Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:6534
2026-09-02
Civiel recht
C/01/419283 / HA ZA 25-580
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Buitenvloer aangebracht door drie verschillende partijen (ieder eigen laag). Wie is aansprakelijk voor de scheuren?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.156 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/419283 / HA ZA 25-580
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A.J. Brouwers,
tegen
1. [gedaagde 1], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. C.A.M. Slegers,2. [gedaagde 2], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. J.H. Tuit,3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],
te [plaats] ( [land] ),
advocaat: mr. J. van Boekel,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
gedaagden.
1De kern van de zaak
1.1.
[eiser] heeft aangrenzend aan zijn woning buiten een siergrindvloer laten aanleggen. De vloer bestaat uit drie lagen: een betonlaag, een cementdekvloer en een siergrindvloer. Gedaagden hebben in opdracht van [eiser] ieder een eigen laag aangebracht (of in ieder geval daarbij geholpen).
1.2.
Er zijn scheuren ontstaan in de siergrindvloer. Volgens [eiser] is volledige vervanging van de drielaagse vloer noodzakelijk. [eiser] vordert dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het vervangen van de drielaagse vloer, welke kosten door hem worden begroot op € 55.282,70 (ex btw).
1.3.
De rechtbank wijst het gevorderde af. Hieronder licht zij toe hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 t/m 13- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 t/m 11
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 en 2
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] , met producties 1 t/m 3
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelingen behandeling is bepaald
- de akte indienen producties van [eiser] , met producties 14 t/m 22
- de akte vermeerdering eis tevens indiening producties van [eiser] , met producties 23 t/m 25 - de mondelinge behandeling (zitting) van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de zitting hebben de advocaten van [eiser] en [gedaagde 1] spreekaantekeningen voorgedragen.
2.2.
Na afloop van de zitting is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3De feiten
3.1.
[eiser] heeft in 2017 een woning gekocht in [plaats] . De woning heeft hij verbouwd.
3.2.
[eiser] heeft ook een buitenvloer laten aanleggen. De buitenvloer bestaat uit drie lagen: (i) een betonvloer, (ii) een cementdekvloer en een (iii) siergrindvloer.
3.3.
In november 2017 heeft [gedaagde 1] de betonvloer (i) gestort. Het door [gedaagde 1] aangebrachte beton sluit aan op beton dat er al lag (hierna aangeduid als: het oude beton). Het volgende bovenaanzicht illustreert dit (in het midden de woning, links en rechts in rood het door [gedaagde 1] aangebrachte beton, linksonder in blauw het oude beton):
3.4.
[gedaagde 1] heeft op 20 november 2017, nadat de werkzaamheden waren verricht, een factuur gestuurd van € 11.883,00 voor het storten van het beton, binnen en buiten de woning.
3.5.
Op 24 september 2018 heeft [gedaagde 2] een cementdekvloer (ii) aangebracht over de oude en de nieuwe betonvloer. Eerder, rond 17 juli 2018, hadden [eiser] en [gedaagde 2] reeds contact gehad over het aanbrengen van deze vloer. [eiser] heeft aan [gedaagde 2] € 792,00 betaald voor deze werkzaamheden, contant en zonder factuur.
3.6.
Op 20 oktober 2018 hebben [eiser] en [gedaagde 2] contact gehad over een scheur in de cementdekvloer.
3.7.
Op 10 juli en 1 augustus 2019 heeft [gedaagde 3] een siergrindvloer (iii) geleverd en aangebracht (of in ieder geval daarbij geholpen). [eiser] heeft [gedaagde 3] voor de siergrindvloer € 5.460,00 betaald, contant en zonder factuur.
3.8.
In 2021 of in 2022 heeft [eiser] een scheur geconstateerd in de siergrindvloer.
3.9.
In maart / april 2023 heeft [eiser] een grotere scheur geconstateerd in de siergrindvloer.
3.10.
In de maanden april – juni 2023 heeft [eiser] bij [gedaagde 1] geklaagd over de scheur en is [gedaagde 1] langsgekomen om de vloer te beoordelen.
3.11.
Per brief van 7 augustus 2023 heeft [eiser] [gedaagde 1] , kort gezegd, in gebreke gesteld.
3.12.
[eiser] heeft een deskundige (EXP) ingeschakeld om de vloer te onderzoeken. Op 3 januari 2024 is EXP langsgekomen, op 6 februari 2024 heeft EXP een rapport uitgebracht.
3.13.
[eiser] heeft [gedaagde 3] en [gedaagde 2] per brieven en e-mails van 5 april 2024 een ingebrekestelling gestuurd. Bijlage bij de brief en e-mail is het rapport van EXP.
3.14.
[gedaagde 2] heeft een eigen deskundige, EMN, ingeschakeld. EMN heeft de vloer op 15 mei 2024 geïnspecteerd en op 21 juni 2024 een rapport uitgebracht.
3.15.
[eiser] heeft op 4 oktober 2024 [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een brief en e-mail gestuurd waarin hij aangeeft aanspraak te maken op schadevergoeding en niet langer nakoming te verlangen (een zogenaamde omzettingsverklaring).
3.16.
[eiser] is vervolgens deze procedure gestart. Na de start van de procedure hebben EMN en EXP ieder nog een aanvullend rapport uitgebracht (EMN op 3 november 2025 en EXP op 25 juni 2026).
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 55.282,70 in hoofdsom en € 1.954,15 en € 713,90 aan expertisekosten, vermeerderd met btw, rente en (andere) kosten.
4.2.
Volgens gedaagden moet het gevorderde worden afgewezen.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
[eiser] heeft scheuren in zijn siergrindvloer.
5.2.
Met zijn vordering (tot betaling van € 55.282,70 ex btw, in hoofdsom) wenst [eiser] vergoeding van de herstelkosten, bestaande uit de kosten van het vervangen van de gehele drielaagse vloer.
5.3.
Het staat vast dat [eiser] met elk van de gedaagden individueel een overeenkomst heeft gesloten. [eiser] baseert zijn vordering op het tekortschieten in de nakoming van deze overeenkomsten, zoals geregeld in artikel 6:74 BW. Dit artikel bepaalt in het kort dat een schuldenaar die zijn verplichtingen niet (naar behoren) nakomt, gehouden is de schade te vergoeden die zijn contractspartij, in dit geval [eiser] , daardoor lijdt. Voor deze verplichting tot schadevergoeding gelden onder andere de volgende voorwaarden: (1) er is sprake van een tekortkoming, (2) er is een causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade en (3) de schuldenaar verkeert in verzuim. Het ligt op de weg van de partij die het rechtsgevolg inroept (in dit geval [eiser] die schadevergoeding vordert op grond van artikel 6:74 BW) om de daartoe vereiste feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen. Deze stellingen dienen zodanig concreet en feitelijk te zijn dat de wederpartij zich daartegen adequaat kan verweren. Het is, mede gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, uitdrukkelijk niet de taak van de rechter om zelfstandig in de producties op zoek te gaan naar feiten die de vordering eventueel zouden kunnen dragen.
5.4.
Mede in het licht van dit beoordelingskader oordeelt de rechtbank als volgt, waarbij het volgende in acht wordt genomen:
De vorderingen worden per gedaagde besproken, te beginnen met [gedaagde 3] (bovenste laag), daarna [gedaagde 2] (middelste laag) en dan [gedaagde 1] (onderste laag).
Tijdens de zitting heeft [eiser] de tekortkomingen concreet opgesomd in randnummer 4 van zijn pleitnota. Bij het bespreken van de gestelde tekortkomingen is deze opsomming aangehouden, voor zover aan de tekortkomingen wordt toegekomen.
Eerst worden twee algemene punten behandeld: groepsaansprakelijkheid en de waarschuwingsplicht.
Groepsaansprakelijkheid
5.5.
[eiser] stelt dat gedaagden als groep gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de schade en heeft een beroep gedaan op artikel 6:166 lid 1 BW. Dit wetsartikel bepaalt dat als een groep personen samen een onrechtmatige daad pleegt en één van hen schade toebrengt, alle groepsleden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade.
5.6.
Dit artikel is alleen al niet van toepassing, omdat van een groep geen sprake is. Gedaagden vormden bij het aanleggen van de vloer geen groep. Gedaagden hebben ieder afzonderlijk met [eiser] afspraken gemaakt en afzonderlijk ieder hun deel van de vloer geleverd en/of gelegd ( [gedaagde 1] in november 2017, [gedaagde 2] in september 2018 en [gedaagde 3] in de zomer van 2019). Dat gedaagden gezamenlijk hebben gehandeld is niet gebleken. Daarin lijkt ook de kern te zitten van de problemen die zijn ontstaan. [eiser] heeft zelf de regie gevoerd over het project, zelf de keuzes gemaakt en ieder van gedaagden zelf aangestuurd.
