Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:6654

2026-09-09 Civiel recht C/01/406299 / HA ZA 24-433
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/01/406299 / HA ZA 24-433
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Burenrecht. Eigendomsverkrijging door verjaring van strook gemeentegrond? Particulier perceel, gemeentelijk perceel, waterschapszone en riviertje 'De Gender'. Situatie van toestemming/gedogen gebruik door gemeente?

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.018 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Zaaknummer: C/01/406299 / HA ZA 24-433





Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: “ [eiser] ”,
advocaat: mr. T.H. Liebregts,



tegen




de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Veldhoven ,

te Veldhoven ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: “de gemeente”,
advocaat: mr. L.L.M.A.A. de Vor.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 10; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 11 en 12;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aan de zijde van [eiser] ingediende producties 13 tot en met 15;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, bij welke gelegenheid de advocaten van beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis zal worden uitgesproken.





2De feiten


2.1.
De percelen van partijen grenzen aan elkaar.



2.2.

[eiser] is eigenaresse van het perceel, kadastraal bekend als Gemeente [kadastrale aanduiding 1] . Op het perceel van [eiser] bevindt zich een woning (met als adres “ [adres] ” te [plaats] ). [eiser] kocht en verkreeg dit perceel in 2017 van haar moeder, die het sinds 1976 had.



2.3.
Daarnaast bevindt zich een perceel dat bij het kadaster op naam van de gemeente staat (hierna ook: het gemeentelijk perceel), kadastraal bekend als Gemeente [kadastrale aanduiding 2] . Het gemeentelijk perceel grenst, vanaf de openbare weg “ [straatnaam] ” bezien, aan de rechterzijde van het perceel van [eiser] , en loopt door tot aan een waterschapszone en het riviertje “De Gender”. Het riviertje behoort toe aan Waterschap De Dommel.



2.4.
Een en ander is weergegeven op de volgende kadastrale tekening. Voor de volledigheid wijst de rechtbank erop dat “De Gender” op onderstaande afbeelding is te zien als (ongenummerde) lange smalle baan naast het gemeentelijk perceel.









2.5.

[eiser] heeft een gedeelte (hierna: “de strook”) van het perceel van de gemeente in gebruik als (verlengstuk van haar) tuin. De bedoelde strook is op de onderstaande afbeelding in het groen gearceerd weergegeven:









2.6.
In februari 2009 heeft de gemeente de moeder van [eiser] aangeschreven over het gebruik van de strook. Volgens de gemeente is dit gemeentegrond. Verder heeft de gemeente te kennen gegeven dat zij wil beginnen met de aanleg van een wandelpad langs “De Gender”.



2.7.
Op 3 maart 2009 heeft de moeder van [eiser] een brief gestuurd aan de gemeente, welke brief ook is ondertekend door [eiser] . In de brief is onder meer het volgende opgenomen:



“Het is zo dat vanaf het begin dat ik op dit adres woon (1976) de situatie is zoals hij nu ook nog is. Gemeentegrond en waterschapszone zijn destijds door jullie aan de achterzijde afgebakend met beplanting (incl een draad op paaltjes) en aan voorzijde dmv een beukenhaag. Beukenhaag loopt door in eigen tuin. Dit is ten tijde van de groenvoorziening in [wijk] zo geregeld, mede om zoveel mogelijk aan de wens van de architect tegemoet te komen (totaal aanzien van de wijk [wijk] (…).


Gemeentegrond en waterschapzone zijn verder door jullie aangeplant, en alle jaren tot op heden door mij min of meer onderhouden. Er is geen grensafscheiding gemaakt tussen deze gronden en eigen tuin, waardoor ik kon blijven genieten van een vrij uitzicht. (…).”





2.8.
Op enig moment in 2009 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen medewerkers van de gemeente, de moeder van [eiser] en [eiser] .



2.9.
Op 23 juni 2009 heeft de gemeente een brief gezonden aan de moeder [eiser] waarin zij het gevoerde gesprek bevestigt. In de brief schrijft de gemeente verder, samengevat en voor zover hier van belang, dat mevrouw [moeder eiser] de strook onderhoudt, dat zij de grond gebruikt maar geen eigenaar is of kan worden, maar dat het voor haar wel een garantie is dat zij de grond op dezelfde manier kan blijven gebruiken en kan blijven genieten van het vrije uitzicht.



