten te beëindigen.
3.22.
In april 2022 heeft Trade ID een vestiging in [vestigingsplaats 3] geopend.
4Het geschil in het incident en in de hoofdzaak
4.1.
Trade ID vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(1) [partij B2] , [partij B1] en [partij B4] zal bevelen om binnen tien werkdagen na het vonnis afschrift beschikbaar te stellen (door middel van overlegging in rechte, dan wel door daarvan kopieën te verschaffen, althans op een andere wijze die de rechtbank passend acht) van:
( a) alle documenten waaruit de overdracht van de goodwill, voorraden en inventaris door [partij B2] aan enige derde (waaronder begrepen [partij B4] ) blijkt, waaronder begrepen (maar niet uitsluitend) alle overeenkomsten, brieven, e-mails en WhatsApp- of andere (chat-)berichten waarmee kan worden vastgesteld welke activa door [partij B2] aan [partij B4] of een andere derde zijn overgedragen, wanneer dit heeft plaatsgevonden en onder welke voorwaarden;
(indien [partij B2] haar activa geheel of gedeeltelijk aan [partij B4] heeft overgedragen, waar het alle schijn van heeft, zullen de in de vorige alinea bedoelde overeenkomsten aldus in ieder geval overeenkomsten betreffen tussen [partij B2] en [partij B4] en gaat het wat betreft de brieven, e-mails en WhatsApp-berichten in ieder geval om de met deze communicatiemiddelen gevoerde correspondentie tussen [partij B1] (als bestuurder van [partij B2] ) en zijn echtgenote mevrouw [partner verdachte] (als bestuurder van [partij B4] );
( b) een lijst van de voorraden en inventaris (daaronder mede, maar niet uitsluitend begrepen afschrift van het relevante deel van de (voorraad)administratie van [partij B2] ) waarover [partij B2] op 31 oktober 2021 beschikte, althans waarover zij beschikte tot de overdracht van die voorraden en inventaris aan enige derde;
( c) alle correspondentie (e-mail en andere digitale (chat-)berichten daaronder begrepen) tussen [partij B2] / [partij B1] en de verhuurder van de bedrijfsruimte aan het [adres] te [vestigingsplaats 2] met betrekking tot de huursituatie vanaf 1 november 2021, waaronder begrepen eventuele (nieuwe) huurcontracten, enige akte van contractovername of anderszins, en alle gecirculeerde concepten daarvan;
( d) alle correspondentie (e-mail en andere digitale (chat-)berichten daaronder begrepen) met (oud)werknemers van [partij B2] alsmede de gesloten arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht waaruit blijkt per wanneer zij voor [partij B4] werkzaam zijn geworden en wanneer de afspraken hierover zijn gemaakt;
(2) [partij B] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 25.000,00 indien [partij B] in gebreke blijven aan het onder (1) gevorderde bevel te voldoen, en € 1.000,00 per dag dat (een onderdeel van) deze overtreding voortduurt, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, en € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat een overtreding voortduurt.
4.2.
Trade ID vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(3) voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank het in het incident gevorderde geheel of gedeeltelijk niet toewijsbaar acht: deze in het incident ingestelde vorderingen zal behandelen en toewijzen;
(4) voor recht zal verklaren dat [partij B2] en/of [partij B1] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst en dat zij daardoor hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die Trade ID als gevolg van deze tekortkomingen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(5) voor recht zal verklaren dat [partij B] (althans een of meer van [partij B]) onrechtmatig hebben gehandeld jegens Trade ID en dat zij daardoor hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die Trade ID als gevolg van deze tekortkomingen lijdt en zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(6) [partij B1] en [partij B5] zal bevelen om met onmiddellijke ingang de inbreuk op de handelsnaam “ [naam 3] ” te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00, te vermeerderen met € 500,00 per dag dat niet is voldaan aan dit bevel;
(7) [partij B1] en [partij B3] ieder voor zich zal bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de Domeinnamen over te dragen (althans te laten overdragen) aan Trade ID , althans zal bevelen iedere medewerking te verlenen om de tenaamstelling van de Domeinnamen te (doen) zetten op naam van Trade ID als de domeinnaamhouder, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00, te vermeerderen met
€ 500,00 per dag dat niet is voldaan aan dit bevel;
(8) zal bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking bedoeld in het gevorderde onder (7), indien niet tijdig wordt voldaan aan dat bevel;
(9) [partij B] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, voor zover mogelijk op de voet van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Trade ID , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Trade ID , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Trade ID in de kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover nodig voor de beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak.
5De beoordeling in de hoofdzaak
De rechtbank is relatief bevoegd
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtbank ingevolge artikel 28.3 van de franchiseovereenkomst bevoegd is om van de vorderingen van Trade ID kennis te nemen. Bij vonnis van 13 april 2022 heeft de rechtbank, locatie Almelo, de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de kamer voor handelszaken te Zwolle. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge het Zaaksverdelingsreglement rechtbank Overijssel en het daarop gebaseerde Besluit interne relatieve bevoegdheid rechtbank Overijssel voor de behandeling van deze zaak de kamer voor handelszaken te Zwolle de aangewezen rechter is, omdat sprake is van intellectueel eigendom.