5.7.
[eiser] heeft verder een beroep gedaan op artikel 6:102 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat als meerdere partijen dezelfde schade moeten vergoeden, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het volledige schadebedrag. Volgens [eiser] is ieder van gedaagden op grond van dit artikel gehouden de herstelkosten van de gehele drielaagsvloer te vergoeden en is het aan hen om onderling uit te maken wie welk deel moet dragen.
5.8.
Voor toepassing van artikel 6:102 lid 1 BW is het echter een voorwaarde dat de aansprakelijkheid van elke gestelde aansprakelijke partij vaststaat. Pas wanneer dat het geval is en partijen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, kan artikel 6:102 lid 1 BW mogelijk worden toegepast. Zoals hieronder zal worden toegelicht, staat de aansprakelijkheid van geen van de gedaagden vast. Daarom komt de rechtbank niet toe aan artikel 6:102 lid 1 BW.
De waarschuwingsplicht
5.9.
[eiser] heeft onder meer in algemene zin betoogd dat de legger van een vloer gehouden is de daaronder liggende vloer(en) te onderzoeken voordat hij zijn vloer gaat leggen en dat hij schriftelijk moet waarschuwen dat de vloer niet geschikt is, als dit het geval is. Dat volgt uit artikel 7:754 BW en gedaagden zijn deze verplichting niet nagekomen, aldus [eiser] .
5.10.
Gedaagden betwisten allen dat zij de waarschuwingsplicht hebben geschonden. Volgens hen reikt de in artikel 7:754 BW neergelegde waarschuwingsplicht niet zo ver als door [eiser] is beschreven. Verder geldt de schriftelijkheidseis in dit geval niet, omdat die eis pas in de wet is gekomen, nadat de overeenkomsten waren gesloten, aldus gedaagden.
5.11.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog.
5.12.
Op grond van artikel 7:754 BW is een aannemer verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht of gebreken in zaken die van de opdrachtgever afkomstig zijn, voor zover de aannemer deze kende of redelijkerwijs hoorde te kennen. Deze bepaling verplicht een aannemer in beginsel tot een visuele of oppervlakkige inspectie van de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde materialen of ondergronden.
5.13.
De waarschuwingsplicht reikt echter niet zo ver dat van de aannemer, zonder daartoe strekkende opdracht, wordt verlangd dat hij een specifiek of diepgaand onderzoek instelt naar mogelijke, niet-zichtbare gebreken van de ondergrond. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden of concrete signalen die voor een deskundig aannemer aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek. Deze bijzondere omstandigheden en concrete signalen moeten door de opdrachtgever die zich op schending van artikel 7:754 BW beroept worden gesteld. Dat is hier niet gebeurd.
5.14.
Het enkele feit dat gedaagden de (onder)vloer niet uitvoerig hebben onderzocht (als dit al het geval is geweest), betekent dus niet zonder meer dat zij tekort zijn geschoten.
De vorderingen tegen [gedaagde 3]
5.15.
Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde 3] het standpunt ingenomen dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij rauwelijks is gedagvaard (dat wil zeggen, kort gezegd, zonder eerst een waarschuwing te hebben ontvangen). De rechtbank volgt [gedaagde 3] hierin echter niet. Zelfs als [gedaagde 3] rauwelijks is gedagvaard, betekent dat nog niet dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering.
5.16.
De vorderingen tegen [gedaagde 3] worden echter afgewezen, omdat uit de feiten niet volgt dat aan de voorwaarde van verzuim (hierboven, r.o. 5.3, voorwaarde (3)) is voldaan, hetgeen ook vereist is voor een omzettingsverklaring.
5.17.
[gedaagde 3] heeft betwist dat hij in verzuim is komen te verkeren, omdat hij niet deugdelijk in gebreke is gesteld. [gedaagde 3] is woonachtig in [land] en heeft zich in september 2021 uitgeschreven uit Nederland. In oktober 2021 heeft hij zijn Nederlandse onderneming beëindigd. [eiser] heeft voor het eerst in april 2024 geprobeerd om hem aan te spreken via e-mail en op zijn laatst bekende adres. [gedaagde 3] heeft pas voor het eerst van de klacht van [eiser] gehoord in de dagvaarding die op 7 augustus 2025 op zijn adres in [land] is betekend. [gedaagde 3] heeft vervolgens contact opgenomen met een advocaat in Nederland en hij is ter zitting verschenen.
5.18.
Volgens [eiser] heeft hij [gedaagde 3] wel degelijk in gebreke gesteld, maar de rechtbank deelt dat standpunt niet.
5.19.
Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft [eiser] verwezen naar twee brieven, gedateerd 5 april 2024 en 4 oktober 2024, die tevens per e-mail zijn verzonden. Uit de feiten blijkt echter niet dat deze brieven en e-mails daadwerkelijk door [gedaagde 3] zijn ontvangen. [gedaagde 3] heeft dit betwist en [eiser] heeft zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. Van de brieven is geen bewijs van ontvangst overgelegd. Wat de e-mails betreft heeft [eiser] aangevoerd dat hij geen foutmelding heeft ontvangen na het verzenden van de e-mails, maar dat betekent niet automatisch dat deze ook zijn ontvangen door [gedaagde 3] .
5.20.
Verder heeft [eiser] een beroep gedaan op artikel 3:37 lid 3 BW, dat kort gezegd bepaalt dat een bericht toch als ontvangen wordt beschouwd als de ontvanger (hier: [gedaagde 3] ) het bericht niet heeft ontvangen door zijn eigen schuld. Volgens [eiser] heeft hij de e-mails gestuurd naar het hem bekende e-mailadres, via welk adres partijen eerder hadden gecommuniceerd, en komt de niet-ontvangst dus door [gedaagde 3] ’s eigen schuld.
5.21.
De rechtbank oordeelt echter dat artikel 3:37 lid 3 BW hier niet van toepassing is, omdat het feit dat [gedaagde 3] de e-mails niet heeft ontvangen niet komt door zijn eigen schuld.
5.22.
Hoewel [eiser] de e-mails heeft gestuurd naar het hem bekende e-mailadres van [gedaagde 3] , was dat in deze situatie niet voldoende om een beroep te kunnen doen op 3:37 lid 3 BW. De e-mails zijn verstuurd ruim 4,5 tot 5 jaar nadat het werk was verricht (het werk vond plaats in de zomer van 2019, de e-mails zijn van 5 april en 4 oktober 2024). Gezien deze lange periode mocht [eiser] er niet zonder meer vanuit gaan dat [gedaagde 3] nog bereikbaar was via dat e-mailadres. Op het moment van verzending was [gedaagde 3] namelijk al geruime tijd terug verhuisd naar [land] , zoals blijkt uit zijn uitschrijving uit het Basisregistratie Personen (BPR) op 26 september 2021. Ook was zijn bedrijf al geruime tijd uitgeschreven uit het handelsregister (uitschrijving op 7 oktober 2021). In het handelsregister stond vermeld dat [gedaagde 3] zich had uitgeschreven en werd een ander e-mailadres genoemd waarop [gedaagde 3] bereikbaar zou zijn. Als [eiser] het handelsregister had geraadpleegd, hetgeen noch hij noch zijn advocaat heeft gedaan, had hij kunnen constateren dat het bedrijf van [gedaagde 3] was uitgeschreven en dat [gedaagde 3] via een ander e-mailadres bereikbaar was.
Daarnaast heeft [gedaagde 3] niet gereageerd op de verzonden e-mails, wat ook geen reden gaf om aan te nemen dat hij de e-mails daadwerkelijk had ontvangen.
5.23.
Hoewel [eiser] het e-mailadres heeft gebruikt dat hem bekend was en [gedaagde 3] [eiser] niet heeft geïnformeerd dat hij dit e-mailadres niet meer controleerde, betekent dit volgens de rechtbank niet dat [gedaagde 3] de e-mails niet heeft ontvangen door zijn eigen schuld. Het tijdsverloop, het uitblijven van een reactie van [gedaagde 3] en de informatie uit het handelsregister wegen volgens de rechtbank zwaarder.
5.24.
Omdat [gedaagde 3] niet deugdelijk in gebreke is gesteld, is hij niet in verzuim komen te verkeren en is hij ook niet gehouden om de schade te vergoeden. De vorderingen tegen [gedaagde 3] worden afgewezen. Partijen hebben tevens gedebatteerd over de vraag wie de siergrindvloer heeft aangebracht en andere kwesties, maar deze behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling.