2.10.
Tussen partijen is in de loop van 2021 discussie ontstaan over de eigendom van de strook. De gemeente heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat zij haar grond nodig heeft voor de aanleg van het wandelpad, en heeft [eiser] verzocht de strook te ontruimen. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij (althans haar rechtsvoorganger, haar moeder) door verjaring eigenaar is geworden van de strook.



2.11.
Verdere correspondentie tussen partijen heeft niet tot een wijziging van de over en weer ingenomen standpunten geleid.





3Het geschil



in conventie




3.1.

[eiser] vordert - samengevat – het volgende:

 primair een verklaring voor recht dat [eiser] eigenaar is van de grondstrook, onderdeel uitmakend van het perceel gemeente [kadastrale aanduiding 2] , zoals groen gearceerd is weergegeven in de dagvaarding (randnummer 10);



subsidiair een verklaring voor recht dat elke vordering van de gemeente tot opheffing van de onrechtmatige toestand (het onrechtmatige voortdurende gebruik van de bedoelde grondstrook), is verjaard ex artikel 3:314 lid 1 jo. 3:306 BW;



in alle gevallen een proceskostenveroordeling van de gemeente.





3.2.
De gemeente voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.



in (voorwaardelijke) reconventie





3.3.
De gemeente vordert (onder de voorwaarde dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] in conventie afwijst) - samengevat - het volgende:



een verklaring voor recht dat de gemeente eigenaar is van de bedoelde grondstrook;



[eiser] te veroordelen om de bedoelde grondstrook binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen, op straffe van een dwangsom;


een proceskostenveroordeling van [eiser] .





3.4.

[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente.





4De beoordeling



in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie





Inleiding




4.1.
Vanwege de onderlinge samenhang bespreekt de rechtbank de vorderingen van [eiser] en de gemeente gezamenlijk.



Van belang is of de strook grond door verjaring is verkregen





4.2.
De kern van het geschil betreft de vraag wie thans eigenaar is van de (in r.o. 2.5 weergegeven) strook.



4.3.

[eiser] stelt namelijk dat zij door bevrijdende verjaring eigenaresse is geworden van de strook. [eiser] voert daartoe - kort samengevat - aan dat haar rechtsvoorganger, te weten haar moeder (hierna: “ [moeder eiser] ”) verscheidene bezitsdaden heeft verricht met betrekking tot de strook. In het bijzonder heeft zij de strook sinds ongeveer 1980, in ieder geval langer dan 20 jaar geleden, onderdeel heeft gemaakt van de tuin (o.m. bosschages aangeplant en onderhouden en een picknicktafel geplaatst), waardoor een ‘optische eenheid’ is ontstaan. Verder heeft zij de strook ontoegankelijk gemaakt voor de gemeente, aldus [eiser] . Volgens [eiser] is sprake van (ondubbelzinnig en openbaar) bezit. Daarom vordert zij (primair) een verklaring voor recht dat de strook door verjaring haar eigendom is geworden.



4.4.
De gemeente vordert daarentegen dat voor recht wordt verklaard dat zij (nog altijd) eigenaresse is van de strook, omdat die bij haar kadastrale perceel hoort. De gemeente betwist dat sprake is van (ondubbelzinnig) bezit van de strook, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden voor bevrijdende verjaring. Volgens de gemeente was er - kort samengevat - sprake van gedogen/toestemming; de gemeente gedoogde dat de strook door de rechtsvoorganger van [eiser] ( [moeder eiser] ) werd gebruikt. Hiermee hield [moeder eiser] vrij uitzicht op het riviertje. Die situatie van toestemming voor persoonlijk gebruik is geëindigd met het overlijden van [moeder eiser] , aldus de gemeente. Verder wijst de gemeente erop dat de strook onderdeel is van een publiek bosplantsoen, dat naar zijn aard veelal op zijn beloop werd gelaten; dat maakt echter nog niet dat de strook eigendom is geworden van [eiser] , aldus de gemeente.



Is sprake van bezit door [eiser] ?