Grondslagen vorderingen Trade ID
5.2.
Aan haar vorderingen legt Trade ID , samengevat, ten grondslag dat [partij B2] en [partij B1] tegenover haar toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen voortvloeiende uit de franchiseovereenkomst, althans dat zij tegenover haar onrechtmatig hebben gehandeld. Daartoe voert Trade ID aan dat [partij B2] en [partij B1] het bepaalde in de artikelen 19, 20, 21, 22 en 23 lid 1 en lid 3 van de franchiseovereenkomst hebben geschonden. Daarnaast stelt Trade ID dat [partij B1] en [partij B5] inbreuk hebben gemaakt op haar handelsnaamrecht door zonder toestemming de naam “ [naam 3] ” als handelsnaam en in domeinnamen te gebruiken. [partij B] betwist dit alles. De rechtbank zal de vorderingen van Trade ID hierna afzonderlijk bespreken.
Contractspartij
5.3.
In 2020 heeft [partij B1] zijn eenmanszaak omgezet naar de besloten vennootschap [bedrijf 1] . Op grond van artikel 11 lid 2 van de franchiseovereenkomst zijn daardoor de contractuele rechten en plichten van de eenmanszaak overgegaan op [bedrijf 1] , thans [partij B2] . [partij B2] heeft vanaf dat moment te gelden als franchisenemer. De eerste vraag die voorligt is of [partij B1] na de omzetting nog aan het non-concurrentiebeding gebonden is.
De uitleg van het non-concurrentiebeding
5.4.
De rechtbank stelt vast dat partijen ieder een eigen uitleg geven aan de tekst van het non-concurrentiebeding als bedoeld in artikel 23.1 van de franchiseovereenkomst. Bij de vraag welke afspraken partijen hebben gemaakt is niet alleen de tekst van dit artikel van belang, maar vooral ook wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Daarbij zijn de feiten en de omstandigheden waaronder de afspraken tot stand zijn gekomen van belang (Haviltex-maatstaf).
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van het non-concurrentiebeding met zich brengt dat behalve [partij B2] als opvolgend franchisenemer ook [partij B1] daaraan gebonden is. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.6.
In 2016 hebben partijen onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst. Daarbij is ook gesproken over het non-concurrentiebeding. Trade ID heeft verwezen naar het verloop van de onderhandelingen met [partij B1] over de inhoud en tekst van de franchiseovereenkomst, zoals dit blijkt uit de (door Trade ID als productie 36 overgelegde) uitvoerige e-mailcorrespondentie tussen [partij B1] en Roijé. In deze e-mails wordt de tekst van de franchiseovereenkomst op detailniveau besproken. Daaruit volgt dat [partij B1] aanvankelijk bezwaar maakte tegen het non-concurrentiebeding maar dat Trade ID het non-concurrentiebeding wilde handhaven. Vervolgens hebben partijen gesproken over de mogelijkheid om inspanningsverplichtingen voor Trade ID op te nemen en dat [partij B1] bij niet-nakoming van deze verplichtingen door Trade ID de franchiseovereenkomst kon ontbinden. [partij B1] heeft daartoe ontbindende voorwaarden voorgesteld (zie productie 37 van Trade ID ). Op 18 mei 2016 hebben partijen de franchiseovereenkomst met daarin het non-concurrentiebeding ondertekend.
5.7.
Daargelaten of partijen over de genoemde ontbindende voorwaarden overeenstemming hebben bereikt, moet uit deze gang van zaken worden afgeleid dat Trade ID en [partij B1] uitdrukkelijk zijn overeengekomen om het non-concurrentiebeding wel in de franchiseovereenkomst op te nemen. Niet gesteld of gebleken is verder dat partijen bij de redactie van artikel 11.2 hebben gesproken over de gevolgen van een omzetting voor de binding van [partij B1] aan artikel 23. Daaruit blijkt dat het in 2016 de bedoeling van partijen is geweest dat het non-concurrentiebeding gold voor de eenmanszaak van [partij B1] , en daarmee voor [partij B1] als natuurlijk persoon. Partijen verschillen op dit punt ook niet van mening.
De gevolgen van het wijzigen van de rechtsvorm
5.8.
[partij B] betoogt dat de verplichtingen uit het non-concurrentiebeding bij het wijzigen van de rechtsvorm in 2020 ingevolge artikel 11.2 van de franchiseovereenkomst zijn overgegaan op [bedrijf 1] B.V. Zij verwijst daarbij naar de tekst van de franchiseovereenkomst. Nu de tweede zin van artikel 23.1 niet ziet op bestuurders of aandeelhouders, maar enkel op de vennootschap zelf is [partij B1] volgens [partij B] niet langer gebonden aan het non-concurrentiebeding.
5.9.