De vorderingen tegen [gedaagde 2]
5.25.
[gedaagde 2] heeft de cementdekvloer aangebracht.
5.26.
[eiser] vordert schadevergoeding van [gedaagde 2] , omdat de cementdekvloer volgens hem gebrekkig is. De gebreken heeft [gedaagde 2] ter zitting nader toegelicht en bestaan uit de volgende onderdelen:
I. De cementdekvloer is niet goed gehecht aan het beton
II. De cementdekvloer is op punten niet vlak aangebracht
III. De cementdekvloer is broos van samenstelling
IV. Er zijn geen krimpwapening en dilataties aangebracht
V. De zand-cement-waterverhouding van de cementdekvloer is onjuist
VI. Op de plaatsen waar er scheuren waren in het beton is geen scheur overbruggende wapeningsnet van 6-8 mm aangebracht. Ook niet op de plaats waar het oude beton op het nieuwe beton aansluit.
VII. De cementdekvloer heeft onvoldoende afschot; dat dient minimaal ca. 15 mm, per m te zijn.
5.27.
[gedaagde 2] heeft betwist dat hij tekort is geschoten.
5.28.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.29.
De overeenkomst tussen partijen kwalificeert als aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW. Gevolg is dat de bepalingen over aanneming van werk (artikel 7:750 BW en verder) van toepassing zijn. Concreet betekent dit, onder andere, dat een aannemer een werk moet opleveren dat voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk vakwerk en dat het werk geschikt is voor zijn normale bestemming.
5.30.
In het licht van dit toetsingskader oordeelt de rechtbank als volgt over de gestelde gebreken.
i. Onderdelen I, III en V
5.31.
Onderdelen I, III en V gaan, samengevat, over de hechting en de samenstelling van de cementdekvloer. [eiser] heeft gesteld dat de samenstelling en de hechting van de cementdekvloer niet goed zijn, ter onderbouwing waarvan is verwezen naar het rapport van EXP.
5.32.
Anders dan [eiser] heeft betoogd staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat het werk vanwege de gestelde onjuiste samenstelling of hechting niet goed en deugdelijk was, op grond van het volgende.
5.33.
De rechtbank stelt voorop dat de cementdekvloer op 24 september 2018 is aangebracht en opgeleverd. Toen moest de vloer, ook qua hechting en samenstelling, voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
5.34.
Uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd volgt dat de samenstelling en de hechting van de cementdekvloer (mogelijk) niet deugdelijk waren in januari 2024. Dat is namelijk het moment waarop de vloer door EXP is beoordeeld. [eiser] betoogt in feite dat, omdat de hechting en samenstelling in januari 2024 niet goed waren, dit ook het geval moet zijn geweest in september 2018 (bij de oplevering).
5.35.
De rechtbank volgt dit betoog echter niet.
5.36.
In januari 2024 lag de cementdekvloer er meer dan 5 jaar en lag de siergrindvloer (de laag erop) er meer dan 4 jaar.
5.37.
Verder heeft [gedaagde 2] een andere verklaring gegeven voor de (mogelijk) ondeugdelijke samenstelling van de cementdekvloer in januari 2024. Hij heeft betoogd dat, als de samenstelling en de hechting in januari 2024 niet goed waren, dit komt doordat er een waterdoorlatende siergrindvloer overheen is gelegd zonder een deugdelijk afwateringslaag. Daardoor is er water door de siergrindlaag gekomen dat zich heeft opgehoopt in de cementdekvloer, hetgeen de samenstelling en de hechting van de cementdekvloer heeft aangetast, aldus [gedaagde 2] . Kortom: dat de cementdekvloer is aangetast (in de zin dat de samenstelling niet (meer) de juiste is en de hechting met de betonvloer niet meer goed is) ligt niet aan hem, aldus [gedaagde 2] . Het betoog van [gedaagde 2] wordt onderbouwd door het rapport EMN van 3 november 2025 en door EXP, die bevestigt dat de cementdekvloer wordt aangetast door vocht vanuit de open siergrindvloer (pagina 3, tweede rapport van EXP, van 25 juni 2026). Indien de hechting en samenstelling van de cementdekvloer in januari 2024 niet juist waren, betekent niet dat zij dat in september 2018 ook niet juist waren. Daarnaast is ook niet gebleken dat de cementdekvloer negen maanden na het aanleggen hiervan, ten tijde van het aanbrengen van de siergrindlaag gebreken vertoonde, hetgeen het aannemelijk maakt dat de cementdekvloer goed gehecht was en dat ook de samenstelling goed was.
5.38.
Het staat dus niet vast dat de cementdekvloer op 24 september 2018 niet voldeed aan de eisen van goed en deugdelijk werk qua hechting en samenstelling.
ii. Onderdeel II
5.39.
Volgens [eiser] is de cementdekvloer op sommige plekken niet vlak aangebracht. Dit is echter gezien de betwisting onvoldoende onderbouwd. Hoewel EXP in zijn rapport vermeldt dat de vloer niet overal vlak is, licht EXP niet toe hoe hij tot die conclusie is gekomen. Daarnaast is niet concreet aangegeven op welke plekken de vloer niet vlak zou zijn en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. De enkele – niet concrete en onvoldoende onderbouwde – conclusie van EXP is daarom niet voldoende tegenover de betwisting van [gedaagde 2] .
5.40.
Het staat dus niet vast dat de vloer ondeugdelijk is, omdat deze op sommige plekken niet vlak zou zijn aangebracht.
iii. Onderdelen IV en VI
5.41.
Onderdelen IV en VI gaan over het ontbreken van (a) dilatatievoegen en (b) (krimp)wapening.
5.42.
Wat betreft de dilatatievoegen geldt het volgende. Vaststaat dat de dilatatievoegen niet door [gedaagde 2] zijn aangebracht. [gedaagde 2] heeft toegelicht dat dit geen gebrek is, omdat hij er vanuit ging dat er bovenop de cementdekvloer tegels zouden worden geplaatst en het aan de tegellegger is om de dilatatievoegen aan te brengen in de onderlagen (zodat deze in alle lagen op dezelfde plaats is en aansluiten op de voegen van de tegels).
5.43.
[eiser] heeft erkend dat hij aanvankelijk wilde dat er tegels kwamen, maar volgens hem heeft hij [gedaagde 2] op enig moment ervan op de hoogte gesteld dat hij in plaats daarvan een siergrindvloer wilde. Dat [eiser] [gedaagde 2] ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij afzag van een tegelvloer is echter betwist en niet voldoende onderbouwd door [eiser] . [eiser] heeft ter onderbouwing verwezen naar een app van 20 oktober 2018 (productie 24 [eiser] ), waarin [gedaagde 2] epoxy vermeldt. Volgens [eiser] duidt het gebruik van het woord “ epoxy” door [gedaagde 2] erop dat hij wist dat er een siergrindvloer zou komen omdat epoxy bij siergrindvloer hoort, maar dit betoog is gemotiveerd betwist door [gedaagde 2] . Volgens [gedaagde 2] duidt het woord epoxy niet op een siergrindvloer; het whatsapp gesprek ging over scheuren en krimpnaden en epoxy wordt gebruikt om deze te dichten, aldus [gedaagde 2] . Daarop is [eiser] niet met een nadere toelichting gekomen waarom volgens hem het woord epoxy (toch) duidt op een siergrindvloer. [eiser] heeft daarom niet voldoende onderbouwd dat [gedaagde 2] wist dat er een siergrindvloer zou komen in plaats van tegels.
5.44.
[eiser] heeft verder niet betwist dat, als er tegels zouden worden gelegd, de tegellegger de dilatatievoegen zou aanbrengen (en niet de legger van de cementdekvloer).
5.45.
De conclusie is dan ook dat [gedaagde 2] niet tekort is geschoten door het niet aanbrengen van dilatatievoegen, omdat hij ervan uitging dat er tegels zouden komen en dat de tegellegger de dilatatievoegen zou aanbrengen.
5.46.
Wat betreft de (krimp)wapening geldt het volgende. Vaststaat dat er krimpwapening is aangebracht. Dat is niet betwist en blijkt, onder meer, uit bijlage 2 bij het rapport EXP van 6 februari 2024 en uit foto’s (productie 15 [eiser] ). In het rapport van EXP van 6 februari 2024 wordt ook vermeld dat er krimpwapening is aangebracht (onder foto 10).
5.47.