4.5.
De rechtbank stelt voorop dat voor (bevrijdende) verjaring, zowel onder oud als onder huidig recht, bezit vereist is. De vraag of sprake is van bezit, dient – ook naar oud recht - te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf die voor het huidige recht zijn neergelegd in de artikelen 3:107 en 3:108 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 3:107 BW omschrijft het bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende artikelen worden gegeven, en op grond van uiterlijke feiten. De interne, niet naar buiten kenbaar gemaakte wil om als rechthebbende op te treden is daarom voor het zijn van bezitter van geen betekenis. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet openbaar en “ondubbelzinnig” zijn. Voor het aannemen van “ondubbelzinnigheid” is nodig dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Het bezit is niet ondubbelzinnig indien de machtsuitoefening met betrekking tot het goed evenzeer kan duiden op een gebruik als eigenaar als op een gebruik in een andere hoedanigheid. De achterliggende gedachte van het vereiste van ondubbelzinnigheid is dat van verjaring pas sprake kan zijn als de oorspronkelijk rechthebbende redelijkerwijs maatregelen heeft kunnen nemen om verlies of inperking van zijn recht als gevolg door verjaring te voorkomen.



4.6.
Er worden in de rechtspraak hoge eisen gesteld aan de inbezitneming van onroerende zaken. Zo wordt in de rechtspraak bij onroerende zaken bij de vraag of er een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende is, mede rekening gehouden met vaak voorkomende omstandigheden die meebrengen dat een dergelijke intentie er niet is, zoals toestemming/gedogen. Bij de beantwoording van de vraag of naar verkeersopvatting sprake is van ondubbelzinnig bezit, moet verder rekening worden gehouden met de bestemming van het perceel. Indien de strook grond waar het om gaat publiek eigendom is (die grenst aan een particulier perceel en in gebruik wordt genomen door de particulier), dan wordt in de jurisprudentie langs dezelfde lijnen bij de vraag of er een intentie tot het houden voor zichzelf door de particulier is, mede rekening gehouden met de specifieke aard, ligging, functie en bestemming van het perceel.



4.7.
Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke machtsuitoefening van (de rechtsvoorganger van) [eiser] niet kwalificeert als bezit van de strook (en daarom ook niet kan leiden tot de verkrijging van de eigendom daarvan). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank beoordeelt alle omstandigheden in samenhang en als geheel.



4.8.
De eerste factor, waarop [eiser] zich beroept, betreft de gestelde ‘optische eenheid’. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de strook is ingericht als tuin, waardoor er een ‘optische eenheid’ met haar tuin is ontstaan. Het komt naar het oordeel van de rechtbank voor de beoordeling van bezit echter aan op een optelsom van omstandigheden die samen de conclusie rechtvaardigen dat naar verkeersopvatting van bezit/inbezitneming sprake is; het bestaan van een ‘optische eenheid’ kan een onderdeel van die optelsom vormen. De door [eiser] in dit kader gestelde verrichtingen met betrekking tot de strook – te weten bosschages aanplanten en onderhouden, picknicktafel en houtopslag plaatsen – zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als een ondubbelzinnige tegenspraak van het recht van de gemeente en rechtvaardigen niet het oordeel dat sprake is van bezit omdat het voor bezit vereiste ondubbelzinnige signaal richting de eigenaar niet wordt gegeven. De visuele indruk ter plaatse is dat [eiser] een tuin heeft (op haar eigen perceel nr. [kadastrale aanduiding 1] ) en dat daarachter (op het gemeentelijk perceel nr. [kadastrale aanduiding 2] en in de waterschapszone) het gras en wat struiken doorlopen tot aan “De Gender”. Er zijn op het gemeentelijk perceel en in de waterschapszone geen omstandigheden die ondubbelzinnig erop wijzen dat het gemeentelijk perceel en de waterschapszone behoren tot de tuin van [eiser] . De bosschages, de picknicktafel en de houtopslag creëren geen visueel geheel tussen perceel [kadastrale aanduiding 1] ( [eiser] ), perceel [kadastrale aanduiding 2] (de gemeente) en de waterschapszone. Daarbij is belangrijk dat bosschages en gras behoren tot de inrichting langs de oever van “De Gender”, ook op aangrenzende percelen en in de waterschapszone.