[partij B] wordt daarin niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank miskent [partij B] dat niet alleen de tekst van belang is, maar vooral ook wat partijen van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Uit hetgeen [partij B] heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de oorspronkelijke intentie van partijen (dat [partij B1] aan het beding is gebonden) is gewijzigd bij het omzetten van de rechtsvorm in 2020. Zo is niet gesteld of gebleken dat partijen in 2016 dan wel in 2020 hebben gepraat over de gevolgen van de rechtsvormwijziging voor (de binding aan) het non-concurrentiebeding. Daar komt bij dat [partij B1] ter zitting juist heeft verklaard dat hij pas later, na de wijziging van de rechtsvorm, tot de ontdekking is gekomen dat uit de tekst van het non-concurrentiebeding kan worden afgeleid dat deze verplichtingen zijn overgegaan op de vennootschap en niet langer golden voor hemzelf. Daaruit blijkt dat [partij B1] bij het wijzigen van de rechtsvorm in 2020 niet de verwachting had dat het non-concurrentiebeding voor hem niet langer gold. Dat Trade ID deze verwachting destijds wel had, kan evenmin uit de feitelijke omstandigheden worden afgeleid. Dat leidt ertoe dat partijen in 2020 van elkaar mochten verwachten en begrijpen dat het concurrentiebeding gold en zou blijven gelden voor [partij B1] , ook na wijziging van de rechtsvorm. In dat verband heeft Trade ID terecht aangevoerd dat het niet de bedoeling van partijen kan zijn geweest dat [partij B1] , theoretisch gezien, een dag na het sluiten van de franchiseovereenkomst een besloten vennootschap had kunnen oprichten waarmee hij zich zou kunnen onttrekken aan de werking van het uitdrukkelijk uitonderhandelde non-concurrentiebeding.
5.10.
De tekst van artikel 11.2 in samenhang bezien met de tekst van artikel 23.1 van de franchiseovereenkomst leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 11.2 voorziet in de mogelijkheid de eenmanszaak om te zetten in een vennootschap waarbij alle rechten en plichten overgaan op de vennootschap waarvan franchisenemer enig aandeelhouder is. Artikel 23.1 bestaat uit twee delen. De eerste volzin heeft betrekking op concurrentie gedurende de looptijd van de overeenkomst. Daarin is opgenomen dat het verbod betrekking heeft op : (…) “de Franchisenemer, diens eventuele (in) directe bestuurders, (in) direct aandeelhouders en op welke wijze dan ook bij het verkooppunt betrokken natuurlijke personen” (…). De tweede, in dezelfde alinea en dus daarop aansluitende, volzin ziet op een concurrentieverbod gedurende de periode van één jaar na beëindiging van de overeenkomst. In deze tweede zin is enkel “de Franchisenemer” genoemd, zonder de hierboven vermelde toevoeging. [partij B] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat uit deze tekst blijkt dat het non-concurrentiebeding na beëindiging van de overeenkomst enkel betrekking heeft op de vennootschap zelf en niet op de daarbij betrokken natuurlijke personen. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt het weglaten van de toevoeging een verschrijving te zijn en kan dit, onder de gegeven omstandigheden, in redelijkheid niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk overeengekomen beperking van de werkingssfeer van het beding. Dat geldt temeer nu niet is gebleken van gewijzigde intenties bij partijen, zoals hiervoor is overwogen. Het voorgaande betekent dat het concurrentieverbod ook geldt ten aanzien van bestuurders, aandeelhouders en andere betrokkenen en dat [partij B1] , nadat hij zijn eenmanszaak in [bedrijf 1] B.V. (later: [partij B2] ) had ingebracht, nog steeds aan het non-concurrentiebeding was gebonden. Dit oordeel wijkt af van het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter van 2 november 2021, hetgeen zich onder meer laat verklaren door het uitgebreidere feitenonderzoek dat in de bodemprocedure heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft te gelden dat de bodemrechter niet gebonden is aan een voorlopige voorziening getroffen in een kort geding.
Hebben [partij B2] en [partij B1] het non-concurrentiebeding overtreden?
5.11.
Op grond van het non-concurrentiebeding is het [partij B2] en [partij B1] gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst verboden, kort gezegd, betrokken te zijn bij een onderneming die gelijk of gelijksoortig is aan of concurrerend is met [naam 3] . Na beëindiging van de overeenkomst is het [partij B2] en [partij B1] gedurende één jaar verboden werkzaam te zijn of financiële belangen te hebben bij activiteiten die soortgelijk zijn aan de activiteiten die zij in het kader van deze overeenkomst hebben uitgevoerd.
5.12.