Volgens [eiser] is de aangebrachte wapening niet voldoende. [gedaagde 2] heeft echter gemotiveerd betwist dat de wapening onvoldoende is en daarop heeft [eiser] zijn standpunt (dat het onvoldoende is) niet onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg lag. De rechtbank is van oordeel dat er geen gebrek is vanwege onvoldoende wapening. Zoals hiervoor weergegeven is het niet de taak van de rechtbank om zelfstandig te gaan zoeken in de producties of er daarin aanwijzingen te vinden zijn die al dan niet ter onderbouwing zouden kunnen dienen van niet nader onderbouwde standpunten.
5.48.
Bovendien volgt uit het door [gedaagde 2] overlegde rapport van EMN dat het (mogelijk) ontbreken van wapening nog niet betekent dat daardoor de scheuren zijn ontstaan. Dit wordt toegeschreven aan het ontbreken van dilataties en een waterdichte afwerking.
5.49.
De conclusie is dus dat het niet vaststaat dat [gedaagde 2] tekort is geschoten inzake de (krimp)wapening.
iv. Onderdeel VII
5.50.
[eiser] heeft betoogd dat de cementdekvloer onvoldoende op afschot lag, maar dat is, gelet op de gemotiveerd betwisting niet voldoende onderbouwd. In het rapport van EXP wordt weliswaar gesteld dat de vloer niet voldoende op afschot lag, maar onduidelijk is hoe EXP tot deze conclusie is gekomen, zodat de juistheid van de conclusie niet kan worden getoetst. [gedaagde 2] heeft daartegenover erop gewezen dat de cementdekvloer er tussen september 2018 en de zomer van 2019 zonder laag er bovenop heeft gelegen, dat er plassen zouden zijn ontstaan als de vloer niet voldoende op afschot had gelegen. Gelet op het feit dat hierover niet geklaagd is en er geen contact met hem is opgenomen en dat er ook geen foto’s zijn overgelegd, is het aannemelijk dat er voldoende afschot was. Daarmee heeft [gedaagde 2] het standpunt van [eiser] gemotiveerd betwist. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had [gedaagde 2] met meer moeten komen dan de enkele – niet onderbouwde – conclusie in het rapport van EXP.
v. Conclusie over de vorderingen op [gedaagde 2]
5.51.
De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden afgewezen, omdat uit de feiten niet volgt dat [gedaagde 2] tekort is geschoten.
De vorderingen tegen [gedaagde 1]
5.52.
[gedaagde 1] heeft een deel van de onderste laag aansluitend aan de oude betonvloer aangelegd. [gedaagde 1] heeft een betonlaag naast het oude beton gestort. Dat is weergegeven in r.o. 3.3. Bij de aansluiting tussen het oude en het nieuwe beton is nieuw beton deels over het oude beton gestort.
5.53.
Volgens [eiser] is [gedaagde 1] tekortgeschoten om meerdere redenen, namelijk:
I. Bij de overgang van oud naar nieuw beton, ontbreken dilatatievoegen en is geen extra wapening aangebracht.
II. De aansluiting van het nieuwe betonvloer met oude vloer is ondeugdelijk uitgevoerd, het is een grillige naad, dit had een rechte met dilatatievoeg moeten zijn.
III. Het was beter geweest de oude betonvloer te verwijderen.
5.54.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat ook hier sprake is van aanneming van werk. Verwezen wordt naar het bepaalde in r.o. 5.29.
5.55.
Onderdelen I en II zien op het ontbreken van dilatatievoegen en extra wapening bij de overgang van oud naar nieuw beton.
5.56.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde gebreken geen tekortkomingen opleveren van [gedaagde 1] .
5.57.
Wat betreft de dilatatievoegen geldt hetzelfde als hiervoor, in r.o. 5.42 t/m 5.45, is weergegeven. Ook [gedaagde 1] heeft betoogd dat een tegellegger normaliter de dilatatievoegen aanbrengt (en niet hij als betonstorter) en toegelicht dat hij ervan uitging dat tegels zouden worden gelegd. [eiser] heeft daarop gesteld dat hij [gedaagde 1] heeft laten weten dat er geen tegels zouden komen (maar een siergrindvloer), maar dat hij dit voorafgaand aan de oplevering heeft laten weten is betwist en niet voldoende onderbouwd. Daarnaast heeft [eiser] erkend dat hij eerst voornemens was om tegels te laten leggen en dat hij dat tegen [gedaagde 1] en later ook tegen [gedaagde 2] heeft aangegeven.
5.58.
Ten aanzien van de wapening heeft [eiser] pas ter zitting het standpunt ingenomen dat [gedaagde 1] tekort is geschoten doordat hij geen extra wapening heeft aangebracht bij de overgang van oud naar nieuw beton. Deze stelling is tardief. Nu [eiser] dit standpunt niet eerder naar voren heeft gebracht, heeft [gedaagde 1] hierop niet deugdelijk kunnen reageren. Dit is in strijd met de goede procesorde, te meer daar [eiser] dit standpunt zonder reden pas ter zitting heeft ingenomen, terwijl hij dat ook in een eerder stadium van de procedure had kunnen doen. Verder volgt uit het overige betoog van [eiser] dat de verantwoordelijkheid voor de wapening lag bij de partij die de laag boven het beton zou aanbrengen (hier: [gedaagde 2] ), en dus niet bij de partij die het beton heeft gestort ( [gedaagde 1] ). [eiser] spreekt zichzelf hier dus tegen.
5.59.
[eiser] heeft verder vermeld dat de aansluiting tussen het oud en nieuw beton grillig is. Dat dit echter zelfstandig een tekortkoming is die tot de scheuren heeft geleid, is niet duidelijk gesteld. Naar de rechtbank begrijpt, gaat het erom dat er geen (rechte) dilatatievoeg is aangebracht, maar daarover oordeelt de rechtbank zoals is weergegeven in r.o. 5.57.
5.60.
[eiser] heeft ook, onder verwijzing naar een conclusie van EXP, aangevoerd dat het beter was geweest om de oude betonvloer te verwijderen (onderdeel III). Naar de rechtbank begrijpt heeft [eiser] hiermee bedoeld te betogen dat [gedaagde 1] tekort is geschoten doordat hij [eiser] niet heeft geadviseerd het oude beton te verwijderen.
5.61.
Ook uit dit betoog volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [gedaagde 1] tekort is geschoten. De vraag of [gedaagde 1] wat dit betreft tekort is geschoten, draait om de vraag of hij – als deskundige en in het licht van de opdracht en hetgeen tussen partijen is besproken – had moeten adviseren het oude beton te verwijderen.
5.62.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] toegelicht dat hij en [eiser] overleg hebben gehad over de bestaande betonvloer. Beide partijen waren zich bewust van de scheuren in het oude beton. [gedaagde 1] heeft aangegeven dat, indien er dilatatievoegen zouden worden aangebracht, de situatie beheersbaar zou zijn. Op basis daarvan heeft [eiser] , mede uit kostenoverwegingen, besloten de oude betonvloer te laten liggen. Deze feiten zijn door [eiser] niet betwist.
5.63.
[eiser] heeft tegenover deze toelichting onvoldoende gesteld om te concluderen dat [gedaagde 1] in deze situatie had moeten adviseren het oude beton te verwijderen. [gedaagde 1] ging ervan uit dat er tegels zouden worden gelegd en dat de tegelzetter dilatatievoegen zou aanbrengen. Volgens [gedaagde 1] zouden de scheuren in de betonvloer dan geen probleem vormen. Tegen deze achtergrond valt niet zonder meer in te zien dat [gedaagde 1] had moeten adviseren het beton te verwijderen. [eiser] heeft gewezen op een deskundige, EXP, die achteraf heeft gesteld dat het beter was geweest het oude beton te verwijderen, maar deze beoordeling is gemaakt met het oog op de siergrindvloer die later is aangebracht, en niet uitgaande van de tegels, waar [gedaagde 1] van uitging. Bovendien betekent het feit dat de deskundige achteraf zegt dat het beter was geweest als de betonvloer was verwijderd niet automatisch dat [gedaagde 1] zijn zorgplicht heeft geschonden door destijds niet te adviseren tot verwijdering van het beton. Het niet adviseren van een mogelijk (nog) betere (maar duurdere) optie betekent immers niet dat er verkeerd is geadviseerd.
5.64.
De vorderingen tegen [gedaagde 1] worden eveneens afgewezen, omdat uit de feiten niet volgt dat hij tekort is geschoten.
De proceskosten
5.65.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen tegen alle gedaagden worden afgewezen. Gedaagden hebben ook andere verweren gevoerd, maar deze hoeven niet te worden behandeld.
