Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:7076
2026-10-02
Strafrecht
01-025828-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging (incident 1) en zware mishandeling (incident 2) tijdens ‘De Nacht van Brabant’ op 25 oktober 2025 in de Brabanthallen. Verdachte heeft het slachtoffer tijdens incident 2 een vuistslag tegen hoofd gegeven waardoor deze met zijn hoofd op een betonnen vloer is terechtgekomen en hierdoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer wordt verworpen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Ook moet verdachte de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen van (in totaal) bijna 250.000 euro.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2026:210 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (59.071 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.025828.26
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2026 en 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
in de Brabanthallen aan de Diezekade 2, in elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het een of meermalen slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1]
en/of
- het een of meermalen schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] (terwijl
[slachtoffer 1] op de grond lag) en/of
- het een of meermalen slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of
- het een of meermalen maken van slaande bewegingen in de richting van het hoofd
en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;
Ten aanzien van feit 2 primair:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of meerdere bloedingen
tussen de schedel en de hersenen en/of meerdere bloedingen in de hersenen en/of
een zwelling van de hersenen en/of een gebroken kaak op meerdere plaatsen,
heeft toegebracht,
door
die [slachtoffer 1] met gebalde vuist en/of met kracht (onverhoeds) tegen diens hoofd en/of
gezicht te slaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen op diens hoofd;
Ten aanzien van feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met gebalde vuist en/of met kracht
(onverhoeds) tegen diens hoofd en/of gezicht te slaan, ten gevolge waarvan die
[slachtoffer 1] is gevallen op diens hoofd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge
had, te weten een schedelbreuk en/of meerdere bloedingen tussen de schedel en de
hersenen en/of meerdere bloedingen in de hersenen en/of een zwelling van de
hersenen en/of een gebroken kaak op meerdere plaatsen.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleiding.
Aan verdachte zijn twee strafbare feiten ten laste gelegd. Hij zou betrokken zijn bij de vechtpartij die ontstond na een conflict aan de bar tijdens een evenement in de Brabanthallen. Dit is ten laste gelegd als openlijke geweldpleging (feit 1). Daarnaast zou hij zich, tijdens hetzelfde evenement, schuldig hebben gemaakt aan een zware mishandeling (feit 2 primair) dan wel mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (feit 2 subsidiair) van [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 primair.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte of een van zijn medeverdachten [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] heeft geschopt. Van dat deel van de tenlastelegging moet verdachte worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 primair wordt verzocht verdachte vrij te spreken, omdat het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair is geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1: openlijk geweld.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met anderen, onder wie medeverdachte [medeverdachte] , op 25 oktober 2025 in de Brabanthallen in ‘s-Hertogenbosch, tijdens het evenement ‘De Nacht van Brabant’, geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij hebben hen geslagen tegen hun hoofd en/of hun lichaam.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Met de verdediging is de rechtbank het eens dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte of (een van) zijn medeverdachte(n) [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geschopt terwijl hij op de grond lag. Verdachte zal hiervan dan ook partieel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 primair: zware mishandeling.
Vaststelling van de feiten.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte na het incident dat hiervoor is besproken, [slachtoffer 1] een vuistslag tegen zijn hoofd heeft gegeven, waardoor [slachtoffer 1] achterover is gevallen en met zijn hoofd op de betonnen vloer terecht is gekomen. [slachtoffer 1] heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Over de wijze waarop verdachte die klap heeft gegeven, stelt de rechtbank het volgende vast. De rechtbank volgt de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] heel hard, met volle kracht en uit het niets, tegen zijn hoofd heeft geslagen. Hij kwam aangerend en sloeg hem vanachter. Getuige [getuige 1] omschrijft dit zo: ‘De aanvaller kwam vanachter. Die kwam als een malloot aanvliegen.’ Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] vanachter is geslagen. [getuige 1] en [getuige 2] verklaren allebei dat [slachtoffer 1] verdachte zeker niet heeft zien aankomen. Volgens hen was het een gerichte actie.
De rechtbank volgt verdachte dus niet in zijn verklaring dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en hij elkaar op enig moment kruisten en dat hij toen een klap heeft gegeven.
De raadsman heeft in dit verband onder meer gewezen op de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] en daarbij gesteld dat de verdediging het op basis daarvan niet aannemelijk vindt dat [slachtoffer 1] uit het niets is geslagen. De rechtbank ziet in de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] echter geen steun voor de verklaring van verdachte. Zij verklaren over een opstootje vóórdat [slachtoffer 1] werd geslagen, terwijl volgens de verklaring van de verdachte bij de politie pas ná die klap een opstootje is ontstaan. Wat opvalt is dat verdachte pas tijdens de zitting verklaart dat toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verdachte zagen, er oogcontact was en er over en weer werd geschreeuwd.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat ook [slachtoffer 2] verklaart over een opstootje nádat [slachtoffer 1] is geslagen. Een opstootje waar verdachte en hij bij betrokken zijn. En ook verklaart [slachtoffer 2] dat hij niet heeft gezien door wie zijn vader is geslagen, hetgeen eveneens niet past bij de verklaring van verdachte. De rechtbank ziet ook niet in waarom [slachtoffer 2] zou verklaren dat hij niet heeft gezien wie zijn vader een klap heeft gegeven als hij dat juist wel zou hebben gezien.
Zware mishandeling?
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte dat doel heeft beoogd. Verdachte ontkent dat. Hij heeft meerdere keren benadrukt dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Hieronder moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Bij de beantwoording van de vervolgvraag of de aanmerkelijke kans ook bewust is aanvaard, spelen de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als zozeer gericht op een bepaald gevolg zijn dat het – behoudens contra-indicaties voor het tegendeel – niet anders kan zijn dan de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtspraak omtrent de vraag of sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel als de verdachte het slachtoffer één vuistslag/klap in het gezicht heeft gegeven, is zeer casuïstisch van aard. Het is dan ook lastig algemene regels te formuleren. Wel kan worden gezegd dat bij de beantwoording van deze vraag betekenis kan toekomen aan 1) de kracht van de vuistslag/klap, 2) de gerichtheid daarvan en 3) de fysieke toestand van de verdachte, zoals getraindheid in een vechtsport en/of een hoog lichaamsgewicht.
Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte met volle kracht heeft uitgehaald en [slachtoffer 1] gericht en onverhoeds één zeer harde vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven. [slachtoffer 1] heeft de door verdachte uitgedeelde vuistslag niet zien aankomen en incasseerde deze klap tegen zijn hoofd totaal onverwacht met als gevolg een onmiddellijke vrije val achterover met zijn hoofd tegen de betonnen vloer. Onder deze omstandigheden, waarbij de rechtbank mede betrekt het gegeven dat verdachte met snelheid is komen aanrennen en zijn slag daarmee extra kracht heeft bijgezet, bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit was in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit de gedecideerde en doelgerichte wijze waarop verdachte de vuistslag heeft uitgedeeld leidt de rechtbank voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.