Trade ID heeft gesteld dat [partij B2] en [partij B1] , zowel gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst als binnen één jaar na beëindiging hiervan, het non-concurrentiebeding hebben overtreden. Trade ID heeft daarvoor de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Op 15 april 2021 heeft [partij B1] eerst de Domeinnamen laten registreren en daarna – op 16 juni 2021 – de domeinnaam [internetsite 3] . Voorts heeft de heer [naam 1] , directeur van [bedrijf 2] B.V. te [vestigingsplaats 4] , op 26 juli 2022 schriftelijk verklaard dat [partij B1] tijdens een gesprek op 6 september 2021 heeft aangegeven “dat hij op dezelfde locatie een nieuwe winkel zou beginnen en dat wij ons zoals eerder al aangegeven, geen zorgen zouden hoeven maken over omzetverlies in die regio. Naam van zijn nieuwe onderneming kon en wilde hij nog niet zeggen en ook op onze vraag hoe de afwikkeling met de franchise zou zijn, werd enkel gezegd dat dat allemaal goed zou komen. Afgesproken is toen dat wij hem wel voorlopig wilde leveren aangezien er momenteel geen nieuwe (andere) winkel van de [naam 3] organisatie zat in die regio. Mocht dat wel op een gegeven moment het geval zijn, [naam 3] dan geleverd zou worden. Na 1 november 2021 is de naam van de nieuwe onderneming bij ons bekend geworden, [partij B4] .” (zie productie 47 van Trade ID ). Deze verklaring van [naam 1] strookt met de rechtsoverwegingen 2.4 en 4.2 van het tussen [partij B4] en [bedrijf 2] B.V. gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 15 juli 2022 (zie productie 45 van Trade ID ). Verder heeft [partij B4] blijkens de in r.o. 3.18 bedoelde koopovereenkomst op of omstreeks 1 november 2021 de activa van [partij B2] overgenomen. [partij B4] is in dezelfde branche actief als [partij B2] . [partij B1] heeft erkend dat hij “na een paar maanden te hebben nagedacht wat hij wilde doen, maar niets kon bedenken” voor [partij B4] is gaan werken (zie randnummer 3.25 van de conclusie van antwoord). Dat [partij B1] vanaf december 2021 (in)direct bij de activiteiten van Fitforce is betrokken, blijkt ook uit zijn sociale media (zie randnummers 57 t/m 61 van de dagvaarding). Volgens Trade ID volgt uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat [partij B1] het non-concurrentiebeding heeft overtreden.
5.13.
[partij B] heeft dit alles onvoldoende weersproken. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval worden afgeleid dat [partij B1] binnen een jaar na beëindiging van de franchiseovereenkomst werkzaam was bij een concurrent. Daarmee heeft [partij B1] het non-concurrentiebeding overtreden. Ten aanzien van [partij B2] kan een overtreding van dit beding niet worden vastgesteld. Niet gebleken is immers dat de vennootschap betrokken is (geweest) bij of financiële belangen heeft of had in concurrerende activiteiten.
5.14.
Aangezien uit het voorgaande volgt dat [partij B1] nog gebonden is aan het concurrentiebeding en geoordeeld wordt dat [partij B1] het concurrentiebeding heeft geschonden, behoeft het voorwaardelijk of subsidiair ingenomen standpunt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie (randnummer 96 dagvaarding) geen bespreking.
Heeft [partij B2] de aanbiedingsplicht geschonden?
5.15.
Trade ID stelt daarnaast dat [partij B2] haar aanbiedingsplicht als bedoeld in artikel 19 van de franchiseovereenkomst niet is nagekomen. Zij betoogt dat [partij B2] niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om voor de duur van de overeenkomst ernaar te streven het verkooppunt voor Trade ID voor de toekomst te behouden. [partij B] betwist dit en wijst er onder meer op dat zij eerst op 1 november 2021, dus na de looptijd van de overeenkomst, de goodwill en inventaris heeft verkocht aan [partij B4] .
5.16.
De rechtbank stelt voorop dat partijen tot uitgangspunt nemen dat de aanbiedingsplicht geldt voor de duur van de franchiseovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank moeten partijen daarin worden gevolgd, met dien verstande dat uit artikel 19 van de franchiseovereenkomst voortvloeit dat [partij B2] zich tijdens de looptijd van de overeenkomst ervoor moet inspannen dat het verkooppunt voor Trade ID behouden blijft. Beoordeeld moet worden of [partij B2] heeft voldaan aan deze strekking van artikel 19.
5.17.
De rechtbank stelt vast dat [partij B2] op 21 januari 2021 en 25 februari 2021 haar goodwill aan Trade ID respectievelijk de andere franchisenemers van Trade ID voor een bedrag van € 3.000.000,- te koop heeft aangeboden en dat dit bod in beide gevallen niet is geaccepteerd.
5.18.
Trade ID betoogt dat dit bod aan haar en aan de andere franchisenemers geen realistisch bod is geweest en verwijst daarbij naar de koopovereenkomst tussen [partij B2] en [partij B4] van 1 november 2021 waarbij [partij B2] haar goodwill en inventaris tegen een koopprijs van € 268.130,00 aan [partij B4] heeft overgedragen. Trade ID voert verder aan dat [partij B2] na februari 2021 heeft geweigerd zich in te spannen om het verkooppunt aan derden aan te bieden om zo een nieuwe franchisenemer voor Trade ID te vinden. [partij B1] heeft overleg afgehouden, vragen niet beantwoord en aan Trade ID bevestigd in de e-mail van 6 augustus 2021 dat hij het verkooppunt niet te koop heeft gezet. Verder stelt Trade ID dat de koopovereenkomst al eerder dan op 1 november 2021 tot stand moet zijn gekomen, ter onderbouwing waarvan Trade ID onder meer heeft gewezen op de tekst van de koopovereenkomst en de omstandigheid dat [partner verdachte] op 1 november 2021 om 04:09 uur een e-mail aan de leveranciers van [partij B2] heeft gestuurd waarin zij aangeeft dat [partij B4] vanaf 1 november 2021 alle rechten en plichten van [bedrijf 1] B.V. heeft overgenomen en dat alle backorders en lopende orders op [partij B4] kunnen worden overgezet.