5.66.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van ieder van gedaagden betalen. De proceskosten per gedaagde worden begroot op:
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.143,00
5.67.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan ieder van de gedaagden van de proceskosten van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan ieder van gedaagden van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Xanthopoulos en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/419283 / HA ZA 25-580
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A.J. Brouwers,
tegen
1. [gedaagde 1], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. C.A.M. Slegers,2. [gedaagde 2], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. J.H. Tuit,3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],
te [plaats] ( [land] ),
advocaat: mr. J. van Boekel,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
gedaagden.
1De kern van de zaak
1.1.
[eiser] heeft aangrenzend aan zijn woning buiten een siergrindvloer laten aanleggen. De vloer bestaat uit drie lagen: een betonlaag, een cementdekvloer en een siergrindvloer. Gedaagden hebben in opdracht van [eiser] ieder een eigen laag aangebracht (of in ieder geval daarbij geholpen).
1.2.
Er zijn scheuren ontstaan in de siergrindvloer. Volgens [eiser] is volledige vervanging van de drielaagse vloer noodzakelijk. [eiser] vordert dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het vervangen van de drielaagse vloer, welke kosten door hem worden begroot op € 55.282,70 (ex btw).
1.3.
De rechtbank wijst het gevorderde af. Hieronder licht zij toe hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 t/m 13- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 t/m 11
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 en 2
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] , met producties 1 t/m 3
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelingen behandeling is bepaald
- de akte indienen producties van [eiser] , met producties 14 t/m 22
- de akte vermeerdering eis tevens indiening producties van [eiser] , met producties 23 t/m 25 - de mondelinge behandeling (zitting) van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de zitting hebben de advocaten van [eiser] en [gedaagde 1] spreekaantekeningen voorgedragen.
2.2.
Na afloop van de zitting is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3De feiten
3.1.
[eiser] heeft in 2017 een woning gekocht in [plaats] . De woning heeft hij verbouwd.
3.2.
[eiser] heeft ook een buitenvloer laten aanleggen. De buitenvloer bestaat uit drie lagen: (i) een betonvloer, (ii) een cementdekvloer en een (iii) siergrindvloer.
3.3.
In november 2017 heeft [gedaagde 1] de betonvloer (i) gestort. Het door [gedaagde 1] aangebrachte beton sluit aan op beton dat er al lag (hierna aangeduid als: het oude beton). Het volgende bovenaanzicht illustreert dit (in het midden de woning, links en rechts in rood het door [gedaagde 1] aangebrachte beton, linksonder in blauw het oude beton):
3.4.
[gedaagde 1] heeft op 20 november 2017, nadat de werkzaamheden waren verricht, een factuur gestuurd van € 11.883,00 voor het storten van het beton, binnen en buiten de woning.
3.5.
Op 24 september 2018 heeft [gedaagde 2] een cementdekvloer (ii) aangebracht over de oude en de nieuwe betonvloer. Eerder, rond 17 juli 2018, hadden [eiser] en [gedaagde 2] reeds contact gehad over het aanbrengen van deze vloer. [eiser] heeft aan [gedaagde 2] € 792,00 betaald voor deze werkzaamheden, contant en zonder factuur.
3.6.
Op 20 oktober 2018 hebben [eiser] en [gedaagde 2] contact gehad over een scheur in de cementdekvloer.
3.7.
Op 10 juli en 1 augustus 2019 heeft [gedaagde 3] een siergrindvloer (iii) geleverd en aangebracht (of in ieder geval daarbij geholpen). [eiser] heeft [gedaagde 3] voor de siergrindvloer € 5.460,00 betaald, contant en zonder factuur.
3.8.
In 2021 of in 2022 heeft [eiser] een scheur geconstateerd in de siergrindvloer.
3.9.
In maart / april 2023 heeft [eiser] een grotere scheur geconstateerd in de siergrindvloer.
3.10.
In de maanden april – juni 2023 heeft [eiser] bij [gedaagde 1] geklaagd over de scheur en is [gedaagde 1] langsgekomen om de vloer te beoordelen.
3.11.
Per brief van 7 augustus 2023 heeft [eiser] [gedaagde 1] , kort gezegd, in gebreke gesteld.
3.12.
[eiser] heeft een deskundige (EXP) ingeschakeld om de vloer te onderzoeken. Op 3 januari 2024 is EXP langsgekomen, op 6 februari 2024 heeft EXP een rapport uitgebracht.
3.13.
[eiser] heeft [gedaagde 3] en [gedaagde 2] per brieven en e-mails van 5 april 2024 een ingebrekestelling gestuurd. Bijlage bij de brief en e-mail is het rapport van EXP.
3.14.
[gedaagde 2] heeft een eigen deskundige, EMN, ingeschakeld. EMN heeft de vloer op 15 mei 2024 geïnspecteerd en op 21 juni 2024 een rapport uitgebracht.
3.15.
[eiser] heeft op 4 oktober 2024 [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een brief en e-mail gestuurd waarin hij aangeeft aanspraak te maken op schadevergoeding en niet langer nakoming te verlangen (een zogenaamde omzettingsverklaring).
3.16.
[eiser] is vervolgens deze procedure gestart. Na de start van de procedure hebben EMN en EXP ieder nog een aanvullend rapport uitgebracht (EMN op 3 november 2025 en EXP op 25 juni 2026).
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 55.282,70 in hoofdsom en € 1.954,15 en € 713,90 aan expertisekosten, vermeerderd met btw, rente en (andere) kosten.
4.2.
Volgens gedaagden moet het gevorderde worden afgewezen.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
[eiser] heeft scheuren in zijn siergrindvloer.
5.2.
Met zijn vordering (tot betaling van € 55.282,70 ex btw, in hoofdsom) wenst [eiser] vergoeding van de herstelkosten, bestaande uit de kosten van het vervangen van de gehele drielaagse vloer.
5.3.
Het staat vast dat [eiser] met elk van de gedaagden individueel een overeenkomst heeft gesloten. [eiser] baseert zijn vordering op het tekortschieten in de nakoming van deze overeenkomsten, zoals geregeld in artikel 6:74 BW. Dit artikel bepaalt in het kort dat een schuldenaar die zijn verplichtingen niet (naar behoren) nakomt, gehouden is de schade te vergoeden die zijn contractspartij, in dit geval [eiser] , daardoor lijdt. Voor deze verplichting tot schadevergoeding gelden onder andere de volgende voorwaarden: (1) er is sprake van een tekortkoming, (2) er is een causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade en (3) de schuldenaar verkeert in verzuim. Het ligt op de weg van de partij die het rechtsgevolg inroept (in dit geval [eiser] die schadevergoeding vordert op grond van artikel 6:74 BW) om de daartoe vereiste feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen. Deze stellingen dienen zodanig concreet en feitelijk te zijn dat de wederpartij zich daartegen adequaat kan verweren. Het is, mede gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, uitdrukkelijk niet de taak van de rechter om zelfstandig in de producties op zoek te gaan naar feiten die de vordering eventueel zouden kunnen dragen.
5.4.
Mede in het licht van dit beoordelingskader oordeelt de rechtbank als volgt, waarbij het volgende in acht wordt genomen:
De vorderingen worden per gedaagde besproken, te beginnen met [gedaagde 3] (bovenste laag), daarna [gedaagde 2] (middelste laag) en dan [gedaagde 1] (onderste laag).
Tijdens de zitting heeft [eiser] de tekortkomingen concreet opgesomd in randnummer 4 van zijn pleitnota. Bij het bespreken van de gestelde tekortkomingen is deze opsomming aangehouden, voor zover aan de tekortkomingen wordt toegekomen.
Eerst worden twee algemene punten behandeld: groepsaansprakelijkheid en de waarschuwingsplicht.
Groepsaansprakelijkheid
5.5.
[eiser] stelt dat gedaagden als groep gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de schade en heeft een beroep gedaan op artikel 6:166 lid 1 BW. Dit wetsartikel bepaalt dat als een groep personen samen een onrechtmatige daad pleegt en één van hen schade toebrengt, alle groepsleden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade.
5.6.
Dit artikel is alleen al niet van toepassing, omdat van een groep geen sprake is. Gedaagden vormden bij het aanleggen van de vloer geen groep. Gedaagden hebben ieder afzonderlijk met [eiser] afspraken gemaakt en afzonderlijk ieder hun deel van de vloer geleverd en/of gelegd ( [gedaagde 1] in november 2017, [gedaagde 2] in september 2018 en [gedaagde 3] in de zomer van 2019). Dat gedaagden gezamenlijk hebben gehandeld is niet gebleken. Daarin lijkt ook de kern te zitten van de problemen die zijn ontstaan. [eiser] heeft zelf de regie gevoerd over het project, zelf de keuzes gemaakt en ieder van gedaagden zelf aangestuurd.