Dit betekent dat de rechtbank de primair ten laste gelegde zware mishandeling bewezen acht.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij de verklaringen van de anonieme getuigen (de melder naar aanleiding van Opsporing Verzocht en ‘NN blonde dame’) niet voor het bewijs gebruikt. De rechtbank komt dus niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van deze personen als getuigen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
op 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, in de Brabanthallen aan de Diezekade 2, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het slaan tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 2] en
- het maken van slaande bewegingen in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;
Ten aanzien van feit 2:
primair
op 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en bloedingen tussen de schedel en de hersenen en meerdere bloedingen in de hersenen en een zwelling van de hersenen en een gebroken kaak op meerdere plaatsen, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] met gebalde vuist en met kracht onverhoeds tegen diens hoofd te slaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen op diens hoofd.
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 een beroep gedaan op noodweer. Verzocht wordt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van feit 2 is eveneens verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging van eigen lijf en leden. Het geweld dat door verdachte is toegepast was niet proportioneel. Verdachte komt geen geslaagd beroep op een rechtvaardigingsgrond toe.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 1: beroep op noodweer.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.
De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of aannemelijk is dat sprake was van een noodweersituatie, met andere woorden: of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van verdachte.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij is namelijk van oordeel dat aannemelijk is dat [slachtoffer 2] als eerste een slaande beweging heeft gemaakt en verdachte op zijn oog heeft geraakt, zoals de verdediging aanvoert.
Echter, de verdediging daartegen was naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Verdachte had zich kunnen en moeten onttrekken door weg te lopen. In plaats daarvan blijft hij zich mengen in de groep en blijft hij [slachtoffer 2] opzoeken om het gevecht voort te zetten. Het had op de weg van verdachte gelegen om aannemelijk te maken dat hij geen andere mogelijkheid had dan terugvechten. Dat heeft verdachte niet gedaan.
Verdachte had zich dus kunnen en moeten en onttrekken aan de aanranding. Dat was een reële en redelijke mogelijkheid in dit geval.
Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van feit 2: beroep op noodweer(exces).
Ook hier moet de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of aannemelijk is dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij na de klap op zijn oog in paniek raakte en naar de uitgang wilde omdat hij naar het ziekenhuis moest in verband met zijn bloedziekte hemofilie. Verdachte heeft verklaard dat hij vader [slachtoffer 1] en zoon [slachtoffer 2] weer tegenkwam en hun paden elkaar kruisten. Volgens verdachte was er oogcontact tussen hen en werd erover en weer geschreeuwd. Verdachte had toen het idee dat hij weer aangevallen zou worden.
De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring. Hiervoor, bij de bespreking van de vraag of het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, heeft de rechtbank namelijk vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] vanachter heeft benaderd en hem vanachter heeft geslagen. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat er oogcontact is geweest, dat er is geschreeuwd en dat er handgebaren zijn gemaakt waardoor de ruzie weer oplaaide. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte.
Dat betekent dat het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen.
Ten aanzien van feit 2: putatief noodweer.
Van putatief noodweer is sprake wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. De verdachte komt een geslaagd beroep op putatief noodweer toe indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen en daarbij redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. In aanmerking dient te worden genomen of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de verdachte, ook in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen.
Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat vader en zoon [familienaam] agressief op hem af kwamen en hij bang was om weer geslagen te worden. De rechtbank gaat daar, gezien de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die de rechtbank voor de feitenvaststelling heeft gebruikt, niet van uit en volgt verdachte niet in zijn verklaring. Zijn verklaring ter terechtzitting past niet bij de objectieve bewijsmiddelen in het dossier en strookt niet met zijn verklaring bij de politie waar hij niet verklaart over een voorafgaand opstootje en vermeende dreiging.
Dat betekent dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen.
Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.
Conclusie.
Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de eis van de officier van justitie fors te matigen. In het bijzonder wordt verzocht de rechtmatigheid van de inzet van de ‘ruisstrategie’ in strafmatigende zin te betrekken bij de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld en zware mishandeling tijdens een feest in de Brabanthallen. Omdat de indruk bestond dat door [slachtoffer 1] werd voorgedrongen bij de bar waar verdachte drinken wilde halen, zijn er uiteindelijk over en weer klappen gevallen. Zowel [verdachte] als medeverdachte [medeverdachte] (en hun vrienden) hebben hier een groot aandeel in gehad. Echter, de eerste klap is gegeven door [slachtoffer 2] , de zoon van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft deze klap geïncasseerd op zijn oog, terwijl hij kampt met een ernstige vorm van de bloedziekte hemofilie. Een interne bloeding kan voor hem heel gevaarlijk zijn. Daarop is door hem en de medeverdachte gereageerd. Toch rekent de rechtbank verdachte zijn rol in deze vechtpartij aan omdat ook hij te ver is gegaan.
Verdachte heeft door [slachtoffer 1] een keiharde vuistslag te geven terwijl hij op weg was naar de uitgang, een grove fout begaan door zonder enige noodzaak fors geweld tegen hem te gebruiken. Dat deze vuistslag tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heftige en verstrekkende gevolgen heeft gehad voor [slachtoffer 1] en nog steeds heeft, staat niet ter discussie. Dit is door de dochter van [slachtoffer 1] tijdens de terechtzitting op indringende wijze verwoord. Uit het spreekrecht blijkt ook dat dit enorme impact op het gezin van [slachtoffer 1] heeft.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat veel omstanders getuige zijn geweest van de paniek die is ontstaan ten gevolge van deze klap. Sommigen zagen het beeld van hoe [slachtoffer 1] levenloos op de grond lag dagen later nog voor zich.
De persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 27 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt. Door de verdediging is ter terechtzitting benoemd dat verdachte vader is van vier jonge (biologische) kinderen. Zijn oudste dochter heeft autisme. Verdachte is sinds kort gescheiden en heeft co-ouderschap. Hij heeft al jaren last van paniekaanvallen. De incidenten in de Brabanthallen en de naar aanleiding daarvan ingezette ruisactie door de politie hebben bijgedragen aan de verergering daarvan. Op dit moment heeft verdachte geen werk, maar vanaf december zal hij aan het werk gaan als servicemonteur.
De rechtbank weegt mee dat verdachte blijk heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond.
De ruisactie.
Uit het dossier en wat tijdens de zitting is besproken, blijkt dat op 6 december 2025 een zogenaamde ruisactie is ingezet. In overleg met de officier van justitie werd besloten om een nieuwsartikel van het Brabants Dagblad uit te printen en daarop te schrijven ‘Wanneer ga jij je melden!!’. Deze brief is door een politieambtenaar van het Flexteam in de brievenbus van de woning van verdachte gedaan in de vroege ochtend, bewust op het moment dat verdachte net van huis was vertrokken. Deze politieambtenaar heeft op de deur gebonsd, was in het donker gekleed met gezichtsbedekking en reed op een fatbike.
Volgens de verdediging is deze inzet in strijd met de beginselen van goede procesorde. Zonder juridische noodzaak is, ruim nadat verdachte al als verdachte was aangemerkt en in beeld was, gekozen voor een tactische strategie, die angst bij verdachte heeft veroorzaakt. Dit moet leiden tot strafvermindering.