5.19.
[partij B] heeft dat alles niet gemotiveerd weersproken. Zij heeft enkel betoogd dat zij niet gerechtigd was de franchiseformule te verkopen, maar dat neemt niet weg dat zij zich had kunnen en moeten inspannen om een koper te vinden en die in contact had kunnen brengen met Trade ID . [partij B] heeft geen concrete onderbouwing gegeven voor het verschil in het bod van € 3.000.000,- en de uiteindelijke verkoopprijs van € 268.130,-. Dit leidt ertoe dat de rechtbank Trade ID volgt in haar standpunt dat het bod aan Trade ID en de overige franchisenemers geen realistisch bod is geweest. Daarnaast kan worden vastgesteld dat [partij B2] , na dit niet realistische bod, geen serieuze inspanningen heeft verricht om het verkooppunt aan derden te verkopen en een nieuwe franchisenemer voor Trade ID te vinden. Zo bevestigt [partij B1] in zijn e-mail van 6 augustus 2021 dat hij de onderneming niet te koop heeft aangeboden. Dit leidt tot het oordeel dat [partij B2] niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om ernaar te streven dat het verkooppunt voor Trade ID in de toekomst behouden blijft. Dit betekent dat [partij B2] in zoverre tegenover Trade ID is tekortgeschoten.
5.20.
Verder stelt Trade ID dat zij niet door [partij B2] conform artikel 21 van de franchiseovereenkomst in staat is gesteld om de voorraden en inventaris van [partij B2] te kopen. Geoordeeld wordt dat op [partij B2] enkel de verplichting rustte om in overleg te treden over de bij Trade ID / [bedrijf 3] ingekochte voorraden en inventaris. Volgens [partij B2] heeft zij dit gedaan. Trade ID heeft haar standpunt vervolgens onvoldoende nader onderbouwd. Daar komt bij dat [partij B] onweersproken heeft aangevoerd dat dit slechts 3% van het geheel bedroeg. Van een toerekenbare tekortkoming op dit punt is onvoldoende gebleken.
5.21.
Het beroep op de artikelen 20 (bescherming franchise bij beëindiging) en 22 (geheimhouding) van de franchiseovereenkomst heeft Trade ID onvoldoende concreet onderbouwd. Evenmin heeft zij daaraan een duidelijke conclusie verbonden. Dat leidt ertoe dat hieraan voorbij zal worden gegaan.
Schade?
5.22.
Door de hiervoor bedoelde tekortkomingen van [partij B2] en [partij B1] acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat Trade ID mogelijk schade heeft geleden. Om de omvang van de schade te bepalen zal de rechtbank – conform het verzoek van Trade ID – de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het niet voldoen aan de inspanningsverplichting door [partij B2] nog niet betekent dat Trade ID daardoor een verkooppunt mist. Ook indien [partij B2] zich wel had ingespannen is immers mogelijk dat het verkooppunt niet behouden was gebleven voor Trade ID . Trade ID zal in de schadestaatprocedure haar schade nader dienen te onderbouwen.
Tussenconclusie hoofdzaak (vorderingen sub 4 en sub 5)
5.23.
Uit het voorgaande volgt dat de sub (4) gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de gestelde tekortkomingen van [partij B2] en [partij B1] toewijsbaar is. De sub (5) gevorderde verklaring voor recht die ziet op onrechtmatige daad zal worden afgewezen. Gelet op het voorgaande heeft Trade ID daarbij geen zelfstandig belang voor zover deze verklaring ziet op [partij B2] en [partij B1] . Ten aanzien van [partij B4] , [partij B5] en [partij B3] heeft Trade ID onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat deze gedaagden tegenover Trade ID onrechtmatig hebben gehandeld.
Hebben [partij B1] en [partij B5] inbreuk gemaakt op IE-rechten, zoals het handelsnaamrecht van Trade ID ? (vordering sub 6)
5.24.
Trade ID stelt dat [partij B1] en [partij B5] (dreigende) inbreuk maken op haar handelsnaamrecht door gebruik te maken van haar oudere handelsnaam “ [naam 3] ” waardoor verwarringsgevaar is te duchten bij het in aanmerking te nemen publiek, waaronder consumenten en zakelijke partijen. Volgens Trade ID kan [partij B1] persoonlijk worden aangesproken, omdat hij als oprichter, (middellijk) bestuurder en enig aandeelhouder van [partij B5] de feitelijk beleidsbepaler is.
5.25.
[partij B] voert als primair verweer dat niet Trade ID maar [bedrijf 3] rechthebbende is van het beeldmerk [naam 3] . Volgens [partij B] is Trade ID slechts gerechtigd tot het gebruik hiervan. Subsidiair stelt [partij B] dat [partij B5] niet aan het handelsverkeer deelneemt, zodat geen verbod op grond van de Handelsnaamwet kan worden gevorderd. [partij B] betwist verder dat de activiteiten van [partij B5] inbreuk maken op het (beeld)merkrecht van Trade ID . Voorts wijst [partij B] erop dat [naam 3] een beschrijvende handelsnaam is die onderscheidend vermogen mist en daarom geen bescherming geniet. Tot slot betwist [partij B] dat sprake is van verwarringsgevaar.