4.9.
De tweede factor, waarop [eiser] zich beroept, is de ‘afsluiting’ van de grondstrook. Deze afsluiting is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende concreet toegelicht. De grondstrook is aan de zijde van het riviertje niet afgesloten. Daar zijn partijen het over eens. Ook volgt bezit niet uit de omstandigheid dat de strook niet gemakkelijk toegankelijk is (voor zover [eiser] dat heeft bedoeld). Dat de grond aan de zijde van “De Gender” moeilijk te bereiken is, is immers het logische gevolg van de ligging van het riviertje (dat daar al lag) en kan daarom geen daad of teken van bezit van (de rechtsvoorganger van) [eiser] opleveren.



4.10.
Partijen zijn het niet eens over hoe het precies is gegaan met de aanleg van de beukenhaag aan de voorzijde van de strook (aan de openbare weg) en van de paaltjes met bedrading aan de achterzijde van de strook, waarmee in meer of mindere mate de strook aan die zijden is afgesloten. [eiser] heeft zich namelijk in deze procedure op het standpunt gesteld dat haar rechtsvoorganger aan de voorzijde de beukenhaag heeft geplant en aan de achterzijde van de strook paaltjes met bedrading in de gemeentelijke bosschage heeft geplaatst. De gemeente heeft hier tegenin gebracht dat deze beukenhaag en deze bedrade paaltjes juist door de geméénte zijn aangebracht. De gemeente heeft ter onderbouwing hiervan gewezen op de brief (zoals aangehaald in r.o. 2.7 van dit vonnis) waarin de moeder van [eiser] dat ook expliciet opschrijft. Daardoor kunnen deze handelingen niet als bezitsdaad van (de rechtsvoorganger van) [eiser] worden aangemerkt, aldus de gemeente. [eiser] heeft daar vervolgens weer tegenin gebracht dat zij er naderhand achter is gekomen dat de herinneringen van haar moeder in de brief niet klopten, dat haar moeder al op leeftijd was en dat haar moeder was overrompeld door de gemeente. De rechtbank beschikt echter niet over concrete aanknopingspunten of enige onderbouwing dat de moeder van [eiser] destijds haar wil niet vrij heeft kunnen bepalen of de feitelijke vaststellingen in die brief niet correct heeft kunnen opschrijven. Partijen zijn het eens dat de moeder de brief uit 2009 heeft ondertekend en aan de gemeente ter hand heeft gesteld. Het moet er dus voor worden gehouden dat de feitelijke beschrijving in de brief klopt en dat de gemeente de haag heeft geplant. Hoe dit alles ook zij, hiervoor heeft de rechtbank al overwogen dat van een afsluiting/ontoegankelijkheid van de strook geen sprake is, nu de strook langs de gehele zijkant (kant van het riviertje) niet afgesloten is. Zelfs als zou zijn komen vast te staan dat de beukenhaag en de bedrade paaltjes door de rechtsvoorganger van [eiser] zijn aangebracht, volgt daaruit niet dat sprake is van ondubbelzinnig bezit van de strook.



4.11.
De derde factor in de analyse betreft toestemming/gedogen. De rechtbank overweegt dat de gemeente concreet en uitvoerig heeft toegelicht dat sprake is geweest van een situatie van toestemming/gedogen van het gebruik van de strook. De gemeente heeft onderbouwd dat sprake is van een uitdrukkelijke, persoonlijke gebruiksafspraak tussen de gemeente en [moeder eiser] , inhoudende dat laatstgenoemde de strook grond mocht gebruiken (en zo van het vrije uitzicht mocht genieten). Verder volgt uit de standpunten van de gemeente dat die situatie van een gebruiksrecht is geëindigd in 2021 toen [moeder eiser] is overleden. Namens [eiser] is hier weliswaar tegenin gebracht dat de door de gemeente aangehaalde brieven stammen uit 2009 en dat de verjaringstermijn toen al was verstreken, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit de brief (zoals aangehaald in r.o. 2.7 van dit vonnis) volgt in ieder geval dat [moeder eiser] niet slechts in 2009, maar van meet af aan de situatie heeft opgevat als een persoonlijk/tijdelijk gebruiksrecht (dat ontstaat door toestemming/gedogen) en niet als bezitspretentie van haar (verwezen wordt naar 4.10 hiervoor over de wil van de moeder). Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het door de gemeente gedogen van dit gebruik van de strook past bij het perceel en de bestemming ervan. Het gaat namelijk om een publiek bosplantsoen, waarvan de functie juist is dat bosschages vrij konden groeien langs het riviertje (zoals door de gemeente aangevoerd, en door [eiser] niet weersproken). De gemeente had tegen deze achtergrond alle reden om het gebruik door [moeder eiser] in de loop van de jaren te gedogen, omdat dit gebruik overeenstemt met de functie van het perceel nr. [kadastrale aanduiding 2] en de andere percelen langs “De Gender”.