De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van een vormverzuim. De inzet van de ruisactie voldoet aan de daarvoor geldende criteria.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de ruisactie niet had mogen worden ingezet door het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie had met de toegezonden filmpjes en afgelegde getuigenverklaringen in ieder geval meer dan genoeg om verdachte en zijn medeverdachte(n) te horen over het tweede incident waarbij [slachtoffer 1] hersenletsel heeft opgelopen. In dit verband merkt de rechtbank op dat direct na de incidenten op 25 oktober 2025, bekend was dat verdachte in ieder geval bij de openlijk geweldpleging was betrokken. De politie heeft zelfs met verdachte in het ziekenhuis gesproken. De politie had bovendien naar eigen zeggen vóór het inzetten van de ruisactie al meerdere aanwijzingen dat verdachte verantwoordelijk zou zijn voor de laatste klap.
Voor zover de reeds ingezette opsporingsmethoden nog onvoldoende resultaat hadden opgeleverd, dan waren er op dat moment nog andere, minder verstrekkende, opsporingsmiddelen voorhanden dan verdachte onder druk te zetten naar het politiebureau te gaan, kennelijk met het doel om zich te melden en een verklaring af te leggen. Zo had de minder ingrijpende ingezette ruisstrategie om (mede)verdachte [medeverdachte] uit te nodigen voor verhoor en dat vervolgens kort van tevoren af te zeggen – in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit – eerder ingezet kunnen worden. Een vergelijkbare strategie had ook op verdachte toegepast kunnen worden.
Voordat de ruisactie op 6 december 2025 werd ingezet, was via TCI-informatie van 28 november 2025 bekend dat de zoon van het slachtoffer druk naar verdachte op zoek was omdat hij ondergedoken zat. Ook stond in deze TCI-informatie dat verdachte tijdens ‘De Nacht van Brabant’ een man dusdanig hard had geslagen dat deze in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Ook verdachte wist dat men naar hem op zoek was. Verdachte heeft zich zeer bedreigd gevoeld door het krantenartikel met daarop de tekst: “Wanneer ga jij je melden!!”.
Omdat de rechtbank vindt dat het Openbaar Ministerie te ver is gegaan met de ruisactie en de rechtbank de inzet daarvan op dat betreffende moment niet noodzakelijk acht, zal zij dit in strafmatigende zin tot uiting laten komen in de strafmaat.
De strafmaat.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten hebben te gelden als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Voor openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel geldt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uren. De rechtbank weegt als strafmatigende omstandigheid mee dat [slachtoffer 2] de eerste klap heeft uitgedeeld en verdachte en zijn medeverdachte(n) significant heeft geprovoceerd. Het opstootje heeft volgens [slachtoffer 2] weinig voorgesteld en daarvan hebben zowel hij als zijn vader geen gevolgen ondervonden. Ten gevolge van het feit heeft verdachte een nacht in het ziekenhuis moeten verblijven vanwege zijn hemofilie.
In het geval van opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen is een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden het uitgangspunt. De rechtbank houdt in strafverzwarende mate rekening met het feit dat de gevolgen bijzonder ernstig zijn voor het slachtoffer.
Voor de beide feiten geldt als strafverzwarend dat deze hebben plaatsgevonden tijdens een evenement.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de naar haar oordeel ten onrechte ingezette ruisactie.
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] .
De raadsman van de benadeelde partijen heeft de vorderingen tijdens de zitting toegelicht. Uit deze toelichting blijkt dat namens [slachtoffer 1] een bedrag van € 2.314.747,- wordt gevorderd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade (€ 2.115.997,-) en immateriële schade (€ 198.750,-).
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] vorderen ieder een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de hoogte van het toe te wijzen schadebedrag aan [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman wijst in dit verband – kort gezegd – op de omvang en complexiteit van de vordering en de korte reactietijd voor de verdediging.
Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de posten:
- verblijf ziekenhuis (€ 2.242,-);
- verblijf revalidatie (€ 4.389,-);
- medische kosten (€ 1.947,40);
- horloge (€ 69,95);
- verschotten (€ 3.540,01).
De overige posten zijn door de verdediging betwist:
- bezoekkosten naasten (€ 6.072,44);
- kosten verzorging, verpleging enz. (€ 680.657,-);
- verlies verdienvermogen (€ 1.340.395,46);
- toegangscontrole huis (€ 76.655,92);
- immateriële schade (€ 198.750,-).
Beoordeling.
Het juridische kader.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2019:793) heeft overwogen dat met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen de wetgever heeft beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, welke bepaling mede in het licht van artikel 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de partijen voor het naar voren brengen en onderbouwen van hun stellingen, vergt deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht (in de motivering) van de strafrechter, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen.
Tegen deze achtergrond vraagt de genoemde verplichting van de strafrechter aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van verlies van verdienvermogen of zorgschade, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met bijzonderheden van het partijdebat over zo’n vordering (begroting van de schade aan de hand van een aantal onzekere factoren, onevenredige belasting van het strafproces door de einduitspraak op te schorten voor nader onderzoek door een onpartijdige deskundige, het ontbreken van gespecialiseerde bijstand en de gelijkwaardige mogelijkheid tot financiering daarvan aan de zijde van de verdediging), te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Zo’n splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van het gevorderde waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
De overwegingen.
De rechtbank stelt vast dat de rechtbank en de raadsman van verdachte de vordering bij e-mailbericht van 2 september 2026, anderhalve week voor de geplande aanvang van de zitting, hebben ontvangen.
De raadsman van verdachte heeft aangegeven dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om de vordering van de benadeelde partij naar wens en adequaat voor te bereiden en als gevolg daarvan slechts diagonaal de vordering heeft kunnen voorzien van opmerkingen en vragen, in plaats van de vordering van een gedegen onderbouwd standpunt te voorzien.
Ten aanzien van een groot aantal posten geldt dat de rechtbank zich niet verzekerd acht dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen zij tot verweer tegen de vordering kan aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Anders dan de raadsman van de benadeelde partijen, ziet de rechtbank deze vordering wel degelijk als omvangrijk en complex. Dat ziet niet alleen op de hoogte van het gevorderde bedrag of het aantal pagina’s aan bijlagen, maar ook op ingewikkelde berekeningen waaraan een behoorlijk aantal aannames ten grondslag liggen en sprake is van veel nog onzekere factoren, terwijl bovendien gebruik is gemaakt van onderliggende (financiële) gegevens van de benadeelde partij waarover verdachte niet kan beschikken.
De behandeling van deze posten van de vordering benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank daarom voor het overgrote deel een onevenredige belasting van het strafproces op, omdat dit zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden om de raadsman van verdachte voldoende voorbereidingstijd te gunnen en er slechts beperkte mogelijkheden zijn voor bewijslevering of de benoeming van een deskundige. De rechtbank acht een aanhouding in dit geval zeer onwenselijk.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overgrote deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering voor dit gedeelte bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de onderdelen van de vordering waarvan de rechtbank van oordeel is dat verdachte zich daar voldoende tegen heeft kunnen verweren en het eigen onderzoek van de rechtbank voldoende compensatie biedt, heeft zij de vordering inhoudelijk beoordeeld.