5.7.
[eiser] heeft verder een beroep gedaan op artikel 6:102 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat als meerdere partijen dezelfde schade moeten vergoeden, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het volledige schadebedrag. Volgens [eiser] is ieder van gedaagden op grond van dit artikel gehouden de herstelkosten van de gehele drielaagsvloer te vergoeden en is het aan hen om onderling uit te maken wie welk deel moet dragen.
5.8.
Voor toepassing van artikel 6:102 lid 1 BW is het echter een voorwaarde dat de aansprakelijkheid van elke gestelde aansprakelijke partij vaststaat. Pas wanneer dat het geval is en partijen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, kan artikel 6:102 lid 1 BW mogelijk worden toegepast. Zoals hieronder zal worden toegelicht, staat de aansprakelijkheid van geen van de gedaagden vast. Daarom komt de rechtbank niet toe aan artikel 6:102 lid 1 BW.
De waarschuwingsplicht
5.9.
[eiser] heeft onder meer in algemene zin betoogd dat de legger van een vloer gehouden is de daaronder liggende vloer(en) te onderzoeken voordat hij zijn vloer gaat leggen en dat hij schriftelijk moet waarschuwen dat de vloer niet geschikt is, als dit het geval is. Dat volgt uit artikel 7:754 BW en gedaagden zijn deze verplichting niet nagekomen, aldus [eiser] .
5.10.
Gedaagden betwisten allen dat zij de waarschuwingsplicht hebben geschonden. Volgens hen reikt de in artikel 7:754 BW neergelegde waarschuwingsplicht niet zo ver als door [eiser] is beschreven. Verder geldt de schriftelijkheidseis in dit geval niet, omdat die eis pas in de wet is gekomen, nadat de overeenkomsten waren gesloten, aldus gedaagden.
5.11.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog.
5.12.
Op grond van artikel 7:754 BW is een aannemer verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht of gebreken in zaken die van de opdrachtgever afkomstig zijn, voor zover de aannemer deze kende of redelijkerwijs hoorde te kennen. Deze bepaling verplicht een aannemer in beginsel tot een visuele of oppervlakkige inspectie van de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde materialen of ondergronden.
5.13.
De waarschuwingsplicht reikt echter niet zo ver dat van de aannemer, zonder daartoe strekkende opdracht, wordt verlangd dat hij een specifiek of diepgaand onderzoek instelt naar mogelijke, niet-zichtbare gebreken van de ondergrond. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden of concrete signalen die voor een deskundig aannemer aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek. Deze bijzondere omstandigheden en concrete signalen moeten door de opdrachtgever die zich op schending van artikel 7:754 BW beroept worden gesteld. Dat is hier niet gebeurd.
5.14.
Het enkele feit dat gedaagden de (onder)vloer niet uitvoerig hebben onderzocht (als dit al het geval is geweest), betekent dus niet zonder meer dat zij tekort zijn geschoten.
De vorderingen tegen [gedaagde 3]
5.15.
Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde 3] het standpunt ingenomen dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij rauwelijks is gedagvaard (dat wil zeggen, kort gezegd, zonder eerst een waarschuwing te hebben ontvangen). De rechtbank volgt [gedaagde 3] hierin echter niet. Zelfs als [gedaagde 3] rauwelijks is gedagvaard, betekent dat nog niet dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering.
5.16.
De vorderingen tegen [gedaagde 3] worden echter afgewezen, omdat uit de feiten niet volgt dat aan de voorwaarde van verzuim (hierboven, r.o. 5.3, voorwaarde (3)) is voldaan, hetgeen ook vereist is voor een omzettingsverklaring.
5.17.
[gedaagde 3] heeft betwist dat hij in verzuim is komen te verkeren, omdat hij niet deugdelijk in gebreke is gesteld. [gedaagde 3] is woonachtig in [land] en heeft zich in september 2021 uitgeschreven uit Nederland. In oktober 2021 heeft hij zijn Nederlandse onderneming beëindigd. [eiser] heeft voor het eerst in april 2024 geprobeerd om hem aan te spreken via e-mail en op zijn laatst bekende adres. [gedaagde 3] heeft pas voor het eerst van de klacht van [eiser] gehoord in de dagvaarding die op 7 augustus 2025 op zijn adres in [land] is betekend. [gedaagde 3] heeft vervolgens contact opgenomen met een advocaat in Nederland en hij is ter zitting verschenen.
5.18.
Volgens [eiser] heeft hij [gedaagde 3] wel degelijk in gebreke gesteld, maar de rechtbank deelt dat standpunt niet.
5.19.
Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft [eiser] verwezen naar twee brieven, gedateerd 5 april 2024 en 4 oktober 2024, die tevens per e-mail zijn verzonden. Uit de feiten blijkt echter niet dat deze brieven en e-mails daadwerkelijk door [gedaagde 3] zijn ontvangen. [gedaagde 3] heeft dit betwist en [eiser] heeft zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. Van de brieven is geen bewijs van ontvangst overgelegd. Wat de e-mails betreft heeft [eiser] aangevoerd dat hij geen foutmelding heeft ontvangen na het verzenden van de e-mails, maar dat betekent niet automatisch dat deze ook zijn ontvangen door [gedaagde 3] .
5.20.
Verder heeft [eiser] een beroep gedaan op artikel 3:37 lid 3 BW, dat kort gezegd bepaalt dat een bericht toch als ontvangen wordt beschouwd als de ontvanger (hier: [gedaagde 3] ) het bericht niet heeft ontvangen door zijn eigen schuld. Volgens [eiser] heeft hij de e-mails gestuurd naar het hem bekende e-mailadres, via welk adres partijen eerder hadden gecommuniceerd, en komt de niet-ontvangst dus door [gedaagde 3] ’s eigen schuld.
5.21.
De rechtbank oordeelt echter dat artikel 3:37 lid 3 BW hier niet van toepassing is, omdat het feit dat [gedaagde 3] de e-mails niet heeft ontvangen niet komt door zijn eigen schuld.
5.22.
Hoewel [eiser] de e-mails heeft gestuurd naar het hem bekende e-mailadres van [gedaagde 3] , was dat in deze situatie niet voldoende om een beroep te kunnen doen op 3:37 lid 3 BW. De e-mails zijn verstuurd ruim 4,5 tot 5 jaar nadat het werk was verricht (het werk vond plaats in de zomer van 2019, de e-mails zijn van 5 april en 4 oktober 2024). Gezien deze lange periode mocht [eiser] er niet zonder meer vanuit gaan dat [gedaagde 3] nog bereikbaar was via dat e-mailadres. Op het moment van verzending was [gedaagde 3] namelijk al geruime tijd terug verhuisd naar [land] , zoals blijkt uit zijn uitschrijving uit het Basisregistratie Personen (BPR) op 26 september 2021. Ook was zijn bedrijf al geruime tijd uitgeschreven uit het handelsregister (uitschrijving op 7 oktober 2021). In het handelsregister stond vermeld dat [gedaagde 3] zich had uitgeschreven en werd een ander e-mailadres genoemd waarop [gedaagde 3] bereikbaar zou zijn. Als [eiser] het handelsregister had geraadpleegd, hetgeen noch hij noch zijn advocaat heeft gedaan, had hij kunnen constateren dat het bedrijf van [gedaagde 3] was uitgeschreven en dat [gedaagde 3] via een ander e-mailadres bereikbaar was.
Daarnaast heeft [gedaagde 3] niet gereageerd op de verzonden e-mails, wat ook geen reden gaf om aan te nemen dat hij de e-mails daadwerkelijk had ontvangen.
5.23.
Hoewel [eiser] het e-mailadres heeft gebruikt dat hem bekend was en [gedaagde 3] [eiser] niet heeft geïnformeerd dat hij dit e-mailadres niet meer controleerde, betekent dit volgens de rechtbank niet dat [gedaagde 3] de e-mails niet heeft ontvangen door zijn eigen schuld. Het tijdsverloop, het uitblijven van een reactie van [gedaagde 3] en de informatie uit het handelsregister wegen volgens de rechtbank zwaarder.
5.24.
Omdat [gedaagde 3] niet deugdelijk in gebreke is gesteld, is hij niet in verzuim komen te verkeren en is hij ook niet gehouden om de schade te vergoeden. De vorderingen tegen [gedaagde 3] worden afgewezen. Partijen hebben tevens gedebatteerd over de vraag wie de siergrindvloer heeft aangebracht en andere kwesties, maar deze behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling.
De vorderingen tegen [gedaagde 2]
5.25.