4.12.
Al met al, de drie factoren (4.7-4.11 hiervoor) in aanmerking genomen en bezien in samenhang en als geheel, vindt de rechtbank dat de gemeente er op grond van de uiterlijke omstandigheden niet op bedacht moest zijn dat zij haar eigendom van de strook zou gaan verliezen en dat [eiser] senior het gemeentelijk perceel en de waterschapszone niet in bezit heeft genomen.



Conclusie van de rechtbank





4.13.
De rechtbank concludeert dat niet voldaan is aan de vereisten voor eigendomsverkrijging door verjaring. Dit betekent dat de eigendom van de grondstrook bij de gemeente is gebleven.



4.14.
De primaire vordering in conventie van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.



4.15.
In het voorgaande oordeel ligt besloten dat ook de subsidiaire vordering van [eiser] wordt afgewezen. [eiser] heeft subsidiair namelijk een verklaring voor recht gevorderd dat elke vordering van de gemeente tot opheffing van de onrechtmatige toestand is verjaard (op grond van artikel 3:314 lid 1 jo. 3:306 BW). Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat er, alles overziend, geen sprake is (geweest) van bezit door [eiser] , danwel door haar rechtsvoorganger. In het onderhavige geval is dan ook geen sprake van een (continue) onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. De gemeente heeft de situatie immers naar eigen zeggen opgevat als door de gemeente toegestaan gebruik (in ieder geval tot aan het overlijden van de moeder van [eiser] in 2021). Nu er geen sprake is geweest van een onrechtmatige toestand (in ieder geval niet voor 2021), kan ook geen sprake zijn van een verjaarde vordering tot opheffing daarvan.



4.16.
De door de gemeente in (voorwaardelijke) reconventie gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.



De veroordeling tot ontruiming





4.17.
In het voorgaande oordeel ligt besloten dat het gehele perceel eigendom is van de gemeente. De gemeente is dan ook op grond van artikel 5:2 BW gemachtigd het gebruik van het perceel door [eiser] te beëindigen. De rechtbank zal de door de gemeente gevorderde ontruiming van het perceel toewijzen, met inachtneming van het volgende.



4.18.
Namens [eiser] is aangevoerd dat de gevraagde ontruimingstermijn van veertien dagen te kort is, omdat de gehele tuin dan aanpassingen vergt. Daarom verzoekt zij een termijn van een half jaar om de grondstrook te ontruimen. Verder is namens [eiser] naar voren gebracht dat niet duidelijk geformuleerd is wat zij moet ontruimen.


4.19.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het gebruik dat [eiser] van de strook maakte, een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis te kort is. [eiser] zal een termijn van twee maanden (zestig dagen) na betekening van het vonnis worden gegeven om de strook te ontruimen. Dat betekent dat [eiser] zal worden veroordeeld om binnen die termijn het bij haar in gebruik zijnde gedeelte van het perceel van de gemeente te ontruimen en ontruimd te houden, een en ander zoals onder de beslissing wordt vermeld. Ter voorkoming van onduidelijkheid op dit punt merkt de rechtbank op dat [eiser] aan de veroordeling moet voldoen door de door haar (of haar rechtsvoorganger) aangebrachte zaken (picknicktafel, haardhoutopslag) te verwijderen en de door haar aangebrachte beplanting weg te (laten) halen.



Machtiging





4.20.
De rechtbank zal verder de gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie afwijzen. De gemeente heeft niet toegelicht dat en waarom zij in dit specifieke geval een machtiging van de rechtbank nodig heeft om de toe te wijzen veroordeling tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de dwangsom (zie hierna) en de in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 444 Rv).



De gevraagde dwangsom





4.21.
De gemeente heeft gevraagd aan de veroordeling tot ontruiming een dwangsom te koppelen. Zij heeft aangevoerd dat oplegging van een dwangsom nodig is, omdat het perceelsgedeelte, ondanks herhaalde verzoeken, niet is ontruimd. Zij vraagt een dwangsom op te leggen van € 500,- voor iedere dag c.q. dagdeel dat [eiser] met nakoming van de veroordeling in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,-. Namens [eiser] is - in algemene termen – aangegeven dat zij uitvoering zal geven aan een onherroepelijk vonnis, waardoor oplegging van een dwangsom niet noodzakelijk is. Verder is namens [eiser] verweer gevoerd op de hoogte van de dwangsommen.