De beslissing van de rechtbank ten aanzien van elk onderdeel van de vordering is in de onderstaande tabel weergegeven.
Wat betreft het toegewezen deel van de vordering zal de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 worden toegewezen.
Proceskosten.
De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 1.536,68. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de gevorderde bedragen.
[slachtoffer 1]
Beslissing rechtbank
Verblijf ziekenhuizen € 2.242,-
Gehele toewijzing € 2.242,-
Verblijf revalidatiecentra € 4.389,-
Gehele toewijzing € 4.389,-
Bezoekkosten naasten € 6.072,44
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Medische kosten € 1.974,40
Gehele toewijzing € 1.974,40
Kosten verzorging, verpleging en begeleiding € 680.657,-
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Verlies van verdienvermogen
€ 1.340.395,46
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Diversen:
- horloge met GPS
(€ 69,95)
- afsluiten tuin en toegangscontrole huis en tuin (€ 76.655,92)
Gedeeltelijke toewijzing € 69,95 (horloge met GPS).
Toelichting:
De rechtbank acht deze kosten toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit, of deze schade zonder meer rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht en of deze schade aan het bewezen verklaarde feit kan worden toegerekend. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de hoogte van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Immateriële schade € 198.750,-
Gedeeltelijke toewijzing € 187.500,-
Toelichting:
De rechtbank begroot de schade naar billijkheid en heeft daarbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat het tot op heden bekende letsel valt onder categorie c. onder 1 middelzwaar tot ernstige cognitieve beperkingen (brandbreedte € 105.000,- tot € 150.000,-). Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat er sprake is van ernstig hersenletsel, ontstaan door bloedingen.
Gezien de omvang van de cognitieve problematiek, de aantasting van intellect en persoonlijkheid en de voortdurende zorgbehoefte, is naar het oordeel van de rechtbank de bovenkant van de bandbreedte hier passend. Voor het hersenletsel acht de rechtbank dus een bedrag van € 150.000,- passend. De 10-25% opslag is een aanbeveling in het geval sprake is van ernstige verwijtbaarheid c.q. opzet op het toebrengen van het letsel. Nu vastgesteld is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zal de rechtbank de opslag van 25% toepassen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op toegewezen bedragen in andere zaken en de aard en ernst van het letsel meegewogen.
Het causale verband tussen de epileptische aanval op 9 juni 2026 en het incident op 25 oktober 2025 is betwist. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank zonder nader onderzoek niet vaststellen dat daadwerkelijk ook sprake is van epilepsie die in een voldoende causaal verband staat tot de mishandeling, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Proceskosten:
- Verschotten
Thebe (€ 188,33)
Blanken Medisch Adviseurs (€ 1.536,68)
PKF Bofidi Accountants & Advisers BV(€ 1.815,-)
Gedeeltelijke toewijzing € 1.536,68 (Blanken Medisch Adviseurs)
Toelichting:
De rechtbank acht de verschotten ten aanzien van de medische schade toewijsbaar nu zij de vordering tot vergoeding van immaterieel geleden schade grotendeels heeft toegewezen. Deze kosten houden rechtstreeks verband met de door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.
De rechtbank zal de overige posten van de proceskosten niet toewijzen nu zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard in de posten waarop deze proceskosten zien.
Conclusie.
De rechtbank wijst toe een bedrag van 196.175,35 euro, bestaande uit 8.675,35 euro materiële schade en 187.500,- euro immateriële schade te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk.
De vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] .
Het standpunt van de officier van justitie.
Het gezin van [slachtoffer 1] , bestaande uit echtgenote [benadeelde 1] , dochter [benadeelde 2] en zoon [slachtoffer 2] maakt in de ogen van de officier van justitie terecht aanspraak op vergoeding van affectieschade.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman wijst in dit verband – kort gezegd - op de omvang en complexiteit van de vordering en de korte reactietijd voor de verdediging. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Het gaat om gebruikelijke en overzichtelijke vorderingen, onder meer omdat de aan affectieschade te vorderen bedragen forfaitair zijn bepaald. De verdediging kan zich in deze procedure daar dan ook in voldoende mate tegen verweren, zodat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vordering. De benadeelde partijen betreffen de echtgenote en de kinderen van het slachtoffer, dat ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Zij hebben om die reden recht op vergoeding van affectieschade. Het ernstige en blijvende hersenletsel heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer zelf, maar ook voor zijn naasten. Door de blijvende persoonlijkheidsverandering en de voortdurende zorgbehoefte is de relatie met zijn echtgenote en kinderen wezenlijk veranderd. De rechtbank acht aannemelijk dat dit bij hen aanzienlijk verdriet en leed heeft veroorzaakt. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van affectieschade daarom toewijzen.
Het aan ieder toe te wijzen bedrag is forfaitair bepaald.
De toegewezen vorderingen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025.
Schadevergoedingsmaatregel, betalingsverplichting en gijzeling.
Met betrekking tot de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens passend en geboden geacht. De op grond daarvan aan de Staat verschuldigde bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot de dag der algehele betaling.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schades worden opgelegd, zal de rechtbank telkens bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de betreffende benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan een benadeelde partij, daarmee zijn daarmee overeenkomende verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Ingevolge artikel 36f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 60 van het Wetboek van Strafrecht, dient de rechtbank bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel te bepalen voor welke duur gijzeling kan worden toegepast. De maximale duur van de gijzeling is gelijk aan die van de vervangende hechtenis die kan worden opgelegd, te weten één jaar. Bij oplegging van meerdere schadevergoedingsmaatregelen wordt het aantal dagen gijzeling naar evenredigheid over de maatregelen verdeeld. Gelet op deze maximering zal de rechtbank het aantal dagen gijzeling als volgt vaststellen:
[slachtoffer 1] 290 dagen gijzeling (in plaats van 365 dagen)
[benadeelde 1] 25 dagen gijzeling (in plaats van 112 dagen)
[benadeelde 2] 25 dagen gijzeling (in plaats van 112 dagen)
[slachtoffer 2] 25 dagen gijzeling (in plaats van 112 dagen)
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 57, 60, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Ten aanzien van feit 2 primair:
zware mishandeling
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
- veroordeelt verdachte tot:
Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partijen.
Ten aanzien van feit 2 primair:
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], van een bedrag van 196.175,35 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 290 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 8.675,35 euro materiële schade en 187.500,- euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 1], van een bedrag van 17.500,- euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat volledig uit immateriële schade (affectieschade). De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 2]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 2], van een bedrag van 17.500,- euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat volledig uit immateriële schade (affectieschade). De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], van een bedrag van 17.500,- euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat volledig uit immateriële schade (affectieschade). De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 196.175,35 euro, bestaande uit 8.675,35 euro materiële schade en 187.500,- euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op 1.536,68 euro, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van 17.500,- euro, bestaande uit immateriële schade (affectieschade);
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van 17.500,- euro, bestaande uit immateriële schade (affectieschade);
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 17.500,- euro, bestaande uit immateriële schade (affectieschade);
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. van der Hilst, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. M.T.T. Slenter, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 2 oktober 2026.