5.26.
De rechtbank overweegt dat Trade ID voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij de handelsnaamrechthebbende is, dat de [naam 3] -franchiseformule door haar wordt geëxploiteerd en dat zij de handelsnaam aan, onder andere, [bedrijf 3] in licentie heeft gegeven. Ter zitting heeft de heer B.G. [naam 2] , (middellijk) bestuurder van [bedrijf 3] , voor zover dat nodig is, bevestigd dat Trade ID de last en toestemming van [bedrijf 3] heeft om de handelsnaam- en merkrechten ten aanzien van [naam 3] in eigen naam te handhaven in rechte. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat Trade ID bevoegd is om in deze procedure te vorderen dat [partij B1] en [partij B5] per direct de inbreuk op de handelsnaam “ [naam 3] ” te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, op straffe van een dwangsom. Daarbij betrekt de rechtbank dat [bedrijf 4] B.V., waarvan [naam 2] zelfstandig bevoegd bestuurder is, op haar beurt (enig) bestuurder is van Trade ID .
5.27.
Nu [partij B] evenwel onweersproken heeft gesteld dat [partij B5] (nog) niet aan het handelsverkeer deelneemt (en dat reeds daarom van een inbreuk op het handelsnaamrecht van Trade ID door [partij B5] geen sprake kan zijn) en Trade ID geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat [partij B5] inbreuk op het handelsnaamrecht van Trade ID heeft gemaakt of dreigt te maken, zal de rechtbank het sub (6) gevorderde bevel afwijzen.
5.28.
Ten aanzien van [partij B1] heeft Trade ID ook een bevel gevorderd om de (dreigende) inbreuk op de handelsnaam “ [naam 3] ” te staken. Deze vordering moet eveneens worden afgewezen, nu niet is gebleken van een handelen in strijd met deze handelsnaam door [partij B1] als natuurlijk persoon. Indien Trade ID [partij B1] als bestuurder heeft willen aanspreken kan zij daarin - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet worden gevolgd. Daarvoor heeft zij te weinig feiten gesteld.
Moeten [partij B1] en [partij B3] de domeinnaam < [internetsite 4] > aan Trade ID overdragen? (vorderingen sub 7 en sub 8)
5.29.
Het recht op een domeinnaam is niet wettelijk geregeld. Als uitgangspunt geldt dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registeren, alleen gedwongen kan worden de domeinnaam aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of kan voortvloeien uit de omstandigheid dat de registratie of het gebruik van de domeinnaam jegens die ander onrechtmatig is (HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2221).
5.30.
In dit geval moet worden beoordeeld of [partij B1] en [partij B3] met het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > inbreuk maken op enig recht dat Trade ID heeft uit hoofde van de Handelsnaamwet dan wel anderszins onrechtmatig handelen jegens Trade ID .
5.31.
Ten aanzien van een eventuele inbreuk op het handelsnaamrecht door [partij B3] met betrekking tot het gebruik van de handelsnaam “ [naam 3] ” stelt [partij B] zich op het standpunt dat de domeinnaam < [internetsite 4] > niet gebruikt wordt als handelsnaam, dat wil zeggen als naam waaronder de onderneming wordt gedreven. De domeinnaam wordt enkel gebruikt voor het zogenaamde doorlinken naar de website van [partij B4] . Gelet daarop kan niet worden gezegd dat onder de domeinnaam op commerciële wijze wordt deelgenomen aan het handelsverkeer. Van een handelsnaamrechtinbreuk is derhalve geen sprake.
5.32.
Trade ID betoogt dat [partij B1] en [partij B3] niettemin onrechtmatig handelen jegens haar. Daartoe heeft Trade ID gemotiveerd gesteld dat [partij B1] de domeinnaam < [internetsite 4] > enkel en alleen heeft geregistreerd om op een voor het publiek verwarrende wijze te kunnen aanhaken bij de naamsbekendheid van Trade ID / [naam 3] . Daardoor zijn (potentiële) klanten van Trade ID terechtgekomen bij [partij B4] .
5.33.
Bij de beoordeling van de vraag of [partij B1] en [partij B3] onrechtmatig handelen jegens Trade ID door de registratie en het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > stelt de rechtbank voorop dat de aanduiding “ [naam 3] ” beschrijvend is voor de diensten die Trade ID en [partij B4] leveren.
Nu het in beginsel voor een ieder mogelijk moet zijn zich van een aanduiding te bedienen die beschrijvend is voor zijn diensten of producten, ook in een domeinnaam, is in een geval als het onderhavige het gebruik van een dergelijke aanduiding alleen onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke bijkomende omstandigheden aan de orde indien het gebruik van een dergelijke domeinnaam nodeloos verwarring wekt. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende twee situaties: i) bij het bewust verwarring creëren om zo op misleidende wijze klanten weg te lokken bij de concurrent; of ii) wanneer geen valide reden bestaat voor het gebruik van een verwarringwekkende domeinnaam, maar alleen het dwarszitten van die concurrent wordt beoogd (vgl. conclusie Van Peursem ECLI:NL:PHR:2015:1879).