[gedaagde 2] heeft de cementdekvloer aangebracht.
5.26.
[eiser] vordert schadevergoeding van [gedaagde 2] , omdat de cementdekvloer volgens hem gebrekkig is. De gebreken heeft [gedaagde 2] ter zitting nader toegelicht en bestaan uit de volgende onderdelen:
I. De cementdekvloer is niet goed gehecht aan het beton
II. De cementdekvloer is op punten niet vlak aangebracht
III. De cementdekvloer is broos van samenstelling
IV. Er zijn geen krimpwapening en dilataties aangebracht
V. De zand-cement-waterverhouding van de cementdekvloer is onjuist
VI. Op de plaatsen waar er scheuren waren in het beton is geen scheur overbruggende wapeningsnet van 6-8 mm aangebracht. Ook niet op de plaats waar het oude beton op het nieuwe beton aansluit.
VII. De cementdekvloer heeft onvoldoende afschot; dat dient minimaal ca. 15 mm, per m te zijn.
5.27.
[gedaagde 2] heeft betwist dat hij tekort is geschoten.
5.28.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.29.
De overeenkomst tussen partijen kwalificeert als aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW. Gevolg is dat de bepalingen over aanneming van werk (artikel 7:750 BW en verder) van toepassing zijn. Concreet betekent dit, onder andere, dat een aannemer een werk moet opleveren dat voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk vakwerk en dat het werk geschikt is voor zijn normale bestemming.
5.30.
In het licht van dit toetsingskader oordeelt de rechtbank als volgt over de gestelde gebreken.
i. Onderdelen I, III en V
5.31.
Onderdelen I, III en V gaan, samengevat, over de hechting en de samenstelling van de cementdekvloer. [eiser] heeft gesteld dat de samenstelling en de hechting van de cementdekvloer niet goed zijn, ter onderbouwing waarvan is verwezen naar het rapport van EXP.
5.32.
Anders dan [eiser] heeft betoogd staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat het werk vanwege de gestelde onjuiste samenstelling of hechting niet goed en deugdelijk was, op grond van het volgende.
5.33.
De rechtbank stelt voorop dat de cementdekvloer op 24 september 2018 is aangebracht en opgeleverd. Toen moest de vloer, ook qua hechting en samenstelling, voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
5.34.
Uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd volgt dat de samenstelling en de hechting van de cementdekvloer (mogelijk) niet deugdelijk waren in januari 2024. Dat is namelijk het moment waarop de vloer door EXP is beoordeeld. [eiser] betoogt in feite dat, omdat de hechting en samenstelling in januari 2024 niet goed waren, dit ook het geval moet zijn geweest in september 2018 (bij de oplevering).
5.35.
De rechtbank volgt dit betoog echter niet.
5.36.
In januari 2024 lag de cementdekvloer er meer dan 5 jaar en lag de siergrindvloer (de laag erop) er meer dan 4 jaar.
5.37.
Verder heeft [gedaagde 2] een andere verklaring gegeven voor de (mogelijk) ondeugdelijke samenstelling van de cementdekvloer in januari 2024. Hij heeft betoogd dat, als de samenstelling en de hechting in januari 2024 niet goed waren, dit komt doordat er een waterdoorlatende siergrindvloer overheen is gelegd zonder een deugdelijk afwateringslaag. Daardoor is er water door de siergrindlaag gekomen dat zich heeft opgehoopt in de cementdekvloer, hetgeen de samenstelling en de hechting van de cementdekvloer heeft aangetast, aldus [gedaagde 2] . Kortom: dat de cementdekvloer is aangetast (in de zin dat de samenstelling niet (meer) de juiste is en de hechting met de betonvloer niet meer goed is) ligt niet aan hem, aldus [gedaagde 2] . Het betoog van [gedaagde 2] wordt onderbouwd door het rapport EMN van 3 november 2025 en door EXP, die bevestigt dat de cementdekvloer wordt aangetast door vocht vanuit de open siergrindvloer (pagina 3, tweede rapport van EXP, van 25 juni 2026). Indien de hechting en samenstelling van de cementdekvloer in januari 2024 niet juist waren, betekent niet dat zij dat in september 2018 ook niet juist waren. Daarnaast is ook niet gebleken dat de cementdekvloer negen maanden na het aanleggen hiervan, ten tijde van het aanbrengen van de siergrindlaag gebreken vertoonde, hetgeen het aannemelijk maakt dat de cementdekvloer goed gehecht was en dat ook de samenstelling goed was.
5.38.
Het staat dus niet vast dat de cementdekvloer op 24 september 2018 niet voldeed aan de eisen van goed en deugdelijk werk qua hechting en samenstelling.
ii. Onderdeel II
5.39.
Volgens [eiser] is de cementdekvloer op sommige plekken niet vlak aangebracht. Dit is echter gezien de betwisting onvoldoende onderbouwd. Hoewel EXP in zijn rapport vermeldt dat de vloer niet overal vlak is, licht EXP niet toe hoe hij tot die conclusie is gekomen. Daarnaast is niet concreet aangegeven op welke plekken de vloer niet vlak zou zijn en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. De enkele – niet concrete en onvoldoende onderbouwde – conclusie van EXP is daarom niet voldoende tegenover de betwisting van [gedaagde 2] .
5.40.
Het staat dus niet vast dat de vloer ondeugdelijk is, omdat deze op sommige plekken niet vlak zou zijn aangebracht.
iii. Onderdelen IV en VI
5.41.
Onderdelen IV en VI gaan over het ontbreken van (a) dilatatievoegen en (b) (krimp)wapening.
5.42.
Wat betreft de dilatatievoegen geldt het volgende. Vaststaat dat de dilatatievoegen niet door [gedaagde 2] zijn aangebracht. [gedaagde 2] heeft toegelicht dat dit geen gebrek is, omdat hij er vanuit ging dat er bovenop de cementdekvloer tegels zouden worden geplaatst en het aan de tegellegger is om de dilatatievoegen aan te brengen in de onderlagen (zodat deze in alle lagen op dezelfde plaats is en aansluiten op de voegen van de tegels).
5.43.
[eiser] heeft erkend dat hij aanvankelijk wilde dat er tegels kwamen, maar volgens hem heeft hij [gedaagde 2] op enig moment ervan op de hoogte gesteld dat hij in plaats daarvan een siergrindvloer wilde. Dat [eiser] [gedaagde 2] ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij afzag van een tegelvloer is echter betwist en niet voldoende onderbouwd door [eiser] . [eiser] heeft ter onderbouwing verwezen naar een app van 20 oktober 2018 (productie 24 [eiser] ), waarin [gedaagde 2] epoxy vermeldt. Volgens [eiser] duidt het gebruik van het woord “ epoxy” door [gedaagde 2] erop dat hij wist dat er een siergrindvloer zou komen omdat epoxy bij siergrindvloer hoort, maar dit betoog is gemotiveerd betwist door [gedaagde 2] . Volgens [gedaagde 2] duidt het woord epoxy niet op een siergrindvloer; het whatsapp gesprek ging over scheuren en krimpnaden en epoxy wordt gebruikt om deze te dichten, aldus [gedaagde 2] . Daarop is [eiser] niet met een nadere toelichting gekomen waarom volgens hem het woord epoxy (toch) duidt op een siergrindvloer. [eiser] heeft daarom niet voldoende onderbouwd dat [gedaagde 2] wist dat er een siergrindvloer zou komen in plaats van tegels.
5.44.
[eiser] heeft verder niet betwist dat, als er tegels zouden worden gelegd, de tegellegger de dilatatievoegen zou aanbrengen (en niet de legger van de cementdekvloer).
5.45.
De conclusie is dan ook dat [gedaagde 2] niet tekort is geschoten door het niet aanbrengen van dilatatievoegen, omdat hij ervan uitging dat er tegels zouden komen en dat de tegellegger de dilatatievoegen zou aanbrengen.
5.46.
Wat betreft de (krimp)wapening geldt het volgende. Vaststaat dat er krimpwapening is aangebracht. Dat is niet betwist en blijkt, onder meer, uit bijlage 2 bij het rapport EXP van 6 februari 2024 en uit foto’s (productie 15 [eiser] ). In het rapport van EXP van 6 februari 2024 wordt ook vermeld dat er krimpwapening is aangebracht (onder foto 10).
5.47.