ECLI:NL:PHR:2026:210.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.025828.26
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2026 en 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
in de Brabanthallen aan de Diezekade 2, in elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het een of meermalen slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1]
en/of
- het een of meermalen schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] (terwijl
[slachtoffer 1] op de grond lag) en/of
- het een of meermalen slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of
- het een of meermalen maken van slaande bewegingen in de richting van het hoofd
en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;
Ten aanzien van feit 2 primair:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of meerdere bloedingen
tussen de schedel en de hersenen en/of meerdere bloedingen in de hersenen en/of
een zwelling van de hersenen en/of een gebroken kaak op meerdere plaatsen,
heeft toegebracht,
door
die [slachtoffer 1] met gebalde vuist en/of met kracht (onverhoeds) tegen diens hoofd en/of
gezicht te slaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen op diens hoofd;
Ten aanzien van feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met gebalde vuist en/of met kracht
(onverhoeds) tegen diens hoofd en/of gezicht te slaan, ten gevolge waarvan die
[slachtoffer 1] is gevallen op diens hoofd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge
had, te weten een schedelbreuk en/of meerdere bloedingen tussen de schedel en de
hersenen en/of meerdere bloedingen in de hersenen en/of een zwelling van de
hersenen en/of een gebroken kaak op meerdere plaatsen.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleiding.
Aan verdachte zijn twee strafbare feiten ten laste gelegd. Hij zou betrokken zijn bij de vechtpartij die ontstond na een conflict aan de bar tijdens een evenement in de Brabanthallen. Dit is ten laste gelegd als openlijke geweldpleging (feit 1). Daarnaast zou hij zich, tijdens hetzelfde evenement, schuldig hebben gemaakt aan een zware mishandeling (feit 2 primair) dan wel mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (feit 2 subsidiair) van [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 primair.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte of een van zijn medeverdachten [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] heeft geschopt. Van dat deel van de tenlastelegging moet verdachte worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 primair wordt verzocht verdachte vrij te spreken, omdat het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair is geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1: openlijk geweld.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met anderen, onder wie medeverdachte [medeverdachte] , op 25 oktober 2025 in de Brabanthallen in ‘s-Hertogenbosch, tijdens het evenement ‘De Nacht van Brabant’, geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij hebben hen geslagen tegen hun hoofd en/of hun lichaam.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Met de verdediging is de rechtbank het eens dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte of (een van) zijn medeverdachte(n) [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geschopt terwijl hij op de grond lag. Verdachte zal hiervan dan ook partieel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 primair: zware mishandeling.
Vaststelling van de feiten.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte na het incident dat hiervoor is besproken, [slachtoffer 1] een vuistslag tegen zijn hoofd heeft gegeven, waardoor [slachtoffer 1] achterover is gevallen en met zijn hoofd op de betonnen vloer terecht is gekomen. [slachtoffer 1] heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Over de wijze waarop verdachte die klap heeft gegeven, stelt de rechtbank het volgende vast. De rechtbank volgt de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] heel hard, met volle kracht en uit het niets, tegen zijn hoofd heeft geslagen. Hij kwam aangerend en sloeg hem vanachter. Getuige [getuige 1] omschrijft dit zo: ‘De aanvaller kwam vanachter. Die kwam als een malloot aanvliegen.’ Ook [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] vanachter is geslagen. [getuige 1] en [getuige 2] verklaren allebei dat [slachtoffer 1] verdachte zeker niet heeft zien aankomen. Volgens hen was het een gerichte actie.
De rechtbank volgt verdachte dus niet in zijn verklaring dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en hij elkaar op enig moment kruisten en dat hij toen een klap heeft gegeven.
De raadsman heeft in dit verband onder meer gewezen op de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] en daarbij gesteld dat de verdediging het op basis daarvan niet aannemelijk vindt dat [slachtoffer 1] uit het niets is geslagen. De rechtbank ziet in de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] echter geen steun voor de verklaring van verdachte. Zij verklaren over een opstootje vóórdat [slachtoffer 1] werd geslagen, terwijl volgens de verklaring van de verdachte bij de politie pas ná die klap een opstootje is ontstaan. Wat opvalt is dat verdachte pas tijdens de zitting verklaart dat toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verdachte zagen, er oogcontact was en er over en weer werd geschreeuwd.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat ook [slachtoffer 2] verklaart over een opstootje nádat [slachtoffer 1] is geslagen. Een opstootje waar verdachte en hij bij betrokken zijn. En ook verklaart [slachtoffer 2] dat hij niet heeft gezien door wie zijn vader is geslagen, hetgeen eveneens niet past bij de verklaring van verdachte. De rechtbank ziet ook niet in waarom [slachtoffer 2] zou verklaren dat hij niet heeft gezien wie zijn vader een klap heeft gegeven als hij dat juist wel zou hebben gezien.
Zware mishandeling?
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte dat doel heeft beoogd. Verdachte ontkent dat. Hij heeft meerdere keren benadrukt dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Hieronder moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Bij de beantwoording van de vervolgvraag of de aanmerkelijke kans ook bewust is aanvaard, spelen de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als zozeer gericht op een bepaald gevolg zijn dat het – behoudens contra-indicaties voor het tegendeel – niet anders kan zijn dan de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtspraak omtrent de vraag of sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel als de verdachte het slachtoffer één vuistslag/klap in het gezicht heeft gegeven, is zeer casuïstisch van aard. Het is dan ook lastig algemene regels te formuleren. Wel kan worden gezegd dat bij de beantwoording van deze vraag betekenis kan toekomen aan 1) de kracht van de vuistslag/klap, 2) de gerichtheid daarvan en 3) de fysieke toestand van de verdachte, zoals getraindheid in een vechtsport en/of een hoog lichaamsgewicht.
Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte met volle kracht heeft uitgehaald en [slachtoffer 1] gericht en onverhoeds één zeer harde vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven. [slachtoffer 1] heeft de door verdachte uitgedeelde vuistslag niet zien aankomen en incasseerde deze klap tegen zijn hoofd totaal onverwacht met als gevolg een onmiddellijke vrije val achterover met zijn hoofd tegen de betonnen vloer. Onder deze omstandigheden, waarbij de rechtbank mede betrekt het gegeven dat verdachte met snelheid is komen aanrennen en zijn slag daarmee extra kracht heeft bijgezet, bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit was in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit de gedecideerde en doelgerichte wijze waarop verdachte de vuistslag heeft uitgedeeld leidt de rechtbank voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.