5.34.
De rechtbank is van oordeel dat de door [partij B3] gehouden domeinnaam verwarringwekkend is. De aanduidingen die zijn verwerkt in de domeinnamen < [internetsite 4] > en < [internetsite 4] > stemmen vanuit auditief, visueel en begripsmatig oogpunt geheel overeen. Alleen de toevoeging van de plaatsnaam wijkt af. Daar komt bij dat Trade ID en [partij B4] actief zijn in dezelfde branche en gevestigd zijn in dezelfde regio. Het is niet ondenkbeeldig dat (potentiële) klanten van Trade ID zich per vergissing tot (de website van) [partij B4] richten.
5.35.
Gelet daarop komt de vraag aan de orde of er bijkomende omstandigheden zijn die maken dat het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > door [partij B1] en [partij B3] nodeloos verwarring wekt, en daarmee onrechtmatig is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank dat [partij B1] in april 2021 de domeinnamen heeft geregistreerd, terwijl hij wist dat [partij B2] gebonden was aan artikel 10 van de franchiseovereenkomst en terwijl hij wist dat hij zou stoppen met [partij B2] . Door het registeren van de domeinnamen onder deze omstandigheden heeft [partij B1] de schijn gewekt dat de domeinnaam < [internetsite 4] > is verworven om doelbewust te kunnen profiteren van de naamsbekendheid van Trade ID . [partij B1] heeft de domeinnaam vervolgens overgedragen aan [partij B3] , waarvan hij bestuurder is, die heeft bewerkstelligd of, in ieder geval, heeft toegestaan dat deze domeinnaam gebruikt wordt door [partij B4] . Zonder nadere verklaring, die ontbreekt, valt voor de rechtbank niet in te zien welk legitiem, in rechte te respecteren belang [partij B1] en [partij B3] hadden bij het registreren en het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] >, anders dan het bewust verwarring creëren om zo klanten weg te lokken bij de Fitwinkelformule van Trade ID , althans Trade ID dwars te zitten.
5.36.
Uit het voorgaande volgt dat het [partij B1] is geweest, ook in zijn hoedanigheid van bestuurder van [partij B3] , die de relevante (onrechtmatige) handelingen met betrekking tot de registratie en het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > heeft verricht, waaronder de registratie van [partij B3] als houder van de gewraakte domeinnaam in maart en mei 2021 en het realiseren van een doorlink naar de website van [partij B4] . Aangezien vaststaat dat [partij B1] volledige zeggenschap heeft over [partij B3] , kan zijn (onrechtmatig) handelen mede aan die rechtspersoon worden toegerekend.
5.37.
Gelet op het voorgaande staat vast dat het gebruik van de domeinnaam < [internetsite 4] > door [partij B1] en [partij B3] onrechtmatig is. Bij die stand van zaken valt niet in te zien welk (legitiem) belang zij nog hebben bij (het houden van) de registratie van die domeinnaam. Dit betekent dat het door Trade ID sub (7) gevorderde bevel om de door [partij B3] gehouden domeinnamen aan haar over te dragen, toewijsbaar is. Daarbij zal de rechtbank de termijn conform het verzoek van [partij B] vaststellen op twee weken. Voorts zal de rechtbank de gevorderde dwangsom maximeren. Nu [partij B] heeft verklaard dat, als zij ergens toe wordt veroordeeld, zij zich daaraan zal houden, zal het sub (8) gevorderde worden afgewezen.
Proceskosten
5.38.
[partij B] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Trade ID vordert vergoeding van de proceskosten, voor zover mogelijk op de voet van artikel 1019h Rv. [partij B] zullen evenwel op basis van het liquidatietarief worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geschil in de kern geen typische IE-kwestie is maar de afwikkeling van een breuk tussen voormalige zakenpartners betreft. Het deel van het geschil dat op IE-rechten ziet is zeer beperkt ten opzichte van het geheel. Daar komt bij dat Trade ID geen specificatie van de door haar gemaakte kosten in het geding heeft gebracht, zodat de redelijkheid daarvan niet kan worden beoordeeld. Dat Trade ID aanspraak heeft gemaakt op het indicatietarief doet daaraan niet af. De kosten aan de zijde van Trade ID worden daarom tot op heden begroot op:
- dagvaarding € 103,33
- griffierecht € 676,00
- salaris advocaat € 1.196,00 (2 punten x tarief € 598,00)
Totaal € 1.975,33
5.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal, op de hierna te melden wijze, worden toegewezen.
6De beoordeling in het incident (vorderingen sub 1 tot en met 3)
6.1.
Trade ID stelt dat [partij B4] reeds vóór 1 november 2021 een onderneming heeft opgebouwd aan de hand van de goodwill, het personeel, de bedrijfsruimte, voorraden en inventaris van [partij B2] . Volgens Trade ID heeft zij rechtmatig belang bij afschrift van de gevorderde bescheiden (zie 4.1) die nodig is om (a) definitief te kunnen vaststellen dat [partij B2] / [partij B1] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst en dat [partij B] onrechtmatig hebben gehandeld en (b) haar schadevorderingen deugdelijk te kunnen onderbouwen. Daarbij beroept Trade ID zich op artikel 15 van de franchiseovereenkomst en de artikelen 22 en 843a Rv.