Volgens [eiser] is de aangebrachte wapening niet voldoende. [gedaagde 2] heeft echter gemotiveerd betwist dat de wapening onvoldoende is en daarop heeft [eiser] zijn standpunt (dat het onvoldoende is) niet onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg lag. De rechtbank is van oordeel dat er geen gebrek is vanwege onvoldoende wapening. Zoals hiervoor weergegeven is het niet de taak van de rechtbank om zelfstandig te gaan zoeken in de producties of er daarin aanwijzingen te vinden zijn die al dan niet ter onderbouwing zouden kunnen dienen van niet nader onderbouwde standpunten.
5.48.
Bovendien volgt uit het door [gedaagde 2] overlegde rapport van EMN dat het (mogelijk) ontbreken van wapening nog niet betekent dat daardoor de scheuren zijn ontstaan. Dit wordt toegeschreven aan het ontbreken van dilataties en een waterdichte afwerking.
5.49.
De conclusie is dus dat het niet vaststaat dat [gedaagde 2] tekort is geschoten inzake de (krimp)wapening.
iv. Onderdeel VII
5.50.
[eiser] heeft betoogd dat de cementdekvloer onvoldoende op afschot lag, maar dat is, gelet op de gemotiveerd betwisting niet voldoende onderbouwd. In het rapport van EXP wordt weliswaar gesteld dat de vloer niet voldoende op afschot lag, maar onduidelijk is hoe EXP tot deze conclusie is gekomen, zodat de juistheid van de conclusie niet kan worden getoetst. [gedaagde 2] heeft daartegenover erop gewezen dat de cementdekvloer er tussen september 2018 en de zomer van 2019 zonder laag er bovenop heeft gelegen, dat er plassen zouden zijn ontstaan als de vloer niet voldoende op afschot had gelegen. Gelet op het feit dat hierover niet geklaagd is en er geen contact met hem is opgenomen en dat er ook geen foto’s zijn overgelegd, is het aannemelijk dat er voldoende afschot was. Daarmee heeft [gedaagde 2] het standpunt van [eiser] gemotiveerd betwist. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had [gedaagde 2] met meer moeten komen dan de enkele – niet onderbouwde – conclusie in het rapport van EXP.
v. Conclusie over de vorderingen op [gedaagde 2]
5.51.
De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden afgewezen, omdat uit de feiten niet volgt dat [gedaagde 2] tekort is geschoten.
De vorderingen tegen [gedaagde 1]
5.52.
[gedaagde 1] heeft een deel van de onderste laag aansluitend aan de oude betonvloer aangelegd. [gedaagde 1] heeft een betonlaag naast het oude beton gestort. Dat is weergegeven in r.o. 3.3. Bij de aansluiting tussen het oude en het nieuwe beton is nieuw beton deels over het oude beton gestort.
5.53.
Volgens [eiser] is [gedaagde 1] tekortgeschoten om meerdere redenen, namelijk:
I. Bij de overgang van oud naar nieuw beton, ontbreken dilatatievoegen en is geen extra wapening aangebracht.
II. De aansluiting van het nieuwe betonvloer met oude vloer is ondeugdelijk uitgevoerd, het is een grillige naad, dit had een rechte met dilatatievoeg moeten zijn.
III. Het was beter geweest de oude betonvloer te verwijderen.
5.54.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat ook hier sprake is van aanneming van werk. Verwezen wordt naar het bepaalde in r.o. 5.29.
5.55.
Onderdelen I en II zien op het ontbreken van dilatatievoegen en extra wapening bij de overgang van oud naar nieuw beton.
5.56.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde gebreken geen tekortkomingen opleveren van [gedaagde 1] .
5.57.
Wat betreft de dilatatievoegen geldt hetzelfde als hiervoor, in r.o. 5.42 t/m 5.45, is weergegeven. Ook [gedaagde 1] heeft betoogd dat een tegellegger normaliter de dilatatievoegen aanbrengt (en niet hij als betonstorter) en toegelicht dat hij ervan uitging dat tegels zouden worden gelegd. [eiser] heeft daarop gesteld dat hij [gedaagde 1] heeft laten weten dat er geen tegels zouden komen (maar een siergrindvloer), maar dat hij dit voorafgaand aan de oplevering heeft laten weten is betwist en niet voldoende onderbouwd. Daarnaast heeft [eiser] erkend dat hij eerst voornemens was om tegels te laten leggen en dat hij dat tegen [gedaagde 1] en later ook tegen [gedaagde 2] heeft aangegeven.
5.58.
Ten aanzien van de wapening heeft [eiser] pas ter zitting het standpunt ingenomen dat [gedaagde 1] tekort is geschoten doordat hij geen extra wapening heeft aangebracht bij de overgang van oud naar nieuw beton. Deze stelling is tardief. Nu [eiser] dit standpunt niet eerder naar voren heeft gebracht, heeft [gedaagde 1] hierop niet deugdelijk kunnen reageren. Dit is in strijd met de goede procesorde, te meer daar [eiser] dit standpunt zonder reden pas ter zitting heeft ingenomen, terwijl hij dat ook in een eerder stadium van de procedure had kunnen doen. Verder volgt uit het overige betoog van [eiser] dat de verantwoordelijkheid voor de wapening lag bij de partij die de laag boven het beton zou aanbrengen (hier: [gedaagde 2] ), en dus niet bij de partij die het beton heeft gestort ( [gedaagde 1] ). [eiser] spreekt zichzelf hier dus tegen.
5.59.
[eiser] heeft verder vermeld dat de aansluiting tussen het oud en nieuw beton grillig is. Dat dit echter zelfstandig een tekortkoming is die tot de scheuren heeft geleid, is niet duidelijk gesteld. Naar de rechtbank begrijpt, gaat het erom dat er geen (rechte) dilatatievoeg is aangebracht, maar daarover oordeelt de rechtbank zoals is weergegeven in r.o. 5.57.
5.60.
[eiser] heeft ook, onder verwijzing naar een conclusie van EXP, aangevoerd dat het beter was geweest om de oude betonvloer te verwijderen (onderdeel III). Naar de rechtbank begrijpt heeft [eiser] hiermee bedoeld te betogen dat [gedaagde 1] tekort is geschoten doordat hij [eiser] niet heeft geadviseerd het oude beton te verwijderen.
5.61.
Ook uit dit betoog volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [gedaagde 1] tekort is geschoten. De vraag of [gedaagde 1] wat dit betreft tekort is geschoten, draait om de vraag of hij – als deskundige en in het licht van de opdracht en hetgeen tussen partijen is besproken – had moeten adviseren het oude beton te verwijderen.
5.62.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] toegelicht dat hij en [eiser] overleg hebben gehad over de bestaande betonvloer. Beide partijen waren zich bewust van de scheuren in het oude beton. [gedaagde 1] heeft aangegeven dat, indien er dilatatievoegen zouden worden aangebracht, de situatie beheersbaar zou zijn. Op basis daarvan heeft [eiser] , mede uit kostenoverwegingen, besloten de oude betonvloer te laten liggen. Deze feiten zijn door [eiser] niet betwist.
5.63.
[eiser] heeft tegenover deze toelichting onvoldoende gesteld om te concluderen dat [gedaagde 1] in deze situatie had moeten adviseren het oude beton te verwijderen. [gedaagde 1] ging ervan uit dat er tegels zouden worden gelegd en dat de tegelzetter dilatatievoegen zou aanbrengen. Volgens [gedaagde 1] zouden de scheuren in de betonvloer dan geen probleem vormen. Tegen deze achtergrond valt niet zonder meer in te zien dat [gedaagde 1] had moeten adviseren het beton te verwijderen. [eiser] heeft gewezen op een deskundige, EXP, die achteraf heeft gesteld dat het beter was geweest het oude beton te verwijderen, maar deze beoordeling is gemaakt met het oog op de siergrindvloer die later is aangebracht, en niet uitgaande van de tegels, waar [gedaagde 1] van uitging. Bovendien betekent het feit dat de deskundige achteraf zegt dat het beter was geweest als de betonvloer was verwijderd niet automatisch dat [gedaagde 1] zijn zorgplicht heeft geschonden door destijds niet te adviseren tot verwijdering van het beton. Het niet adviseren van een mogelijk (nog) betere (maar duurdere) optie betekent immers niet dat er verkeerd is geadviseerd.
5.64.
De vorderingen tegen [gedaagde 1] worden eveneens afgewezen, omdat uit de feiten niet volgt dat hij tekort is geschoten.
De proceskosten
5.65.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen tegen alle gedaagden worden afgewezen. Gedaagden hebben ook andere verweren gevoerd, maar deze hoeven niet te worden behandeld.
5.66.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van ieder van gedaagden betalen. De proceskosten per gedaagde worden begroot op:
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.143,00
5.67.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan ieder van de gedaagden van de proceskosten van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan ieder van gedaagden van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Xanthopoulos en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.