Dit betekent dat de rechtbank de primair ten laste gelegde zware mishandeling bewezen acht.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij de verklaringen van de anonieme getuigen (de melder naar aanleiding van Opsporing Verzocht en ‘NN blonde dame’) niet voor het bewijs gebruikt. De rechtbank komt dus niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van deze personen als getuigen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
op 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, in de Brabanthallen aan de Diezekade 2, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het slaan tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 2] en
- het maken van slaande bewegingen in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;
Ten aanzien van feit 2:
primair
op 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en bloedingen tussen de schedel en de hersenen en meerdere bloedingen in de hersenen en een zwelling van de hersenen en een gebroken kaak op meerdere plaatsen, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] met gebalde vuist en met kracht onverhoeds tegen diens hoofd te slaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is gevallen op diens hoofd.
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 een beroep gedaan op noodweer. Verzocht wordt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van feit 2 is eveneens verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging van eigen lijf en leden. Het geweld dat door verdachte is toegepast was niet proportioneel. Verdachte komt geen geslaagd beroep op een rechtvaardigingsgrond toe.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 1: beroep op noodweer.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.
De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of aannemelijk is dat sprake was van een noodweersituatie, met andere woorden: of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van verdachte.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij is namelijk van oordeel dat aannemelijk is dat [slachtoffer 2] als eerste een slaande beweging heeft gemaakt en verdachte op zijn oog heeft geraakt, zoals de verdediging aanvoert.
Echter, de verdediging daartegen was naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Verdachte had zich kunnen en moeten onttrekken door weg te lopen. In plaats daarvan blijft hij zich mengen in de groep en blijft hij [slachtoffer 2] opzoeken om het gevecht voort te zetten. Het had op de weg van verdachte gelegen om aannemelijk te maken dat hij geen andere mogelijkheid had dan terugvechten. Dat heeft verdachte niet gedaan.
Verdachte had zich dus kunnen en moeten en onttrekken aan de aanranding. Dat was een reële en redelijke mogelijkheid in dit geval.
Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van feit 2: beroep op noodweer(exces).
Ook hier moet de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of aannemelijk is dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij na de klap op zijn oog in paniek raakte en naar de uitgang wilde omdat hij naar het ziekenhuis moest in verband met zijn bloedziekte hemofilie. Verdachte heeft verklaard dat hij vader [slachtoffer 1] en zoon [slachtoffer 2] weer tegenkwam en hun paden elkaar kruisten. Volgens verdachte was er oogcontact tussen hen en werd erover en weer geschreeuwd. Verdachte had toen het idee dat hij weer aangevallen zou worden.
De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring. Hiervoor, bij de bespreking van de vraag of het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, heeft de rechtbank namelijk vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] vanachter heeft benaderd en hem vanachter heeft geslagen. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat er oogcontact is geweest, dat er is geschreeuwd en dat er handgebaren zijn gemaakt waardoor de ruzie weer oplaaide. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte.
Dat betekent dat het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen.
Ten aanzien van feit 2: putatief noodweer.
Van putatief noodweer is sprake wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. De verdachte komt een geslaagd beroep op putatief noodweer toe indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen en daarbij redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. In aanmerking dient te worden genomen of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de verdachte, ook in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen.
Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat vader en zoon [familienaam] agressief op hem af kwamen en hij bang was om weer geslagen te worden. De rechtbank gaat daar, gezien de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die de rechtbank voor de feitenvaststelling heeft gebruikt, niet van uit en volgt verdachte niet in zijn verklaring. Zijn verklaring ter terechtzitting past niet bij de objectieve bewijsmiddelen in het dossier en strookt niet met zijn verklaring bij de politie waar hij niet verklaart over een voorafgaand opstootje en vermeende dreiging.
Dat betekent dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen.
Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.
Conclusie.
Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de eis van de officier van justitie fors te matigen. In het bijzonder wordt verzocht de rechtmatigheid van de inzet van de ‘ruisstrategie’ in strafmatigende zin te betrekken bij de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld en zware mishandeling tijdens een feest in de Brabanthallen. Omdat de indruk bestond dat door [slachtoffer 1] werd voorgedrongen bij de bar waar verdachte drinken wilde halen, zijn er uiteindelijk over en weer klappen gevallen. Zowel [verdachte] als medeverdachte [medeverdachte] (en hun vrienden) hebben hier een groot aandeel in gehad. Echter, de eerste klap is gegeven door [slachtoffer 2] , de zoon van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft deze klap geïncasseerd op zijn oog, terwijl hij kampt met een ernstige vorm van de bloedziekte hemofilie. Een interne bloeding kan voor hem heel gevaarlijk zijn. Daarop is door hem en de medeverdachte gereageerd. Toch rekent de rechtbank verdachte zijn rol in deze vechtpartij aan omdat ook hij te ver is gegaan.
Verdachte heeft door [slachtoffer 1] een keiharde vuistslag te geven terwijl hij op weg was naar de uitgang, een grove fout begaan door zonder enige noodzaak fors geweld tegen hem te gebruiken. Dat deze vuistslag tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heftige en verstrekkende gevolgen heeft gehad voor [slachtoffer 1] en nog steeds heeft, staat niet ter discussie. Dit is door de dochter van [slachtoffer 1] tijdens de terechtzitting op indringende wijze verwoord. Uit het spreekrecht blijkt ook dat dit enorme impact op het gezin van [slachtoffer 1] heeft.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat veel omstanders getuige zijn geweest van de paniek die is ontstaan ten gevolge van deze klap. Sommigen zagen het beeld van hoe [slachtoffer 1] levenloos op de grond lag dagen later nog voor zich.
De persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 27 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt. Door de verdediging is ter terechtzitting benoemd dat verdachte vader is van vier jonge (biologische) kinderen. Zijn oudste dochter heeft autisme. Verdachte is sinds kort gescheiden en heeft co-ouderschap. Hij heeft al jaren last van paniekaanvallen. De incidenten in de Brabanthallen en de naar aanleiding daarvan ingezette ruisactie door de politie hebben bijgedragen aan de verergering daarvan. Op dit moment heeft verdachte geen werk, maar vanaf december zal hij aan het werk gaan als servicemonteur.
De rechtbank weegt mee dat verdachte blijk heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond.
De ruisactie.
Uit het dossier en wat tijdens de zitting is besproken, blijkt dat op 6 december 2025 een zogenaamde ruisactie is ingezet. In overleg met de officier van justitie werd besloten om een nieuwsartikel van het Brabants Dagblad uit te printen en daarop te schrijven ‘Wanneer ga jij je melden!!’. Deze brief is door een politieambtenaar van het Flexteam in de brievenbus van de woning van verdachte gedaan in de vroege ochtend, bewust op het moment dat verdachte net van huis was vertrokken. Deze politieambtenaar heeft op de deur gebonsd, was in het donker gekleed met gezichtsbedekking en reed op een fatbike.
Volgens de verdediging is deze inzet in strijd met de beginselen van goede procesorde. Zonder juridische noodzaak is, ruim nadat verdachte al als verdachte was aangemerkt en in beeld was, gekozen voor een tactische strategie, die angst bij verdachte heeft veroorzaakt. Dit moet leiden tot strafvermindering.