6.2.
[partij B] voert als verweer dat [partij B4] nooit in een contractuele relatie tot Trade ID heeft gestaan en dat dit ook geldt voor [partij B1] vanaf het moment dat hij zijn eenmanszaak in [bedrijf 1] B.V. (later [partij B2] ) heeft ingebracht. Volgens [partij B] kan daarom alleen [partij B2] door Trade ID worden aangesproken tot nakoming van de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. Voorts stelt [partij B] dat de artikelen 15 en 23.3 van de franchiseovereenkomst geen postcontractuele werking hebben.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat [partij B2] op grond van artikel 15.2 van de franchiseovereenkomst gehouden is om gegevens aan Trade ID te verschaffen die zij nodig heeft om de in dat artikel bedoelde inspectie te kunnen uitoefenen. Voor zover de inzagevordering niet op deze contractuele verplichting kan worden gebaseerd geldt voor toewijzing van deze vordering ingevolge artikel 843a Rv drie cumulatieve voorwaarden:
(i) de eiser of verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift; (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden; en (iii) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat Trade ID geen (rechtmatig) belang heeft bij een afschrift van de sub (a) gevorderde documenten, omdat uit de tussen [partij B2] en [partij B4] gesloten koopovereenkomst in voldoende mate blijkt welke activa aan [partij B4] is overgedragen, wanneer dit heeft plaatsgevonden en onder welke voorwaarden. Daarbij betrekt de rechtbank dat [partij B] onweersproken heeft gesteld dat de gesprekken hierover tussen [partij B1] en zijn partner als bestuurder van [partij B4] mondeling zijn gevoerd en niet schriftelijk via brieven, e-mails of WhatsApp-berichten.
Ten aanzien van de sub (b) gevorderde afschrift van de lijst van de voorraden en inventaris waarover [partij B2] op 31 oktober 2021 beschikte, althans waarover zij beschikte tot de overdracht aan [partij B4] , is de rechtbank van oordeel dat [partij B2] ingevolge artikel 15.2 van de franchiseovereenkomst daartoe contractueel gehouden is. Trade ID heeft nog recht op een franchise fee over deze voorraden. [partij B] heeft tegen dit onderdeel ook geen verweer gevoerd.
Tegen de sub (c) gevorderde afschrift van de huurovereenkomst tussen de verhuurder van het perceel [adres] te [vestigingsplaats 2] en [partij B4] heeft [partij B] aangevoerd dat Trade ID daarbij geen belang heeft, omdat uit de koopovereenkomst tussen [partij B2] en [partij B4] reeds volgt dat [partij B4] deze huurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden van [partij B2] heeft overgenomen. Trade ID heeft hierop niet meer gereageerd, zodat dit onderdeel moet worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet is gebleken welk belang Trade ID bij het verkrijgen van deze stukken heeft als het gaat om de schadevaststelling.
Ditzelfde geldt voor de sub (d) gevorderde afschrift van alle correspondentie met (oud)werknemers van [partij B2] alsmede de met hen gesloten arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht.
De rechtbank zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren.
Proceskosten
6.5.
Nu de vorderingen in incident slechts voor een beperkt deel zijn toegewezen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
in de hoofdzaak
7.1.
verklaart voor recht dat [partij B1] tegenover Trade ID toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit artikel 23.1 van de franchiseovereenkomst en dat [partij B2] tegenover Trade ID toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit artikel 19 van de franchiseovereenkomst en dat zij daardoor aansprakelijk zijn voor de schade die Trade ID als gevolg van deze tekortkomingen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
7.2.
beveelt [partij B1] en [partij B3] ieder voor zich om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de door laatstgenoemde gehouden domeinnaam < [internetsite 4] > over te (laten) dragen aan Trade ID , althans iedere medewerking te verlenen om de tenaamstelling van deze domeinnaam te (doen) zetten op naam van Trade ID als de domeinnaamhouder, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 ineens te vermeerderen met € 500,00 per dag dat niet is voldaan aan dit bevel, tot het maximum van
€ 50.000,00 is bereikt;
7.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van Trade ID tot op heden begroot op € 1.975,33, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;
7.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in het incident
7.5.
beveelt [partij B2] , [partij B1] en [partij B4] om binnen tien dagen na het vonnis afschrift beschikbaar te stellen van een lijst van de voorraden en inventaris (daaronder mede, maar niet uitsluitend begrepen afschrift van het relevante deel van de (voorraad)administratie van [partij B2] ) waarover [partij B2] op 31 oktober 2021 beschikte, althans waarover zij beschikte tot de overdracht van die voorraden en inventaris aan [partij B4] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 ineens als zij hiermee in gebreke blijven, en
€ 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat deze overtreding voortduurt, tot het maximum van € 50.000,00 is bereikt;
7.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.7.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de hoofdzaak en in het incident
7.8.
verklaart 7.2, 7.3 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2023. (PS)