4.22.
De rechtbank overweegt dat een prikkel tot nakoming aangewezen lijkt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiser] zich gelet op bovenstaande bewoordingen niet bereid heeft verklaard een veroordeling tot ontruiming na te komen zolang het vonnis nog niet onherroepelijk is en dat het geschil al jaren voortduurt. De rechtbank zal dan ook een dwangsom opleggen, maar zal deze matigen en afstemmen op de belangen van partijen als volgt. De dwangsom wordt vastgesteld op € 100,- voor iedere dag c.q. dagdeel dat [eiser] de veroordeling tot ontruiming niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-.



Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard





4.23.

[eiser] verzoekt de rechtbank aan een veroordeling de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad te onthouden. Namens [eiser] is (bij conclusie van antwoord in reconventie) aangevoerd dat zij er alle belang bij heeft om de mogelijkheid te behouden om hoger beroep in te stellen, zonder dat zij ingrijpende aanpassingen heeft moeten verrichten aan de tuin. In dit verband voert [eiser] aan dat de grondstrook al lang niet meer door de gemeente gebruikt wordt; daarom ziet zij niet in waarom de gemeente de uitkomst van een eventueel hoger beroep niet kan afwachten.



4.24.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, weegt de rechtbank de belangen van partijen af in het licht van de omstandigheden van het geval. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten (slechts) meegewogen worden.



4.25.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente haar belang bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad voldoende toegelicht. In de stukken en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door en namens de gemeente aangegeven dat zij concrete en vastomlijnde plannen heeft met het perceel. Het is bestemd voor de aanleg van een wandelpad. Verder heeft de gemeente aangevoerd en onderbouwd dat de aanleg van de gehele wandelroute langs het riviertje “De Gender” al ver gevorderd is, maar dat de wandelroute op dit moment alleen langs de woning van [eiser] wordt ‘onderbroken’. De rechtbank vindt dat het belang van de gemeente om weer vrijelijk over haar perceel te beschikken en ten behoeve van het openbaar nut de bedoelde wandelroute te completeren, op dit moment zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om een eventueel hoger beroep te kunnen afwachten zonder tuinaanpassingen. Dat betekent dat de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.



De proceskosten





4.26.

[eiser] is - in conventie als in reconventie - in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.



4.27.
De proceskosten van de gemeente in conventie worden begroot op:










- griffierecht


€


688,00







- salaris advocaat


€


1.306,00


(2 punten × € 653,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.142,00











4.28.
De proceskosten in reconventie worden als volgt vastgesteld. Gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en de vordering in conventie, zal er aan de conclusie van antwoord en aan de mondelinge behandeling slechts een half punt worden toegekend voor het gemachtigdensalaris dat toepasselijk is op de vordering. Dat betekent dat de proceskosten in reconventie worden begroot op:










- salaris advocaat


€


653,00


(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


801,00











4.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De rechtbank:




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



in reconventie





5.2.
verklaart voor recht dat de gemeente eigenaar is van de strook zoals omschreven in r.o. 2.5 van dit vonnis,



5.3.
veroordeelt [eiser] om binnen zestig dagen na betekening van het vonnis de strook met al het hare en de haren en al de personen te ontruimen en ontruimd te houden, dan wel zulks te bewerkstelligen ten aanzien van de aldaar aanwezige personen met al het hunne en de hunnen;



5.4.
veroordeelt [eiser] om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, met dien verstande dat geen dwangsom wordt verbeurd voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met inbegrip van de inspanningen van [eiser] om aan de veroordeling te voldoen,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in conventie en in reconventie





5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.943,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.7.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3, 5.4, 5.6 en 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.







Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.




Prod. 2 bij Dagvaarding.


Dagvaarding, randnummer 10, pagina 4.


Prod. 8 bij Dagvaarding.


Prod. 10 bij Dagvaarding.


De aangehaalde afbeelding is weergegeven onder r.o. 2.5 van dit vonnis.


Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1059.


Vgl. - bij wijze van voorbeeld - Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:599.