De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van een vormverzuim. De inzet van de ruisactie voldoet aan de daarvoor geldende criteria.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de ruisactie niet had mogen worden ingezet door het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie had met de toegezonden filmpjes en afgelegde getuigenverklaringen in ieder geval meer dan genoeg om verdachte en zijn medeverdachte(n) te horen over het tweede incident waarbij [slachtoffer 1] hersenletsel heeft opgelopen. In dit verband merkt de rechtbank op dat direct na de incidenten op 25 oktober 2025, bekend was dat verdachte in ieder geval bij de openlijk geweldpleging was betrokken. De politie heeft zelfs met verdachte in het ziekenhuis gesproken. De politie had bovendien naar eigen zeggen vóór het inzetten van de ruisactie al meerdere aanwijzingen dat verdachte verantwoordelijk zou zijn voor de laatste klap.
Voor zover de reeds ingezette opsporingsmethoden nog onvoldoende resultaat hadden opgeleverd, dan waren er op dat moment nog andere, minder verstrekkende, opsporingsmiddelen voorhanden dan verdachte onder druk te zetten naar het politiebureau te gaan, kennelijk met het doel om zich te melden en een verklaring af te leggen. Zo had de minder ingrijpende ingezette ruisstrategie om (mede)verdachte [medeverdachte] uit te nodigen voor verhoor en dat vervolgens kort van tevoren af te zeggen – in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit – eerder ingezet kunnen worden. Een vergelijkbare strategie had ook op verdachte toegepast kunnen worden.
Voordat de ruisactie op 6 december 2025 werd ingezet, was via TCI-informatie van 28 november 2025 bekend dat de zoon van het slachtoffer druk naar verdachte op zoek was omdat hij ondergedoken zat. Ook stond in deze TCI-informatie dat verdachte tijdens ‘De Nacht van Brabant’ een man dusdanig hard had geslagen dat deze in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Ook verdachte wist dat men naar hem op zoek was. Verdachte heeft zich zeer bedreigd gevoeld door het krantenartikel met daarop de tekst: “Wanneer ga jij je melden!!”.
Omdat de rechtbank vindt dat het Openbaar Ministerie te ver is gegaan met de ruisactie en de rechtbank de inzet daarvan op dat betreffende moment niet noodzakelijk acht, zal zij dit in strafmatigende zin tot uiting laten komen in de strafmaat.
De strafmaat.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten hebben te gelden als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Voor openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel geldt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uren. De rechtbank weegt als strafmatigende omstandigheid mee dat [slachtoffer 2] de eerste klap heeft uitgedeeld en verdachte en zijn medeverdachte(n) significant heeft geprovoceerd. Het opstootje heeft volgens [slachtoffer 2] weinig voorgesteld en daarvan hebben zowel hij als zijn vader geen gevolgen ondervonden. Ten gevolge van het feit heeft verdachte een nacht in het ziekenhuis moeten verblijven vanwege zijn hemofilie.
In het geval van opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen is een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden het uitgangspunt. De rechtbank houdt in strafverzwarende mate rekening met het feit dat de gevolgen bijzonder ernstig zijn voor het slachtoffer.
Voor de beide feiten geldt als strafverzwarend dat deze hebben plaatsgevonden tijdens een evenement.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de naar haar oordeel ten onrechte ingezette ruisactie.
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] .
De raadsman van de benadeelde partijen heeft de vorderingen tijdens de zitting toegelicht. Uit deze toelichting blijkt dat namens [slachtoffer 1] een bedrag van € 2.314.747,- wordt gevorderd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade (€ 2.115.997,-) en immateriële schade (€ 198.750,-).
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] vorderen ieder een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de hoogte van het toe te wijzen schadebedrag aan [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman wijst in dit verband – kort gezegd – op de omvang en complexiteit van de vordering en de korte reactietijd voor de verdediging.
Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de posten:
- verblijf ziekenhuis (€ 2.242,-);
- verblijf revalidatie (€ 4.389,-);
- medische kosten (€ 1.947,40);
- horloge (€ 69,95);
- verschotten (€ 3.540,01).
De overige posten zijn door de verdediging betwist:
- bezoekkosten naasten (€ 6.072,44);
- kosten verzorging, verpleging enz. (€ 680.657,-);
- verlies verdienvermogen (€ 1.340.395,46);
- toegangscontrole huis (€ 76.655,92);
- immateriële schade (€ 198.750,-).
Beoordeling.
Het juridische kader.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2019:793) heeft overwogen dat met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen de wetgever heeft beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, welke bepaling mede in het licht van artikel 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de partijen voor het naar voren brengen en onderbouwen van hun stellingen, vergt deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht (in de motivering) van de strafrechter, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen.
Tegen deze achtergrond vraagt de genoemde verplichting van de strafrechter aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van verlies van verdienvermogen of zorgschade, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met bijzonderheden van het partijdebat over zo’n vordering (begroting van de schade aan de hand van een aantal onzekere factoren, onevenredige belasting van het strafproces door de einduitspraak op te schorten voor nader onderzoek door een onpartijdige deskundige, het ontbreken van gespecialiseerde bijstand en de gelijkwaardige mogelijkheid tot financiering daarvan aan de zijde van de verdediging), te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Zo’n splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van het gevorderde waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
De overwegingen.
De rechtbank stelt vast dat de rechtbank en de raadsman van verdachte de vordering bij e-mailbericht van 2 september 2026, anderhalve week voor de geplande aanvang van de zitting, hebben ontvangen.
De raadsman van verdachte heeft aangegeven dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om de vordering van de benadeelde partij naar wens en adequaat voor te bereiden en als gevolg daarvan slechts diagonaal de vordering heeft kunnen voorzien van opmerkingen en vragen, in plaats van de vordering van een gedegen onderbouwd standpunt te voorzien.
Ten aanzien van een groot aantal posten geldt dat de rechtbank zich niet verzekerd acht dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen zij tot verweer tegen de vordering kan aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Anders dan de raadsman van de benadeelde partijen, ziet de rechtbank deze vordering wel degelijk als omvangrijk en complex. Dat ziet niet alleen op de hoogte van het gevorderde bedrag of het aantal pagina’s aan bijlagen, maar ook op ingewikkelde berekeningen waaraan een behoorlijk aantal aannames ten grondslag liggen en sprake is van veel nog onzekere factoren, terwijl bovendien gebruik is gemaakt van onderliggende (financiële) gegevens van de benadeelde partij waarover verdachte niet kan beschikken.
De behandeling van deze posten van de vordering benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank daarom voor het overgrote deel een onevenredige belasting van het strafproces op, omdat dit zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden om de raadsman van verdachte voldoende voorbereidingstijd te gunnen en er slechts beperkte mogelijkheden zijn voor bewijslevering of de benoeming van een deskundige. De rechtbank acht een aanhouding in dit geval zeer onwenselijk.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overgrote deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering voor dit gedeelte bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de onderdelen van de vordering waarvan de rechtbank van oordeel is dat verdachte zich daar voldoende tegen heeft kunnen verweren en het eigen onderzoek van de rechtbank voldoende compensatie biedt, heeft zij de vordering inhoudelijk beoordeeld.
De beslissing van de rechtbank ten aanzien van elk onderdeel van de vordering is in de onderstaande tabel weergegeven.
Wat betreft het toegewezen deel van de vordering zal de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 worden toegewezen.
Proceskosten.
De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 1.536,68. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de gevorderde bedragen.
[slachtoffer 1]
Beslissing rechtbank
Verblijf ziekenhuizen € 2.242,-
Gehele toewijzing € 2.242,-
Verblijf revalidatiecentra € 4.389,-
Gehele toewijzing € 4.389,-
Bezoekkosten naasten € 6.072,44
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Medische kosten € 1.974,40
Gehele toewijzing € 1.974,40
Kosten verzorging, verpleging en begeleiding € 680.657,-
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Verlies van verdienvermogen
€ 1.340.395,46
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Diversen:
- horloge met GPS
(€ 69,95)
- afsluiten tuin en toegangscontrole huis en tuin (€ 76.655,92)
Gedeeltelijke toewijzing € 69,95 (horloge met GPS).
Toelichting:
De rechtbank acht deze kosten toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit, of deze schade zonder meer rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht en of deze schade aan het bewezen verklaarde feit kan worden toegerekend. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de hoogte van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Immateriële schade € 198.750,-
Gedeeltelijke toewijzing € 187.500,-
Toelichting:
De rechtbank begroot de schade naar billijkheid en heeft daarbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat het tot op heden bekende letsel valt onder categorie c. onder 1 middelzwaar tot ernstige cognitieve beperkingen (brandbreedte € 105.000,- tot € 150.000,-). Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat er sprake is van ernstig hersenletsel, ontstaan door bloedingen.
Gezien de omvang van de cognitieve problematiek, de aantasting van intellect en persoonlijkheid en de voortdurende zorgbehoefte, is naar het oordeel van de rechtbank de bovenkant van de bandbreedte hier passend. Voor het hersenletsel acht de rechtbank dus een bedrag van € 150.000,- passend. De 10-25% opslag is een aanbeveling in het geval sprake is van ernstige verwijtbaarheid c.q. opzet op het toebrengen van het letsel. Nu vastgesteld is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zal de rechtbank de opslag van 25% toepassen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op toegewezen bedragen in andere zaken en de aard en ernst van het letsel meegewogen.
Het causale verband tussen de epileptische aanval op 9 juni 2026 en het incident op 25 oktober 2025 is betwist. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank zonder nader onderzoek niet vaststellen dat daadwerkelijk ook sprake is van epilepsie die in een voldoende causaal verband staat tot de mishandeling, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Proceskosten:
- Verschotten
Thebe (€ 188,33)
Blanken Medisch Adviseurs (€ 1.536,68)
PKF Bofidi Accountants & Advisers BV(€ 1.815,-)
Gedeeltelijke toewijzing € 1.536,68 (Blanken Medisch Adviseurs)
Toelichting:
De rechtbank acht de verschotten ten aanzien van de medische schade toewijsbaar nu zij de vordering tot vergoeding van immaterieel geleden schade grotendeels heeft toegewezen. Deze kosten houden rechtstreeks verband met de door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.
De rechtbank zal de overige posten van de proceskosten niet toewijzen nu zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard in de posten waarop deze proceskosten zien.
Conclusie.
De rechtbank wijst toe een bedrag van 196.175,35 euro, bestaande uit 8.675,35 euro materiële schade en 187.500,- euro immateriële schade te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk.
De vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] .
Het standpunt van de officier van justitie.
Het gezin van [slachtoffer 1] , bestaande uit echtgenote [benadeelde 1] , dochter [benadeelde 2] en zoon [slachtoffer 2] maakt in de ogen van de officier van justitie terecht aanspraak op vergoeding van affectieschade.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman wijst in dit verband – kort gezegd - op de omvang en complexiteit van de vordering en de korte reactietijd voor de verdediging. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Het gaat om gebruikelijke en overzichtelijke vorderingen, onder meer omdat de aan affectieschade te vorderen bedragen forfaitair zijn bepaald. De verdediging kan zich in deze procedure daar dan ook in voldoende mate tegen verweren, zodat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vordering. De benadeelde partijen betreffen de echtgenote en de kinderen van het slachtoffer, dat ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Zij hebben om die reden recht op vergoeding van affectieschade. Het ernstige en blijvende hersenletsel heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer zelf, maar ook voor zijn naasten. Door de blijvende persoonlijkheidsverandering en de voortdurende zorgbehoefte is de relatie met zijn echtgenote en kinderen wezenlijk veranderd. De rechtbank acht aannemelijk dat dit bij hen aanzienlijk verdriet en leed heeft veroorzaakt. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van affectieschade daarom toewijzen.
Het aan ieder toe te wijzen bedrag is forfaitair bepaald.
De toegewezen vorderingen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025.
Schadevergoedingsmaatregel, betalingsverplichting en gijzeling.
Met betrekking tot de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens passend en geboden geacht. De op grond daarvan aan de Staat verschuldigde bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot de dag der algehele betaling.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schades worden opgelegd, zal de rechtbank telkens bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de betreffende benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan een benadeelde partij, daarmee zijn daarmee overeenkomende verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Ingevolge artikel 36f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 60 van het Wetboek van Strafrecht, dient de rechtbank bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel te bepalen voor welke duur gijzeling kan worden toegepast. De maximale duur van de gijzeling is gelijk aan die van de vervangende hechtenis die kan worden opgelegd, te weten één jaar. Bij oplegging van meerdere schadevergoedingsmaatregelen wordt het aantal dagen gijzeling naar evenredigheid over de maatregelen verdeeld. Gelet op deze maximering zal de rechtbank het aantal dagen gijzeling als volgt vaststellen:
[slachtoffer 1] 290 dagen gijzeling (in plaats van 365 dagen)
[benadeelde 1] 25 dagen gijzeling (in plaats van 112 dagen)
[benadeelde 2] 25 dagen gijzeling (in plaats van 112 dagen)
[slachtoffer 2] 25 dagen gijzeling (in plaats van 112 dagen)
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 57, 60, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Ten aanzien van feit 2 primair:
zware mishandeling
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
- veroordeelt verdachte tot:
Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partijen.
Ten aanzien van feit 2 primair:
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], van een bedrag van 196.175,35 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 290 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 8.675,35 euro materiële schade en 187.500,- euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 1], van een bedrag van 17.500,- euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat volledig uit immateriële schade (affectieschade). De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 2]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 2], van een bedrag van 17.500,- euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat volledig uit immateriële schade (affectieschade). De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]
- legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], van een bedrag van 17.500,- euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat volledig uit immateriële schade (affectieschade). De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 196.175,35 euro, bestaande uit 8.675,35 euro materiële schade en 187.500,- euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op 1.536,68 euro, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van 17.500,- euro, bestaande uit immateriële schade (affectieschade);
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van 17.500,- euro, bestaande uit immateriële schade (affectieschade);
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 17.500,- euro, bestaande uit immateriële schade (affectieschade);
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. van der Hilst, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. M.T.T. Slenter, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 2 oktober 2026.
ECLI:NL:PHR:2026:210.